harry Mullich overleden
Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927 - Amsterdam, 30 oktober 2010) geldt als één van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij wordt gerekend tot "De Grote Drie" van de naoorlogse Nederlandse literatuur, waartoe ookWillem Frederik Hermans en Gerard Reve behoren.
Geboorte en jeugd
Mulisch' vader Kurt Victor Karl Mulisch werd in 1892 geboren in Gablonz an der Neiße in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, nu Jablonec nad Nisou in Tsjechië. In de Eerste Wereldoorlog was hij commandant van een batterij zware bereden veldartillerie aan het Russische, Italiaanse en Franse front. Na de oorlog emigreerde hij naar Nederland. Mulisch' moeder Alice Schwarz zag op 16 maart 1908 in Antwerpen het levenslicht als dochter van een joodse bankier uit Frankfurt am Main. Vanwege hun vriendschappelijke contacten met Duitse officieren vluchtte het gezin Schwarz na deEerste Wereldoorlog van Vlaanderen naar Nederland. Aldaar ontmoetten Karl Mulisch en Alice elkaar via haar vader, die de oorlogsveteraan aan een baan hielp. Naar aanleiding van deze samenloop van omstandigheden zou Mulisch later concluderen dat hij zijn bestaan te danken had aan de Eerste Wereldoorlog.
In april 1926 trouwden Karl Mulisch en Alice Schwarz in Amsterdam en uit het huwelijk werd op 29 juli 1927 hun enige zoon Harry geboren op het adres Westerhoutpark 16 te Haarlem, waar de familie zich had gevestigd. Harry werd grotendeels opgevoed door de huishoudster, Frieda Falk, die in 1891 geboren werd in Posen in het toenmalige Duitse Keizerrijk, thans Poznań in Polen. Met haar reisde de vierjarige Harry, die gedeeltelijk in het Nederlands en in het Duits werd opgevoed, in het najaar van 1931 naar Berlijn (ten tijde van de Weimarrepubliek) en verdwaalde er in het labyrint van de Tiergarten. Naar eigen zeggen zouden dit de plaats en het moment geweest zijn waarop de voorwaarden voor zijn schrijverschap tot stand kwamen.
Mulisch leerde schrijven op een particulier instituut in Haarlem, dat hij bezocht tussen 1933 en 1939. In deze jaren schreef Harry al zijn eerste verhaal, De pottebakker, een verhaal over een komisch voorval op school. In 1936, toen Mulisch negen was, scheidden zijn ouders. Zijn moeder verhuisde naar Amsterdam (en zou in 1951 naar Californië emigreren), terwijl Harry bij zijn vader, K.V.K. zoals hij hem later in zijn geschriften vaak noemde, in Haarlem bleef. Zijn vader werd na de vrolijke jaren twintig zwaarmoedig. Bovendien daalde zijn inkomen waardoor de afgeslankte familie een aantal keren verhuisde naar kleinere woningen.
In de jaren dertig kreeg Mulisch grenzeloze interesse in de chemie, die was gewekt door het jongensboek De ongelooflijke avonturen van Bram Vingerling (1927) van Leonard Roggeveen. Later besefte Mulisch dat Bram Vingerling in feite de alchemie beoefende, een van de belangrijkste thema's uit zijn oeuvre.
Tweede Wereldoorlog en revelatie van een jonge schrijver
Met de kreet "Krieg, Krieg! Herr Mulisch! Es ist Krieg! Die Deutschen sind da!", uitgeschreeuwd door opvoedster Frieda, begon voor de twaalfjarige Harry de Tweede Wereldoorlog. In de oorlogsjaren was Mulisch’ vader in opdracht van de nazi's directeur personeelszaken van Lippman-Rosenthal & Co. Dit bankiershuis had de taak geconfisqueerde joodse bezittingen, zoals tegoeden, effecten en andere kostbaarheden te 'beheren'. Dankzij de samenwerking met de nazi's was K.V.K. in staat zijn joodse ex-vrouw en zijn joodse zoon uit Duitse handen te houden. Harry's groot- en overgrootmoeder van moeders kant zijn in 1943 naar concentratiekampen weggevoerd. Doordat Mulisch enerzijds de zoon was van een collaborateur en anderzijds een kind van een joodse vrouw (en kleinzoon van slachtoffers) leefde hij in een merkwaardige positie. Deze omstandigheden leverden stof op voor een groot deel van zijn werk. Het heeft hem duidelijk gemaakt hoe ingewikkeld dingen als ‘goed’, ‘kwaad’ en ‘schuld’ liggen. Dit is waar zijn werk vooral over gaat. Een gevleugelde uitspraak van Mulisch was: "Ik heb de oorlog niet zo zeer 'meegemaakt', ik 'ben' de Tweede Wereldoorlog." Na de bevrijding zou vader Mulisch worden opgepakt wegens collaboratie.
In 1941 verhuisde Mulisch met zijn vader en Frieda naar de Anna van Burenlaan in Haarlem. Mulisch verklaarde het belang van dit huis in zijn leven: "In dat huis is het allemaal gebeurd. Daar beleefde ik de oorlog. Daar schreef ik mijn eerste verhalen en romans. Daar ging ik voor het eerst met een meisje naar bed." Na vier jaar Eerste Christelijk Lyceum van Haarlem bleef hij weg van school. Directe aanleiding was het zakken voor een herexamen, de dag na 5 september 1944 (Dolle Dinsdag), waarna Mulisch een autodidact pur sang werd.
Aanvankelijk produceerde Mulisch in zijn kamertje chemische boeken die voor iedereen toegankelijk moesten zijn. Maar ondanks zijn zelfverklaarde afkeer van literatuur werd Mulisch wel degelijk beïnvloed door bepaalde schrijvers. Edgar Allan Poe was de eerste invloed op de jonge Mulisch, wat blijkt uit zijn eerste probeersels. Van Thomas Mann leerde hij de discipline om elk woord, iedere zin af te wegen, terwijl hij tegelijkertijd diep onder de indruk raakte van de overvloedige stijl van Dostojevski. Jorge Luis Borges was in de jaren zestig de laatste auteur die hem genoeg kon boeien om diens oeuvre te verslinden. Verder heeft hij naar eigen zeggen nooit veel literatuur gelezen, enkel het hoogst noodzakelijke om op de hoogte te blijven van collega-schrijvers. Hij zei dan ook van zichzelf: ‘Ik ben een schrijver, geen lezer’.
Mulisch' volgende teken van zijn schrijverstalent was het verhaal De kamer. Het werd op 8 februari 1947 gepubliceerd in Elseviers Weekblad. Het verhaal gaat over iemand die in zijn jonge jaren verwonderd was over een kamer. Hij kan de bekoring niet verklaren, totdat hij veertig jaar later terugkeert en de kamer bewoont. Dan komt hij erachter waarom deze kamer hem fascineerde: het blijkt zijn sterfkamer te zijn.
De jonge Mulisch hield zich eind jaren veertig bezig met occultisme, spiritisme en het toneel. Hij sloot zich aan bij het Amsterdamse Reis-Opera-Gezelschap en trok met een operette voor arbeiders door de polder. Inmiddels was hij in 1949 begonnen aan zijn eerste volwassen roman. Pas na twee jaar intensief schrijven zou hij zijn debuut archibald strohalm afronden.
Vrouwen en kinderen
In 1971 trouwde Mulisch met de kunstenares Sjoerdje Woudenberg. Met haar kreeg hij twee dochters, Anna (1971) en Frieda (1974). Sinds 1989 woonde hij samen met zijn vriendin Kitty Saal, met wie hij een zoon Menzo (1992) kreeg.
Overlijden
Op 29 oktober 2010 berichtten media dat Mulisch ernstig ziek was en niet lang te leven meer zou hebben. Op 30 oktober 2010 rond acht uur 's avonds overleed hij op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
De overledene wordt op zaterdag 6 november 2010 begraven op de begraafplaats Zorgvlied te Amsterdam. Men houdt eerst in de Amsterdamse Stadsschouwburg een voor iedereen toegankelijke afscheidsplechtigheid.



























