Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
akke.beakke.be

Berichten van 7 september 2026 tot 13 september 2026

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 7 september : Milac-Avond
Om 20 uur in het Parochiehuis met Theo Van den Bosch en Suzy Marleen. Verder met de conferencier-animator Bert Joris, de zangeres Jetty Ost, de internationale muzikale fantaisist Stanny Stijn, Rik Piers de nieuwe Radio en T.V.-ster en het orkest “Univers”.

1964 – Oktobernummer “De Band” : Ongevallen
-Auto over kop : Twee personenwagens, respectievelijk toebehorend aan Verbruggen uit Leest en Corbeel uit St.Kat.Waver kwamen uit een tegenovergestelde richting en botsten op elkaar op de Grote Baan te Heffen. Het voertuig van laatstgenoemde sloeg over kop en de bestuurder werd hierbij licht gewond.

-Botsing tegen paal : In de Blaasveldstraat reed E. De Win (foto onderaan) met zijn wagen tegen een betonpaal. Het voertuig werd tamelijk erg beschadigd en diende weggesleept te worden. De bestuurder kwam er met de schrik af.

-Tegen stilstaande auto: In de Dorpstraat reed G. Vloebergh tegen een aldaar geparkeerde wagen. Enkel materiële schade.

-Fietser tegen bromfietser: In de Winkelstraat had een aanrijding plaats tussen de fietser Jan Fierens uit Leest en de bromfietser Herman Van Utterbeek uit O.L.Vr. Waver. Deze laatste werd licht gewond.

-Dwaze streek : Na het bijwonen van de H.Mis en het opstappen naar huis toe werd mevrouw weduwe Verlinden in de Kouter door een drietal schoolgaande kinderen omver gereden. Zij liep hierbij een ontwrichting aan de pols op en kloeg over pijnen aan de ledematen.
Voor wanneer gaat het eens ophouden met de dwaze streken van schoolgaanden, en wanneer zal daartegen eens drastisch opgetreden worden vermits het anders toch niet schijnt te helpen.

-Erge Val : Op de hoek van de Kouter en Dorpstraat viel op een onverklaarbare wijze mevrouw M. Lauwers ten gronde. Zij kwam met het voorhoofd op de stenen terecht en liep een diepe hoofdwonde op. De bijgeroepen geneesheer gaf haar de nodige verzorging.

-Nog een aanrijding : Te Kapelle-o-d-Bos had er een aanrijding plaats tussen de drie gebroeders De Donder uit Leest enerzijds en de autobestuurder F. Croonen. De broers werden slechts licht gewond.

-Val bij turnen: Tijdens de turnoefeningen in het Sint Theresiacollege te Kapelle-o-d-Bos deed Marc Beterams (foto onderaan) een val waardoor hij zijn schouder ontwrichtte en een inwendige kneuzing aan het sleutelbeen opliep. Na verzorging door een plaatselijke dokter en na verpleging in een kliniek kon hij huiswaarts keren.

1964 – 4 oktober : Kwaadwillige beschadiging koetswerk auto
Het koetswerk van de pas herschilderde Renault Ondine van Louis Selleslagh (foto onderaan) (°Kapelle o/d Bos 10/8/1938), wonende Alemstraat 17, werd aan het café Verschuren op de Juniorslaan zwaar beschadigd. Met een scherp voorwerp werd de ganse rechterkant diep ingekrast en ook het kofferdeksel was er erg aan toe. De schade werd vermoedelijk toegebracht uit politieke wraak omdat Selleslagh zich kandidaat had gesteld voor de komende gemeenteraadverkiezingen van 11 oktober a.s.

1964 – 8 oktober : Feest van de B.J.B.-meisjes
“Door de zorgen van de B.J.B.-meisjes werd op 8 oktober een parochiaal feest gehouden met als hoogtepunt het oplaten van ballons, gezien in het kader van een wedstrijd met o.a. een vliegtuigreis voor twee personen aan de winnaar. Deze actie welke ten zeerste dient geprezen omwille van de voorgenomen actie voor de Ontwikkelingslanden, heeft zeker belangstelling verwekt. Eerlijkheidshalve moet er aan toegevoegd worden dat meerdere bewoners der gemeente geen bezoek ontvingen van BJB-meisjes voor het aanbieden van een kaart ten bedrage van 7 frs, en zulks zeer spijtig is.” (“DB”, december ’64)

1964 – 9 oktober : Speciaal dansfeest in zaal Ste Cecilia
Met het orkest Ray Debrae en zijn Romancers.

Foto’s :
-Ernest De Win reed tegen een betonpaal.
-Links Marc Beterams met enkele Chiro-makkers : Frans Lamberts, Luc Lauwers en Jef Van den Heuvel. Marc ontwrichtte zijn schouder bij een val.
-De Ondine van Louis Selleslagh werd beschadigd.



2720521-74f543b87641a555d2c97f506c650db7.jpg

2720521-a552059ddee15bf131b37f8f258bceda.jpg

2720521-af673f36b1e9fecfb5fd3deda8efa757.png
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:41 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : Soldaat Willy SILVERANS
“Burcht : liet ons door middel van een pittig bericht zijn afzwaai weten, zulks ten gevolge van een besmettelijke ziekte opgedaan op 1 juli 1963 en hersteld op 27 juni van dit jaar.” In dezelfde periodiek van augustus : Welkom thuis “Zwaaide af op 27 juni l.l. militiaan Silverans Willy wat met tegenzin gebeurde ; de ouderdomsgrens mag echter niet overschreden worden. Iedere Belg is gelijk voor de wet, vastgelegd door de Grondwet. Welkom thuis.”

Willy Silverans zou op zijn 46ste op een fietspad aangereden worden door een zware container. Hij was op slag dood. Hij liet een zoon achter die net gehuwd was en een dochter van 17.

1964 – Woensdag 2 september : Aangereden
Op woensdag 2 september werd de 7-jarige Erwin Van Nobelen bij het oversteken van de Kleine Heide aangereden door de personenwagen bestuurd door Cyriel De Smet. Gelukkig bleef alles beperkt tot lichte kneuzingen bij het kind en te verwaarlozen blikschade. (DB)

1964 – 4 september : Diefstal van 10 bakken spinazie
Landbouwer Victor Robijns (°Kapelle op/den Bos 14/9/1895), wonende Leest Alemstraat nr. 29, zette gisteravond tien bakken spinazie klaar om door zijn zoon en groentenhandelaar Jan opgehaald te worden. Vanmorgen waren die allemaal verdwenen. De spinazie had een marktwaarde van 700 frank en de bakken, eigendom van Jan Robijns, kostten 30 frank per stuk. Volgens de garde was dit de derde diefstal deze maand van op de straat geposteerde veldvruchten.

                                                        Victor Robijns 

Victor Robijns ‘Torre van de Kets’ overleed in de ‘Heergracht’ te Mechelen op 21 januari 1985 : “…zijn warme hartelijkheid, zijn eenvoud, zijn liefdevolle werkkracht, zijn meeleven met anderen…” (uit zijn gedachtenisprentje) Hij was gehuwd met Maria Ludovica Alewaters (°Leest 07/01/1897, +Mechelen 28/11/1971) en de grootvader van o.a. Stan Gobien. Een interview uit 1984 verscheen in januari 1985 in ‘Caecilia’, het tijdschrift van het Muziekverbond van België. Een week nadat het interview was verschenen, overleed Victor Robijns. Voor de tweede wereldoorlog was hij bestuurslid van de fanfare St.-Cecilia en als dusdanig woordvoerder voor de muzikanten.

Victor ROBIJNS en de sfeer van toen…

“Aan de Alemstraat te Leest woont Victor Robijns, in gans Leest beter bekend als ‘Torre van de Kets’, en momenteel (Noot : 1985) het oudste lid (thans erelid) van de kampioenenfanfare Kon. Fanfare ‘Sint-Cecilia’ van Leest-Mechelen. Toen we daar kwamen, zat hij in een zetel zijn middagdutje te doen. Hij ontwaakte al toen we de deur openden. Eerst was hij niet zo te vinden voor een vraaggesprek, maar na een tijdje vertelde hij vrijuit !
-Hoe ben je bij de Leestse fanfare gekomen ? -’t Was in 1919. Ik trouwde in Leest en daar waren het ‘Blekken’. Ikzelf kom uit Kapelle-op-den-Bos en daar speelde ik bij de fanfare ‘De Vrije Vlaamse Zonen’, de ‘Sussen’ van Kapelle. Na mijn huwelijk ben ik dan ook muzikant geworden bij ‘St.-Cecilia’ Leest.
-Bracht dat toen geen strubbelingen mee ? We bedoelen ‘Blek’ zijn in Leest en ‘Sus’ zijn in Kapellen-op-den-Bos ?
-Iemand van den Triest (gehucht in Kapellen-op-den-Bos waar het geboortehuis van Victor staat) zei me toen eens dat hij het niet serieus vond dat ik muzikant geworden was bij de ‘tegenpartij’ in Leest. Ik heb hem toen gewoon gezegd dat ik geen ruzie wilde met mijn vrouw en dat ik nu in Leest woonde. Daarmee hebben ze er in Kapelle niets meer durven over zeggen. ’t Strafste van de zaak was dat ik in Leest meespeelde op het instrument van de Sussen van Kapelle. Dat was ook iets speciaals met dat instrument. Vlak voor de oorlog van 1914-18 had ik een nieuw instrument gekregen. De andere muzikanten moesten in 1914 hun instrument inleveren. Omdat het mijne een nieuw was, mocht ik het zelf houden. Ik heb het zelfs meegenomen op de ‘vlucht’. Het hing over mijn schouder. Onderweg heb ik er nog dikwijls muziek mee gemaakt. Na de oorlog waren al de ingeleverde instrumenten naar de vaantjes. ’t Mijne niet en zo moest ik wel in twee fanfares meespelen. In 1922 ben ik ermee gestopt in Kapelle. Ik was de laatste maanden niet zoveel meer naar de repetitie geweest ginder en toen kwamen ze vragen of ik nog wel kwam. Ik heb dat instrument toen afgegeven. De Leestse fanfare heeft voor mij toen een andere bugel gekocht.
-Hoe zag de Leestse fanfare er toen uit ? -Helemaal anders dan nu ! Er waren zo’n 20 tot 25 muzikanten, meer niet ! Maar er waren toen wel vijfmaal meer ereleden. Als we dan opstapten, liepen er zo’n honderd ereleden achter ‘het muziek’ aan. Aan wedstrijden deden we niet mee ! Wel aan festivals. Ik herinner me nog een festival in Heffen. We waren, toen we moesten optreden, juist geteld met twee muzikanten, allebei bugelspelers, nl. Ston Busschots en ikzelf. Later is ‘Waar’ Lemmens er bijgekomen en dan nog een paar andere muzikanten. Ook in zulke omstandigheden gaven wij het niet op ! Dat zouden de muzikanten van nu niet meer durven, geloof ik ! Maar ja, de muziek is ook erg veranderd…
-Hoe waren de repetities ? -Ze hadden plaats in een café. Alles werd opzij geschoven en dan repeteerden wij. Meestal allemaal danskens, walsen en marsen. Af en toe een groter stuk, maar dat viel niet zo in de smaak. Wij speelden om onszelf en om de mensen te amuseren. In de zomer speelden de muzikanten van de Alemstraat ’s zondags buiten ! Toen zaten we in de gracht! Dat was heel plezant ! De mensen kwamen dan bij ons zitten en luisterden heel de namiddag. Op de repetities werd heel wat gedronken. Plezier maken kwam bij ons voor muziek maken. Nu is dat wel anders ! Elke tijd heeft zo zijn eigenaardigheden !
-Je speelde voor je plezier. Waarom waren er toen zoveel ereleden in vergelijking met het aantal muzikanten ? -De mensen waren toen lid om aan de teerfeesten te kunnen meedoen. De teerfeesten van de Leestse fanfare waren iets speciaals. Ik was bestuurslid geworden omstreeks 1925. Een paar jaar later moest er in het bestuur iemand de belangen van de muzikanten behartigen en ik werd daarvoor uitgekozen. Een goede week voor de teerfeesten trokken we toen naar een veehandelaar. We kochten daar dan een koe, een os of een stier. Deze werd dan in Leest geslacht en met de teerfeesten opgegeten. We kochten ooit eens in Nieuwenrode een stier van meer dan 800 kg. Die hebben we niet opgekregen.
-Hoe verliepen de teerfeesten dan ? -De teerfeesten duurden drie volle dagen. Iedereen werkte de weken daarvoor zo hard dat die dagen er wel afkonden. We begonnen ’s zondags na de hoogmis met ons jaarlijks teerfeest. Toen gingen we ‘kop’ of biefstuk eten. Daarna deden we zoveel mogelijk cafés aan. Omstreeks 4 uur ’s namiddags waren we terug en dan begonnen we te eten. Na ’t eten was er bal. De boeren (toen het merendeel van de plattelandsbevolking) moesten echter eerst nog naar huis om de koeien te gaan melken. Wij hebben er ooit eens een autobusje voor ingelegd. Als we in de stal gedaan hadden, trokken we terug naar het dorp. Het bal duurde daar tot ’s morgens vroeg. Een orkest huurden we niet. We hadden ons eigen orkest en we speelden onze bals zelf. Er is zelfs een tijd geweest dat we twee orkesten hadden. Iedereen danste met iedereen. Ouderen met jongeren, bijna tot op de draad versleten mannen en vrouwen met jonge springers. De ouderen leerden de jongeren dansen. Wie met de ‘Blekken’ een jaar had meegeteerd, kon dan ook dansen ! De tweede en de derde dag (maandag en dinsdag) kwamen ze samen in de Alemstraat omstreeks de noen. Sommigen zaten al in de cafés te wachten vanaf 10 uur. Dan trokken we zo weer via de Heide naar het Dorp. Er waren toen minstens 25 cafés ! Dan was er weer een feestmaal en terug een bal. De derde dag aten we meestal de overschot op of aten we stoofvlees met aardappelen. Na de derde dag was iedereen het eten moe en zelfs het drinken. Of toch bijna iedereen…
-Als er zoveel cafés waren, liep dan alles wel goed af ? -’t Gebeurde geregeld dat – wanneer het grootste deel van de fanfaremensen al in ’t Dorp waren – er nog muzikanten en ereleden op de Heide zaten te pintelieren. Die kwamen er dan wel later door. De dirigent en het bestuur hadden steeds de grootste moeite om iedereen buiten te krijgen uit die cafés. Met de teerfeesten van toen had iedereen een stuk in de kraag, maar toen was het ook niet zo gevaarlijk op straat : auto’s reden er bijna niet.
-Wanneer stopte je als muzikant ? -Feitelijk bij het begin van de oorlog van 1940-45, maar mijn laatste jaar als muzikant was 1937, denk ik. Toen mijn oudste zoon, onze Louis, muzikant geworden is, ben ik ermee gestopt. Ik heb na de oorlog wel eens geprobeerd, maar ’t ging niet zo goed meer want tijdens de oorlog hadden we geen noot meer mogen blazen van de Duitsers. Ik ben dan erelid geworden en ik ging steeds mee als er wat te doen was. Nu kan ik dat ook niet meer…
-Anekdotes uit de tijd van vroeger ? -Ja, veel, maar ik vind ze zo direct niet…Ik speelde in 1919 nog in Kapelle-op-den-Bos. Daar speelden echter ook nog andere Leestenaars mee, onder andere Louis Spoelders. Hij speelde trombone en als hij in vorm was, liet hij zijn instrument kletteren dat heel Kapelle daverde. Louis moest eens alleen spelen en hij kon het heel goed. De chef (Andries) zei : ‘Spoelders, ge blaast koper !’ Toen zei Louis kwaad : ‘Chef, ik ben potfer nen Blek !’ Tumult natuurlijk, want zo iets durven zeggen op de repetitie van de Sussen was toen een straffe toer ! Als er bij ons iemand van de fanfare kwam, haalde mijn vrouw (ons Wis) een fles cognac of ‘elixir d’Anvers’ boven. En die mannen gingen dan meestal pas verder als de fles leeg was of ’t scheelde niet veel…Met wat de wijkmeesters van voor de oorlog kwamen vertellen, moest ge dan goed oppassen. Die gingen in dergelijke omstandigheden van huis tot huis en overal kregen ze ten minste een goede druppel. Aan het eind van hun rondgang kwam er dan niet veel serieus meer uit, maar de leden waren wel zo slim de volgende dag aan elkaar te vragen wat de wijkmeester had verteld en hoe laat het was toen hij op bezoek kwam. Sommige wijkmeesters deden als het mogelijk was maar één of twee bezoeken per dag en zo konden ze de hele week of nog langer van huis weg… Rik De Bruyn speelde ook mee in de fanfare. Ik speelde bugel solo en Rik van ’t Kot moest 3de bugel spelen van de chef. Omdat ik wist dat Rik de beste muzikant was van de fanfare kon ik dat niet langer verdragen. Toen heb ik op de repetitie tegen Nante van den Toebak (de dirigent) gezegd : ‘Zet die kleine maar naast mij. Hij speelt ons allemaal onderste boven ! Ik wil dat dat gezever nu gedaan is !’ En nog dezelfde repetitie mocht Rik bugel solo spelen. Met de ‘verhuizingen’ (eens per maand op zondag een muzikale wandeling met cafébezoek) kwamen er soms muzikanten bij ons thuis eten. ’t Was soms zo erg dat ze de pensen uit de kelder gingen halen. In die tijd was dat de gewoonste zaak van de wereld. Ons Wis maakte wel veel kabaal als er zoiets gebeurde, maar tegenhouden deed ze die mannen toch niet. Nu zoudt ge dat niet meer moeten proberen om uit iemands kelder wat te halen ! In onze tijd waren we tevreden met wat we hadden. Als er niets meer was, konden we niets meer verdelen en ook niets meer weggeven. Hadden we niet zoveel weelde als nu, we hadden wel meer plezier. De goede oude tijd was meestal wel een harde tijd en misschien ook niet zo goed : er was meer armoede, er stierven meer kinderen en jonge mensen. Maar…als we werkten, werkten we hard. Als we dronken, dronken we een serieuze hoeveelheid. Als we plezier maakten, dan was dat echt plezier en duurde dat tot ’s morgens vroeg. Nu zijn de tijden veranderd en ook de mensen… De mensen van mijn soort (degenen die geboren zijn voor 1900) zijn zo stilaan aan ’t verdwijnen. Met nog een paar schieten we op dit ogenblik in de fanfare over… ’t Wordt nooit meer zoals het vroeger is geweest ! Gelukkig voor het een en spijtig voor het ander… Tot daar het gesprek met Victor Robijns, de kranige ‘Torre van de Kets’. Hij deed ons zowaar heimwee krijgen ! Heimwee naar de solidariteit van vroeger, naar het echt plezier en de echte vreugde, naar de mensen van toen die elkaar echt hielpen. Misschien komt dit alles nog eens terug ?”

Foto’s :
-Gedachtenisprentje en doodsbrief van Willy Silverans.
-Erwin Van Nobelen als volwassene.
-Victor Robijns.
-Drie bugelspelers : Victor Robijns (links), Edward Lemmens en Gaston Busschot.



2720282-d6e54c8ca6a8084271694f5e21c07567.jpg

2720282-3bf879bbebb685327b832fcce0597e49.jpg

2720282-84c923b46a29d6a48761eb9bd61dc821.jpg

2720282-39322a4f2836d167e4db9c5eb96b1480.jpg

2720282-0a79f3cfaeec9db64a8e01e405c2b953.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:11 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : Ordonnans Eduard SPOELDERS
-Probsteierwald, 1964 : Hier een eerste briefje van een nieuwe soldaat. Ik ben wel al een maand binnen maar dit na een opleiding in Turnhout en het is er niet van gekomen om te schrijven. Hier is alles met mij goed en ben goed gearriveerd, begin nu aan een nieuwe maand opleiding en dan nog 10 maanden dienst en ik ben er van af (waar een mens durft aan denken hé !). Ik ben met Robert De Rooster binnengekomen, maar ik heb hem maar één keer gezien en van zijn adres weet ik ook niets af, het zou interessant zijn indien ik Robert zijn adres had. Hier op mijn kamer ligt nog een soldaat van Hombeek : Fierens Robert. Ik sluit dit briefje, want ik ga wat rusten en misschien wat slapen, want het is typisch voor een soldaat, want ze zeggen : ‘een soldaat ligt te velde, hetgeen ik al dikwijls ondervonden heb in Turnhout. Ik doe nog een goeie dag en bijzonder aan andere soldaten, dorpsgenoten en aan de K.W.B.-ers.”

-Probsteierwald, 1964 : “Hier weer wat nieuws van een ‘Bleuke’ die van zondag af ‘Ancien’ is, het is te zien, want we zijn van 5 h 30 op en heb nu 9 h en we hebben alleen nog maar gegeten, dat is natuurlijk een goed begin van onze 11 maanden dienst als serieuze militaire dienst. Dus zondag begint onze instructie, dit is een maand zwaar werk. Verleden week hebben we in de garage gewerkt, dit was natuurlijk ‘reuze’ (veel kijken en weinig werken-ook een kunst). Nu over de omgeving hier, we zitten tussen 2 stadjes, het ene Esweiller op 5 km van het kamp en Stalberg ook op 5 km afstand van hier, bijgevolg is er van uitgaan geen sprake maar toch zijn we zaterdag en zondag weg geweest. Resultaat : zondag zo stijf als een plank en niet veel plezier gemaakt. Met vieren hebben we besloten in het kamp te blijven en uit te slapen, een zaak waarmee ne soldaat zijn dienst moet doorbrengen. Over het eten, een bijzondere factor; dit is hier goed, zeer goed. Met mij zelf is het uitstekend, natuurlijk liever thuis, maar dat komt ook. Het programma van elke dag : 5h30 opstaan, appel, 6 h kopje koffie drinken en dan ochtendcross, t.t.z. wandelen, 6 h 30 eten, in militaire termen ‘boeffen’, dan karwei of bed opmaken. 7 h 30 begin dagtaak, 12h15 eten, 13h30 verder werken, 5 h eindigen? 6 h 15 eten, 6 h 30 vrij, 10 h avondappel, 10h30 lichten uit. Ik eindig, want ik schreef daar juist 10h30 lichten uit. Nog een goede dag aan alle vrienden en kennissen, vooral aan de soldaten.”

-Eduard Spoelders, BSP 2 BSD (in “De Band” van november 1964) : “Hier weer wat nieuws van de “verdediger” van het vaderland. Ik schrijf verdediger, ja, ik heb dat woord al dikwijls gehoord van de officieren, dus ik gebruik het ook, ik ben toch ook militair. Wel, met mij gaat alles goed, zelfs heel goed, want ik heb hier goed eten en slapen, het laatste bijzonder, ge weet het wel hé ! Mijn tweede maand opleiding is ook weeral achter de rug, dus het zwaarste van het leger is voorbij, daar ben ik vast van overtuigd. Nu sta ik alle dagen, behalve zaterdag en zondag, in de garage. Ik heb al heel wat bijgeleerd, zoals b.v. ergens onder of achter liggen te “maffen” in ABN “slapen”. En hoe gaat het daar bij jullie in Leest, het verre, kleine maar in mijn ogen het grote, heerlijke Leest ? U kunt het wel begrijpen wanneer men twee maanden van huis weg is, dat men zo iets of wat (veel) heimwee begint te krijgen. Maar kom. Eens komt de tijd van het weerzien, dan kom ik terug om rustig mijn avonden te slijten rond de haard van het ouderlijk huis en terugdenken aan de tijd van “Geef acht ! Voorwaarts mars!” Ja die tijd die komt en het begin daarvan is 19 oktober wanneer ik voor 8 dagen naar huis kom, om even uit te blazen van twee en halve maand soldaat spelen. Ik schrijf “soldaat spelen”, misschien in uw oren niet erg juist, maar naar mijn mening is het hier dikwijls een speeltuin, en vooral de vorige maand in onze opleiding, men noemde dat “de maand om van een jongen, een stevige soldaat te maken”, nochtans bij mij zijn ze daar niet in gelukt en zal het ook niet lukken, want eens dat ik thuis zal zijn zal ik het terug rap gewoon worden, daar ben ik van overtuigd. Nu ben ik uitgeschreven het is 09u15, ik ga mijn bed opmaken, nog een beetje eten en dan slapen tot morgenvroeg 06u15 ; ze wekken ons wel om 6 uur maar dan draai ik me nog eens om, ’t is te goed in ’t bed na de zware dagtaak (schoon hé) en ’s morgens is het nog beter onder de dekens. Robert De Rooster liet me ook weten content te zijn. Beste vrienden, ik sluit, wens u nog allen het beste, aan de redactie hartelijk dank voor de weekbladen die me regelmatig toegezonden worden. Soldaten, vrienden en K.W.B.-ers een goede dag.”

-BPS 2 BSD (datum onbekend) : “Eindelijk weer wat nieuws van een ‘arme soldaat’ die zijn vaderland zo goed mogelijk moet dienen. Van het vaderland te dienen zal wel niet veel in huis komen, want we kosten toch maar 12,5 fr. Als er in Leest kandidaten zijn, ze zijn altijd welkom. De condities : 12,5 fr per dag, sigaretten goedkoper, schoon volk in Stolberg en nog meer van die voordelen. Doch wanneer men soldaat is weet men dat het best, ik heb nu al een beetje ondervinding, doch rechtuit gezegd, in het leger leert men man worden, men wordt er gehard tegen het ongure weder, dat laatste hebben we al een beetje ondervonden, zo een beetje (1/2 h) in de regen rondlopen, resultaat ’s anderendaags een verkoudheid. Voorts wordt men hier niet ‘echt’ ziek, zodat men ‘altijd’ bereid is het vaderland te dienen, schoon gezegd hé ! Maar daar denk ik niet te veel aan, ik doe mijn plicht goed, hetgeen van een soldaat verwacht wordt, en daar blijf ik ook bij, want wie werkt er nu graag voor 12,5 fr per dag, van 6 h tot 18 h, ik toch niet, u ook wellicht niet. Och ja, we hebben hier weer iets speciaals voor amusement, een hond, de adjudant van de Cie, heeft die verleden week van kleine Duitse jongens gekregen. Resultaat, elke avond met die hond gaan wandelen, zodat hij zijn behoefte zou kunnen voldoen. Amaai ! Die bomen !”

-Probsteierwald, 1965 : “Hier komt eindelijk weer wat nieuws van een ordonnans, niet van Napoleon, noch van de kapitein, doch wel ordonnance onderhoud van wagens. Zelf werk ik niet aan de wagens, doch wel aan de onderdelen, o.a. carburators, delco’s en dergelijke. Ik had nog nooit aan zulke onderdelen gewerkt, dus het was me volkomen vreemd ; de eerste dagen ging het moeilijk, doch nu na 2 à 3 maanden is dit alles kinderspel geworden. Ik kan dus een besluit trekken, ik heb het hier goed. Echt, het is hier goed, weinig tucht, koper kuisen hoeven we niet te doen, alleen om een defilee te doen moet alles natuurlijk zuiver zijn. Nu dinsdag hebben we bataljonsfeesten, we zijn al een week bezig met te drillen, ’s morgens een half uurtje, elke dag dus dat is ook geen erg. Nog iets, over veertien dagen waren we van piket, en het wilde juist lukken dat er brand uitbrak in de keuken, en dat om elf uur ’s avonds. We werden uitgenodigd om zo vlug mogelijk bij de brand te zijn. Dat uitnodigen werd natuurlijk met groot lawaai gedaan, en we waren dan ook verplicht in een minimum van tijd op de plaats des onheils te zijn. Natuurlijk was rond de keuken algemene paniek, veel volk, zodanig dat de massa, de brandweerlieden ons duchtig in de weg liepen. Nu hetgeen brandde waren twee ovens waarin vlees aan het ‘bakken’ was, natuurlijk was het vet vlees zodanig dat het veel vuur en rook maakte, en in de omgeving er een onaangename reuk waar te nemen was. Maar kom, alle krachten bij mekaar genomen en na een half uur, drie kwart uurs konden we ons terug ter ruste leggen. Van slapen kwam er echter niets meer in huis, het piepen van het bed hoorde ik nog lange tijd. Dat is ongeveer al het nieuws dat te melden was. Ja…wist ge al, dat we tijdens de nacht eruit moesten, zo om de maand. Daarmee ga ik maar sluiten met de wens, dat heel Leest het goed maakt, ik kom jullie vervoegen op 22 december, dus weer iets van het beste. Nog de goede dag aan al de vrienden en kennissen alsmede aan al de K.W.B.-ers.”

-Probsteierwald, 1965 : “Ik stel het goed hier in Prob, want er wordt van een verdediger van het vaderland gevraagd dat hij alle uren van de dag het vaderland moet kunnen dienen, dus het besluit is ‘alles O.K.’. Het is vandaag zondag, en meteen de tweede rustdag van de drie, want de 15 november, naamdag van de koning, heeft er nog een dagje bijgedaan. Ge kunt nu wel zeggen, drie dagen niets doen ? Wel dan ben u volkomen mis; gisteren hebben we met de ganse compagnie een erehaag moeten gaan vormen in de kerk van Stolberg voor de hogere pieten die naar een plechtigheid kwamen ter ere van de koning ; onze opdracht was in de kerk op twee rijen te gaan staan, in geef acht (maar een vol uurtje), op het hoofd de helm, om de schouders ons wapen, gelukkig was het een Vigneron, d.i. een licht automatisch wapen, doch het was niet zo licht meer om dragen na een uur recht te staan. Maar kom, alles is normaal verlopen en we hebben dan nog de gelukwensen gekregen van de kapitein. Die plechtigheid was voor de middag, ’s namiddags wachtte dus de wacht op, 24 uur aub, ook gene vette hoor ! En deze wacht was nogal zwaar, vermits er in het kamp gisteren een grote diner was. Ik had wacht van 3 tot 5 uur verleden nacht en dan reden er nog wagens buiten natuurlijk… Ik zou bijna iets vergeten. Gisteren middag hebben we een speciale diner gekregen, luister welk menu : kip met kroketten en appelmoes, hesp met witloof, en…een heildronk op de koning. De voorziene drank was wijn, maar met tafelbier was het ook wel. Binnen anderhalve maand kom ik naar huis, en nu sluit ik met de beste groeten aan alle vrienden en kenissen en zeker mijn collega’s soldaten niet te vergeten. Tot een volgende maal.”

-Probsteierwald, (datum niet vermeld ) : “Terug heb ik een beetje tijd gevonden, hm ! Om jullie wat nieuws en soldatennieuws voor te schotelen. Met de ordonnans, dus met mij is het goed, hoe kan het anders, want het leger heeft onlangs weer meer subsidies gekregen voor de soldatenkost. Nu het nieuws hé : eergisteren zijn er hier in onze compagnie, dus de 21 Ord. Zeventig heropgeroepenen binnengekomen, een deel soldaten, om juist te zijn 58, 10 onderofficieren dus KROO en 2 officieren K.R.O. dit alles in het teken van de ‘compagnie op oorlogsvoet’. Natuurlijk die wederopgeroepenen trekken het zich niet erg aan, ik zou ook zo zijn, nu loopt de ene soldaat de andere omver in onze compagnie. Nu nog wat anders : deze morgen, en dit om 5 h 30 komt de sergeant van de week met het verheugende nieuws op de kamer : ‘jongens opstaan, quik-terrain’. Ge moet niet vragen hoe we lachten, hm, amaai mijn voeten. Het schoonste was nog zonder eten te gaan werken, natuurlijk, want alle wagens moesten nog geladen worden en dus was alles gedaan om 7 h en dan konden we met de voertuigen, nog steeds zonder eten, naar het munitie-depot rijden, waar we tevergeefs gewacht hebben op verdere orders. Ja, dan de camions afladen en daarna eindelijk konden we gaan eten ; het was iets na 10 h. Ge moet nu niet vragen hoe al die jongens hongerig waren, en die lege magen op het eten ‘gevlogen’ zijn. Nu om terug te komen op de oorlogsoefeningen van volgende week; schieten met M 50 Blenderside en Energa, en dit naar Vogelsang, waar een groot terrein is waar tanks op crossen. Dan verplaatsing naar een klein dorpje op een 100 tal km van hier. ’t Zal weer plezant worden. Zo, dit is weer alles voor vandaag, ik wens heel Leest nog het allerbeste en vooral mijn medemakkers, amigo’s, confraters.”

-Probsteierwald, 1965 : “Hier komt weer eens (en eindelijk is het er van gekomen) een brief uit het verre Duitsland, van een eenzame soldaat doch een soldaat die zijn plicht vervult zoals het hoort (hetgeen ik denk is, dat er al vijf maand achter de rug zijn, en dat zonder straffen, nogal een soldaat hé ?) en vooral aan heel Leest een Zalig en Gelukkig Nieuwjaar, en nog heel veel voorspoed voor de gemeente. Met mij gaat het hier goed, ik ben nu al bekomen van Nieuwjaar te vieren, het is de eerste maal in mijn leven dat ik zo een Nieuwjaar meemaak, echt zoveel plezier (en drank met sterren). Ik had het mij heel anders voorgesteld, echt, onder soldaten kan men plezier beleven. Zo nog iets gisteren avond hebben er twee, de ene van hier, en de andere van Mechelen, hun haren laten knippen, kom, we hebben het zelf gedaan. Alles moest er af en proper dat ze waren, hun hoofd blonk er van, het schoonste, we hadden de toelating van de officier van wacht en de sergeant van weekdienst, dus waren we gedekt. Hebben we gisteren avond gelachen. U kunt het zich wel indenken, iedereen was haarkapper, het stak toch niet nauw, met drie man aan één hoofd was geen aardigheid, en het komt in de gazet. We hebben van die mannen een foto gemaakt met daarbij een machtige titel : ‘Anti-Beatle actie’ te Probsteierwald, mooi hé ? Ja, vrienden, zo’n zaken komt men alleen bij het leger tegen, zoals ge nu wellicht weet, er is kameraadschap op onze kamer. Nu, wat anders, en niet zo heel grappig ! ‘Ik sta op wacht’ zegt het soldatenliedje. Maar nu sta ik op wacht en wel voor 27 uur, natuurlijk kan ik wel slapen, maar toch, dikwijls moeten we naar buiten om de voertuigen te controleren, en het regent hier al heel de dag, dus ‘gene vette’. Maar kom, morgen namiddag slaap ik dan heel rustig in mijn bedje of zoals u noemen wilt, bij ons heet het ‘strozak’ of ‘vlooiennest’. Nu eens wat anders : het eten of ‘den boef’ wel die is hier goed, dat is ook alles, maar nu de volgende 2 of 3 maanden zal het niet zo vet meer zijn, want dan komen er bleukens binnen om hun opleiding te doen, en die moeten ook eten en ze zijn dan nog niet veel gewoon, daarbij die jongens (wij noemen ons mannen) moeten werken, wij ook moeten werken, maar wat ik doe is heel interessant voor mij, dus ik heb er alle nut bij mijn werk goed te doen. Leestenaren, ik ga nu sluiten, het is 11 h 30. Ik wens jullie nog het beste, nog de goeiendag aan iedereen en vooral aan de K.W.B.-ers. Tot ziens.”

-Probsteierwald, 1965 : “Nu ik een beetje bekomen ben van twee dagen oorlog voeren voor het behoud van de vrede in de wereld, zal ik hier een reportage schrijven over de manier waarop een ordonnance oorlog voert. Verleden donderdag, dus de eerste april, een mooie dag om op oorlogspad te gaan niet ? zijn we vertrokken om onze makkers te helpen in de wrede strijd. Ikzelf was bij de voorhoede, en ben vertrokken met een camion met nog acht personen om 7 h 30 ongeveer. Ons doel was Jülich waar we op de kolonne moesten wachten die er een half uur na onze aankomst doorkwam. Ge moet niet vragen welke indruk we gaven op de bevolking, om ons zo te laten bekijken, want we waren tof hoor ! In volledige gevechtskledij, dus smoke, rugzak, gasmasker, wapen en helm. Dus wanneer de colonnes gepasseerd waren ‘crosten’ wij daarachter, naar onze tweede bestemming, een dorpje op 4 km van Düren, we moesten het dorpje innemen en beschermen tegen de vijand, echt leuk hoor. Dan een lekker zonnetje op ons, van innemen en beschermen was natuurlijk niet veel sprake, alleen slapen, rusten en eten. Alleen hadden we een beetje veel last van de ‘Deutsche Jügend’. Ik stond ‘pardon’ ik zat op wacht, doch ik heb meer in de camion gezeten en geslapen dan de wacht te verzekeren, ja, en niemand heeft er iets van gezegd. We zijn in het dorpje gebleven tot ’s avonds om dan naar onze bestemming te rijden, ergens over de Rijn, à 5 km voorbij Keulen ; het was daar goed, alleen een beetje last van de everzwijnen die het stro ongeveer uit onze strozakken kwamen eten, enfin, zo erg was het niet, doch die lieve beestjes liepen toch gedurig rond de tenten. In de tenten was het alles behalve warm en veel kans hadden we niet om te slapen, want om 5 h ’s morgens werden we met het alom bekende wijsje gewekt : ‘alarm’, we stappen uit ons bed, pardon, we stonden recht en natuurlijk waren we aangekleed en dan maar lopen naar onze put…Ja, zo heeft het dan een voormiddag geduurd, gedurig werden we aangevallen en schoten we terug, natuurlijk was alles los poeder, doch het maakt veel lawaai en dat geeft toch de indruk. ’s Namiddags zijn we dan teruggetrokken, na de vijand zegevierend verslagen te hebben, want, echt, we lagen in goede stellingen, want normaal konden we maar verslagen worden door grote overmacht van de vijand, en het was dan ook voorzien dat de vijand niet sterk was. Zo, nu weten jullie ook uit de eenheidstest wat het te betekenen heeft, want dat was het of wat dachten jullie wel ? Ook geen aprilgrap, neen, neen, alles wat u leest is echt gebeurd, alhoewel ik wel eens graag fantaseer. Ik sluit nu en hoop dat iedereen het goed stelt in mijn dorp. Nog de beste groeten aan alle K.W.B.-ers en collega’s soldaten of concurrenten, want ik ben alleen geloof ik van heel Leest die ordonnance ben. Dat is nogal een eer hé ? Nog 114 dagen.”

-Probsteierwald, 1965 : “Jullie kunt zich nu wel de vraag stellen, die ene uit de Kouter is zeker gesneuveld ! Bijlange niet, want ik ben stillekens goed aan ’t aftellen (nog 70). Dat betekent voor mij dat er al 10 maanden voorbij zijn en nog twee maand voor de boeg. Voorts gaat hier alles zijn gewone gang, evenwel zal de dag van gisteren (een zaterdag in mei) een grote dag blijven in onze compagnie. Ja, gisteren heeft de C.S.M. eenheidscommandant ons een grote opdracht gegeven, wellicht te zwaar voor onze jonge schouders. Nog eventjes geduld mensen, wat meer uitleg zal u wijzer maken. In en rond onze blokken heerst er een grote reinheid, die wel door ons gewaardeerd wordt doch niet door de ‘groentjes’, die hier in ons kamp hun opleiding volgen…ja, die mannen vonden niet beter dan regelmatig over de grasperken te lopen, net of er was anders geen plaats. Natuurlijk valt zulks niet in de smaak en onze vriend C.S.M. zegde ons, ‘ieder die over het gras loopt geeft ge maar een doping’. En zo komt het dat we reeds 11 dopingen hebben moeten uitvoeren, en of die nu in werk of uitgangskledij zijn dat is voor ons om ’t even. En dat was het weer voor ditmaal…tot ne volgende keer, maar alvorens afscheid te nemen, nog de beste groeten aan de Leestenaren, vooral de K.W.B.-ers en mijn wapenbroeders en De Band, die ik nog veel succes toewens en bedankt voor de post die steeds welkom is.”

Foto’s :
-De kazerne van Plobsteierwald.
-De kazerne anno 2017 (Foto Bruno Verschaeren)



2720151-70c823537d573613301046172f14f58a.jpg

2720151-baea640dc5d9ed3da612ff1949680c0f.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:03 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten