GHERUCHT
.
de liefde laeyt
een wijle op
terwijl de ronde warmte
achter de suyghende kimme daelt
.
maer hoe kan ick haer
voortgaende loven
als onse stemmen
ghedwongen doven
.
ende met een diepen sucht
bij ’t open venster
de koude van het afscheyt
naer voren wordt gheschoven
.
is dan de stilte
met roest besmet
ende dreyght de verte
allengskens samen te ballen
tot een afgetopten knoest?
.
terwijl ick ’t verlanghen weder
verbergh achter
mijnen verfoeyden roockershoest
.
doch desen morgen
verschijnt de dageraet opnieuw
.
hij draeght een verschoont
lichtblauw ghewaet
.
soo wordt de tijt overbrught
ende schildert weder
vraghende oghen
naer wat noch komen magh
.
oock ghisteren lijdt
soo blijkt
aen een vergankelijck gherucht
.

