anneke brassinga
god allemachtig, je kan me gestolen worden.
'k heb jou niet lief en evenmin bemin ik het woord,
het vlees geworden, ferm gekneed en gaargestoofd
gehakt der schone poëzij. al wat zich waarheid waant
en wil aanbeden, zal ik weerspreken
tot mijn tong verdroogt. want ik ben dichter,
timmer gaten dicht en kieren, hamer schotten
tegen blikseminslag van het lot, sla spijkers
waar jouw donder dreigt, en vloek het gluipen
van de gifslang die jij zendt, o god.
ik zal er staan, van aangezicht tot aangezicht
wanneer je duistre spiegel breekt; maar wel als david
met zijn slingersteen. zolang ik duur, hoed ik
mijn hart, mijn wankel fort aan het ravijn dat jij
zo wonder schept, met slagen van je hand.
ik baken wereld af, verweer me tegen overmacht
en roverlust: jij rooft gestaag de lieve levens
van wie mij lief zijn en met wie ik delen mag
de razernij om afscheid dat jij ons proeven doet
al in de eerste kus - jouw dood, jouw as, jouw roet.


1 reactie op dit bericht
hevig