Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
seniorennet.beseniorennet.be

Wijzigingen - Aanvullingen

1965 – Luc Plasqui volgde Luc De Keersmaeker op als koster te Leest

Luc Plasqui, geboren in Hombeek op 22/12/1941, had een Hombeekse koster-orgelist als vader en als grootvader.
In 1965 en op vraag van Pastoor Coosemans werd Luc, die tot drukker opgeleid was, wellicht omdat zijn vader ook drukker was, koster-orgelist in Leest. Maar na amper vier maanden werd hij soldaat. Tijdens zijn legerdienst verving Leo Hellemans (°Leest 1937), kleinzoon van koster-orgelist Louis Hellemans, hem als orgelist.
Na zijn legerdienst –pastoor Coosemans was opgevolgd door pastoor Lornoy en de dagelijkse mis was naar de avond verplaatst- bleef Luc wel orgelist maar minder vaak was hij nog koster : alleen nog ’s zondags en voor alle plechtige vieringen. In 1990 mocht hij zijn zilveren kostersjubileum vieren.
Ondertussen was Luc (op 2 juli 1969) getrouwd met Maria Phlippo uit Merksem, zij was een achternicht van de Hombeekse pastoor F. De Ridder. Het paar kreeg vier kinderen. Behalve als koster werkte Luc –tot 1999 samen met zijn broer Herman die tot dan ook koster-orgelist en drukker in Hombeek was- ook als begrafenisondernemer en drukker. Van dan af oefende uitsluitend Luc nog die taken uit, tot hij (in 2007) als zelfstandig drukker op pensioen ging. In Leest bleef hij wel orgelist én begrafenisondernemer, dit laatste ook voor de omliggende dorpen.” (“De Sint-Niklaasparochie in Leest”, Wilfried Hellemans)

Toen Luc in 1985 zijn 20-jarig kosterschap vierde leverde Georges Herregods ter gelegenheid van dit jubileum een bijdrage voor “De Band” over de verschillende generaties kosters te Leest (te lezen in deze Kronieken bij het jaar 1830). Voor de redactie van het maandblad van Milac was dit ook een reden om deze koster aan de tand te voelen :

Luc PLASQUI 20 jaar Koster

-Hoe ben je eigenlijk koster geworden ?
-Op zekere dag kwam pastoor Coosemans, die ik toen nog niet goed kende, me vragen om koster te worden te Leest. ‘k Heb lang getwijfeld, ‘k had niet voorzien van koster te worden, kwam enkel met Posse Leest ne keer hier, maar heb dan uiteindelijk toch toegezegd onder invloed van ons moeder die zegde : ‘Ge moet dat doen, dan zijt ge alle twee ’t zelfde (broer Herman is ook koster en drukker te Hombeek).’ Vergeet ook niet dat de Plasqui’s ongeveer een eeuw lang koster zijn te Hombeek. Als kleine jongen werd ik reeds betrokken bij het kosterambt. We maakten zeer veel plezier bij het luiden van de klokken, deze moesten immers 3 maal per dag in gang getrokken worden met het grote zeel. Als de elektriciteit uitviel, en dat gebeurde in die tijd wel eens meer, moesten wij als jonge gasten drie missen lang gaan trappen om de blaasbalg in gang te houden van het orgel, zodat ons vader kon spelen.
-Waar heb je uw opleiding gehad ?
-Ik heb eerst privé piano- en muzieklessen gevolgd bij Gaston Van den Bergh, ondertussen voor drukker geleerd, een jaar publiciteit in Brussel en dan nog 2 jaren Lemmensinstituut in Mechelen. -En hoe verliep het in ’t begin ?
-In ’t begin was dat volledig koster zijn, alles gereed leggen, orgel bespelen, alles weer wegleggen, enz.. Alle dagen ’s morgens om zes uur de klok luiden en dan de mis, ’s zondags wel drie missen. Maar na vier maanden moest ik bij ’t leger, Leo Hellemans verving me dan zolang, en na mijn legerdienst was E.H. Lornoy de nieuwe pastoor. De mis was dan om 7 uur ’s avonds, dat gaf problemen met mijn werk als drukker, en zo is er een praktische regeling afgesproken die nu nog altijd loopt. Ik bespeel het orgel en voor lijkdiensten en huwelijken speel ik nog een beetje koster.
-Wie is eigenlijk je werkgever en betaalt hij goed ?
-Ah, ’t is niet meer gelijk vroeger, mijn grootvader kon er nog van leven, mijn vader al niet meer, maar toen waren ze nog bedienden van de kerk. Nu is het de kerkfabriek die mij betaalt per prestatie en vermits het aantal prestaties nog weinig is, is er ook niet veel te verdienen.
-Je hebt er nu reeds 20 jaar opzitten, hoeveel er nog bij ?
-‘k Blijf het graag doen, het is ook nog de enige gelegenheid voor mij verder aan muziek te doen, ‘k kan het zo wat onderhouden. Een nadeel is wel dat je altijd ter beschikking moet zijn, vooral op de hoogdagen als veel mensen al eens weg gaan, wordt er juist op mij gerekend. Vroeger 20-25 jaar geleden, was dat nog veel erger, mijn vader moest alle dagen van het jaar zonder uitzondering in de kerk zijn. Alleen goede vrijdag gold als verlofdag voor de koster.
-En het zingen Luc, waar heb je dat geleerd ?
-Ik heb altijd goed kunnen zingen, als kleine gast al in ’t school, zong ik direct met de groten mee in ’t koor. ’t Gregoriaans heb ik later in ’t Lemmensinstituut geleerd, dat toen nog veel meer op kerkmuziek was afgestemd.
-Voor later een opvolger tussen de kinderen ?
-Dat kan, zullen we afwachten; onze Johan en Kathleen leren piano en spelen soms al op ’t orgel. Al onze kinderen spelen graag muziek, ’t zit nu eenmaal in de familie langs de twee kanten.
-Valt het je soms niet zwaar ?
-Ja, zwaar kan het soms wel zijn, bv. met de goede week en Pasen, dan zijn er veel diensten. Zwaar kan het ook worden, emotioneel dan, bij lijkdiensten voor mensen die je persoonlijk goed gekend hebt, vooral als het jonge mensen zijn, neen routine wordt dat niet, het doet je dan wel iets.
-En het kerkkoor, hoe staat het daar mee ?
-Wel, dat is een groot probleem, onze kern is te klein, en vooral ’t Gregoriaans is een probleem, er zijn te weinig mensen die het nog kunnen en willen zingen. Ze vinden het een beetje oudmodisch. Voor Kerstmis en Pasen wordt er speciaal gerepeteerd en met meerdere mensen goed gezongen, maar voor de rest van het jaar is het maar zwakjes en zouden we gerust versterking kunnen gebruiken.
Ondertussen wijst Maria ons de prachtige, ingekaderde foto aan, die Luc als verrassingsgeschenk van het kerkkoor ontving voor zijn twintig jaar trouwe dienst. De mooi genomen foto toont Luc spelend op het kerkorgel.
-En het orgel ?
-Dat is in geen goede staat meer. ’t Gevolg is dat alleen ik er praktisch nog kan op spelen omdat ik de zwakke plekken er van ken en weet wat ik wel en niet mag gebruiken. Ik voel en hoor direct als iemand anders er op gespeeld heeft en dat is omdat het orgel niet meer in orde is.
We vernemen ook dat Luc reeds vele jaren, naast drukker en koster, ook nog begrafenisondernemer is. Hij vertelt dat het ook gebeurt dat mensen zelf op voorhand hun eigen begrafenis komen regelen. Ook dat hij de mensen van Leest leert kennen door de doodsbrieven die hem regelmatig verbazen : ‘tiens, is die de zuster van die ?’ Hij leert ermee hoe al die families aaneen hangen.
Nog lang zouden we kunnen vertellen over Luc’s activiteiten maar ’t is hoognoen geworden en tijd om te stoppen. In extremis vertelt Maria ons nog over Luc’s hobby’s : wijnen en vogels…met miswijn begonnen Luc ?” (‘DB’, november ’85)

Zijn echtgenote Maria Phlippo schonk hem vier kinderen : Johan, Kathleen, Lieveke en Philippe.

Foto’s :

-Luc Plasqui als deelnemer aan de stoet van eeuweling Stanne Van den Broeck in 1980.
-Luc, gekiekt in Londen, anno 1994.
-In 2011 aan de kerk van Leest.
-Koster Luc Plasqui zoals de meeste Leestenaars hem aan het werk hebben gezien.
-Een rouwkaartje van Drukkerij Plasqui, de begrafenisonderneming van de familie.



2725619-7e92cb55a5aee7e280b9f73227484d0d.jpg

2725619-4368caa7a079e6dbf31d9ca0bcb58b6c.jpg

2725619-160ab70cf09e8fa91e5bfdfe138a0fb4.png

2725619-759eef0a6762569028509fd0caf844c0.jpg

2725619-2491d3b86bed974fa1bd397da4f6bd14.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:42 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 25 december : Toneelavond B.J.B.-Meisjes

Zaal “Ons Parochiehuis” in de Kouter. Deuren 18u30. “Tante kiest een man”. Ook dans en rytmiek. Inkom : 25 frank.

1964 – 31 december : Bevolking

Op 31 december telde Leest 1875 inwoners.

Aanvullingen 1964. 

Schoolfeest meisjesschool.

-Foto afkomstig van Krista Jacobs (°1958), een kleindochter van Remi de barbier uit het dorp en Sidonie Geerts. Zijzelf staat ook op de foto met enkele andere jaargenoten van 1958.
V.l.n.r. :Leen Verschueren, Albert Peeters (Alemstraat), Krista Jacobs (Molenstraat), Patrick D’Hollander (Winkelstraat) en Karin De Laet (Scheerstraat).

-Hetzelfde schoolfeest met kinderen die geboren zijn in 1957.
V.l.n.r. : onbekend, Linda D’Hollander (Winkelstraat), Liliane Van Praet (Alemstraat), Leen De Prins (Kleine Heide) en Marleen Gobien (Juniorslaan). (Foto : Liliane Van Praet)

- Op de foto ook de zus van Krista Marina Jacobs (°1960).

-Foto’s uit het schoolfeest van de meisjesschool in 1964. Op deze foto staat het oudste zusje Jacobs (°1957).

-Foto’s van de familie De Laet uit de herberg ‘In den Bareel’ met dank aan Gerda De Laet.

Vervolgt met 1965.



2725525-528a852041e95b090fea6d43e48b05e0.jpg

2725525-a07e3638623bce07d6f4e793d2ba4139.jpg

2725525-bb6293c050fb936a0e760b6c5ad1fd8e.jpg

2725525-9ccda33fa6221ac5f83358bfe87093cc.jpg

2725525-7d7f875b02e51998cee92756ce82a322.jpg

2725525-2107acb81b08a35df4f3fab3bbca8934.jpg

2725525-1034d9073b94a9a05a307c285479a6dd.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 15:58 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 18 december : Overlijden van Frans Coeckelbergh

Frans was te Leest geboren op 22 april 1891 en hij overleed er op 18 december. Hij was gehuwd met Sophia Solie die hem vier kinderen schonk : Emiel (Gehuwd met Leonie Vermoesen), Edward (Gehuwd met Melanie Daelemans), Jozef (Gehuwd met Angèle De Wit) en Mariette (Gehuwd met Emiel Polfliet).
Frans was Oudstrijder 1914-18, Bestuurslid van de N.S.B. afdeling Leest, Ridder in de Leopoldsorde, Ridder in de Kroonorde en drager van het Oorlogskruis met Palm en andere Vaderlandse onderscheidingen. In het julinummer van “De Band” uit 1956 verscheen een boeiend interview met deze Oudstrijder :

Interview met Oudstrijder Frans COECKELBERGH

“Alhoewel het loten reeds tot het verleden behoorde toen Frans werd opgeroepen om het vaderland te dienen waren er toch nog velen die door de mazen van het net konden glijden en zich vrijmaken van legerdienst. Maar bij mij was hier geen sprake van zegt Frans want niettegenstaande ik de oudste en mijn moeder weduwe was, moest ik in 1911 optrekken om mijn dienstplicht te vervullen. Hij werd binnengeroepen te Berchem bij het 6e Linieregiment. Nu mogen de soldaten wel boffen want met 2 maand opleiding komen zij er van af, maar in onzen tijd was dat 6 maand en dan moet ge weten dat voor ons Vlamingen alle bevelen in de Franse taal werden gegeven en als er waren welke deze niet verstonden bracht dat nog een hele boel moeilijkheden mee, aldus Frans.
En hoe is uwen dienst verder verlopen Frans ? Die werd gevuld met wachten kloppen, marsen en maneuvers doen, het ergste van al was, dat wij als onze 15 maanden om waren nog niet mochten afzwaaien want in tussentijd was er in de Borinage een wilde staking uitgebroken, die ons nog 4 maanden langer onder de wapens hield zodat ik slechts in mei 1913 afzwaaide.
Op 28 juli 1914 werd ik terug opgeroepen om ten strijde te trekken tegen onze Duitse vijand en trokken wij na een viertal dagen de Duitser tegemoet om eerst slag te leveren te Rotselaar waar wij voor de overmacht van de aanvaller moesten wijken naar Haacht, waar we de vijand nogmaals duchtig repliek gaven en waar ik een van de kritiekste ogenblikken van de oorlog meemaakte. Even verhalen, we moesten ’s nachts een kasteel te Haacht gaan bezetten maar van het ogenblik dat we de poort openduwden werden we verrast door een bel die plots aan ’t bellen sloeg en toen we het kasteel verder wilden onderzoeken ondervonden wij dat we onmogelijk tot de bovenverdiepingen konden toegang krijgen, onze verrassing werd nog groter toen we plots beschoten werden door de Duitsers die zich verscholen hadden op de kamers, en stond ons niets anders te doen dan de wijk te nemen en de artillerie er op af te sturen, deze maakte met kasteel en Duitsers korte metten.
Na elke slag moesten wij terug naar Lier om onze troepen in slagorde te brengen. Van daar moesten wij naar Katelijne Waver waar we weer slag leverden, maar de Duitser beschoot met zwaar geschut het fort dat wij te verdedigen hadden. Hij slaagde er in het poedermagazijn in brand te schieten, zodat vele van onze Belgische soldaten in brandende toortsen werden herschapen en er een gruwelijke dood vonden. Niettegenstaande deze tegenslag hielden we nog een volle dag stand om dan ten gevolge van de slechte ravitaillering te moeten aftrekken naar Lint waar we nogmaals gevechten moesten leveren tegen de Duitse mitrailleurs die zich in de bomen verscholen hadden en ons aldus konden beschieten terwijl we in de grachten verder kropen. Van zodra wij dat in de gaten hadden losten wij salvo’s in de bomen, de Duitsers aldus verplichtend van de wijk te nemen en niet voor lang echter, want spoedig kregen ze versterking en moesten wij aftrekken naar de Redoute van Deurne, waar de Duitsers twee dagen later eveneens aankwamen en na enkele uren bezit namen van de Redoute. Met pak en zak zijn wij dan door de brandende stad Antwerpen getrokken, waar zelfs de Schelde in vuur en vlam stond. Dan maar steeds verder achteruit naar Sint Niklaas waar we op de trein stapten en naar Oostende gevoerd werden. U moet nu niet gaan denken dat we deze transport meemaakten in comfortabele wagens ! Neen, op verre na niet, we werden in beestenwagens geduwd en rijden maar om van uit Veurne te voet naar Ramskapelle te trekken, wat ook nog gepaard ging met tal van moeilijkheden o.a. te Nieuwpoort waar de Duitsers in een bietenveld verstopt lagen en ons van daar uit beschoten. Telkenmale er zich een van onze soldaten durfde vertonen werd hij onmeedogend neer gekogeld. Zo zijn wij dan te Ramskapelle aangekomen waar we voor goed de slag aan de IJzer hebben begonnen door eerst de reeds over de IJzer gekomen Duitsers, ten koste van zeer veel mensenlevens, terug te drijven. In dat gevecht zijn voor de eerste maal Senegalezen tussen gekomen. Senegalezen zijn werkelijk wreedaardige kerels die op sommige ogenblikken geen onderscheid maakten tussen vriend of vijand en die met de dolk tussen de tanden tot de vreselijkste daden in staat waren. Zo heb ik met mijn eigen ogen gezien, nog steeds aldus Frans, dat één van die mannen enkele dagen na deze slag nog steeds met de kop van een Duitser, die hij tijdens het gevecht afgesneden had, in zijn zak rondliep.
Deze eerste slag aan de IJzer heeft geweldig veel doden gevergd. Overal waar wij kwamen lagen wel honderden lijken en krengen. Wij waren zodanig afgemat dat wij door het Frans leger afgelost werden en veertien dagen mochten gaan uitrusten om van dan af een vaste sector aan de IJzer toegewezen te krijgen. Zo hebben wij vier jaar lang geploeterd en gevochten in water en slijk...”

De plechtige lijkdienst had plaats op dinsdag 22 december 1964 te 11 uur in de parochiekerk van de H. Niklaas te Leest. Daarna volgde de begrafenis in de familiegrond op het gemeentekerkhof van Leest.

Foto’s :

-De Oud-Strijders van Leest bij de aanstelling van burgemeester E. Verschueren. Op de tweede rij met hoed Frans Coeckelbergh.

-Enkele herinneringen aan zijn begrafenis.

-Zijn kleinzoon Jos Coeckelbergh heeft het embleem van de oudstrijders op de grafzerk opnieuw wat bijgeschilderd en er een QR-code aan toegevoegd verwijzend naar het artikel en enkele documenten uit het archief te Evere.



2724425-6e8573bdd5a7a6d60a7c6199beec69ef.jpg

2724425-e2889342d1a747f606308859635daf49.jpg

2724425-b4347ee04ae014fe6a338302aa948c8f.jpg

2724425-3d4dacfb8ddd41aabc08772c174abe44.jpg

2724425-1f1517e1a7996fbcc1ee1bd8ea817b02.jpg

2724425-0b7d6b06bbe1819732504b176e0f9b14.jpg

2724425-ae92c24adc19c348c9ba0d6be488b2e9.JPG

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:25 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Decembernummer “De Band” : “Kerstmanneke in het uitstalraam”

“Wel gij oud grijs manneke,
Waar komt u eindelijk vandaan.
Om ook in ons klein maar goed landeke
te komen dienen als een soort reklaam.
Komt ge soms uit het nabije Oosten
of van een andere verre vriend,
ons kunt ge niet komen troosten
wij zijn met zulke vodden niet gediend.
’t Is wel spijtig dat er onder onze mensen
ook nog naieven zijn,
die het Kerstfeest in die richting wensen
en dat doet ons aan ’t harte toch wel pijn.
Voor ons zijt ge van gener waarde,
een pop zonder de minste betekenis.
Al willen sommigen hier op aarde
Een vals beeld doen geven aan Kerstmis.
Alle mensen van goeden willen deze raad
gaat voorbij, waar zulk een manneke staat.”
          Kamiel De Wit.

1964 – Decembernummer “De Band” : Winterperiode Chiro

Aan de Ouders - Onafgezien het feit dat door de Chiro-leiding onderstaande reeds werd medegedeeld, menen wij er goed aan te doen nogmaals ter kennis te brengen dat door het intreden van de Winterperiode de zondagsvergaderingen voor de onderscheiden groepen als volgt werd vastgesteld voor wat het einde ervan betreft : de vergadering voor de Burchtknapen zal uiterlijk eindigen om kwart na vijf. Voor de Knapen is de sluitingstijd vastgesteld op zes uur. Voor de Kerels eindigt alles om 9 uur. De Chiroleiding wil absoluut vermijden dat Chirojongens na de vergadering nog zouden blijven rondslenteren op terrein, lokaal of op het dorpsplein en ja…ook op het kerkhof. De ouders weze meteen verwittigd dat eventuele uitvluchten uit den boze zullen zijn.

1964 – Decembernummer “De Band” : Gemeenteraadsverkiezingen

Ten titel van inlichting geven we hieronder de naam van de verkozenen ingevolge de gemeenteraadsverkiezingen van 11 oktober 1964 en welke vanaf 1 januari 1965 het gemeentebestuur zullen vormen :

Lijst nr. 1 – B.S.P. Lijst      nr. 2 Sinte Cecilia      Lijst nr. 3 – Gemeentebelangen

Lauwers L.                        Verschueren E.                  De Prins Fr.

                                        De Prins F.                        Van der Hasselt R.

                                        Geens J.                           Verbruggen Alf.

                                        V.d.Heuvel H.

                                        Lauwers A.

1964 – Decembernummer “De Band” : Verboden zand te strooien

Herinnering : we willen langs deze weg meedelen dat het verboden is zand te strooien op de openbare weg ter gelegenheid van processies of huwelijken. Zulks in het belang van het verkeer. Men neme hiervan nota.

1964 – december : KWB-Sinterklaas bezocht voor de eerste keer de kinderen van Leest

In 1964 ging de KWB van Leest voor de allereerste keer rond met Sinterklaas en Zwarte Piet en ze maakten vele kinderen blij. (foto onderaan)

1964 – Decembernummer “De Band” : KROO Kpl Henri LAMBERTS vanuit Gent

“Hier dan ook eindelijk een brief van mij. Eerst en vooral moet ik u allen hartelijk danken voor de wekelijkse post van ‘Zondagsvriend’. Het is werkelijk enig voor zulke kleine gemeente als Leest die zo een Milac-vereniging heeft. Oprecht hartelijk gefeliciteerd. Nu ook een paar woordjes over mij. Reeds drie maanden binnen en hier in het Gezondheidscentrum van Gent moet ik nu nog een maand opleiding krijgen voor dat we naar een definitieve eenheid gaan. We krijgen hier onze opleiding van algemene zorgen om dan later gespecialiseerd te worden. Mijn specialisatie bestaat in het bedienen als radioloog-operator (sic). Geleerd woord voor niets, maar ja ge moet hier doen wat dat ze zeggen hé ! Het leven is hier verder om zo te zeggen ‘zeer goed’. Licht werk, goed eten en ‘zwaar bier’. Langs deze weg doe ik dan de groeten aan alle militairen op het ogenblik onder de wapens, aan alle Milac-vrienden en alle Leestenaren…en in het bijzonder aan al de muzikanten van Sint Cecilia en hun chef. Ook nog aan al de familieleden en de toekomstige verloofde (het moest eens waar zijn). Ik ga nu stoppen want we mogen seffens de 9 km lopen. Plezant zulle !”

-Henri Lamberts vanuit Brussel, 1965 : “Hier ben ik dan, het heeft wel een paar weken geduurd, maar ja het is ditmaal van uit Brussel.. We zitten hier namelijk in het Militair Hospitaal van Brussel. Wij zijn hier vrijdag morgen aangekomen met 10 Vlamingen en 10 Walen. Voordat we in Gent vertrokken hebben we nog een paar lastige dagen voor de boeg gekregen. Vooral de twee laatste. Namelijk een paar droppings, een van 15 km gewoon met de kaart en een van 7 km met de radio, dan nog oefeningen met de brancard in het veld, over grachten en prikkeldraad, door bossen en weiden. In feite een schoon ding om moe van te worden. We zijn slechts eenmaal met de buik plat in een gracht gevallen, maar ja, achteraf bekeken is het ook eens grappig. Dan de laatste week nog een 16-tal examens. Daarbij nog twee dagen bivak, t.t.z. opslaan van hospitaaltenten, 2 droppings met radio en daarbij nog slecht weer, plezant zulle ! Natuurlijk moest ook het afscheid van Gent gevierd worden. Het heeft wel 4 dagen geduurd, maar tot daar toe, dat mag nu toch wel ! Eerst woensdag een afscheidsavond met onze vier chefs, dan 3 kapiteins, de dokter en de korpsoverste. Een gezellige avond met natuurlijk een drinkpartij. Dan de volgende dag op het bivak, een bierzak, weeral van ’t zelfde. Terug in de kazerne moest er daar eveneens afscheid genomen worden hetgeen twee dagen in beslag nam en daarna was het gedaan. Dat was alles in Gent. Maar nu hier in Brussel. Het is gewoon ongelooflijk hier, zeer goed eten, lichte dienst, ja, en ’s avonds. Onze dag wordt hier als volgt ingedeeld. ’s Morgens opstaan om kwart na zeven, t.t.z. zonder appel, dan wassen en eten, alles op de kamer, dat is nogal een luxe zulle ! We slapen namelijk met 5 op een kamer . Om verder de gaan over onze dienst; beginnen om 8 uur (theoretisch), praktisch om 9u30 en tot 1 uur ’s middags. Wij moeten hier natuurlijk de plakken ontwikkelen in de radiografie, niet veel hoor, een 500-tal per voormiddag. Dan ’s namiddags vanaf 2 uur tot 5 uur alles in orde brengen voor de volgende dag. Dat zal dan ver alles zijn dat ik nu te zeggen heb.”

N.v.d.r. redactie : buiten de groeten aan alle andere soldaten die we moeten overbrengen geven we ook zijn nieuw militair adres : KROO Kpl Lamberts Henri, Militair Hospitaal Dienst R X, Kroonlaan 145 Brussel 5.”

1964 – 11 december : De waterpomp in de jongensschool was stuk

Waarnemend schoolhoofd Constant Huysmans schreef volgende brief naar het gemeentebestuur: “Hiermede ben ik zo vrij U ervan in kennis te stellen dat de waterpomp der Gemeenteschool uit oorzake van sleet stuk is en geen water meer kan geven. Alzo is de school voor dagelijkse schoonmaak der borden aangewezen op de bereidwilligheid der geburen. Voor mededeling, C. Huysmans, waarnemend schoolhoofd.”

Foto’s – Bijvoegsels :

-Bezoek van de KWB-Sint-Niklaas. De foto komt uit de verzameling van Marina De Wit.
Bovenaan van links naar rechts : begeleiders Frans Verschuren, Juul Boonen en Louis Solie. Onderaan van links naar rechts : Zwarte Piet Theofiel “Fille” De Prins, Sinterklaas Jan “Zjang” De Wit en onderpastoor Verbist.

-Constant Huysmans schreef een brief naar het gemeentebestuur.



2724117-006c5ec44845bd0f7efc9cf601811a0a.jpg

2724117-3b3f99b9f780a1615cdcd20974b7ec78.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:27 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 11 november : Veldrit Niel
Van deze cyclocross in Niel vonden we enkel de koersuitslag terug. (Foto onderaan)
Naast Leestenaar Frans Croon, op de 19de plaats, botsten we op een hoop bekende namen : Eric De Vlaeminck, Roger De Clercq, René De Rey, Rolf Wolfshohl, Albert Van Damme, Renato Longo…

1964 – 22 november : Jan De Decker gaf zijn nieuw adres op per brief
Vanuit Berchem stuurde Jan De Decker (medestichter van Milac Leest en de Jongenschiro) een brief (zie onderaan) naar de gemeente met zijn nieuwe adresgegevens :
“Waarde vriend, vermits het mij voorlopig niet mogelijk is naar het gemeentehuis van Leest te komen, laat ik U schriftelijk mijn nieuw adres kennen : Zonnebloemstraat 26 Berchem (Antwerpen), i.p.v. Tiendeschuurstraat 5 Leest.
Mag ik U tevens vragen mij dringend een uittreksel uit mijn geboorteakte te bezorgen ? Hartelijk dank bij voorbaat. N.B. Te Leest ben ik ingeschreven in boek I, blad 222.”

1964 – 28 november : Overlijden van Amandus Van Steen
Mandus Van Steen was te Leest geboren als zoon van Frans (°Steenhuffel) en Regina Daes (°Rumst) op 3 augustus 1896. Hij overleed er op 28 november 1964.
Amandus was weduwnaar van Joanna Pelagia Van Dam. “…hij was een brave, werkzame, eenvoudige en rechtzinnige man en hield zich verwijderd van het kwaad. Voor velen was hij een raadgever, een ware vader. Hij voelde zich gelukkig en blij goed te kunnen doen voor anderen. Nuttig heeft hij zijn dagen doorgebracht, kalm en gelaten ging hij de dood tegemoet zodat zijn afsterven een stichtend voorbeeld voor allen was. Bezorgd om anderen leed te besparen hield hij voor hen zijn eigen leed verborgen en verdroeg alles in stilte. Vaarwel teergeliefde kinderen, beminde bloedverwanten , heb dank voor al de liefde en genegenheid mij toegedragen…”

Bijvoegsels en foto’s :

-De uitslag van de veldrit in Niel.

-De brief van Jan De Decker met zijn adreswijziging;

-De huwelijksfoto van Mandus en Joanna Pelagia Van Dam.

-Het huwelijk van de zuster van Mandus, Alice met Frans Keulemans, bracht alle kinderen nog eens samen. De fijne snit van hun kostuum-op-maat is een stilzwijgende reklame voor het huis “Van Steen”. In 1925 maakte Frans u een kostuum, met stof en al, voor 175 frank (dixit Miene van Spoelders). Kleermaker Frans Van Steen kwam van Steenhuffel en zijn vrouw kwam van Rumst. Ze woonden toen op de Kouter, juist voor de grot. Ze hielden er de herberg “De Lusthof”. Vooraan zit Mandus naast zijn zuster Marie, vader Frans Van Steen, moeder Virginie Daes, Theofiel en Adolfien Van Steen.
Op de tweede rij : Pelagie Van Dam (vrouw van Mandus), Emiel Couderé (man van Marie), de jonge trouwers Alice Van Steen en Frans Keulemans, Jozefien Ceuppens (gehuwd met Theofiel Van Steen) en August Verlinden (gehuwd met Adolfien Van Steen).
Op de laatste rij : Kamiel De Wit en zijn vrouw Eveline Van Steen, Louis Van Steen en zijn vrouw Germaine Van Hoorenbeeck, Albert Van Steen en zijn vrouw Emma Van Eycken.
Vader en moeder Van Steen verlieten Leest in 1934 en verhuisden naar Puurs. Hun zonen Mandus en Fiel Van Steen deden de stiel van hun vader voort : de eerste te Leest, de tweede te Hombeek. (“LG”, blz. 306) -

-Mandus tussen twee van zijn dochters.

-Mandus in 1948 tijdens een Paasmaandag naast Frans De Laet.

-Dorpstraat 1955 : links was de winkel, zij verkochten er o.a. ondergoed, en de kleermakerij van de familie van Mandus en zijn echtgenote Pelagie “Sie” Van Dam. Rechts was hun café. Pelagie was het jaar voordien (in 1954) reeds overleden en Mandus bleef over met 5 kinderen nog thuis en 3 reeds gehuwd. De jongste, Ariëlle, was toen nog geen 9 jaar. Op de foto staan Karel De Ridder, Elza Van Steen en Renaat De Ridder. Fons Van Steen en Wiske (?). Maria Van Steen, Michel Sneyers en Toon Sneyers. Frans Van Steen, Angèle De Kempeneer en Odette Van Steen. Hilde Van Steen. Marcella De Jongh en Mille Van Steen. Magda Van Steen en Mandus Van Steen. Op de vensterbank Arlette Van Steen (dochter van Frans) en haar tante Ariëlle Van Steen.

-De doodsbrief van Mandus Van Steen.



2722462-778852179e0f92ce24fc2d2da2a36df1.jpg

2722462-4a5546a66b23dd1e28974f8ffa980682.jpg

2722462-e38944469c5541a5f7a7647e4258e4f5.jpg

2722462-38037b128ce2c01f591ffc1df8007527.jpg

2722462-4a0e35ce8b2f051c3f6fcd347804c4da.jpg

2722462-6a66c520f2e82714637f12eb71e44392.jpg

2722462-3d6c55458008a41134c03d278305b981.jpg

2722462-e0decf6e7f34ec4676298db3e2afbc9f.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:57 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 - 25 oktober : Kristus-Koningsfeest Chiro

1964 – Novembernummer “De Band” : Sergeant Milicien Jan TEUGHELS
-Arlon, 1964 : “Eindelijk is’t er van gekomen. Zes weken zijn voorbij, gelukkig voor mij voorbij gevlogen. Dagen voor ik binnen moest had ik niet het minste benul van wat het leger mij kon bieden. Nu weet ik er wel ’t een en ’t ander over. Veel had ik er nochtans over horen vertellen en ik moet eerlijk zeggen dat het bij ons gans anders is dan hetgeen men er mij over vertelde. Is het misschien omdat we hier in een school zitten, het werkelijk anders is dan in een gewone kazerne ? Volgens mij is dat wel de reden. De meeste jongens zijn collega’s, o.a. vijf jongens die met mij hun diploma behaalden zijn hier gekazerneerd. Dat is zeker de reden dat we mekaar zo goed verstaan. Zes maanden zal ik hier mijn kaki-broekjes verslijten. Daarna nog zes maanden naar Duitsland om er als sectie commandant de tijd door te brengen. Natuurlijk brengt dat een strenge opleiding van zes maanden met zich mede. Buiten de dril, marsen en droppings die elke soldaat krijgt hebben we nog de lessen die wel een halve uurrooster in beslag nemen. Daarom vallen de marsen veel ’s avonds, met het gevolg dat we weinig vrije tijd hebben. Vorige week waren er o.a. drie marsen naar Lagland (ongeveer 8 km) en terug. De derde dag, bij de derde mars, waren er van de 40 slechts 18 vertrekkers. Allemaal hadden we pijn aan de voeten en benen. Vorige week was dat niet het geval en nu deze week nog minder, vermits we volgende maandag over acht dagen naar Brussel moeten gaan defileren ter gelegenheid van het bezoek van de Koning van Noorwegen. Moesten er nu ook zoveel naar de dokter lopen zou dat voor de baasjes ook niet meevallen. Verder had ik mij de gebouwen voorgesteld, omringd met hoge muren met glasscherven en ramen met ijzeren grendels in. Wel, hier is het net omgekeerd. De kazerne is slechts enkele jaartjes oud en ge kunt ze gemakkelijk verlaten. Natuurlijk mag dat niet altijd, maar voor de liefhebbers is het geen kwestie van over muren kruipen. Van de kost mogen we in ’t geheel niet klagen. Slechts éénmaal liet het te wensen over, maar als het zo blijft zijn w’er over tevreden. Onze kamer is gevuld met vier onderwijzers, twee agenten, één licenciaat en één architect. Het zijn dus 8 jonge kerels, blozend van vreugd als er een briefje van ’t liefje is en die ook wel eens grappen durven uithalen. Vorige week bijvoorbeeld maakten we samen een briefje op voor de verloofde van onze architect. Buiten weten van deze laatste. Ze schreef volgens hem te weinig en we schreven dat de oorzaak is dat hij nu aan drank verslaafd is. Alleen haar brieven konden hem redden ! Ik ben eens benieuwd wat het antwoord aan kamer 64 zal zijn. Nu mag ik de redactie niet vergeten te bedanken voor het geregeld ontvangen van haar tijdschriften. Ik ben er geweldig over tevreden. Ik hoop niets meer dan dat de mensen uit Leest de Milac steunt. Ook uw kinderen moeten misschien eens soldaat worden en die zullen er dan ook zeer blij en dankbaar voor zijn. Aan alle vrienden een goeie dag en tot volgende brief.”

-Jan Teughels van uit Aarlen, in “De Band” van december 1964 : “Als een soldaat op zaterdag en zondag niet naar huis mag betekent dat voor hem rust en tijd om brieven te schrijven. Ook Milac vergeet ik niet van uit Aarlen. We mogen zeggen dat onze opleiding na 3 maand en half weg is. Gelukkig wacht ons na deze periode meer vrije tijd. Vele avonden zijn wij op het terrein, hebben we droppings of zijn we verplicht naar een didactische film te gaan kijken. De laatste maand hebben we verschillende momenten meegemaakt. Einde eerste fase betekende voor ons test. Op een dropping van 35 km kregen we op vijf plaatsen testen. In groepjes is dat wel plezierig, maar niet als individueel. Toch is er voor mij een schone zijde aan vermits ik een natuurliefhebber ben sta ik er hoe langer hoe meer in bewondering voor. Vooral de herten met hun lawaai en gevechten zijn merkwaardig in deze tijd vermits het de paringstijd is voor deze dieren. Eekhoorntjes en vossen zijn hier ook nog veelvuldig van de partij. Verder hebben we ook al met enige “oorlogsspullen” gespeeld. Als ’t maar spel was. Ik was telkens blij als de bommen ontploft waren. Zo schoten we met een echte ennergabom naar een tank op 75 m. Met de blindicide bedroeg de afstand 200 m. Dit laatste bleef tot nu toe beperkt tot vuurkogels. De offensieve en defensieve granaten waren ook al van de partij. De tanks die hiervoor gebruikt worden zijn er die in de laatste wereldoorlog kapot zijn geschoten. Denk maar eens aan Bastogne, dat hier slechts enkele km vandaan is. De schietoefeningen worden alzo op dit terrein aangepast aan de plaats waar de tanks zich bevinden. Nu is het herfst. De laatste dagen zijn we verscheidene malen kletsnat en vol slijk hier ’s nachts toegekomen. Maar enkelen moesten ze gaan zoeken. Ze waren in Luxemburg verzeild geraakt. Achteraf kan men er wel eens mee lachen. In alle geval niet op die ogenblikken. Na het volgend weekeinde hebben we onze testen in Marche-les-Dames. Gisteren hadden we reeds een oefening in het naar beneden komen van rotsen en het overschrijden, met een paar touwen, van een vallei. Dit was niet ver van een kazerne. Over de hoogte van de rotsen wordt er van alles verteld. Wat het juist is zal ik in een volgende brief schrijven. Al zovelen voor mij hebben het gedurfd, waarom ik niet ? Nu nog het antwoord en de reactie op die brief. Vooreerst moet ik u schrijven dat het meisje in kwestie van Holland is en op ’t ogenblik ergens in Zwitserland werkt. “Heikneuters” als aanspraaktitel vond ik heel tof. Het eerste gedeelte vond ik zodanig mooi geschreven dat de jongen geen vrees moet hebben om naar een meisje te schrijven. Niemand van de meisjes zou negatief antwoorden. Wij zijn, volgens haar, hier ook niet op onze plaats. We kunnen met zeven nog niet een persoon goed opvoeden. Wat zouden we dat alleen met 10 jongens kunnen, schrijft ze. En zo stond die brief vol met “steken onder water”, als men het zo mag noemen. Wat ook goed was, is dat wij die brief hadden ontvangen voor dat die architect er een had gekregen. Ge moest dat gezicht gezien hebben als hij dat geschrift zag ! Ik bedank de redactie voor de post die ik regelmatig ontvang en stuur de groeten aan alle vrienden.”

-Jan Teughels vanuit Arlon, 1965 : Om u even nog te doen denken aan het dagelijks leven van de troep heb ik een onderwerp uitgezocht : PATROUILLE BIJ NACHT. ’s Middags koos de luitenant vier jongens uit die de rol van sectie-commandant moesten spelen, om, als overste de sectie te leiden. Daar ik deze maal één van die vier was kan ik u er wat meer over vertellen. In de namiddag bracht een jeep ons op de juiste plaatsen in het terrein om alles te verkennen. De twee patrouille-commandanten : L en B, moesten een goede en kortst mogelijke volgweg kiezen. Die van de sectie-hinderlaag moest zijn manschappen zodanig plaatsen op een kruispunt, dat de patrouille lopers er ongetwijfeld in een val liepen om hen alzo verder te sturen naar de sectie die in verdediging lag. Ik, als sectie-commandant van deze laatste, zocht de gekozen hoekjes op het terrein uit met goede dekkingen en een ruim waarnemingsveld. Om het moreel te vergroten zette ik hen twee aan twee. Twee met de telefoon lagen een honderd meter voorop en bij het minste gerucht of bij de minste beweging die er kwam moesten ze ons waarschuwen. De M-schutter en zijn bevoorrader bevonden er zich een honderd meter rechts van. De andere vijf en ik lagen er een eindje achter, in de breedte opgesteld, zodanig dat de vijand onvermijdelijk door de sectie hinderlaag in een zak werd gedreven. Iedere leider beschikte over een radio, zodanig dat men met behulp van codewoorden omtrent hoofdpost, hinderlaag en verdediging met mekaar in contact kon komen. Om 7 uur gaf de radio het bericht “begin oefening !’ Iedereen had zijn werk : de telefoon werd geplaatst en beproefd, geweren en M. werden geladen ; de manschappen zorgden er voor dat hun stelling comfortabeler uitgebouwd werd, want ze moesten er een tijdje in vertoeven. Achter ons waren er twee gepantserde voertuigen met infrarood licht opgesteld. Om dit op te speuren beschikt de vijand over natascopen. Een uur wachten, wachten…Niets te horen ! Ring, ring ! Ja, ’t spel ging beginnen. Twee slachtoffers liepen in de voorziene zak. De voorposten hadden opdracht gekregen niet te vuren vooraleer de achterlijn het deed. Als ze ver genoeg waren vlogen er rode vuurlichten uit de lopen. De vijand vluchtte…weg waren ze. Enkele honderden meters van ons verwijderd waren de jongens van de sectie-hinderlaag hun lopen aan ’t warm stoken. Daar de vijand van de voorziene weg was afgeweken trachtten ze hen uit alle macht op het rode pad te krijgen en…het lukte. Na een kwartierke wachten was het voor de tweede maal de bel van de telefoon die ons uit een halve slaap deed ontwaken. Het leek haastig te zijn, ja, want het waren er wel acht die op ons afkwamen. Onopgemerkt liepen ze de waarnemingsposten voorbij en een enorm geknal van geweerschoten ging de donkere lucht in. Ze dachten dekking te zoeken. Daar ze spoedig merkten dat het onbegonnen werk was omwille van het kale terrein, riep hij : ‘achteruit’. De voorpost had er op hun terugweg twee, door list, weten te doen struikelen, zodat we hen gemakkelijk te pakken kregen. We hadden een buit. Dat was voor ons het voornaamste. De rest wist te ontsnappen. Hoe weet ge nu in het donker of het een vijand is ? Wel daarvoor is er een afgesproken, dubbel paswoord in de sectie onderling. De eerste van ons die iemand zag zei : ‘Max’. Het antwoord moest ‘Maft’ zijn, anders was het een vijand, dan moest er een knallend rood antwoord van ‘Vuur’ op volgen. Ondertussen deed de hinderlaag nog steeds haar werk. Enkelen waagden nog kansen om door te dringen, maar moesten helaas voor hen, steeds vluchten. Niemand bereikte ons objectief : de gepantserde voertuigen. Als het elf uur was volgden enkele witte vuurpijlen, achter elkaar, de hoogte in, wat voor ons ‘einde oefening’ betekende, terugtocht naar de kazerne en een korte nacht. Alles is maar oefening en spel. De patronen zijn er met los poeder in. Wat geen spel was is, dat we in de kazerne vernamen dat er een jongen, bij ’t vluchten, tegen een boom was aangelopen. Nu, na een week, ligt die sukkelaar nog steeds in het hospitaal te Brussel. ’t Zal in ’t vervolg wel minder spel en meer oefeningen worden, denk ik. Aan alle lezers de meeste groeten en tot volgend schrijven.”

-Jan Teughels vanuit Arlon, 1965 : “Ook al ben ik de laatste tijd veel thuis geweest, toch ga ik mijn steentje voor Milac bijdragen. Voor veertien dagen hadden we, zoals ik reeds schreef, onze testen van durf te Marche-les-Dames. In deze brief zal ik daar wat meer over vertellen. ’s Maandags lagen we pas om twee uur in bed. Om vier uur dertig moesten we er uit, want we mochten zeker onze trein naar Namen niet verspelen. Een Touring-bus bracht ons op een indrukwekkende plaats naast de Maas. Vele tenten, schoon op een rijtje, stonden er opgesteld. Ertussen een spoorlijn met zeer druk verkeer. Achter ons lagen de hoog schrikwekkende rotsen, waar we onze tijd gingen op doorbrengen. Om te beginnen trokken ze met ons op een 50 m hoge rots waar we van een touw schuin naar beneden moesten glijden. In Agadir moesten we in donkere gangen met hindernissen. Menigeen was er met lieve balkjes in contact gekomen, dat was wel aan neus en gezicht te zien. Anderen liepen er, net zoals ik, met hun voeten tegen, waarvan het gevolg was dat we in lieve plasjes terecht kwamen. Van een 70 m hoge rots moesten we al glijdend aan een touw naar beneden. Een plank die geen halve meter breed was en een lengte van 6 m had gaf de verbinding tussen twee rotsen, over een ravijn van 80 m diepte. Slechts ene van het peloton weigerde. Na aanmoedigingswoorden van de luitenant is hij er toch overgeraakt. Verder hadden we nog de wedstrijd in rubberen boten op de Maas. Was dat een geklets en geplas… Verder is er ook een kolonel op bezoek geweest. Enige artiesten durfden het aan, uit een helikopter boven de Maas, langs een touw van 200 m naar beneden te glijden. Slechts één misstapte toen hij in een rubberen boot stapte en dat in een weer, waar ’s morgens het ijs op de ruitjes van de tenten stond… (Noot : de rest is onleesbaar) “

-Jan Teughels vanuit Antwerpen-Luchtbal, 1965 : “Een half jaar heb ik er naar getracht, en ’t is zo ver. Voor enkele dagen heb ik mijn matras omgedraaid ! Buiten alle verwachtingen heb ik een garnizoenskeuze in België mogen doen en samen met negen andere makkers hebben we de 29 januari een laatste leger goeiendag gezegd aan dat kleine, maar voor ons onvergetelijk stadje. Of we tevreden waren omdat we in Jemelle de richting Brussel mochten nemen hoef ik u niet te schrijven. Zelfs daar sleurden we met veel plezier onze pakken naar een ander spoor om onze nieuwe eenheid, in het 6de op de Luchtbal te vervoegen. Vooraleer ik daar meer over vertel ga ik nog wat over onze laatste opleidingsdagen vertellen. Naar gewoonte doorstonden we ook de zeer zware raid. Dinsdag avond werden we op 70 km van Arlon gedropt. Na een ganse nacht marcheren, schuiven, kruipen, glijden, enz. zijn we omstreeks 6 u. te Ortho, onze eindpost, aangekomen. Alles te samen was dat een 25 km. Ik heb daar juist wel veel werkwoorden gebruikt, maar ik kon er nog meer schrijven want op de bergen was het glibberig wegens de smeltende sneeuw en de rappels en beklimmingen waren niet uitgesloten. Slechts 1 uurtje hebben we, in de loop van de dag, in onze slaapzak, op de grond, gerust. ’s Avonds om 7 uur werden we opnieuw gedropt. Nu waren het slechts 15 km. Langs een open brug van 30 meter staken we de Ourthe over en deze hebben we 2 km gevolgd. Door bossen, weiden, heuvels, moerassen baanden we ons een weg. Hierop was de tijd wel vooruit gevlogen, want bij het einde van het bos was de klok 4 uur vooruitgegaan. Van het eindpunt voerden ze ons met camions naar Libramont waar we nog van een drie uur rust genoten en om er ’s anderendaags onze strepen te gaan ontvangen. De overheden aanschouwen het als zijnde een grote plechtigheid. Voor hen misschien wel, maar wat baatte dat ? Vermoeid als we waren haalden we nauwelijks onze pas. En eten dat we die dag klaargemaakt hebben ! Alles : aardappelen, ajuin, groenten, vlees, eieren enz. was ter onzer beschikking maar we moesten het dan ook zelf klaarmaken. Gelukkig ziet een hongerige maag niet zo nauw en lust ze alles. Het lastigste was wel afscheid nemen van de vrienden. Een half jaar hebben we samen geleefd, dag in dag uit mekaar geholpen, nu moeten we op ons eigen benen, de ene hier, de andere elders, de rol van sectie-commandant overnemen. Inderdaad, hier zeggen ze niet zo en zo, nu kan ik het zelf zeggen en dat is minder interessant. Maar ja, alles moet men leren en nu, na een 10-tal dagen gaat het al veel beter. Aan allen de beste groeten en mag ik vooral Milac bedanken voor het geschenk dat ik mocht in ontvangst nemen. Sgt. Mil Teughels Jan, 6D Linie bataljon, 1ste compagnie Kamer 178, Kazerne Kol. Housmans Antwerpen(Luchtbal).”

-Jan Teughels vanuit Antwerpen, 1965 : “Reeds twee maanden en half vervul ik de rol van sectie-commandant in de kazerne Housmans op de Luchtbal. Vooreerst werd ik ingeschakeld bij het kader van anciens, die vorige maand opnieuw de intrede in het burgerleven hebben gedaan. Dat kader bestond slechts uit drie reservisten. Ook al betrof het een ganse compagnie, toch moest men steeds zoeken dat men karweimannen nodig had. Haast iedereen had zijn vaste dienst. Voor drie weken heb ik hen tot aan het station geleid vanwaar ze hun laatste groet brachten, die het einde van hun militaire dienst betekende. Ondertussen zijn wij, reservisten, bijgezet bij de actieven om een nieuwe lichting op te leiden. Het zijn geen rekruten meer, want, hun Leeuw is reeds plechtig ingeruild voor een ‘Brabo’. Nu zijn we pas terug van een tiendaags kamp in Vogelsang. Meestal hadden we schietoefeningen met Fal, Falo en Energa. Er zijn ook vele namiddagen besteed aan ‘close combat’ of ‘lijf aan lijf gevecht’, hindernisbaan en granaatwerpen. Natuurlijk zijn de droppings ook te vernoemen. De eerste keer, bij nacht, dropten ze mijn sectie zo maar 5 km van het juiste vertrekpunt. Onmiddellijk ondervond ik dat we van het juiste pad waren en rond twee uur pikten ze ons op om naar de blok Sint Joris te voeren. Heb ik dan gepanikeerd zeg ! Gelukkig lag het verwijt niet bij mij, wel bij hem die ons verkeerd dropte. Zo waren ook nog drie andere secties het slachtoffer van dit gebeuren. Een paar van hen hebben ze ergens op enkele km van Monchau weergevonden. Gelukkig is de dropping van zaterdag, over ongeveer 30 km volledig gelukt. Na tien dagen zijn w’er midden in een sneeuwlandschap vertrokken naar onze heimat in Antwerpen, waar de dagelijkse bezigheden voor mij nog honderd dagen verder gaan. Ik dank allen voor de post die ik ontving en stuur tevens mijn beste groeten.”

-Jan Teughels vanuit Antwerpen, 1965 : “Twaalf maanden is een lange tijd ; niet voor u als buitenstaanders, maar wel voor ons, de drommels gekleed met het kakigoed. Gelukkig zijn er voor mij reeds meer dan elf voorbijgevlogen en vertoef ik hier slechts voor enkele dagen meer als super-ancien in het bataljon. Ook al zijn wij nu anciens, toch denken de lichtingen die na ons zijn binnen gegaan hetzelfde. Waren we trouwens ook zo niet een paar maanden geleden ? Het is een geluk voor ons dat we reeds lang dat optimistisch gevoel bezaten, al was het maar om te denken dat de tijd niet zo lang duurt dan in werkelijkheid wel duurt. Wel, de laatste maanden heb ik het in mijn soldatenleven zeer goed gehad : op het schietkamp in Leopoldsburg bracht ik mijn tijd door met administratieve werkjes op het bureel van de Commandant. De tijd was ook meerdere malen gevuld met wacht te kloppen. De drie laatste binnen de veertien dagen. Deze week hadden we nog een nachtdropping, enkele km voorbij de Citadel te Namen. Waarschijnlijk de laatste maal dat ik in de maneschijn een dropping gekregen heb. Nat kwamen we in het kamp en de vermoeienis gaf ons vlug een diepe slaap in de tentjes. Volgende week wacht ons nog een laatste schietkamp dat weer in Leopoldsburg plaats heeft. Ongeveer een maand geleden ben ik, samen met vijf andere onderofficieren, miliciens, naar Vogelsang geweest om er deel te nemen, als scheidsrechter, aan een schietwedstrijd van Koning Albert. Vermoeid dat we terugkwamen, zeg. Om het uur moesten we twintig minuten een schutter vergezellen om gedane fouten aan te tekenen. Volgens de Kolonel was het zo zwaar dat we er nog een rustdag op de woensdag bij kregen. Hiervan maakten we natuurlijk gebruik om de mooie streek van het heuvelachtige Rhurlandschap te bewonderen. Met autostop deden we enkele kleine dorpjes aan. Het was een omgeving van toeristische aantrekkingskracht. Mag ik nu in deze brief, die wellicht de laatste zal zijn, Milac nogmaals danken voor de lectuur me tijdens dat ganse jaar trouw en regelmatig toegezonden, vooral tijdens de Ronde van Frankrijk wanneer me iedere dag het dagblad werd toegezonden. Op een paar maal te na gesproken, heb ik iedere maand voor De Band een brief geschreven. Ik ben er zeker van, als alle kaki mannen het zo deden dat de Band, nu reeds een voorbeeld voor velen, nog meer succes zou mogen boeken. Hoe vaak stonden er slechts een paar brieven in ? En waren we niet met 10 of meer soldaten ? Mannen, kom eens buiten, en steek eens de handen uit de mouwen, en dank aan het, uw soldatenblad, de schakel tussen kazerne en thuis. Nogmaals, hartelijk dank, de beste groeten en wens aan ieder milicien een spoedig afzwaaien toe.”

Jan Teughels is een zoon van Louis (“Lowieke van Dore”) en van Tille Absillis uit de Blaasveldstraat. Hij huwde op 12 juli 1969 met Erna Verhaegen, enige dochter van Jan Verhaegen-Cleynhens uit Hever-Schiplaken, die hem twee zonen schonk : Johan en Noël. Jan gaf les in de gemeenteschool en was zoals de meeste mannen van zijn familie een handige Harry, zo bouwde hij na zijn huwelijk eigenhandig en haast helemaal alleen zijn villawoning in de Pastoor de Heuckstraat.

Foto’s :
-Jan Teughels na zijn legertijd.
-Meester Jan met één van de vele klasjes die bij hem gepasseerd zijn.
-Met zijn gezin : zoontjes Noël en Johan en echtgenote Erna.
-Zijn woning die hij eigenhandig heeft gebouwd.



2721899-6729bbcc7db693baf6cb1ec232b0e03c.png

2721899-8d26a87957253d5a2ccac3a2cf652478.jpg

2721899-ddb5cf7ac7c26bcd2eb1763bf53c33c2.jpg

2721899-2d8943b049b19e722437db3c6d1675f4.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:23 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 11 oktober : Gemeenteraadsverkiezingen

Verkiezingen van 1964

In 1964 viel de fanfare Arbeid Adelt bij gebrek aan eensgezindheid uit elkaar en ze gingen naar de verkiezingen met de naam “Gemeentebelangen”.
Deze gemeenteraadsverkiezing kregen de twee traditionele Leestse partijen het gezelschap van een voor Leest nieuwe lijst, de Socialistische Partij. Dit zorgde voor enkele problemen binnen de groep van de Blekken omdat voor 1964 heel wat socialisten op kandidaten van de Blekken hadden gestemd.

Op de lijst van de socialisten (BSP lijst nr.1) kwamen op L. Lauwers, A. De Schouwer, Fierens, A. De Smedt, G. Van der Elst, F. Put, F. Van Baelen, Verbist en J. Verbergt.

De Gemeentebelangen (lijst nr 3) met : F. De Prins, R. Van der Hasselt, L. Selleslagh, L. Hellemans, K. Leemans, Van den Brande, E. Lamberts, F. Huys en A. Verbruggen.

De Blekken, (lijst St. Cecilia nr 2) kwamen op met Emiel Verschueren, F. De Prins, J. Geens, Henrik Van den Heuvel, A.F. Lauwers, F. De Decker, J. Huyghe, J. Vloeberghen en V. Robijns.

De uitslag : de Blekken haalden 5, Gemeentebelangen 3 en de socialisten 1 zetel.
Voor de Socialistische Partij werd Louis Lauwers verkozen.
Voor de Blekken waren dat Emiel Verschueren, Henri Van den Heuvel, Frans August Lauwers, Ferdinand De Prins en Juul Geens.
Voor de Sussen werden Frans De Prins, Raymond Verhasselt en Alfons Verbruggen verkozen.

Oud-burgemeester Emiel Verschueren verliet de politiek na deze verkiezingen en zou in de raad worden opgevolgd door Frans De Decker. Die was echter kort na de verkiezingen overleden en daardoor kwam Jef Vloeberghen als tweede opvolger in de gemeenteraad.
Vanaf 1965 werd Frans August Lauwers burgemeester. Tijdens zijn eerste ambtsperiode waren Henri Van den Heuvel en Ferdinand De Prins schepenen.

Bijgevoegd :

-Zeer belangrijke nota.

-Voorstelling van de lijsten met hun respectievelijke kandidaten.

-Voorstelling van de Gemeentebelangen, lijst 3.

-Uitnodiging voor een kiesmeeting van de Socialisten.

-Bedanking van de winnaars en een uitnodiging voor hun overwinningsfeest.



2721071-b83a4375944064aa652af433f7d8a6f6.jpg

2721071-bd4e93e46e5b9c279e31b9a8ddcf64a1.jpg

2721071-44ec804658cc60477c2d7b86fd2bbf82.jpg

2721071-6b0f13ca66cdc863c3da3b3f112401cc.jpg

2721071-f52f6c73a2547499f49f72d4e901749c.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:59 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 7 september : Milac-Avond
Om 20 uur in het Parochiehuis met Theo Van den Bosch en Suzy Marleen. Verder met de conferencier-animator Bert Joris, de zangeres Jetty Ost, de internationale muzikale fantaisist Stanny Stijn, Rik Piers de nieuwe Radio en T.V.-ster en het orkest “Univers”.

1964 – Oktobernummer “De Band” : Ongevallen
-Auto over kop : Twee personenwagens, respectievelijk toebehorend aan Verbruggen uit Leest en Corbeel uit St.Kat.Waver kwamen uit een tegenovergestelde richting en botsten op elkaar op de Grote Baan te Heffen. Het voertuig van laatstgenoemde sloeg over kop en de bestuurder werd hierbij licht gewond.

-Botsing tegen paal : In de Blaasveldstraat reed E. De Win (foto onderaan) met zijn wagen tegen een betonpaal. Het voertuig werd tamelijk erg beschadigd en diende weggesleept te worden. De bestuurder kwam er met de schrik af.

-Tegen stilstaande auto: In de Dorpstraat reed G. Vloebergh tegen een aldaar geparkeerde wagen. Enkel materiële schade.

-Fietser tegen bromfietser: In de Winkelstraat had een aanrijding plaats tussen de fietser Jan Fierens uit Leest en de bromfietser Herman Van Utterbeek uit O.L.Vr. Waver. Deze laatste werd licht gewond.

-Dwaze streek : Na het bijwonen van de H.Mis en het opstappen naar huis toe werd mevrouw weduwe Verlinden in de Kouter door een drietal schoolgaande kinderen omver gereden. Zij liep hierbij een ontwrichting aan de pols op en kloeg over pijnen aan de ledematen.
Voor wanneer gaat het eens ophouden met de dwaze streken van schoolgaanden, en wanneer zal daartegen eens drastisch opgetreden worden vermits het anders toch niet schijnt te helpen.

-Erge Val : Op de hoek van de Kouter en Dorpstraat viel op een onverklaarbare wijze mevrouw M. Lauwers ten gronde. Zij kwam met het voorhoofd op de stenen terecht en liep een diepe hoofdwonde op. De bijgeroepen geneesheer gaf haar de nodige verzorging.

-Nog een aanrijding : Te Kapelle-o-d-Bos had er een aanrijding plaats tussen de drie gebroeders De Donder uit Leest enerzijds en de autobestuurder F. Croonen. De broers werden slechts licht gewond.

-Val bij turnen: Tijdens de turnoefeningen in het Sint Theresiacollege te Kapelle-o-d-Bos deed Marc Beterams (foto onderaan) een val waardoor hij zijn schouder ontwrichtte en een inwendige kneuzing aan het sleutelbeen opliep. Na verzorging door een plaatselijke dokter en na verpleging in een kliniek kon hij huiswaarts keren.

1964 – 4 oktober : Kwaadwillige beschadiging koetswerk auto
Het koetswerk van de pas herschilderde Renault Ondine van Louis Selleslagh (foto onderaan) (°Kapelle o/d Bos 10/8/1938), wonende Alemstraat 17, werd aan het café Verschuren op de Juniorslaan zwaar beschadigd. Met een scherp voorwerp werd de ganse rechterkant diep ingekrast en ook het kofferdeksel was er erg aan toe. De schade werd vermoedelijk toegebracht uit politieke wraak omdat Selleslagh zich kandidaat had gesteld voor de komende gemeenteraadverkiezingen van 11 oktober a.s.

1964 – 8 oktober : Feest van de B.J.B.-meisjes
“Door de zorgen van de B.J.B.-meisjes werd op 8 oktober een parochiaal feest gehouden met als hoogtepunt het oplaten van ballons, gezien in het kader van een wedstrijd met o.a. een vliegtuigreis voor twee personen aan de winnaar. Deze actie welke ten zeerste dient geprezen omwille van de voorgenomen actie voor de Ontwikkelingslanden, heeft zeker belangstelling verwekt. Eerlijkheidshalve moet er aan toegevoegd worden dat meerdere bewoners der gemeente geen bezoek ontvingen van BJB-meisjes voor het aanbieden van een kaart ten bedrage van 7 frs, en zulks zeer spijtig is.” (“DB”, december ’64)

1964 – 9 oktober : Speciaal dansfeest in zaal Ste Cecilia
Met het orkest Ray Debrae en zijn Romancers.

Foto’s :
-Ernest De Win reed tegen een betonpaal.
-Links Marc Beterams met enkele Chiro-makkers : Frans Lamberts, Luc Lauwers en Jef Van den Heuvel. Marc ontwrichtte zijn schouder bij een val.
-De Ondine van Louis Selleslagh werd beschadigd.



2720521-74f543b87641a555d2c97f506c650db7.jpg

2720521-a552059ddee15bf131b37f8f258bceda.jpg

2720521-af673f36b1e9fecfb5fd3deda8efa757.png
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:41 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : Soldaat Willy SILVERANS
“Burcht : liet ons door middel van een pittig bericht zijn afzwaai weten, zulks ten gevolge van een besmettelijke ziekte opgedaan op 1 juli 1963 en hersteld op 27 juni van dit jaar.” In dezelfde periodiek van augustus : Welkom thuis “Zwaaide af op 27 juni l.l. militiaan Silverans Willy wat met tegenzin gebeurde ; de ouderdomsgrens mag echter niet overschreden worden. Iedere Belg is gelijk voor de wet, vastgelegd door de Grondwet. Welkom thuis.”

Willy Silverans zou op zijn 46ste op een fietspad aangereden worden door een zware container. Hij was op slag dood. Hij liet een zoon achter die net gehuwd was en een dochter van 17.

1964 – Woensdag 2 september : Aangereden
Op woensdag 2 september werd de 7-jarige Erwin Van Nobelen bij het oversteken van de Kleine Heide aangereden door de personenwagen bestuurd door Cyriel De Smet. Gelukkig bleef alles beperkt tot lichte kneuzingen bij het kind en te verwaarlozen blikschade. (DB)

1964 – 4 september : Diefstal van 10 bakken spinazie
Landbouwer Victor Robijns (°Kapelle op/den Bos 14/9/1895), wonende Leest Alemstraat nr. 29, zette gisteravond tien bakken spinazie klaar om door zijn zoon en groentenhandelaar Jan opgehaald te worden. Vanmorgen waren die allemaal verdwenen. De spinazie had een marktwaarde van 700 frank en de bakken, eigendom van Jan Robijns, kostten 30 frank per stuk. Volgens de garde was dit de derde diefstal deze maand van op de straat geposteerde veldvruchten.

                                                        Victor Robijns 

Victor Robijns ‘Torre van de Kets’ overleed in de ‘Heergracht’ te Mechelen op 21 januari 1985 : “…zijn warme hartelijkheid, zijn eenvoud, zijn liefdevolle werkkracht, zijn meeleven met anderen…” (uit zijn gedachtenisprentje) Hij was gehuwd met Maria Ludovica Alewaters (°Leest 07/01/1897, +Mechelen 28/11/1971) en de grootvader van o.a. Stan Gobien. Een interview uit 1984 verscheen in januari 1985 in ‘Caecilia’, het tijdschrift van het Muziekverbond van België. Een week nadat het interview was verschenen, overleed Victor Robijns. Voor de tweede wereldoorlog was hij bestuurslid van de fanfare St.-Cecilia en als dusdanig woordvoerder voor de muzikanten.

Victor ROBIJNS en de sfeer van toen…

“Aan de Alemstraat te Leest woont Victor Robijns, in gans Leest beter bekend als ‘Torre van de Kets’, en momenteel (Noot : 1985) het oudste lid (thans erelid) van de kampioenenfanfare Kon. Fanfare ‘Sint-Cecilia’ van Leest-Mechelen. Toen we daar kwamen, zat hij in een zetel zijn middagdutje te doen. Hij ontwaakte al toen we de deur openden. Eerst was hij niet zo te vinden voor een vraaggesprek, maar na een tijdje vertelde hij vrijuit !
-Hoe ben je bij de Leestse fanfare gekomen ? -’t Was in 1919. Ik trouwde in Leest en daar waren het ‘Blekken’. Ikzelf kom uit Kapelle-op-den-Bos en daar speelde ik bij de fanfare ‘De Vrije Vlaamse Zonen’, de ‘Sussen’ van Kapelle. Na mijn huwelijk ben ik dan ook muzikant geworden bij ‘St.-Cecilia’ Leest.
-Bracht dat toen geen strubbelingen mee ? We bedoelen ‘Blek’ zijn in Leest en ‘Sus’ zijn in Kapellen-op-den-Bos ?
-Iemand van den Triest (gehucht in Kapellen-op-den-Bos waar het geboortehuis van Victor staat) zei me toen eens dat hij het niet serieus vond dat ik muzikant geworden was bij de ‘tegenpartij’ in Leest. Ik heb hem toen gewoon gezegd dat ik geen ruzie wilde met mijn vrouw en dat ik nu in Leest woonde. Daarmee hebben ze er in Kapelle niets meer durven over zeggen. ’t Strafste van de zaak was dat ik in Leest meespeelde op het instrument van de Sussen van Kapelle. Dat was ook iets speciaals met dat instrument. Vlak voor de oorlog van 1914-18 had ik een nieuw instrument gekregen. De andere muzikanten moesten in 1914 hun instrument inleveren. Omdat het mijne een nieuw was, mocht ik het zelf houden. Ik heb het zelfs meegenomen op de ‘vlucht’. Het hing over mijn schouder. Onderweg heb ik er nog dikwijls muziek mee gemaakt. Na de oorlog waren al de ingeleverde instrumenten naar de vaantjes. ’t Mijne niet en zo moest ik wel in twee fanfares meespelen. In 1922 ben ik ermee gestopt in Kapelle. Ik was de laatste maanden niet zoveel meer naar de repetitie geweest ginder en toen kwamen ze vragen of ik nog wel kwam. Ik heb dat instrument toen afgegeven. De Leestse fanfare heeft voor mij toen een andere bugel gekocht.
-Hoe zag de Leestse fanfare er toen uit ? -Helemaal anders dan nu ! Er waren zo’n 20 tot 25 muzikanten, meer niet ! Maar er waren toen wel vijfmaal meer ereleden. Als we dan opstapten, liepen er zo’n honderd ereleden achter ‘het muziek’ aan. Aan wedstrijden deden we niet mee ! Wel aan festivals. Ik herinner me nog een festival in Heffen. We waren, toen we moesten optreden, juist geteld met twee muzikanten, allebei bugelspelers, nl. Ston Busschots en ikzelf. Later is ‘Waar’ Lemmens er bijgekomen en dan nog een paar andere muzikanten. Ook in zulke omstandigheden gaven wij het niet op ! Dat zouden de muzikanten van nu niet meer durven, geloof ik ! Maar ja, de muziek is ook erg veranderd…
-Hoe waren de repetities ? -Ze hadden plaats in een café. Alles werd opzij geschoven en dan repeteerden wij. Meestal allemaal danskens, walsen en marsen. Af en toe een groter stuk, maar dat viel niet zo in de smaak. Wij speelden om onszelf en om de mensen te amuseren. In de zomer speelden de muzikanten van de Alemstraat ’s zondags buiten ! Toen zaten we in de gracht! Dat was heel plezant ! De mensen kwamen dan bij ons zitten en luisterden heel de namiddag. Op de repetities werd heel wat gedronken. Plezier maken kwam bij ons voor muziek maken. Nu is dat wel anders ! Elke tijd heeft zo zijn eigenaardigheden !
-Je speelde voor je plezier. Waarom waren er toen zoveel ereleden in vergelijking met het aantal muzikanten ? -De mensen waren toen lid om aan de teerfeesten te kunnen meedoen. De teerfeesten van de Leestse fanfare waren iets speciaals. Ik was bestuurslid geworden omstreeks 1925. Een paar jaar later moest er in het bestuur iemand de belangen van de muzikanten behartigen en ik werd daarvoor uitgekozen. Een goede week voor de teerfeesten trokken we toen naar een veehandelaar. We kochten daar dan een koe, een os of een stier. Deze werd dan in Leest geslacht en met de teerfeesten opgegeten. We kochten ooit eens in Nieuwenrode een stier van meer dan 800 kg. Die hebben we niet opgekregen.
-Hoe verliepen de teerfeesten dan ? -De teerfeesten duurden drie volle dagen. Iedereen werkte de weken daarvoor zo hard dat die dagen er wel afkonden. We begonnen ’s zondags na de hoogmis met ons jaarlijks teerfeest. Toen gingen we ‘kop’ of biefstuk eten. Daarna deden we zoveel mogelijk cafés aan. Omstreeks 4 uur ’s namiddags waren we terug en dan begonnen we te eten. Na ’t eten was er bal. De boeren (toen het merendeel van de plattelandsbevolking) moesten echter eerst nog naar huis om de koeien te gaan melken. Wij hebben er ooit eens een autobusje voor ingelegd. Als we in de stal gedaan hadden, trokken we terug naar het dorp. Het bal duurde daar tot ’s morgens vroeg. Een orkest huurden we niet. We hadden ons eigen orkest en we speelden onze bals zelf. Er is zelfs een tijd geweest dat we twee orkesten hadden. Iedereen danste met iedereen. Ouderen met jongeren, bijna tot op de draad versleten mannen en vrouwen met jonge springers. De ouderen leerden de jongeren dansen. Wie met de ‘Blekken’ een jaar had meegeteerd, kon dan ook dansen ! De tweede en de derde dag (maandag en dinsdag) kwamen ze samen in de Alemstraat omstreeks de noen. Sommigen zaten al in de cafés te wachten vanaf 10 uur. Dan trokken we zo weer via de Heide naar het Dorp. Er waren toen minstens 25 cafés ! Dan was er weer een feestmaal en terug een bal. De derde dag aten we meestal de overschot op of aten we stoofvlees met aardappelen. Na de derde dag was iedereen het eten moe en zelfs het drinken. Of toch bijna iedereen…
-Als er zoveel cafés waren, liep dan alles wel goed af ? -’t Gebeurde geregeld dat – wanneer het grootste deel van de fanfaremensen al in ’t Dorp waren – er nog muzikanten en ereleden op de Heide zaten te pintelieren. Die kwamen er dan wel later door. De dirigent en het bestuur hadden steeds de grootste moeite om iedereen buiten te krijgen uit die cafés. Met de teerfeesten van toen had iedereen een stuk in de kraag, maar toen was het ook niet zo gevaarlijk op straat : auto’s reden er bijna niet.
-Wanneer stopte je als muzikant ? -Feitelijk bij het begin van de oorlog van 1940-45, maar mijn laatste jaar als muzikant was 1937, denk ik. Toen mijn oudste zoon, onze Louis, muzikant geworden is, ben ik ermee gestopt. Ik heb na de oorlog wel eens geprobeerd, maar ’t ging niet zo goed meer want tijdens de oorlog hadden we geen noot meer mogen blazen van de Duitsers. Ik ben dan erelid geworden en ik ging steeds mee als er wat te doen was. Nu kan ik dat ook niet meer…
-Anekdotes uit de tijd van vroeger ? -Ja, veel, maar ik vind ze zo direct niet…Ik speelde in 1919 nog in Kapelle-op-den-Bos. Daar speelden echter ook nog andere Leestenaars mee, onder andere Louis Spoelders. Hij speelde trombone en als hij in vorm was, liet hij zijn instrument kletteren dat heel Kapelle daverde. Louis moest eens alleen spelen en hij kon het heel goed. De chef (Andries) zei : ‘Spoelders, ge blaast koper !’ Toen zei Louis kwaad : ‘Chef, ik ben potfer nen Blek !’ Tumult natuurlijk, want zo iets durven zeggen op de repetitie van de Sussen was toen een straffe toer ! Als er bij ons iemand van de fanfare kwam, haalde mijn vrouw (ons Wis) een fles cognac of ‘elixir d’Anvers’ boven. En die mannen gingen dan meestal pas verder als de fles leeg was of ’t scheelde niet veel…Met wat de wijkmeesters van voor de oorlog kwamen vertellen, moest ge dan goed oppassen. Die gingen in dergelijke omstandigheden van huis tot huis en overal kregen ze ten minste een goede druppel. Aan het eind van hun rondgang kwam er dan niet veel serieus meer uit, maar de leden waren wel zo slim de volgende dag aan elkaar te vragen wat de wijkmeester had verteld en hoe laat het was toen hij op bezoek kwam. Sommige wijkmeesters deden als het mogelijk was maar één of twee bezoeken per dag en zo konden ze de hele week of nog langer van huis weg… Rik De Bruyn speelde ook mee in de fanfare. Ik speelde bugel solo en Rik van ’t Kot moest 3de bugel spelen van de chef. Omdat ik wist dat Rik de beste muzikant was van de fanfare kon ik dat niet langer verdragen. Toen heb ik op de repetitie tegen Nante van den Toebak (de dirigent) gezegd : ‘Zet die kleine maar naast mij. Hij speelt ons allemaal onderste boven ! Ik wil dat dat gezever nu gedaan is !’ En nog dezelfde repetitie mocht Rik bugel solo spelen. Met de ‘verhuizingen’ (eens per maand op zondag een muzikale wandeling met cafébezoek) kwamen er soms muzikanten bij ons thuis eten. ’t Was soms zo erg dat ze de pensen uit de kelder gingen halen. In die tijd was dat de gewoonste zaak van de wereld. Ons Wis maakte wel veel kabaal als er zoiets gebeurde, maar tegenhouden deed ze die mannen toch niet. Nu zoudt ge dat niet meer moeten proberen om uit iemands kelder wat te halen ! In onze tijd waren we tevreden met wat we hadden. Als er niets meer was, konden we niets meer verdelen en ook niets meer weggeven. Hadden we niet zoveel weelde als nu, we hadden wel meer plezier. De goede oude tijd was meestal wel een harde tijd en misschien ook niet zo goed : er was meer armoede, er stierven meer kinderen en jonge mensen. Maar…als we werkten, werkten we hard. Als we dronken, dronken we een serieuze hoeveelheid. Als we plezier maakten, dan was dat echt plezier en duurde dat tot ’s morgens vroeg. Nu zijn de tijden veranderd en ook de mensen… De mensen van mijn soort (degenen die geboren zijn voor 1900) zijn zo stilaan aan ’t verdwijnen. Met nog een paar schieten we op dit ogenblik in de fanfare over… ’t Wordt nooit meer zoals het vroeger is geweest ! Gelukkig voor het een en spijtig voor het ander… Tot daar het gesprek met Victor Robijns, de kranige ‘Torre van de Kets’. Hij deed ons zowaar heimwee krijgen ! Heimwee naar de solidariteit van vroeger, naar het echt plezier en de echte vreugde, naar de mensen van toen die elkaar echt hielpen. Misschien komt dit alles nog eens terug ?”

Foto’s :
-Gedachtenisprentje en doodsbrief van Willy Silverans.
-Erwin Van Nobelen als volwassene.
-Victor Robijns.
-Drie bugelspelers : Victor Robijns (links), Edward Lemmens en Gaston Busschot.



2720282-d6e54c8ca6a8084271694f5e21c07567.jpg

2720282-3bf879bbebb685327b832fcce0597e49.jpg

2720282-84c923b46a29d6a48761eb9bd61dc821.jpg

2720282-39322a4f2836d167e4db9c5eb96b1480.jpg

2720282-0a79f3cfaeec9db64a8e01e405c2b953.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:11 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : Ordonnans Eduard SPOELDERS
-Probsteierwald, 1964 : Hier een eerste briefje van een nieuwe soldaat. Ik ben wel al een maand binnen maar dit na een opleiding in Turnhout en het is er niet van gekomen om te schrijven. Hier is alles met mij goed en ben goed gearriveerd, begin nu aan een nieuwe maand opleiding en dan nog 10 maanden dienst en ik ben er van af (waar een mens durft aan denken hé !). Ik ben met Robert De Rooster binnengekomen, maar ik heb hem maar één keer gezien en van zijn adres weet ik ook niets af, het zou interessant zijn indien ik Robert zijn adres had. Hier op mijn kamer ligt nog een soldaat van Hombeek : Fierens Robert. Ik sluit dit briefje, want ik ga wat rusten en misschien wat slapen, want het is typisch voor een soldaat, want ze zeggen : ‘een soldaat ligt te velde, hetgeen ik al dikwijls ondervonden heb in Turnhout. Ik doe nog een goeie dag en bijzonder aan andere soldaten, dorpsgenoten en aan de K.W.B.-ers.”

-Probsteierwald, 1964 : “Hier weer wat nieuws van een ‘Bleuke’ die van zondag af ‘Ancien’ is, het is te zien, want we zijn van 5 h 30 op en heb nu 9 h en we hebben alleen nog maar gegeten, dat is natuurlijk een goed begin van onze 11 maanden dienst als serieuze militaire dienst. Dus zondag begint onze instructie, dit is een maand zwaar werk. Verleden week hebben we in de garage gewerkt, dit was natuurlijk ‘reuze’ (veel kijken en weinig werken-ook een kunst). Nu over de omgeving hier, we zitten tussen 2 stadjes, het ene Esweiller op 5 km van het kamp en Stalberg ook op 5 km afstand van hier, bijgevolg is er van uitgaan geen sprake maar toch zijn we zaterdag en zondag weg geweest. Resultaat : zondag zo stijf als een plank en niet veel plezier gemaakt. Met vieren hebben we besloten in het kamp te blijven en uit te slapen, een zaak waarmee ne soldaat zijn dienst moet doorbrengen. Over het eten, een bijzondere factor; dit is hier goed, zeer goed. Met mij zelf is het uitstekend, natuurlijk liever thuis, maar dat komt ook. Het programma van elke dag : 5h30 opstaan, appel, 6 h kopje koffie drinken en dan ochtendcross, t.t.z. wandelen, 6 h 30 eten, in militaire termen ‘boeffen’, dan karwei of bed opmaken. 7 h 30 begin dagtaak, 12h15 eten, 13h30 verder werken, 5 h eindigen? 6 h 15 eten, 6 h 30 vrij, 10 h avondappel, 10h30 lichten uit. Ik eindig, want ik schreef daar juist 10h30 lichten uit. Nog een goede dag aan alle vrienden en kennissen, vooral aan de soldaten.”

-Eduard Spoelders, BSP 2 BSD (in “De Band” van november 1964) : “Hier weer wat nieuws van de “verdediger” van het vaderland. Ik schrijf verdediger, ja, ik heb dat woord al dikwijls gehoord van de officieren, dus ik gebruik het ook, ik ben toch ook militair. Wel, met mij gaat alles goed, zelfs heel goed, want ik heb hier goed eten en slapen, het laatste bijzonder, ge weet het wel hé ! Mijn tweede maand opleiding is ook weeral achter de rug, dus het zwaarste van het leger is voorbij, daar ben ik vast van overtuigd. Nu sta ik alle dagen, behalve zaterdag en zondag, in de garage. Ik heb al heel wat bijgeleerd, zoals b.v. ergens onder of achter liggen te “maffen” in ABN “slapen”. En hoe gaat het daar bij jullie in Leest, het verre, kleine maar in mijn ogen het grote, heerlijke Leest ? U kunt het wel begrijpen wanneer men twee maanden van huis weg is, dat men zo iets of wat (veel) heimwee begint te krijgen. Maar kom. Eens komt de tijd van het weerzien, dan kom ik terug om rustig mijn avonden te slijten rond de haard van het ouderlijk huis en terugdenken aan de tijd van “Geef acht ! Voorwaarts mars!” Ja die tijd die komt en het begin daarvan is 19 oktober wanneer ik voor 8 dagen naar huis kom, om even uit te blazen van twee en halve maand soldaat spelen. Ik schrijf “soldaat spelen”, misschien in uw oren niet erg juist, maar naar mijn mening is het hier dikwijls een speeltuin, en vooral de vorige maand in onze opleiding, men noemde dat “de maand om van een jongen, een stevige soldaat te maken”, nochtans bij mij zijn ze daar niet in gelukt en zal het ook niet lukken, want eens dat ik thuis zal zijn zal ik het terug rap gewoon worden, daar ben ik van overtuigd. Nu ben ik uitgeschreven het is 09u15, ik ga mijn bed opmaken, nog een beetje eten en dan slapen tot morgenvroeg 06u15 ; ze wekken ons wel om 6 uur maar dan draai ik me nog eens om, ’t is te goed in ’t bed na de zware dagtaak (schoon hé) en ’s morgens is het nog beter onder de dekens. Robert De Rooster liet me ook weten content te zijn. Beste vrienden, ik sluit, wens u nog allen het beste, aan de redactie hartelijk dank voor de weekbladen die me regelmatig toegezonden worden. Soldaten, vrienden en K.W.B.-ers een goede dag.”

-BPS 2 BSD (datum onbekend) : “Eindelijk weer wat nieuws van een ‘arme soldaat’ die zijn vaderland zo goed mogelijk moet dienen. Van het vaderland te dienen zal wel niet veel in huis komen, want we kosten toch maar 12,5 fr. Als er in Leest kandidaten zijn, ze zijn altijd welkom. De condities : 12,5 fr per dag, sigaretten goedkoper, schoon volk in Stolberg en nog meer van die voordelen. Doch wanneer men soldaat is weet men dat het best, ik heb nu al een beetje ondervinding, doch rechtuit gezegd, in het leger leert men man worden, men wordt er gehard tegen het ongure weder, dat laatste hebben we al een beetje ondervonden, zo een beetje (1/2 h) in de regen rondlopen, resultaat ’s anderendaags een verkoudheid. Voorts wordt men hier niet ‘echt’ ziek, zodat men ‘altijd’ bereid is het vaderland te dienen, schoon gezegd hé ! Maar daar denk ik niet te veel aan, ik doe mijn plicht goed, hetgeen van een soldaat verwacht wordt, en daar blijf ik ook bij, want wie werkt er nu graag voor 12,5 fr per dag, van 6 h tot 18 h, ik toch niet, u ook wellicht niet. Och ja, we hebben hier weer iets speciaals voor amusement, een hond, de adjudant van de Cie, heeft die verleden week van kleine Duitse jongens gekregen. Resultaat, elke avond met die hond gaan wandelen, zodat hij zijn behoefte zou kunnen voldoen. Amaai ! Die bomen !”

-Probsteierwald, 1965 : “Hier komt eindelijk weer wat nieuws van een ordonnans, niet van Napoleon, noch van de kapitein, doch wel ordonnance onderhoud van wagens. Zelf werk ik niet aan de wagens, doch wel aan de onderdelen, o.a. carburators, delco’s en dergelijke. Ik had nog nooit aan zulke onderdelen gewerkt, dus het was me volkomen vreemd ; de eerste dagen ging het moeilijk, doch nu na 2 à 3 maanden is dit alles kinderspel geworden. Ik kan dus een besluit trekken, ik heb het hier goed. Echt, het is hier goed, weinig tucht, koper kuisen hoeven we niet te doen, alleen om een defilee te doen moet alles natuurlijk zuiver zijn. Nu dinsdag hebben we bataljonsfeesten, we zijn al een week bezig met te drillen, ’s morgens een half uurtje, elke dag dus dat is ook geen erg. Nog iets, over veertien dagen waren we van piket, en het wilde juist lukken dat er brand uitbrak in de keuken, en dat om elf uur ’s avonds. We werden uitgenodigd om zo vlug mogelijk bij de brand te zijn. Dat uitnodigen werd natuurlijk met groot lawaai gedaan, en we waren dan ook verplicht in een minimum van tijd op de plaats des onheils te zijn. Natuurlijk was rond de keuken algemene paniek, veel volk, zodanig dat de massa, de brandweerlieden ons duchtig in de weg liepen. Nu hetgeen brandde waren twee ovens waarin vlees aan het ‘bakken’ was, natuurlijk was het vet vlees zodanig dat het veel vuur en rook maakte, en in de omgeving er een onaangename reuk waar te nemen was. Maar kom, alle krachten bij mekaar genomen en na een half uur, drie kwart uurs konden we ons terug ter ruste leggen. Van slapen kwam er echter niets meer in huis, het piepen van het bed hoorde ik nog lange tijd. Dat is ongeveer al het nieuws dat te melden was. Ja…wist ge al, dat we tijdens de nacht eruit moesten, zo om de maand. Daarmee ga ik maar sluiten met de wens, dat heel Leest het goed maakt, ik kom jullie vervoegen op 22 december, dus weer iets van het beste. Nog de goede dag aan al de vrienden en kennissen alsmede aan al de K.W.B.-ers.”

-Probsteierwald, 1965 : “Ik stel het goed hier in Prob, want er wordt van een verdediger van het vaderland gevraagd dat hij alle uren van de dag het vaderland moet kunnen dienen, dus het besluit is ‘alles O.K.’. Het is vandaag zondag, en meteen de tweede rustdag van de drie, want de 15 november, naamdag van de koning, heeft er nog een dagje bijgedaan. Ge kunt nu wel zeggen, drie dagen niets doen ? Wel dan ben u volkomen mis; gisteren hebben we met de ganse compagnie een erehaag moeten gaan vormen in de kerk van Stolberg voor de hogere pieten die naar een plechtigheid kwamen ter ere van de koning ; onze opdracht was in de kerk op twee rijen te gaan staan, in geef acht (maar een vol uurtje), op het hoofd de helm, om de schouders ons wapen, gelukkig was het een Vigneron, d.i. een licht automatisch wapen, doch het was niet zo licht meer om dragen na een uur recht te staan. Maar kom, alles is normaal verlopen en we hebben dan nog de gelukwensen gekregen van de kapitein. Die plechtigheid was voor de middag, ’s namiddags wachtte dus de wacht op, 24 uur aub, ook gene vette hoor ! En deze wacht was nogal zwaar, vermits er in het kamp gisteren een grote diner was. Ik had wacht van 3 tot 5 uur verleden nacht en dan reden er nog wagens buiten natuurlijk… Ik zou bijna iets vergeten. Gisteren middag hebben we een speciale diner gekregen, luister welk menu : kip met kroketten en appelmoes, hesp met witloof, en…een heildronk op de koning. De voorziene drank was wijn, maar met tafelbier was het ook wel. Binnen anderhalve maand kom ik naar huis, en nu sluit ik met de beste groeten aan alle vrienden en kenissen en zeker mijn collega’s soldaten niet te vergeten. Tot een volgende maal.”

-Probsteierwald, (datum niet vermeld ) : “Terug heb ik een beetje tijd gevonden, hm ! Om jullie wat nieuws en soldatennieuws voor te schotelen. Met de ordonnans, dus met mij is het goed, hoe kan het anders, want het leger heeft onlangs weer meer subsidies gekregen voor de soldatenkost. Nu het nieuws hé : eergisteren zijn er hier in onze compagnie, dus de 21 Ord. Zeventig heropgeroepenen binnengekomen, een deel soldaten, om juist te zijn 58, 10 onderofficieren dus KROO en 2 officieren K.R.O. dit alles in het teken van de ‘compagnie op oorlogsvoet’. Natuurlijk die wederopgeroepenen trekken het zich niet erg aan, ik zou ook zo zijn, nu loopt de ene soldaat de andere omver in onze compagnie. Nu nog wat anders : deze morgen, en dit om 5 h 30 komt de sergeant van de week met het verheugende nieuws op de kamer : ‘jongens opstaan, quik-terrain’. Ge moet niet vragen hoe we lachten, hm, amaai mijn voeten. Het schoonste was nog zonder eten te gaan werken, natuurlijk, want alle wagens moesten nog geladen worden en dus was alles gedaan om 7 h en dan konden we met de voertuigen, nog steeds zonder eten, naar het munitie-depot rijden, waar we tevergeefs gewacht hebben op verdere orders. Ja, dan de camions afladen en daarna eindelijk konden we gaan eten ; het was iets na 10 h. Ge moet nu niet vragen hoe al die jongens hongerig waren, en die lege magen op het eten ‘gevlogen’ zijn. Nu om terug te komen op de oorlogsoefeningen van volgende week; schieten met M 50 Blenderside en Energa, en dit naar Vogelsang, waar een groot terrein is waar tanks op crossen. Dan verplaatsing naar een klein dorpje op een 100 tal km van hier. ’t Zal weer plezant worden. Zo, dit is weer alles voor vandaag, ik wens heel Leest nog het allerbeste en vooral mijn medemakkers, amigo’s, confraters.”

-Probsteierwald, 1965 : “Hier komt weer eens (en eindelijk is het er van gekomen) een brief uit het verre Duitsland, van een eenzame soldaat doch een soldaat die zijn plicht vervult zoals het hoort (hetgeen ik denk is, dat er al vijf maand achter de rug zijn, en dat zonder straffen, nogal een soldaat hé ?) en vooral aan heel Leest een Zalig en Gelukkig Nieuwjaar, en nog heel veel voorspoed voor de gemeente. Met mij gaat het hier goed, ik ben nu al bekomen van Nieuwjaar te vieren, het is de eerste maal in mijn leven dat ik zo een Nieuwjaar meemaak, echt zoveel plezier (en drank met sterren). Ik had het mij heel anders voorgesteld, echt, onder soldaten kan men plezier beleven. Zo nog iets gisteren avond hebben er twee, de ene van hier, en de andere van Mechelen, hun haren laten knippen, kom, we hebben het zelf gedaan. Alles moest er af en proper dat ze waren, hun hoofd blonk er van, het schoonste, we hadden de toelating van de officier van wacht en de sergeant van weekdienst, dus waren we gedekt. Hebben we gisteren avond gelachen. U kunt het zich wel indenken, iedereen was haarkapper, het stak toch niet nauw, met drie man aan één hoofd was geen aardigheid, en het komt in de gazet. We hebben van die mannen een foto gemaakt met daarbij een machtige titel : ‘Anti-Beatle actie’ te Probsteierwald, mooi hé ? Ja, vrienden, zo’n zaken komt men alleen bij het leger tegen, zoals ge nu wellicht weet, er is kameraadschap op onze kamer. Nu, wat anders, en niet zo heel grappig ! ‘Ik sta op wacht’ zegt het soldatenliedje. Maar nu sta ik op wacht en wel voor 27 uur, natuurlijk kan ik wel slapen, maar toch, dikwijls moeten we naar buiten om de voertuigen te controleren, en het regent hier al heel de dag, dus ‘gene vette’. Maar kom, morgen namiddag slaap ik dan heel rustig in mijn bedje of zoals u noemen wilt, bij ons heet het ‘strozak’ of ‘vlooiennest’. Nu eens wat anders : het eten of ‘den boef’ wel die is hier goed, dat is ook alles, maar nu de volgende 2 of 3 maanden zal het niet zo vet meer zijn, want dan komen er bleukens binnen om hun opleiding te doen, en die moeten ook eten en ze zijn dan nog niet veel gewoon, daarbij die jongens (wij noemen ons mannen) moeten werken, wij ook moeten werken, maar wat ik doe is heel interessant voor mij, dus ik heb er alle nut bij mijn werk goed te doen. Leestenaren, ik ga nu sluiten, het is 11 h 30. Ik wens jullie nog het beste, nog de goeiendag aan iedereen en vooral aan de K.W.B.-ers. Tot ziens.”

-Probsteierwald, 1965 : “Nu ik een beetje bekomen ben van twee dagen oorlog voeren voor het behoud van de vrede in de wereld, zal ik hier een reportage schrijven over de manier waarop een ordonnance oorlog voert. Verleden donderdag, dus de eerste april, een mooie dag om op oorlogspad te gaan niet ? zijn we vertrokken om onze makkers te helpen in de wrede strijd. Ikzelf was bij de voorhoede, en ben vertrokken met een camion met nog acht personen om 7 h 30 ongeveer. Ons doel was Jülich waar we op de kolonne moesten wachten die er een half uur na onze aankomst doorkwam. Ge moet niet vragen welke indruk we gaven op de bevolking, om ons zo te laten bekijken, want we waren tof hoor ! In volledige gevechtskledij, dus smoke, rugzak, gasmasker, wapen en helm. Dus wanneer de colonnes gepasseerd waren ‘crosten’ wij daarachter, naar onze tweede bestemming, een dorpje op 4 km van Düren, we moesten het dorpje innemen en beschermen tegen de vijand, echt leuk hoor. Dan een lekker zonnetje op ons, van innemen en beschermen was natuurlijk niet veel sprake, alleen slapen, rusten en eten. Alleen hadden we een beetje veel last van de ‘Deutsche Jügend’. Ik stond ‘pardon’ ik zat op wacht, doch ik heb meer in de camion gezeten en geslapen dan de wacht te verzekeren, ja, en niemand heeft er iets van gezegd. We zijn in het dorpje gebleven tot ’s avonds om dan naar onze bestemming te rijden, ergens over de Rijn, à 5 km voorbij Keulen ; het was daar goed, alleen een beetje last van de everzwijnen die het stro ongeveer uit onze strozakken kwamen eten, enfin, zo erg was het niet, doch die lieve beestjes liepen toch gedurig rond de tenten. In de tenten was het alles behalve warm en veel kans hadden we niet om te slapen, want om 5 h ’s morgens werden we met het alom bekende wijsje gewekt : ‘alarm’, we stappen uit ons bed, pardon, we stonden recht en natuurlijk waren we aangekleed en dan maar lopen naar onze put…Ja, zo heeft het dan een voormiddag geduurd, gedurig werden we aangevallen en schoten we terug, natuurlijk was alles los poeder, doch het maakt veel lawaai en dat geeft toch de indruk. ’s Namiddags zijn we dan teruggetrokken, na de vijand zegevierend verslagen te hebben, want, echt, we lagen in goede stellingen, want normaal konden we maar verslagen worden door grote overmacht van de vijand, en het was dan ook voorzien dat de vijand niet sterk was. Zo, nu weten jullie ook uit de eenheidstest wat het te betekenen heeft, want dat was het of wat dachten jullie wel ? Ook geen aprilgrap, neen, neen, alles wat u leest is echt gebeurd, alhoewel ik wel eens graag fantaseer. Ik sluit nu en hoop dat iedereen het goed stelt in mijn dorp. Nog de beste groeten aan alle K.W.B.-ers en collega’s soldaten of concurrenten, want ik ben alleen geloof ik van heel Leest die ordonnance ben. Dat is nogal een eer hé ? Nog 114 dagen.”

-Probsteierwald, 1965 : “Jullie kunt zich nu wel de vraag stellen, die ene uit de Kouter is zeker gesneuveld ! Bijlange niet, want ik ben stillekens goed aan ’t aftellen (nog 70). Dat betekent voor mij dat er al 10 maanden voorbij zijn en nog twee maand voor de boeg. Voorts gaat hier alles zijn gewone gang, evenwel zal de dag van gisteren (een zaterdag in mei) een grote dag blijven in onze compagnie. Ja, gisteren heeft de C.S.M. eenheidscommandant ons een grote opdracht gegeven, wellicht te zwaar voor onze jonge schouders. Nog eventjes geduld mensen, wat meer uitleg zal u wijzer maken. In en rond onze blokken heerst er een grote reinheid, die wel door ons gewaardeerd wordt doch niet door de ‘groentjes’, die hier in ons kamp hun opleiding volgen…ja, die mannen vonden niet beter dan regelmatig over de grasperken te lopen, net of er was anders geen plaats. Natuurlijk valt zulks niet in de smaak en onze vriend C.S.M. zegde ons, ‘ieder die over het gras loopt geeft ge maar een doping’. En zo komt het dat we reeds 11 dopingen hebben moeten uitvoeren, en of die nu in werk of uitgangskledij zijn dat is voor ons om ’t even. En dat was het weer voor ditmaal…tot ne volgende keer, maar alvorens afscheid te nemen, nog de beste groeten aan de Leestenaren, vooral de K.W.B.-ers en mijn wapenbroeders en De Band, die ik nog veel succes toewens en bedankt voor de post die steeds welkom is.”

Foto’s :
-De kazerne van Plobsteierwald.
-De kazerne anno 2017 (Foto Bruno Verschaeren)



2720151-70c823537d573613301046172f14f58a.jpg

2720151-baea640dc5d9ed3da612ff1949680c0f.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:03 Reageer op dit bericht

Vervolg herinneringen aan de legertijd van Robert De Rooster

Vanuit Soest – 1965 : “Iemand van Milac vroeg me eens iets te schrijven over het soldatenleven. Ik voel me hier nu heel rustig, het is zondag…Voor ik bij den troep was stelde ik me het soldatenleven heel anders voor. Ik had er eerlijk gezegd een beetje schrik van. Nu ben ik ongeveer 8 maanden binnen en heb bijna gans de tijd in Duitsland doorgebracht. In België heeft men nog iedere week zijn thuis en ik vind dat, dat niet echt soldaat zijn is ! Ik kan er niet van meespreken maar het moet toch triestig zijn en vervelend om elke week de verandering te moeten ondergaan. In Duitsland waar de meeste soldaten liggen, daar hebben de jongens ‘alleen’ mekaar. Ze hebben anders niets. Ze worden gesterkt door de brieven van thuis, hun meisje en elders. Kameraadschap, zonder dat men het weet, is nergens zo groot dan in het leger. Een kamer vormt een familie, een peloton vormt een ploeg, men hangt aan elkaar, men is aan elkaar gebonden. Vroeger dacht ik dat het er bij de soldaten ruw aan toe ging en dat er daar veel barbaarse toeren werden uitgehaald, want als er in de kazerne iets ‘kleins’ gebeurt, staat het in blokletters in de gazet. Wel, in ons peloton zijn het allemaal goeie jongens, allemaal jongens waar ge iets kunt van gedaan krijgen, ik ken ze allemaal met hun voornaam…en ik denk dat, dat in alle pelotons zo is…en dat is zo. Voor een soldaat in België heeft men weinig respect, ik ben zelf soldaat, ik ondervind dit. Tegenover soldaten spreekt men ruwe taal, op straat ziet men u niet gaan en op een bal wijst men u met de vingers na als je, je soldatenpak aan hebt, dan zijt ge een categorie lager. Van de soldaten wordt gedacht dat ze veel slechte dingen doen, gemene cafeetjes opzoeken en kabaal maken; bij ons is het procent zeer laag, ja zeer gering van de mannen die zuipen en dan doen die jongens het om hun problemen te ‘verdrinken’. In de kantien gebeurt het nogal dikwijls dat ge een pintje te veel uit hebt, maar diegenen die van buiten de kazerne ‘zat’ binnen komen, kunt ge iedere week op de vingers tellen en buiten de kazerne gebeurt er NIETS. Vele soldaten in België hebben een grote muil om dingen te vertellen die sensatie verwekken bij de hedendaagse opvattingen, maar ze zeggen het nooit uit hun hart ! De weinige cafeetjes die zich in ons garnizoen bevinden zijn steeds schaars met soldaten bezet, en er zijn er hier duizenden in het garnizoen ! Iedere soldaat, evenals een ander mens streeft naar een ideaal en allemaal willen z’er iets schoon van maken. Soms steekt het tegen en dan zeggen ze straffe dingen, maar als het er op aan komt doen ze om het best. Deze week hebben we daar nog een bewijs van gekregen. We zouden ’s avonds dropping hebben, we werden verdeeld in verschillende secties. Iedereen ging er zijn voeten aan vagen ! Er zou geen stap gelopen worden ! En ze kunnen mijn voeten kussen, ze mogen ontploffen, ik ga doktersrapport vragen, ik zal me niet inspannen, enz… Tijdens de dropping had men er deugd in om zich te kunnen haasten en rap het volgende punt te vinden en onderweg een andere sectie voorbij te steken, dan was zelfs hun moed niet te beschrijven. ’s Anderendaags vertelde iedereen zijn wedervaren en allen konden ze de dropping beschrijven en ze deden er veel bij omdat het zo goed was meegevallen, in hun brieven schreven ze over de dropping aan iedereen. Natuurlijk gaat een soldaat gaarne in verlof. Als men voor 2 maanden van huis weg is weegt het soms zeer zwaar, vooral als ge veel vrije tijd hebt begint ge te voelen dat ge iets mist, dat ge een tekort hebt in dit leven, ge begint aan huis te denken, dat begint allemaal in uw kop te draaien, je denkt aan alles wat je in de heimat mist, je denkt aan tedere dingen die je mist, die je zouden komen troosten, sommigen voelen dat zo diep aan dat het hen te sterk wordt en ze roepen uit : ‘ik ga me een stuk in mijn kraag drinken’. In die momenten nemen ze hun almanakje, ze tellen na…nog tweehonderd en drie of vier dagen…Wanneer die soldaat geregeld een brief krijgt is dat allemaal niets. Met een brief kunt ge zo plus minus 3 dagen voort. Maar er zijn sukkelaars die soms weken moeten wachten alvorens post te krijgen, het zijn de mannen die in het cachot terecht komen, ze bezuipen zich, ze doen zotte toeren en dat ondermijnt die sukkelaars. Door mannen met een hart worden ze bijgestaan, maar door de meesten geminacht….er zijn zo een paar gevallen in onze compagnie. ‘Dat’ alleen zou ik de duistere kant van het leger noemen. Zeg, wanneer ge een vriend soldaat hebt of in je familie, of iemand die ge kent is soldaat, schrijf hem eens een briefje of stuur hem iets op, ge kunt niet geloven hoe gelukkig ge hem maakt. Ge doet er geloof ik meer goed aan dan 100 fr te geven voor een goed werk. Vooral soldaten zijn weke mensen, ze zijn vooral niet brutaal, och, we zijn hier allemaal doodgewone jongens, vrienden onder elkaar, soms hebben we voor mekaar meer over dan ge ooit voor je broer zoudt over gehad hebben (ik heb in werkelijkheid geen broer, ik denk dat ik hard aan mijn kameraden zal missen wanneer ik het leger verlaat). Onder elkaar worden hier veel moppen verteld. Sommige zijn daar zelfs specialist in en bij ons moet het werkelijk al erg extreem doen, eer men er kan mee lachen… ja, dat is werkelijk zo ! Maar zou dat bij de soldaten alleen zijn ? De jongens worden soms die rotte atmosfeer beu en zeggen ‘zwijgt nu eens met uw gezever’. Eerst vertellen ze de moppen om sensatie te verwekken, maar als ze op den duur eens goed nadenken krijgen ze medelijden met zichzelve. In het burgerleven gaan misschien plus minus 70% van de soldaten naar de mis ! Voor enkele weken heb ik in de kapel de soldaten geteld, het waren er 143 en dan zouden er nog een 10-tal in de avondmis zijn, dat maakt 160 en in onze kazerne zijn 500 soldaten ! Om u een voorbeeld te geven : in onze kamer gaan mijn vriend en ik naar de mis, er zijn er 7 op onze kamer; de kamer links van ons gaat er soms 1 van de 8, de kamer rechts van ons gaan er twee van de acht, ’onregelmatig’. Hoe dat komt ? Kunt u geloven dat sommige jongens verlegen zijn voor anderen om naar de mis te gaan. Hun geloof is zo gering dat ze dat zelfs laten, ge kunt u inbeelden welk geloof dat ze uit het burgerleven hebben meegekregen…Het is droevig ! De jongens zien er het nut niet van in, het laat hen zelfs koud. Soms zeggen ze wel : ‘Dat zouden ze thuis eens moeten weten..’ en dan krijgen ze spijt en dan gaan ze weer maar eens…doch hier hangt ook weer veel af van de brieven die van huis ontvangen worden of van elders. Een verloofde of de thuis zelf kan zijn soldaat ‘besturen’. Is de post goed, dan is de soldaat ook goed. Een soldaat heeft natuurlijk ontspanning nodig. ’s Avonds heeft hij vrijaf van 6 uur tot 10 uur. Sommigen gaan naar de cinema kijken, anderen schrijven een briefje en lezen de krant in een hoekske; nog anderen gaan naar de kantien, nog anderen hebben de tijd nodig om aan hun materiaal te werken en vele avonden zijn bezet door nachtoefening, wacht, piket of i.d. De zondag is de soldaat over ’t algemeen de ganse dag vrij en hier komt de kat op de koord : over ’t algemeen is er ’s zondags een prachtige film en is de avond bezet, in de namiddag is er niets en uit de verveling komen de rare dingen…daar heb ik mijn gedacht reeds over geschreven. Wat er in de kantien is inzake godsdienst is niet vet ! Er zijn in een kazerne honderden oversten maar er is slechts één aalmoezenier en die doet dan dienst in 3 kazernes, die mens heeft werk tot boven zijn oren en toch doet hij veel ! Milac doet ook veel voor de soldaten. Ieder soldaat die het woord Milac hoort uitspreken denkt direct dat het voor hem is, want dat is speciaal voor de soldaten. Wat wordt er verder voor ons gedaan buiten de kazerne ? Wat bestaat er buiten Milac om voor ons iets te doen ? Er is in de kazerne een Milac-dienst, de soldaten kunnen regelmatig harch kopen, er staat een lokaal ter beschikking van Milac om zijn artikelen te verkopen, de koster krijgt soms zijn werk niet gedaan. Dikwijls geeft Milac de kans om een pakje naar de soldaten op te sturen. Milac organiseert ook ieder jaar een bedevaart naar Werl en regelmatig worden vergaderingen en spreekbeurten georganiseerd. De soldaten genieten ook veel van de Milac-actie uit hun eigen parochie en ik moet zeggen dat Milac-Leest daarin een pluimpje verdient. Ik denk dat ik ongeveer alles gezegd heb, misschien hebt ge meer verwacht, wel laat die gedachten maar op zij. Alles bij mekaar genomen is soldaat zijn maar een gewoon leven, op zijn eigen een heel avontuur zoals het leven een avontuur is. Naderhand bekeken zeggen ze allemaal dat het de schoonste tijd uit hun leven was, op dat ogenblik steekt de vroegere kameraadschap in hun hoofd en denken ze er niet meer aan dat ze door de burgers in ’t algemeen zowat verstoten werden… Ik moet nog 4 maanden en 17 dagen doen, de vorige zijn over ’t algemeen meegevallen, ik heb reeds grote dingen meegemaakt, verscheidene kampen meegedaan, reeds met het vliegtuig gevlogen en dit jaar nog zal ik met de soldaten mee naar Lourdes gaan…voor een week. Ach, ik geloof dat ik nadien nog verdriet zal hebben als het voorbij is, alhoewel ik nu snak naar huis, mijn heimat, op dit ogenblik nog 5 à 6 weken van mij verwijderd. Mensen, lezers, doe iets voor ons ‘soldaten’, wij zullen u later altijd dankbaar zijn, want ik ben er zeker van dat u, uw soldaten een goed, zeer goed hart toedraagt.
                Robert.”

Vanuit Soest, 1965 : “Vandaag zijn er nog 48 dagen voor de boeg ! Nog een kleine 2 maandjes en ik zeg ‘adieu’ aan de troep. Ik ben pas een week terug uit Lourdes (dank voor het kaartje N.R.) alwaar ik nog enkele makkers-soldaten uit Leest heb ontmoet en samen een wandeling gedaan, nl. Spoelders en Herman De Wit. (Dank voor de mededeling Robert) Lourdes is voor ons fantastisch geweest, de schoonste week uit mijn soldatenleven. We waren getroffen door die 40.000 soldaten komende uit alle landen, samen biddend voor de vrede. De optochten aan de basiliek en de grot waren oppermachtig en het gezang uit de menigte ontroerend. Toeristisch hebben we de schoonste streken en bergen meegepakt, nooit te vergeten. Nu ben ik weer in de kazerne, pas mijn werk gedaan, sta in de Mess der onderofficieren tot 19 juni, en dan beginnen de gevechtstesten en zijn er 16 km te lopen. We hopen allemaal op een goed einde van ons soldatenleven, algemeen is het goed meegevallen, we beleefden schone momenten. Nogmaals bedank ik Milac voor de morele steun, wens hen verder veel succes toe.” (‘De Band’, augustus 1965)

Foto’s :

-Robert als figurant tijdens een stoet in Mechelen.
-Op oudere leeftijd.



2718903-9dade8192012eea03e24ed47ff3b30ca.jpg

2718903-9c7c99fb966e8632bfd09252c5b0727d.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:01 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : Soldaat Milicien Robert DE ROOSTER

Robert is een zoon van Frederik De Rooster en van Virginie Van Praet uit de Blaasveldstraat. Hij nam de boerderij van zijn ouders aldaar over en huwde met Suzanne Van Engeland. Hierna enkele van de herinneringen aan zijn legertijd.

“Op 30 augustus zaten we met duizenden jonge kerels op de speciale trein die in Mechelen om stipt 11 u 2 vertrok. Het waren allemaal soldaten die in Turnhout hun eerste dag van hun legerdienst gingen doorbrengen. Op ’t eerste zicht zag ’t er in de kazerne van Majoor Blairon zeer streng en droevig uit, maar direct heb je steun aan je kameraden, je geraakt vertrouwd met uw oversten en zo raak je die eerste week wel door. Zondag ll. mochten we naar huis om onze burgerkledij af te geven want op 13 augustus vertrek ik met verschillende anderen naar Soest om de eenheden van de 5de linie (zeer berucht) te vervoegen. Hier hebben we al wat dril gehad, leren groeten, stappen, enz. Iedere dag moeten we eenzelfde karwei tot 4 maal toe doen, bv. een gang schuren moet ’s morgens, ’s middags en ’s avonds gebeuren. Soms is het hier op onze kamer Vlaamse kermis, er wordt met kussens gegooid dat de stukken er af vliegen. Arme rekruten die in slaap gevallen zijn, krijgen een pint water over hun aanschijn, zo ontstaan er soms nachtelijke gevechten. Nochtans, om zo mogelijk van koekjes en balletjes (hetgeen hetzelfde is) gevrijwaard te zijn, is het best dat men hier luistert… Bij den troep wordt men een man ! Omdat ik hier slechts een week bleef in Turnhout is het te laat iets terug te sturen en mijn adres voor Soest ken ik nog niet. Beste Milac-vrienden u zult dus volgende week meer vernemen, ge bewijst voor de soldaten ontzaglijke diensten. Nog een soldatengroet aan al de B.J.B.-jongens van Leest en een hartelijk proficiat voor de behaalde uitslagen in sportfeesten, veel succes in de toekomst.”

Vanuit Soest (niet gedateerd) : “Donderdagavond zijn we in Soest aangekomen, na 7 uur trein. Onderweg was er nog al wat te zien, maar niet zoveel dan we hadden verwacht. We werden in de kazerne van het 5de linie verwelkomd in de pikdonker door wel vijfhonderd anciens die huilden en tierden en wuifden met hun mutsen omdat er weer nieuwe rekruten binnenkwamen. De 10 dagen die we in Turnhout doorbrachten waren goed. Hier in Soest is het nog beter. Het eten is ook geweldig. Alles valt hier mee. Vrijdagavond hebben we twee spuitjes gekregen. Oefening of dril hebben we hier nog niet moeten doen. Wij zijn ofwel vrij van dienst ofwel krijgen we onderricht. We liggen hier op de allerhoogste zolder met 27, binnen twee maand mogen we in de kleine kamertjes van 8 man. We troosten hier mekaar wat omdat we voor zolang en zo ver van huis zijn, maar dat wordt je gewoon en als je nogal wat nieuws uit de heimat ontvangt is dat niets. Ik hoop dat in Leest alles nog goed gaat…”

Vanuit Soest :”Ik heb juist 2 maanden geklopt en die zijn voorbij gevlogen, binst die tijd ben ik nog maar 1 keer thuis geweest en nu zal het nog 2 maanden duren alvorens ik thuis ben. Als de vurigste dagen van de keus voorbij zijn kom ik naar Leest terug want met politiek mogen wij ons niet inlaten. Gisterenavond is er nog ene in het cachot gestopt nadat hij stomdronken gans de kamer op stelten zette…Ik ben er tot nog toe zonder straf doorgesparteld. Ondertussen ben ik hier zanger in het (onleesbaar) en moet regelmatig naar de repetities. Voor twee weken zijn we naar een stuk geweest van het Reizend Volkstheater van Antwerpen : ‘Noch bloemen, noch kransen’. Het was een geslaagd stuk en de zaal zat vol. Het Reizend Volkstheater speelt voor al de soldaten in Duitsland en bezoekt alle kazernes. Ik heb mijn eerste wacht geklopt en we hebben deze eerste keer alarm gehad…”

-Robert De Rooster uit Soest (gepubliceerd in “DB” van december 1964) : Hier wat nieuws uit Soest. Verleden zaterdag heb ik te samen met 40 andere soldaten uit 6 verschillende kazernes meegedaan aan het Milac-Weekend o.l.v. Aalmoezenier Willems en Piet Van Acoleyen. De Aalmoezenier hield een pittig doch zwaarwegend voorwoord en dan hebben we gespreksgroepen moeten vormen en we bespraken onder mekaar volgende problemen :
-positieve kanten van het leger;
-negatieve kanten van het leger;
-kameraadschap in het leger;
-nut van de facteur voor de soldaat.
We werden verdeeld in vier groepen van 10 man ; er zijn vele dingen aan het licht gekomen zoals bijvoorbeeld :
-vele oversten in het leger misbruiken hun macht;
-men wordt “man” bij het leger, lichamelijk, geestelijk, karakter;
-vele soldaten gaan niet meer naar de mis omdat de drang van thuis er niet is en ze gaan het slechte beoefenen;
-ploeggeest en de geest die heerst op de kamer geven rechtstreeks weerslag op de soldaat en hij lijdt er onder of is er door beïnvloed;
-wanneer er veel post is voor een soldaat zal hij eerst de brief van ’t liefje nemen, dan die van thuis en de andere brieven;
-een soldaat die met thuis in moeilijkheden zit is een verslagen man…en nog vele andere feiten komen aan ’t licht, doch zijn niet zo algemeen of niet dagelijks.
Om 23u15 werd de zitting gesloten met een gebed en een woordje van de Aalmoezenier en de nachtvergunning kwam van pas om in de kazerne binnen te geraken, want de vergadering was in het Militair Hospitaal. ’s Zondags waren we op 9 uur terug verzameld in het hospitaal en dan ging het over de Milac-werking per kazerne. Ik moet eerlijk zeggen dat het niet vet is en slechts in een beginstadium en beperkt tot een winkeltje van Milac. Vele jongens zijn bereid mee te werken maar tussen de soldaten zelf zou een “kern” moeten opstaan die het spel organiseert en veranderingen op touw zet, ontspanningen voorbereid en een zuivere geest schept. We gaan in het 5de ook beginnen ! Maar we zijn nog niet bezig. Om 12 uur was het ten einde, we kregen een prachtig diner en om 2 uur vertrokken we met een prachtige bus op reis. Eerst bezochten we de prachtige bedevaart-kathedraal van Werl waar Aalmoezenier Willems ons heeft verlaten met een slotwoord dat veel moed inboezemde aan de leiders. Dan zijn we door een prachtig landschap gereden. Het was helder weer en de zon scheen aangenaam. Samen met die landschappen hebben we schaapherders gezien en bergbeklimmers tegen de rotsen. We zijn in grotten geweest en van 18 tot 20 uur zijn we aan de Zee blijven plakken en hebben ons met de Duitsers flink vermaakt, gelachen en gezongen. De bus bracht ons naar de verschillende kazernes. Dat was het Milac-weekeinde in Soest en …we waren zeer tevreden.”

Vanuit Soest : “Eerst en vooral bedank ik u hartelijk voor hetgeen ge me toestuurt; ik weet wat meer over Leest en kan in boekjes interessante dingen vinden. Alles dat hier van de heimat komt brengt zon op de kamer en ’t doet deugd voor een soldaat die zo lang en zo ver van huis is. Alhoewel onze opleiding zwaar is blijven we toch vol houden, het weer is nu frisser geworden. Verleden week deden we onze oefeningen bij een temperatuur van 35 à 40° C. Donderdag ll. deden we onze eerste nachtoefening, we moesten trachten zonder gerucht te maken door een dicht bos te geraken. We hebben hier al leren schieten en met los kruit geschoten. Volgende week schieten we met echte kogeltjes met een 22. Gisteren hebben we ons derde spuitje gekregen en daarom waren we 48 uren vrij van dienst, dat deed eens…deugd… Binnenkort krijgen we een nieuwe aalmoezenier voor het 5de linie, we weten nog niet wie het juist is, en…zijn toch wat benieuwd. De oversten zijn de laatste tijd nogal streng op alle gebied omdat hier de laatste drie weken vier soldaten verongelukt zijn, alleen door stommiteiten of dronkenschap. Soest is een echt soldatenstadje, ik ben er gaarne bij, het ergste is dat ge zo lang en zo ver van huis zijt. Tot ne volgende keer.”

Vanuit Soest : Eerst en vooral moet ik u danken voor hetgeen ge me iedere week stuurt, Milac vergeet toch zijn soldaten niet. Van de 8ste tot de 15de januari zijn we in Leopoldsburg op kamp geweest, we moesten daar niets anders doen dan schieten. De reis vanuit Soest geschiedde met het vliegtuig, nl met de Flyer-box-car. De 8ste januari was het slecht weer en we hebben weinig van de landschappen kunnen zien, maar de 16de was het mooi weer toen we op het vliegveld Kleine Brogel vertrokken naar het vliegveld te Lipstad (Duitsland). Ge ziet met het leger komt ge overal en dat ik tijdens mijn diensttijd met het vliegtuig een reis zou gemaakt hebben, had ik niet verwacht. Thans hebben we weer een zware opleiding van 3 weken voor de wedstrijd ‘Schaal Crahay’ voor de stormfusiliers in Vogelzang. We worden getraind op de hindernisbaan, droppingen, marsen en vele kleinigheden, les kaartlezen, eerste zorgen, manipulatie wapens enz. Het is hier verder nog zeer goed : binnen 4 dagen hebben we de helft gedaan en zijn er nog 6 maanden voor de boeg. Het is nu maandagmorgen, om u een gedacht te geven van onze dagorde : 1ste uur dril; 2de uur hindernis, 3de uur manipulatie van wapens, 4de uur wapen kuisen + strenge inspectie, middag friet met kip. Namiddag : 1ste uur voordracht door de Cie Commandant, 2de uur eerste zorgen, 3de uur granaatwerpen, 4de uur stortbad. De aflossing van de uren is steeds perfect, men is streng ! Het dagje is vandaag niet zo zwaar. Verleden vrijdag hebben we een dropping gehad ’s nachts. We vertrokken om 20 uur en kwamen om 6 uur ’s morgens toe (’s zaterdags) op ons eindpunt. De afstand die we moesten afleggen was plus minus 30 km maar door het verloren lopen en de omwegjes hebben w’er misschien 40 km afgelegd. Door de bossen ’s nachts gaan is wel plezant, zeker als je je kameraden niet meer kunt horen als ze 50 meter verder zijn in dat onweer dat we juist hadden…De besneeuwde hellingen aan de zee moesten opgekropen worden of ge kwaamt terug vanwaar ge vertrokken waart ! Ja, soms kan het wel zwaar zijn, maar dat is dan toch weer iets waar ge later kunt over vertellen. Over de troep kunt ge maanden vertellen…het heeft ten andere maanden geduurd ! …een echt spannend avontuur. In ’t leger wordt ge man !”

Vervolgt.

Foto’s :

-Boer Frederik De Rooster tijdens het inhalen van de bieten voor WO-II.
-Huwelijksfoto van Robert en Suzanne.
-Robert rechts vooraan tijdens een activiteit van de Landelijke Gilde.



2718900-bf78aece8ca2afb3467173152264739c.jpg

2718900-a98c41308418a1964e6d4bc1dc20cb48.jpg

2718900-dcd28c82b9d5d63ed04cdc732c14a4af.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:50 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Septembernummer “De Band” : “Mijmeringen”

Hoe dikwijls ben ik ingetogen
gaan wandelen in het “Bleukens”bos,
die vochtige lucht daar gretig ingezogen
mijn stappen gedempt in slijk of mos.

’t Was er waarlijk een rust voor mijn ziel
en ‘k zocht er steeds naar d’eenzaamheid,
soms tot de kilte van d’avond viel
in die vrije natuur vol heerlijkheid.

In dat bos, soms liggend op mijn rug
bekeek ik de wolken door de wind gedreven
terwijl de vogels scherp en vlug
het lied zongen van hun leven.

De bomen schijnen dan hoge pilaren
dragend ’t gewelf van een grootse kathedraal,
hun toppen vliegend als korenaren
af en toe doorbroken van een zonnestraal.

Moe gelegen stond ik soms te dromen
of gezeten op een kant met gras,
voelde dan mijn hart met droefheid overstromen
als ik zo Gods wonderbare natuur doorlas.

De stilte van de Bleukens was een zegen,
een oord van rust en zaligheid.
Ik doorkruiste haar langs alle wegen
de blik omhoog naar d’onpeilbaarheid.

Vandaar naar ’t kerkhof, soms bij donkere nacht,
naar een stil en gesloten graf
en voelde dat daar iemand op me wacht
tot ik haar een ingebeelde zoen, een kruisje gaf.
                Kamiel De Wit.”

Foto’s :

In het midden van beide foto’s Kamiel De Wit.



2718851-24117b60fa8797a807b726da31bfc6ea.jpg

2718851-d0313a0d18e1a80f9db00b4a90adb489.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 06:52 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – Van 11 tot 18 augustus : Bivak Chiro-Jongens

13 burchtknapen, 16 knapen en 6 kerels bivakkeerden op het Heide-Heem te Lichtaart. De meisjes trokken dat jaar naar Ophasselt. Om het bivak van 1965 te financieren richtte de Chiroleiding een spaardienst in eigen schoot op, deze ging in voege vanaf 13 september. Onkosten : 5 frank waarvan 1 fr op het boekje werd geplaatst. Daags voor het bivak werd een inzameling gehouden van allerlei voedingswaren : groenten, zuivelproducten, kruidenierswaren… Het verslag verscheen in “De Band” van september : “De twee eerste dagen ginder hadden we voortdurend regen, maar hierna veranderde het, en kregen we zon en warmte zodat we de streek : bossen en zandbergen ten volle konden benutten. In de voormiddag hadden knapen en kerels meestal atletiek en vijfkamp, bij de kerels gewonnen door Alfons Huysmans en voor de knapen door Florent Van Kerckhoven. Bij de burchtknapen ging de overwinning naar Jan Van den Heuvel. (Hun foto’s onderaan) De dag voor 15 augustus hadden we een tocht gepland voor de drie afdelingen : de burchtknapen trokken naar Kasterlee, terwijl de knapen en kerels naar het Zilvermeer gingen, eventjes maar 30 km van onze kampplaats, zodat enkele knapen de afstand met de bus moesten doen. ’s Anderendaags 15 augustus was het bezoekdag, vele ouders hebben ons op deze dag bezocht, konden zien hoe hun jongens geïnstalleerd waren en hoe ze door de bivakmoeders werden verzorgd. Er mag ook wel onderlijnd worden dat het eten steeds prima was zoals alle vorige jaren. L.K.”

1964 – 16 augustus : K. Fanfare Ste Cecilia trad op te Waanrode

Die dag nam de Leestse fanfare deel aan het festival van de K. Fanfare “Deugd en Vreugd” uit Waanrode bij Bekkevoort dat plaats had in het prachtige domein van Graaf d’Arschot. (“DB”, september ’64)

1964 – Maandag 24 augustus : De Gepensioneerden op bedevaart naar Scherpenheuvel

“DB”, september ’64 : ”Om 8 uur vertrokken we op bedevaart naar Scherpenheuvel. Het weer was nog erg fris, toen we rond tien uur te Scherpenheuvel aankwamen. Het was er druk zodanig dat we met moeite een plaatske konden vinden in de Basiliek. Na de H. Mis zetten we ons op stap naar het Rozenkranshof. We hebben er ruim de tijd voor genomen want het is een hele klimpartij. Nadat we goed hadden gebeden en meteen een flinke wandeling achter de rug hadden, gingen we op zoek naar een stukje eten. Er moest wel wat geduld geoefend worden, maar het smaakte er niet minder lekker om. Daarna was de eigenlijke bedevaart achter de rug. Het was echter nog te vroeg om huiswaarts te keren. En we hadden ergens in Limburg nog een afspraak met een fabrieksdirecteur. Te Wellen zouden we een Ciderfabriek bezoeken. We mochten eerst de eigenlijke werking bezichtigen. Het malen en persen van de appels. Vervolgens het vullen, stoppen en bekleden der flessen. Daarna was er ruimschoots gelegenheid tot het proeven van de heerlijke, schuimende Cider, zodat menigeen in goed humeur kwam. Menige fles werd ingeladen…in de bus wel te verstaan. Zo ging het huistoe, met het vooruitzicht van de volgende uitstap : Wieze op 21 september. Tot slot mag er aangestipt worden dat in de week van 8 september enkele van de leden gepensioneerden verbleven aan zee in een vakantieverblijf van de C.M. Wie dus graag een reisje zou doen…sluit aan bij de Bond der Gepensioneerden !”

1964 – Septembernummer “De Band” : Ongevallen

-In het naar huis gaan per rijwiel, en dit in de vroege ochtend, deed Victor Alewaeters uit de Kleine Heide, een erge val. Hij werd naar het ziekenhuis overgebracht waar men vaststelde dat zijn beide benen gebroken waren.

-Zwaar ongeval : De nog maar pas aangeworven onderwijzeres aan de Zusterschool van onze gemeente, kwam te Willebroek in botsing met een autobus. De slag moet zo geweldig geweest zijn dat zij in bedenkelijke toestand naar het gasthuis van Willebroek werd overgebracht. Haar auto werd totaal verbrijzeld. Alles laat echter voorzien dat het grootste gevaar volledig achter de rug is.

-Vandalenstreken : In de loop der voorbije weken werden een paar vandalenstreken uitgehaald. Zo werden de rolluiken van Henri De Bruyn en Leopold Huybrechts in de Dorpstraat met een vuil goedje besmeurd. Anderzijds werd schade toegebracht aan de auto van L. Selleslagh uit de Alemstraat. Dit alles door onbekenden. (Hun foto’s onderaan)

Foto’s :

-Alfons Huysmans.
-Florent Van Kerckhoven.
-Jan Van den Heuvel.
-Henri De Bruyn.
-Leopold Huybrechts (tussen Marcel Feremans en Albert Piessens).
-Louis Selleslagh.



2717935-73ca7bc7c2058d7892a7ac7a449993f1.jpg

2717935-c34d7547c0450625d8a85a96b57c83b6.jpg

2717935-020ed99195287c87968c2ae590501988.jpg

2717935-2ee7f351724ffb0916e8788d9a3edb49.jpg

2717935-54655f4aa86b3702858276c9f6b627ae.jpg

2717935-10a31858124cccbb26dc7164a38beecb.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:55 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Op 7 november 1965 schreef Pater De Laet vanuit Badyia volgende brief naar “De Band” (gepubliceerd in het nummer van februari dat jaar) : “Begin met mij te excuseren omdat ik zo lang liet wachten op een teken van leven van mijnentwege. Ik troostte mij met de gedachte dat u zeker wel vernomen hebt dat ik hier aangekomen ben, en dat het hier zo slecht niet gaat, zoals er velen voorspeld hadden; hetgeen niet belet natuurlijk, dat ze met de tijd toch gelijk zullen krijgen. En dat is toekomstmuziek, met valse tonen in !! Ik ben dus terug op mijn ouwe post beland, Badyia, op 45 km van Bunia, op de weg naar Stanleystad. Op de negen maand dat we hier weg geweest zijn, is er een echte omwenteling gebeurd. Niet alleen de opstand met al wat erbij hoorde, de bevrijding en de repressie, die echt verschrikkelijk geweest is, dat alles weegt nog altijd als een vloek. Maar ook de mensen zijn veranderd. Men voelt aan dat ze niet meer zijn zoals vroeger, zelfs bij de mensen die de godsdienst (ik spreek van de onze) genegen zijn. Zelfs de onderwijzers, vroegere ijveraars van katholieke actie, enz., het is moeilijk te determineren. Ze willen of durven zich niet compromitteren of zeker niet meer handelen zoals vroeger, in volle vertrouwen. Als men iets wil gedaan hebben, moet men dat zesendertig maal gezegd en tenslotte moet men er zelf tussen komen., anders blijft men ter plaatse trappelen en komt men nergens. Het is schrikwekkend (om zo een woord te gebruiken) hoe weinig er gepresteerd wordt. Ge zoudt onze wegen eens moeten zien. Het is niet levensgevaarlijk natuurlijk op reis te gaan, behalve met de moto misschien, maar in alle geval men gaat er niet uit voor zijn plezier, verre van daar. Wij hebben hier een Volkswagen. Ge zoudt uw ogen open trekken als ge dat sport ziet afkomen vanuit Bunia, slijk en modder, en niet alleen de auto maar ook die er in zitten, ook die hebben in de modder moeten ploeteren als ze vast zaten in de potopoto. Ter ere Gods ! Niettegenstaande al die min of meer grote moeilijkheden werken we er toch lustig (echt !!!) op door. Niets dramatisch opnemen, anders wordt men zot of ziek. Wij bouwen huizen voor onze melaatsen (echte huizen uit steen en golfplaten), hebben een soort landbouwschool begonnen voor dezen die niet verder kunnen studeren, zijn begonnen met drie “coöperatieven” van schrijnwerkers, steenbakkers en groentenkwekers. Nooit zijn er zoveel kinderen in onze scholen geweest als nu. Er zijn catechumeren en kinderen die zich voorbereiden (zes maand) op plechtige communie en vormsel. De jeugdbewegingen floreren min of meer, dat was terug te herbeginnen vanaf NUL. Al wat vergaderingen vraagt en bijeenkomsten onder welke vorm ook, ruikt verdacht en daar zal zeker nog een hele tijd moeten overheen gaan… Wij gaan op tournée, bijna zoals vroeger…maar er moet te voet getrappeld worden…zo voor bezoek, ook voor onze schoolkapellen. Kwestie nu van veiligheid ! Onze streek is kalm en rustig. De eerste paar maanden dat ik hier was (juli-augustus) was er nog al dikwijls effervescentie , en met reden. De eerste zondag dat ik hier gekomen was op de missie was ’t groot feest…tenminste het feest was voorzien. Twee dagen tevoren waren echter onze fameuze leeuwenjongens uit het bos gekomen, hadden huizen afgebrand, mensen vermoord en anderen meegenomen. Het was een algemene oproep tot het mannenvolk uit gans de streek : ze trokken er op uit met lansen, pijlen en messen om de achtervolging in te zetten. Het geplande feest viel in ’t water, ten minste voor een groot deel. Nu weten de mensen van Leest dat ik nog leef en in de beste gezondheid verkeer. Tevens dank ik voor de edelmoedigheid die betoond werd tijdens mijn verblijf onder hen. Ik denk nu mijn plicht voldaan te hebben…Voorlopig hou ik het toch nog altijd bij de slechte wegen en de potopoto van Badyia, temeer dat in een onafzienbare toekomst er ooit misschien wel eens televisie zou kunnen komen tot hier toe…Nog ander toekomstmuziek…
                           E.P. De Laet.

René De Laet

René werd in de Tiendeschuurstraat geboren als achtste kind van elf van de latere burgemeester Victor en van Julia Meuldermans. Tot en met het vijfde leerjaar liep hij school in de jongensschool te Leest daarna volgde hij nog twee jaar les aan het Mechelse college. Zijn verdere humaniorajaren was hij intern aan het kleinseminarie te Hoogstraten, waar ook zijn vader op school was geweest. Dan trad hij in bij de Missionarissen van Afrika, de Witte Paters (1943). Dit betekende : twee jaar filosofie, een jaar noviciaat en nog vier jaar theologie respectievelijk te Boechout, Varsenare en Heverlee. Op 8 april 1950 werd hij priester gewijd. Zijn eremis deed hij te Leest op 16 april. Meer dan een halve eeuw was hij missionaris in Afrika (Belgisch Congo, later : Zaïre en momenteel : Demokratische Republiek Congo). Steeds in de Noord-Oost provincie met een ondergrond vol rijkdommen, mee de basis van de voortdurende spanningen en oorlogen. René vertrok naar de missie in Bunia. Hij werd er benoemd op de ‘aumonerie’ in Kilomines (waar ook de hoofdzetel van de goudmijnontginning van Kilo-Moto was). Hij leerde er Swahili, de taal in oostelijk Kongo en werd er professeur ‘en commerce’ aan de middelbare school voor het administratief personeel. Later (tot 1970) woonde en werkte hij als onderpastoor, daarop als pastoor in Badiya, veertig km westwaarts van Bunia en leerde daartoe Kibira, de plaatselijke taal. Precies in die periode begonnen in Kongo, na de onafhankelijkheidsverklaring, de eerste politieke moeilijkheden (juli 1960). Maar ze waren een lachertje in vergelijking met de bezetting en de terreur door de rebellenbeweging ‘Simba’ (van 1/9 tot 1/12/1964). Hij kreeg nieuwe posten : eerst onderpastoor aan de kathedraal van Bunia (1970 tot 72) en dan acht jaar in Geti (tot 1980), zestig km bezuiden Bunia en bij de grens tussen (toen) Zaïre en Oeganda. Na een verlof in Leest (1978) realiseerde René in Geti het ‘Centre des Jeunes’ met o.a. een bibliotheek. Zijn missiegebied was wel uitgestrekt : ongeveer honderdtwintig km van noord naar zuid en een veertig km van oost naar west met tezamen een honderdtal ‘schoolkapellen’. En opnieuw verhuizen : terug voor zes jaar (van 1981 tot 1987) naar het vroegere Kilomines, nu Bambu. Een paar keer (1981 en 1986) was hij op verlof in Leest. Maar intussen had pater René, na vierendertig jaar verblijf in Kongo, voor het eerst moeraskoorts of malaria gekregen (1984). En in Bambu werd zijn ‘parochie’ overgenomen door drie inlandse priesters (1987). Zo verhuisde hij naar het hem bekende Badiya. Daar kreeg hij een tweede, zware malariacrisis (1990). Het jaar nadien was er feest : een zesendertig meter lange brug der vriendschap, een ‘Baileybrug’ over de Shari – een rivier op drie km van de missiepost – werd er ingehuldigd. Dankzij de hulp van heel veel mensen uit o.a. Heist a/zee (waar een confrater woonde), uit Leest en van elders kon het materiaal ervoor (in België) worden aangekocht en de brug aangelegd. Omwille van een oogkwaal was hij (1993) in België. En al kreeg René drie jaar later een nieuwe benoeming in Geti, na amper drie maanden stond hij hier terug, nu omwille van de rebellenbeweging van Kabila, die ageerde tegen de dictatuur van Mobutu (1996). Met een Canadees en een Nigeriaan, confraters, ontsnapte hij te voet door het moerasgebied van de Semliki, een grensstroom tussen Kongo en Oeganda. Maar het volgende jaar (1997) was hij weer…in Geti. Tijdens zijn eerste verlof erna werd hij op Pinksteren (2000) in Leest gevierd voor zijn gouden priesterjubileum. En daarna vertrok hij opnieuw : bestemming Geti. Bij een overval op de missie werd hij er (begin 2001) bijna doodgeschoten. Dronken, gedrogeerde gewapende mannen eisten de missieauto op. De pater hield er een oorletsel aan over : zijn gehoorvlies bleek gescheurd en werd in België geopereerd. Toch vertrok hij nog maar eens (september 2001). En al zou zijn parochie in Geti (2002) doorgegeven worden aan inlandse priesters, geen enkele plek was nog veilig en noodgedwongen moest René terugkomen naar ons land (mei 2002). Tijdelijk verbleef hij bij zijn zus in Battel. Tot hij (in januari 2003) opnieuw – dit keer voor het laatst – naar Zaïre ging. De onlusten in Bunia en ruime omgeving duurden echter voort en (in mei 2003) diende hij definitief terug te komen na meer dan een halve eeuw missiewerk ! Thans verblijft hij te Antwerpen op de Prokuur der Missionarissen van Afrika. Ook dit mag vermeld : bij haar honderdste verjaardag vergat Stefanie Van Steenwinkel (°1905) haar overbuur in de Tiendeschuurstraat niet. In plaats van aan haar geschenken en bloemen te geven, vroeg ze te storten op een rekeningnummer voor de missie van Badiya, waar René vijfentwintig jaar gewerkt had ! Zo kon ze hem 1.157,5 euro schenken ! (Wilfried Hellemans : ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest)

René was te Leest geboren op 28 december 1924 en hij overleed op 95-jarige leeftijd te Antwerpen op 8 december 2019.

Foto’s :

-René De Laet tijdens verschillende fasen van zijn leven.

-Zijn gedachtenisprentje.



2717630-f1006c3fb4a2934ed7e51837a5307e3d.jpg

2717630-73f2aec7e950addf63f444f571932355.jpg

2717630-ff56ab3d13644fdfd7039860bc7c5a00.jpg

2717630-ab5bbd0f449a3b7b6b07812402fab025.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg “De Band” van maart 1966 : “Het nieuws over het gebeuren had zich zo vlug verspreid en de “docteur” der Simba’s was vervuld van afschuw en walg bij het zien van al dat bloed. De gekwetsten werden naar het hospitaal overgebracht en, na veel over en weer geloop en getelefoneer kwam er een ziekenwagen aan waarmee al de zusters werden vervoerd. Ook Broeder Achiel ging mee voor verzorging terwijl zuster Benedikt in de infirmerie verzorging ontving. Wat nu over de baldadigheden ? Onmogelijk is het er een uitleg voor te vinden of de “waarom” ervan te begrijpen. Na het drinken en het roken van hennep worden ze als wilde dieren, ze nemen de blanken voor Amerikanen en Paters. Rekening moet gehouden worden met de invloed van de “beul”, die de soldaten steeds ophitste tegen de Paters. Ingevolge het bezoek van Majoor Pierre mocht niemand meer binnengaan. Ondertussen waren vier van de zeventien zusters terug naar het hotel gekomen. Ze waren zogezegd niet zo erg gekwetst om in het hospitaal te blijven. De martelares, zuster Theresia, werd op de missie zelf begraven, hieromtrent bestaan er enkele diapositieven. Zo ging het dag in, dag uit. Steeds van het ene uiterste in het andere, lachende Simba’s om in een handomdraai te veranderen in een vertoornd gelach met al de gevolgen er aan verbonden. Door de ondergane mishandelingen kwamen allen, zonder onderscheid, terecht in het hospitaal. Toen we de kapitein te zien kregen en hij zonder reageren ons aanhoorde, konden wij toch vaststellen hoe geschrokken hij was en zei ons “de beul” te zullen meenemen, te oordelen en te bestraffen. Zaterdag 28 november :aflossing van de wacht. Dezelfde belofte : er zal niets gebeuren, de bewakers zijn daar om u te beschermen en MIJ in te lichten. Nog geen kwartier later ! Gewapende mannen springen binnen, wij moesten mee naar het militair kamp; bevel van de kolonel ! Deze was pas uit Stan gevlucht voor de aanrukkende para’s. Daar werden para’s gedropt. De toestand was er zeer gevaarlijk, want toen werd er te Watsa een bloedbad geschapen; verschillende Paters en Zusters werden er op zijn bevel vermoord ! In Aba werden zes Witte Paters en vier Zusters van Ingelmunster gedood als wraak voor de landing van para’s en het verlies van Stanleystad ! De bevolking was erg bevreesd voor ons lot en de plaatselijke bevolking deed het verzoek door tussenkomst van de Nationalistische vrouwen (M.N.C. Lumumba) onze 14 Paters vrij te kopen, zonder positief resultaat. Wij werden echter vrijgelaten na tussenkomst van de O.N.U. De dagen kropen zeer langzaam voorbij, immer verkerende in een onzekere toestand tot op een dag dat Simba’s zouden opgeladen worden om naar Bunia, het front, te vertrekken. Onderlinge duscussie om uit te maken wie het zijn beurt was om te gaan vechten. Op 1 december hoorden we schieten ; de zenuwen werden nog meer op de proef gesteld. We hoorden iemand aankomen; er werd geschoten uit de richting van het vliegveld. We konden niet vermoeden dat het kamp volledig leeggelopen was. Bunia was ingenomen, Paters en Zusters bevrijd. Bij de inname van Bunia stond de heer Dictus, bankdirecteur, de huurlingen op te wachten, wees hen de weg naar het hospitaal, dan ging het naar de Missie en zo naar het kamp waar wij ons verscholen hadden. Ondertussen was het donker geworden en er werd geschoten. Op 2 december, heel vroeg, waagden we ons buiten, wat frisse lucht, terug binnen en maar afwachten. Een Simba was als bewaker achter gebleven en toonde zijn matriculatiekaart van het A.N.C. en zei ons, na allerlei vragen, dat de blanken weldra zouden komen en hier zijn. Terug buitengekomen hoorden we roepen en zagen Pater Beyvoet die met de huurlingen gekomen was. We waren bevrijd na 3 maanden in de hel te hebben doorgebracht ! Onze vreugde kende geen grenzen. Wij omhelsden elkaar en konden onze tranen niet bedwingen, vonden geen woorden om onze bevrijders te bedanken. Bedroefd waren ze als ze vernamen dat daags te voren nog drie Paters vermoord werden. Zij werden afgemaakt omdat ze ’s zondags de mis hadden opgedragen in de missie-kerk ! Tevoren waren er nog Paters opgeladen geworden in het dorp en te Miyala aangekomen. Er arriveerden Simba’s die op de vlucht geslagen waren. Woedend deden ze de Paters uitstappen en onder de barza van een magazijn plaats nemen. Na een discussie werden die op een rij gezet. Pater De Meyer (Antwerpen) riep : “wat is dat nu ? Waar is de commandant ?”Op dat ogenblik klonk er een schot en de Pater viel. De drie anderen liepen weg en de Simba schoot nogmaals en Pater Pauwelijn uit Harelbeke viel neer. Een derde maal en ’t was Pater Smissaert uit Brugge en…toen de vierde Pater Faice uit Luik, niet gekwetst, maar bleef liggen, het was zijn redding ! De Simba’s vertrokken en lieten hun slachtoffers liggen. Na onze bevrijding nu, gingen we terug naar Bunia. De spullen werden gepakt en we logeerden in de stad samen met de huurlingen. Den donderdag kwam er een vliegtuig, en een jachttoestel overvloog het vliegveld ter controle. De rebellen die werden aangetroffen werden afgemaakt ofwel uitgeleverd aan de soldaten van het A.N.C., die zich met zulk luguber werkje bezig hielden. De huursoldaten waren niet te spreken over de Kongolese militairen, maar ook zij behaalden ook maar een treurige reputatie. Toen Bunia ingenomen was, hebben zij zich onledig gehouden met plunderen. Twee soldaten hadden geld afgeperst van de kassier van een garage-magazijn van een Griek. Als de kassier het geld overhandigde, kwamen er nog twee anderen binnen, die hetzelfde spelletje speelden. Ofwel had die kassier geen geld meer of wou er geen meer geven, feit is dat die dappere soldaten schoten en ze lieten de man in zijn bloed liggen. Deze was weggekropen en had een halve dag neven een beek gelegen, bewusteloos. Tegen de avond hadden de anderen hem gevonden en brachten hem over naar het hotel waar de huurlingen gelogeerd waren. Grote verontwaardiging van deze laatsten, die dreigden de schuldigen terstonds te fusilleren als ze hen uitleverden, wat natuurlijk niet gebeurde. De man had twee gapende wonden langs weerskanten onder het sleutelbeen en had omzeggens geen bloed meer. De Zusters hielpen hem, ook de dokter van de huurlingen, en ’s anderendaags is die man met ons naar Leo vertrokken. Diezelfde avond, het begon donker te worden, herbegonnen de Kongolese soldaten met hun schietpartijen. Ze wandelden door de stad en vele anderen bevonden zich in de inlandse cité, dus bij de mensen. Geen enkel van hen zou het aangedurfd hebben zich buiten de stad te begeven. Wij probeerden eens rustig te kunnen slapen. Heel goed ging het niet, onze knoken deden te veel pijn ! Op donderdag 3 december zijn er drie Amerikaanse militaire toestellen op het vliegveld van Bunia geland, bestuurd door Amerikaanse soldaten en volgepropt met munitie. In één vliegtuig stonden er drie militaire jeeps !! Begrijpelijk waren de Simba’s zo woest op de Amerikanen. Wanneer men de deur er van (meer gelijkenis met een schuurpoort) opende, sprongen de Grieken er eerst binnen, omdat ze vreesden beschuldigd te worden van samenheulen met de rebellen. Met het eerste vliegtuig vertrokken ook de Zusters en enkele zwaar gekwetsten, waaronder onze kassier en een huurling. Wij vertrokken met het tweede : 45 Paters en Zusters en een twaalftal Katangesen die in september de stad Bunia verdedigd (sic) hadden en uit de gevangenis bevrijd werden door de huurlingen. Er waren er twee bij met afgesneden oren. Dezelfde dag zijn wij te Leopoldstad aangekomen, daarna konden er reeds enkele Paters en Zusters naar Brussel vertrekken met een gewoon lijnvliegtuig. Zo ging het verder de volgende dagen. Vier dagen zijn wij nog in Leo gebleven, wachtende op andere mogelijke vluchtelingen, om dan een speciaal vliegtuig in te leggen. Wij logeerden in de Prokuur van de Paters Scheutisten en in een school voor Lichamelijke Opvoeding. Maandag namiddag rond 15 uur zijn we dan vertrokken naar Brussel met een D.C.6. Er waren 65 geestelijken aan boord. Om kwart voor acht daalden we in Kano. Om negen uur ’s avonds stegen we terug op om ’s morgens om vier uur aan te komen in Las Palmas. Dan ging het om de laatste trip om kwart na vijf en om 9 uur kwamen we te Brussel aan. Bitter koud was het te Brussel, het verschil in temperatuur was te groot. Te Leo was het 36° in de schaduw. Te warmer was het in onze ziel, en ook in het hart van al degenen die op ons hadden gewacht.
                     E.P. De Laet.”

Vervolgt.

Foto’s :

-De paters Eugeen Pauwelijn, Louis Smissaert en Piet De Meyer en hun graven op het kerkhof van Mudzi-Maria te Bunia waar ze op 4/12/1964 werden begraven.



2717495-e44475fb177bcee4b12335cfb6e082a1.jpg

2717495-687e0ecfb180f26989380acba21704af.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 12:06 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

“De Band” februari 1966 : Tijdens de nacht brak er een hels lawaai los. We hoorden dat er iemand werd binnengestampt, in de echte zin. ’s Morgens kenden we al spoedig de toedracht, er was een neger aangehouden die met een som van 80.000 fr. zou gaan lopen zijn van een maatschappij waar hij werkzaam was. Zulks was gebeurd op het ogenblik dat de rebellen de stad waren binnengevallen. Ten einde te voorkomen dat hij het onderweg op een lopen zou zetten, had men hem een autowiel zonder banden aan de knie vastgemaakt en zo werd hij dan overgebracht naar de barza waar de luitenant zich bevond. In de voormiddag werd hij voorgeleid voor verhoor. De gevangene moest zich op de grond leggen, op zijn buik en de handen werden op zijn rug vastgebonden. Een Simba, steeds dezelfde Damiano, stampte met zijn zware botten tegen het hoofd, ging er dan bovenop staan, wandelde aldus over zijn rug, dan in de nek om eens goed door te duwen…en dan begon de ondervraging. Beschuldigde ontkende ten stelligste gestolen te hebben, wel gaf hij toe 3000 fr te hebben genomen omdat hij al drie maand geen loon ontvangen had, en daarmee had hij een koe gekocht. Hij werd vrijgesproken maar moest voor de luitenant blijven werken. ’t Was 2 oktober, en alles werd opgeladen, de luitenant ging verhuizen. Onze spullen bleven echter staan. Tijdens een nacht kwam de boy Mombey ons wekken en zeggen dat we bij de luitenant moesten komen. We gingen er naartoe en bleven wachten onder de barza. Twee zusters stonden buiten aan de deur, deze weenden, zij wisten dat de luitenant aan ’t drinken was. Even kwam hij buiten en zei : “Uw zaken zijn gedaan, ge zult aanstonds sterven.” We moesten op een stoel plaats nemen, ook de twee zusters. De vier anderen waren daar niet. Steeds waren het de twee zelfde zusters die de luitenant mee op patrouille nam. De zusters moesten hun voile afdoen, wij moesten onze gandoerah uit doen. Tegen Mombey zei hij de chauffeur en camion te gaan halen, de paters en zusters op te laden en buiten de stad te brengen, want, de mensen moesten niet weten dat ze zouden doodgeschoten worden. Deze Mombey was zeker niet gegaan, kwam terug en zeide de chauffeur niet gevonden te hebben, en dat de camion defect was. Dan kreeg hij bevel Damiano te gaan halen, maar wederom kwam Mombey terug en zeide dat deze sliep. Zo was het drie uur geworden en konden we wat slapen gaan. Zo ging het dag in, dag uit. Altijd maar in het onzekere, afhangende van de wispelturigheden van één man en nooit wetende wat de andere dag brengen zou. Er was een zuster Theresia, die door toedoen van een Belg terug naar de missie mocht gaan, zulks omdat zij asthma crisissen had. Acht dagen nadien werd ze genezen verklaard en moest terug, om de volgende nacht te sterven in het hotel. Het is met een heilige schroom wat ik nu vertellen ga, wat er tijdens die verschrikkingsnacht van 16 op 17 november gebeurde. Die avond was er bijbelwake geweest. Daarna gingen we slapen, zo rond 21u30. Om 22 u werd de deur opengesmeten en iedereen moest opstaan. Een Simba wiens naam we niet kenden, maar in het hotel logeerde sedert enkele dagen, riep ons toe onze rozenkransen voor hem op de grond te leggen. Ondertussen was hij aan ’t brullen gegaan en begon ons uit te schelden omdat we voor het slapengaan gezongen hadden. De rozenkransen en Paternosters werden geteld. Onze beul (zo is die man de geschiedenis ingegaan) dreigde maar dat er zoveel rozenkransen waren als paters en zusters. Eenmaal het cijfer 20 bereikt, geraakten z’er niet meer wijs uit. Pater De Keyser die onze overste was, moest ze dan in een houten bakje laden. Wij wachten, de overste ging mee naar het bureau. Er gebeurde niets, de rozenkransen moesten achterblijven. Rond 12 uur werden we opgeschrikt. Er liepen gewapende Simba’s tussen ons door, zij waren goed dronken. De Simba’s riepen maar “waar zijn de zusters ?” We voelden het aan dat er wat in de lucht hing. Het waren soldaten gelegerd in Mambasa, 160 km verwijderd van Bunia op de grote weg naar Stanleystad. Zij waren, bij een poging van doorbraak, teruggedrongen door blanke huurlingen, en waren in plaats van naar Mambasa terug te keren, voor logement naar Bunia overgekomen. Ze zochten een tijdje en slaagden er in het hotel te ontdekken. De zusters konden nog gaan lopen, en door hun gegil, gebeurde er niets, en werkelijk ze gingen weg. Lang zou het echter niet duren, want na middernacht begon de furie. Bij het binnenkomen werden de paters verplicht te blijven liggen, en de Simba’s drongen het restaurant binnen. De zusters liepen het hotel binnen maar werden door de Simba’s tegengehouden. Ik was met open armen voor de zusters gaan staan, alhoewel het hopeloos was. Ik werd omver geduwd, mijn bril werd afgeslagen en dat was een benarde toestand. Ondertussen speelden er zich in het hotel en restaurant de meest beestachtige en wrede tonelen af. De zusters werden geslagen op een onmenselijke manier, sommigen van hen werden verkracht. Een zuster slaagde er in te ontsnappen langs een klein raampje. Zij was terechtgekomen in de keuken, daar bleef ze een hele tijd met een stuk stof rond haar lichaam. De zusters riepen maar “dat ze niet wilden”, dat ze veel liever stierven, dood ons, God zal u oordelen. Ondertussen werden de paters verplicht andermaal zich te ontdoen van de soutane en op de grote grond te gaan liggen waar ze matrak en geweerslagen ontvingen. Deze marteling van de zusters duurde tot 2 uur ’s nachts. Plots werd er geschoten, de kogel drong door twee benen van de zuster die reeds fel mishandeld was en ze zeeg neer in haar bloed. Ze bleef daar liggen en de militairen die voldaan waren en zich zeker vermoeid hadden trokken zich terug. Op een paar meter van mij lag zuster Therfesia te zieltogen, de absolutie heb ik haar gegeven, inwendig. Enkele Simba’s amuseerden zich met de zuster te bespotten, die de kracht nog had te bidden voor de zwarten en haar leven offerde voor de Afrikanen. De Simba’s zaten neergehurkt rond haar en vroegen : “Leeft ge nog ? Zijt ge nog niet dood ? Het is niets, morgen vroeg zal men uw benen breken en zult ge allemaal “mateka” zijn.” Tegen de morgen kreeg zuster Benedikt toelating zuster Theresia te verzorgen; het was veel te laat ! Tegen zes uur ’s morgens deden de moordenaars terug hun intrede. Een zuster die daar nog op de grond lag en die ze dood waanden, werd door hen met de armen weggesleept tot in het restaurant. De zusters moesten buiten, ze zo te zien was om te wenen. Ze keken echter allen moedig en fier. Alleen hadden ze nog stukken en flarden kleren aan, met bloed besmeurd. Buiten begonnen de Simba’s te zingen en de dansen rond de zusters die in een hoopje bijeen stonden, ze zongen de dodendans. De zusters werden één voor één terug binnen gebracht. Pas in het hotel, begonnen zij het overschot aan kleren die zij droegen van het lichaam te rukken. Indien zulks niet rap genoeg ging, werden zij op de grond geduwd en over de grond geleurd tot wanneer de kleren in hun handen bleven. Zo moesten de zusters een voor een voorbijkomen. Zij moesten in een rij gaan staan. Pater De Keyser moest op de knieën zitten, werd vastgegrepen, op de grond geduwd en met slagen overladen. Zo passeerde iedereen. De soldaten gingen weg; de bewakers waren terug vriendelijk geworden, dat was reeds een grote troost. Vooral de zusters zaten stil te schreien en kusten het voorhoofd van de stervende zuster Theresia, de martelares van de zuiverheid.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:46 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van november 1965, gewijzigd en aangevuld in het nummer van januari 1966 : “Ik heb hier voor u een kamer klaar gemaakt,” zei hij, “mijn eigen kamer, in mijn eigen bed zult ge slapen. Gijlie Paters (Bamupe, zeggen de mensen uit het woud en de omstreken van Stan, dat is het meervoud van “mupe” wat een vervorming is van het Franse “mon père”. Ook bij ons noemden “ze ons “Baba” (vader) meervoud “Bababa”.) die ons onderricht hebt. Denkt gij dat wij jullie zouden kunnen schrijven ? En waar zouden we leren lezen hebben ? En wie zou ons de dingen van God onderwezen hebben ? Zo maar slapen zonder bed of matras, dat is niet mogelijk. Hapana, hapana (neen, neen). Komt maar eens zien, ik zal alles in gereedheid brengen. Daarna moesten we plaats nemen (ge merkt op dat ik altijd zeg “moest” want we bewogen niet, voor niets. Ze zeiden alles wat we te doen hadden, zelf initiatief nemen was gevaarlijk, dat wisten we reeds bij ondervinding). Geflatteerd waren ze als ze ondervonden dat we wat onderdanig waren en vertrouwen hadden in hen ! Wij waren dus gezeten op stoelen tegen de muur geplaatst in het salon, op de zetels en in de sofa zaten en lagen enkele vrouwen en meisjes en natuurlijk ook onze luitenant-chef die maar steeds dronk en bleef drinken. Wij trachten zo vriendelijk mogelijk te zijn, vroegen hem hoe oud hij was, waar hij overal gekomen was, hoe zijn juiste naam was, wat hij vroeger deed en zo allerlei dingen. Maar wij moesten onze tegenzin overwinnen, wij wisten niet wat er allemaal gebeuren kon, hierover dierven we niets vragen want we hadden al kunnen vaststellen dat onze Gaston zeer opvliegend was. Rond 10 uur zei hij dan “laat ons nu de kapitein gaan bezoeken, want hij is onze “mkubwa” (overste). Hij is hier de verstandigste, maar hij is nog een kind, maar omwille van zijn knepen is hij de patron. Nooit maken wij ruzie, wij zijn de beste vrienden. En inderdaad , wij reden naar de kapitein die in een zetel zat, dronken en in gezelschap van een Hindou. Beiden zaten hun dorst te laven. We mochten gaan zitten en luisteren naar dezes brabbeltaal. Nadien zijn we in gezelschap van een Simba vertrokken met een petroleumlamp. Er bevonden zich twee luidsprekers met microfoon in dezelfde kamer. Om de beurt amuseerden zich kapitein en luitenant met allerlei onverstaanbare dingen in de micro te roepen, het trommelvlies van onze oren stond zeker op barstens. Twee luidsprekers in een kleine kamer en op zijn hardst én daarbij de muziek van de radio. We gingen naar onze slaapstede. Onnodig te zeggen dat we gans die nacht geen oog hebben dichtgedaan.. In het nevenvertrek ging men door met brassen en fuiven, met zingen en dansen. Driemaal moesten we opstaan om toegang te verlenen bier te komen halen. En dan na een vechtpartij was alles plots stil en konden we horen wat de Simba’s onderling vertelden over ons, de Amerikanen, bommen, schieten. Steeds hoorden we maar : ze zullen “mateka” (dood) zijn over vier uur. Dan herbegon het lawaai terug, de radio werd opnieuw open gedraaid, men hoorde ze met de bierflessen werken, aan de geweren prutsen, dansen en zingen zo tot vijf uur ’s morgens. Dan werd alles stil. Om zes uur, bij klaarte stonden we op. Een tijd nadien deden we de deur open. Geen mens te bespeuren in het salon. Een vunzige geur van bier en dan pas zagen we de luitenant uitgestrekt liggen op de divan, wakker was hij al en hij zei “hebt ge goed geslapen ? Ziet ge wel, dat ik voor u een goed bed had klaar gemaakt.” Toen stond hij recht en begon bier te drinken. Een tijdje nadien komt de kapitein afgereden per fiets en een transitor in de hand. Na wat over en weer gepraat zegt de luitenant “nu gaan we naar het appel”, en tegen een Simba zei hij “neem mijn twee geweren, chargeurs tatu (drie laders met elk 20 kogels) na masasi makumi tisa na sita (96 kogels). We zullen die banyankalakata (nietsnutten) die in het cachot zitten maar neerschieten. Hij trekt zijn uniform aan, anders liep hij rond in zijn pijama tijdens de voormiddag, in de namiddag in lange broek en pijamajasje. Hij steekt zijn revolver in zijn gordel en neemt zijn transitor. Dan vertrekken we : de luitenant links, wij met ons twee in het midden en de kapitein rechts. Achter ons drie gewapende Simba’s van de luitenant. Een vierde, Damiano Kirungi, Hemeli en Marino. Mombey Sefu, een heel brave vent (we zouden die mannen allemaal heel goed leren kennen) bleef bijna altijd thuis, behalve ’s nachts als de luitenant op patrouille gaat. Buiten deze mannen was er nog een kleine Simba in dienst van de luitenant Gilbert Laygabo, een jongen uit onze school die tijdens het groot verlof gedoopt was. Deze deed absoluut niets, alleen wat rondlopen. Dan waren er nog vijf meisjes die het eten klaar maakten. Het was acht uren in de morgen wanneer wij aan het bureau toekwamen, een laag gebouw met pannen daken bedekt, een brede barza met kolonnen voor de vier kamers alwaar de bureaus van het gewest waren ondergebracht. Voor de ingang stond de vlaggenmast midden in een ronde gemetselde parterre. Langs weerszijden van de mast stonden de Simba’s. Zes groepen in rijen van vier, alles samen tussen de 200 à 300 man. Ze droegen geen uniformen, trouwens die hadden ze niet, maar wel alle mogelijke denkbare hoofddeksels en de onvermijdelijke dierenvelletjes rond de pols. In die voorste rijen stonden daar jongens bij van nog geen 10 jaar oud. Enkelen waren er van onze streek, de meesten waren afkomstig uit de streken van Stan, Wamba en de stroom, bosmensen dus. Die jongens waren ingelijfd, soms met geweld, docht de meesten vrijwillig. Vroeger had er niemand werk, noch geld, het waren allemaal leeglopers. Voor 5000 fr. om de veertien dagen vonden zij het wel de moeite waard hun onkwetsbaar lichaam ten dienste te stellen, om bij de Simba’s te gaan, temeer, ze moesten niet werken, enkel amuseren, rondrijden met camions, barrelen bewaken en…naar het front gaan om te vechten. Dat laatste was wat anders, velen gingen immers lopen wanneer ze hoorden dat ze gingen vertrekken, als ze wisten waar naartoe, maar dat was omzeggens nooit het geval. De tovenaars zorgden er evenwel voor dat de Simba’s niet dierven weglopen, wat niet belette dat er bij elk appel Simba’s ontbraken. Ook gebeurde het dat ganse compagnieën weigerden te gaan vechten, maar die eer overlieten aan hen die nog niet weg geweest waren : ze zeiden “wij weten al wat oorlog is, de anderen moeten het ook maar eens meemaken !!” Toen wij aan het bureau aankwamen moesten wij onder de barza gaan staan. Voor de rest liet men ons gerust, de Simba’s zagen ons zelfs niet staan. Enkelen staarden ons met kwade ogen aan. We keken slechts maar toe. Een Simba Boniface Rwanisabo, die werkman geweest was op die missie, bleef bij mij een beetje babbelen toen hij voorbijkwam. Hij werd opgepikt en in het cachot gezet. Dan begon de ceremonie met de groet aan de vlag, gevolgd van het appel. De chef van iedere compagnie kwam om de beurt rapport uitbrengen aan de luitenant, deze zat alleen achter de tafel, hoevelen er weggelopen waren en wie er gevochten had, en die moesten dan voor de luitenant verschijnen. Plots kreeg de luitenant een aanval van woede. Met een gebaar veegde hij de conservedozen met verslenste bloemen van de tafel. Een paar Simba’s kwamen aangelopen en haasten zich wat verse bloemen te plukken en de dozen op tafel te zetten. Daarna bracht men drie gevangenen aan, gewone mensen beschuldigd van diefstal. Een ervan had enkele bladeren gedroogde tabak gestolen bij zijn gebuur en deze had hem aangeklaagd. Deze mensen waren uit de omtrek en ter dood veroordeeld. De gewone straf voor diefstal bij de Simba’s was de dood door de kogel. Oorspronkelijk was die straf ook en op de eerste plaats bedoeld voor de Simba’s zelf. De leiders wilden waarschijnlijk voorkomen dat de Simba’s zouden plunderen. Maar stilaan waren zij de overtuiging toegedaan dat ze met alle middelen moesten beletten dat de mensen begonnen te stelen. Daarom schoten ze de dieven dood, ook al was het maar voor een paar gedroogde tabaksbladeren die gestolen waren ! De drie mannen stonden voor de kapitein die een discours deed in ’t Ligala. Ze moesten de vlag groeten, de kapitein nadoen. De rechterarm gebogen met de hand voor de borst. Ze hadden dat nog nooit gedaan en de Simba’s proesten het uit van ’t lachen. Twee mannen die stonden toe te kijken aan de weg werden bijgeroepen. Deze moesten de handen van de gevangenen op de rug vastbinden. De Simba’s mochten immers niemand aanraken. Toen begonnen ze te zingen en te dansen op ’t ritme van een trommel : het was de dodendans, in een cirkel rond de drie ongelukkigen. Na een tijdje werd er een van hen weggeduwd naar de baan toe, een 50-tal meters van het bureau verwijderd. Hij werd gevolgd door een tiental gewapende Simba’s en moest met de rug naar hen toegekeerd staan en plaats nemen op een talus (berm van een kleine halve meter). Intussen werd er maar gezongen en gedanst, tot er plots door enkelen geroepen werd ”tirez, tirez”. Een losbranding volgde, maar er gebeurde niets, schoten ze nu vrijwillig in de lucht, ik weet het niet. Men herbegon, en weer volgde een rafal van de automatische geweren en de man viel voorover op de grond. Ze kwamen terug om hun tweede en daarna hun derde slachtoffer te halen en neer te schieten. De lijken bleven liggen zoals gewoonlijk en iedereen ging weg. Wij vertrokken met de kapitein naar zijn huis, waar wij een papier kregen door hem ondertekend en gestempeld : het was een “laissez passer” goed voor het hele territoriale van Bunia en “partout”. We moesten wachten tot 10 uur eer wij het papier in handen hadden. De kapitein had ook de commercanten van Malabo naar Irumu geroepen : ze kregen bevel al hun waren te verkopen aan de helft van de prijs die ze tot nu toe aan de mensen gevraagd hadden. Het was natuurlijk een rush van de mensen naar de magazijnen en op een ommekeer was alles verkocht, behalve hetgeen door de verkopers behendig verstopt was. Er was natuurlijk niets meer te krijgen en de handel lag stil. Vervoer was er niet meer, alle camions en auto’s waren door de Simba’s opgeeist. Niemand wou nog koopwaren indoen om het daarna met verlies te moeten verkopen. Om tien uur vertrokken we allen samen. De chauffeur deed ons nog een uur wachten alvorens Irumu te verlaten, zijn keel was namelijk te droog. Op de missie kwamen we rond de middag toe. De mensen kwamen vol vreugde toegelopen. Enkele onderwijzers en onze kok hadden ons huis bewaakt. De moteur voor het licht was heel de nacht blijven draaien en voor de barza hadden ze een heel groot vuur gemaakt. Vooraleer de Simba’s terug naar Irumu vertrokken schoten ze nog wat in de lucht, en de mensen, vol schrik, vluchten terug de brousse in. Vrijdag 25 september; wij hadden juist koffie gedronken en stonden onder de barza wanneer we zingende stemmen hoorden, en toen deze zingenden bij ons waren aangekomen vernamen we dat ze ons kwamen halen, we moesten mee naar Irumu. “Ga maar alles op uw kamer halen”, zeiden ze, “valies, eten, schoenen, enz…en de zusters moeten ook mee…ook de kok om te koken. Bedreigingen waren er bij de vleet en altijd was de spreker de sterkste, de baas enz. De tocht begon gedeeltelijk rijdende, dan te voet, maar toen we op de bestemming aangekomen waren, ’t was reeds duister, en er stonden gewapende mannen te praten, moesten we gaan neerzitten op een gemetst muurtje. De luitenant die in dronken toestand was aangekomen, beval ons goed te bewaken, want hij had “pouvoir” gekregen over de Paters, hij had zelfs de macht om ze te doden. Toen we eindelijk naar een binnenplaats werden geleid herbegon de altijd terugkomende predicatie. In die omgeving woonden ook een tiental vrouwen van policiers van Irumu die vermoord waren, zij werden zogezegd. door de luitenant in bescherming genomen. Hij wist wel waarom !!! Wij hadden dus het magazijntje ter beschikking. Ondertussen waren andere Simba’s bezig een kamer klaar te maken voor de zusters. Zes bedden werden aangebracht die nevens mekaar geschoven werden, ze hadden echter geen matras. De heldendaden door eenieder van hen bewezen, werden met de nodige saus opgediend. Zaterdag 26 september bracht men ons naar het salon. De luitenant zat te knikkebollen van dronkenschap, drie andere Simba’s stonden recht met het geweer in de hand en er zaten ook een paar vrouwen en meisjes bij. Op de tafel enkele onafscheidbare flessen bier. Men wou ons doen dansen, wij bleven evenwel staan. Een Simba knielde en mikte. Een andere Simba hief zijn geweer op en wou Pater De Meyer een stomp in de hals geven, deze duwde met beide handen af. De nacht trad in. De zusters werden mishandeld, zij mochten niet bij ons komen, wij mochten met hen praten als ze samen onder de barza zaten. Ze leden veel meer dan wij. Hoe dikwijls reeds hadden ze gezegd “dat ze ons maar doden of slaan, en dat ze de Paters naar huis laten gaan indien ze er niet moeten van hebben.” Het gebeurde meer dan eens dat de luitenant twee zusters meenam in zijn volkswagen op nachtelijke patrouilles. Nooit heeft hij hen iets kwaads gedaan alhoewel hij er zeker toe in staat was. Wanneer de rebellen Bunia hadden ingenomen was het de bedoeling op te rukken naar Bukavu die ze wilden aanvallen van uit het noorden. In Beni echter, op 200 km van Bunia stootten ze op blanke huurlingen en hun opmars was voorgoed gedaan. De Simba’s hebben met ware doodsverachting geprobeerd door te breken, maar de tol was groot, zonder evenwel te lukken. In Butembo gebeurde het dat 17 huurlingen (Zuid-Afrikanen) 900 van de meer dan 2.000 rebellen, die gewapend met messen en lansen toesnelden, met één mitrailleuse wegmaaiden. Deze die er van terugkwamen hadden een panische schrik welke in hun ogen te lezen stond. Ze beweerden met eigen ogen de Paters van Beni te hebben gezien die op hun schoten. Er was zelfs een Pater bij die met zes geweren tegelijk schoot. En de Amerikanen wierpen bommen. Gevolg terug naar het cachot, het was nog het beste. Wij moesten alles afgeven wat in ons bezit was. Pater De Meyer had zijn uurwerk in zijn kous verstopt, die waren ze echter vergeten. Des avonds om 6 uur toen het reeds duister begon te worden kwam de luitenant binnen en deed een speech. Een Simba kwam ons halen. Wij hadden enkel een korte broek aan en cinglet hemden droegen we niet omwille van de warmte overdag. Maar als ik buiten kwam sloeg ik mijn armen overeen om mij een beetje te kunnen verwarmen en het zat er op. We zagen de zusters zitten op stoelen, op een rijtje. Hun voile hadden ze moeten afdoen en op een hoopje leggen. Ook wij moesten op een stoel gaan zitten. Een gebulder op de kok die voor ons eten moest zorgen want het was een schande de Paters zo te behandelen. Damiano Kirungi, de duivel in persoon (de luitenant zei zelf hem in dienst genomen te hebben omwille van zijn wreedheid) beval dan de zusters hun pelerine af te doen en dan hun voorschoot. De luitenant verbood het echter, hij had het niet bevolen. Dan gingen we eten en wanneer we terug in het cachot kwamen waar het pikdonker was, mochten we van een voordeel genieten, want er werd ons een kussentje gegeven om het hoofd op te leggen en ook een deken ontvingen we. Rond middernacht herbegon het. Kom vlug, riep onze bewaker. In het salon zagen we weer onze luitenant zitten op zijn draaibaar directeursstoeltje, maar zo dronken dat hij de kracht niet meer had op te kijken of iets te zeggen, hij knikkebolde maar. Tegen de muur zaten de zusters zonder hun voile. Rond de tafel gewoon gezelschap van vrouwen. Dezelfde Damiano zei weer te dansen. Hij zette een plaats op en duwde twee zusters naar ons toe. Wij reageerden echter niet, geen spier vertrokken wij onafgezien zijn dreigementen. Enkele dagen tevoren waren wij samen met de luitenant onder de barza gezeten en gemoedelijk was hij beginnen te praten en te vragen. We voelden zeer spoedig waar hij wilde toekomen; het ging immers over de Paters en de Zusters, over niet te reine dingen die gebeurd waren in zijn streek en hij vroeg of dat ook bij ons zo was. Dat de Paters en zusters niet trouwden dat wist hij wel, maar toch, pembeni, pembeni. Op alle missies zijn er evenveel Paters als zusters zei hij ! Ik trachtte hem dan uit te leggen waarom wij niet trouwden en dus niet konden overgaan tot dingen die wel goed waren voor gehuden, waarvan wij vrijwillig afstand deden en de reden die wij daartoe hadden, wat niet zeggen wou dat het niet uitgesloten was dat er soms iemand misloopt, want tenslotte, ieder mens is zwak. In de vroege morgen kregen we alles terug. We konden gaan eten en zaten overdag in een ligstoel onder de barza voor het cachot.

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:04 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

“De Band” nr.8 van 1965 : “Wij hadden de missie onderverdeeld in zes sectoren. Een sector bestond uit een centrale schoolkapel, die steeds in een belangrijk dorp gelegen was. In de kleine dorpen van de omgeving was er ook een catechist en een kapel en een schooltje, met het eerste studiejaar. De kinderen die verder willen leren moesten dan naar de centrale school tot het vierde jaar, het vijfde en het zesde studiejaar deden ze op de missie zelf. Iedere maand, dus op een bepaalde zondag deden we de mis in een centraal gelegen dorp en de kristenen uit de omliggende kleine dorpjes kwamen daar ook. Om acht uur was er een mis voor de schoolkinderen; al onze kapellen waren veel te klein. In de late voormiddag was er dan de hoogmis, voorafgegaan door de doopsels van de kleine kinderen ; het Evangelie en de homilie (preek) waren er soms trouwers. Na de mis palabers, opschrijven van doopsels, zegening van zaad, van kinderen, van vrouwen, en ik weet niet wat al. Daarna was er nog een kleine vergadering met de catechisten van de sector en de ijveraars. In een woord, een geval om niet uit te kunnen. We kwamen thuis in de namiddag, soms kon het vier uur zijn ! De omstandigheden waren nu veranderd natuurlijk. Op die zondag waren wij met ons twee thuis. Pater De Keyzer was met verlof in België, daarenboven durfde niemand meer buiten te komen. Wij hadden ook geen middel meer om ons te verplaatsen. Op de gewone zondagen waren er twee missen, om half zes en om half tien. Op de eerste zondag was er ook een mis om acht uur, speciaal voor alle schoolkinderen, ook die van ver, op andere zondagen volgden die het gebed bij de catechist in hun dorp. Wanneer we op schoolkapel waren, begonnen we de hoogmis als de biechten gedaan waren, de mensen uit het dorp kwamen de zondag zelf. Als we dan thuis kwamen namen we eerst een douche, wat wel nodig was, na een dag in de brousse gezeten te hebben. Daarna een beetje eten en…slapen, de gazet lezen, wat naar muziek luisteren of babbelen. Het Lof deden we om zeven uur voor ons alleen, de zusters en de kinderen van het onderricht. Tussen zes en half zeven is het altijd donker en dan komen de negers niet meer buiten, behalve de dronkaards, die komen niet naar ’t Lof !! Op die fameuze zondag 13 september, kwamen wij uit de kerk om kwart na zes uur ’s morgens. Wij hadden onze meditatie gedaan en er bleef dan nog een kwartje over voor de vroegmis begon.. Er kwam een zware camion de dreef ingereden naar de missie, met een 12-tal met geweren, messen en lansen gewapende Simba’s. Al dadelijk sprongen zij van de wagen en kwamen naar ons toe. Ze vroegen onze kaart van het M.N.C. (Mouvement Congolaise, de politieke partij van Lumumba).Ze kwamen uit Bunia, waren allemaal dronken, schoten steeds maar in de lucht en zeiden dat ze van de kolonel in Bunia bevel gekregen hadden iedereen dood te schieten die geen kaart van het M.N.C. had. Ze gebruikten het woord “mateka” dat we nog honderden malen gehoord hebben. “Mateka” wil zeggen van maken. “Ytakuwa mateka” ge zult boter zijn : “utageuka mateka” ge zult in boter veranderen. “Utafika mateka” ge zult bij de boter komen, of “mateka mara moya”ineens boter !!! Om nog een beetje kracht bij hun beweringen te zetten schoten ze er maar op los. De christenen die op weg waren naar de kerk, maakten allemaal rechtsomkeer. De enkelen die al op de missie waren moesten hun kaart laten zien. In onze streek had praktisch iedereen een kaart van de M.N.C. sinds 1960 al, van in de tijd van de onafhankelijkheid. Lumumba was en is nog steeds de grote man. Ze geloven ten andere nog altijd dat hij niet dood is. Hij is de vader des vaderlands, martelaar van de dipenda (indépendance) en ze verwachtten er zich aan dat hij op een schone dag zou terugkomen, dan zou er overvloed zijn aan alles !!! (Noot : Patrice Emery Lumumba, °Onalua 2/7/1925, +Katanga 17/1/1961, was een Congolese onafhankelijkheidsleider en de eerste democratisch verkozen premier van de Republiek Congo, nadat hij mee had geholpen het onafhankelijk te maken van België in juni 1960. Slechts twee weken later, werd Lumumba's regering afgezet in een staatsgreep tijdens de Congocrisis. Hij werd gevangengenomen en geëxecuteerd door een vuurpeloton onder het bevel van separatistische Katangaanse autoriteiten. Er wordt beweerd dat deze moord werd uitgevoerd met de hulp van een buitenlandse regering of regeringen; de regeringen van België, de Verenigde Staten -via de CIA- en Groot-Brittannië zouden daar volgens verscheidene bronnen achter zitten.) Ze wisten natuurlijk niet dat de opstand voortkwam en gevoerd werd door de M.N.C. en Lumumbisten. Daarom waren zij gekant tegen de rebellen, die zich ook beriepen op Lumumba. Na al hetgeen de mensen al gezien en gehoord hadden de laatste dagen konden zij niet geloven dat Lumumba zo iets zou gewild of bevolen hebben… Ons geval was echter anders. Wij verdienden zeker de dood omdat wij geen kaart hadden van de M.N.C. Van alle Paters op de missie was er alleen Pater Van Roy van Bunia die een kaart gekocht had, omdat ze er mee kwamen leuren op de missie en Pater Dujardijn , die vroeger in Badiya was en nu al gestorven was in Europa. Op zekere dag ging hij naar Irumu om boter te gaan halen en onderweg hielden de policiers hem tegen. Hij was verplicht een kaart te kopen, anders mocht hij niet door. Als hij er een gekocht had brachten twee policiers ham naar het bureau van de administrateur, een functionaris dus, waar hij zijn kaart moest tonen !!! Voor de rest was er niemand van de Paters die een kaart had. Trouwens men had het nooit gevraagd ! De gewone mensen kochten hier allemaal een kaart, omdat men ze had wijsgemaakt dat ze dan geen belasting moesten betalen. Dat kostte hen 60 fr. voor de man, 60 fr. voor de vrouw en 20 fr. per kind. In 1960 is er werkelijk geen belasting betaald, maar het volgend jaar begon de inning van de “palata”, dan moest men betalen niet voor één jaar (een kleine honderd frank) maar voor twee, vermits men het jaar tevoren niet betaald had ! En de mensen betaalden maar… Men zeide aan de Simba’s : “Maar men heeft altijd gezegd dat de Paters aan geen politiek mogen doen.” “Hoelang zijt gijlie al in Kogo ?” “Al 14 jaar.” “Wat ? Al 14 jaar ? Gij zijt een echte Kongolees en Lumumba heeft nog zo gezegd in 1959 en in 1960 ook dat iedereen, blank en zwart, een kaart van de M.N.C. moest kopen.” “Misschien wel, maar men heeft ons nooit gevraagd een kaart te kopen. Wij wonen hier in de brousse.” “Hebt gijlie een radio ?” “Ja, maar wij luisteren niet veel, alleen maar wat muziek.” “Als ge een radio hebt, moet ge toch al lang weten dat Lumumba gezegd heeft dat iedereen een kaart moest kopen, hebt gij nooit zijn redevoeringen geboord in Stanleystad ?” “Neen, nooit, wij hebben ten andere geen geld om kaarten te kopen. Wij hebben hier wezen te onderhouden en twintig melaatsen. Wat wilt ge dat we ons geld gebruiken om kaarten te kopen van de M.N.C.of van wat anders ?” “Gijlie doet aan slechte politiek. Lumumba heeft gezegd dat ge een kaart moest kopen, waarom niet ? Wij weten het wel, gijlie moet van Lumumba niet hebben, daarom zijt ge dood schuldig. Wij zullen eerst onze chef gaan roepen, die is op de grote baan gebleven.” De chauffeur reed dan met de camion weg, de anderen loodsten we binnen in de spreekkamer. Na een kwartiertje was de camion terug. We gingen buiten en over de haag konden we zien dat er een officier uit de cabine stapte. Hij had een kepi op en getten aan. Hij kwam naar ons toe en wij naar hem. Intussen deed hij een handschoen aan, een tweede had hij niet, dit om ons te groeten. Wonder boven wonder, hij gaf ons een hand. Hij was heel vriendelijk en ging met ons mee naar binnen. Hij was vroeger chauffeur van een Griek in Bunia. Wij bemerkten ook dat hij een goede pot op had. Ze hadden allemaal de nacht doorgebracht met drinken en fuiven aan het kruispunt van de missie en waren naar hier gekomen toen ze de klok hoorden luiden voor de mis. Dezelfde ondervraging begon. Dan : “de kolonel van Bunia heeft ons gestuurd. Ik heb een brief bij van hem (haalde hem uit zijn zak en legde hem voor me neer op de grond), het is gevaarlijk om naar hem te sturen, want het is ne hele vieze en wrede, hij zou u zeker doen doodschieten.” (ze spraken steeds van coroné en een ogenblik dachten we dat de grote patron van Bunia Corneel heette, omdat de negers de namen nog al fel vervormen) “Alhoewel ik u zou moeten doodschieten, wil ik het toch niet doen. Maar gij hebt een grote fout gemaakt. We zullen u dus boeten doen betalen. Ieder jaar kost 500 frank en ’t is al vier jaar dat ge zonder kaart zijt, dat is dus 2.000 fr.” Een andere Simba met een rode broek zei “Voor de blanken is het dubbel !” “Inderdaad, dat is waar ook. Dan moet ieder van u 4.000 fr betalen.” Hoeveel is dat samen, terug uitgerekend en zij bekwamen 8.000 fr. De chef voegde er aan toe :“Maar nu moet ge een kaart kopen ook !” Zo was alles te samen 8.300 fr. Pater De Meyer ging geld halen. Toen we achter de kaarten vroegen, replikeerde hij : “dat is nu spijtig, in gans Bunia is er geen kaart meer te vinden, maar woensdag komen we terug, ge moogt er zeker van zijn.” Papier en stylo werd gevraagd om onze namen op te tekenen, maar aan onze namen konden zij niet wijs geraken. Zelf dan maar alles gedaan met bijvoeging van, en ook het bewijs van betaling van 8.300 fr werd gevraagd. “Natuurlijk zullen wij dat geven.” Maar als het puntje bij ’t paaltje kwam, bleek het dat niemand kon schrijven. Een Simba werd uitgezonden om de “secrétaire” te gaan halen. Na een tijdje kwam deze aangeland, het werd na lang talmen in de Lingalataal geschreven : 8.000 fr was leesbaar, de rest gekrabbel, ook van de 300 fr werd uiteindelijk een briefje bekomen. Op dat ogenblik kwam er een kleine Simba binnengelopen om te zeggen dat er een magazijntje was nevens de missie en dat er veel zaken te krijgen waren, vooral bier. Ze reden dan weg en uit het magazijntje hebben ze dan alles meegenomen wat ze konden, voor een waarde van 16.000 fr en betaalden 8.000 fr terug. Het was al beslist dat de prijzen in de magazijnen moesten gehalveerd worden. De eigenaars moesten daarmee wel akkoord gaan, want die mannen hadden geen geweren en de Simba’s wel ! We hebben die mannen natuurlijk nooit teruggezien… Al de Simba’s die op de missie kwamen waren woedend op de Amerikanen, in mindere mate op de Belgen. Ze zeiden : “wat komen die in Kongo doen ? Dat ze ons gerust laten. Wij gaan toch ook niet naar Amerika of Europa. Wij vechten onder elkaar. Tsjombe is een verrader en hij moet buiten, waarom komen de Amerikanen er tussen. Dat ze thuis blijven zoals wij ! Als ze niet oppassen zullen wij tegen hen oorlog gaan voeren in Amerika zelf en dan zullen zij wel zien wat voor sterke mannen wij zijn. Als de oorlog hier gedaan is zullen wij Kampala (hoofdstad van Uganda) innemen en daarna trekken wij naar Amerika, mara moya (ineens).” Sinds een paar jaar kregen wij regelmatig bloem, havermout, olie, vet en melkpoeder in grote hoeveelheden. Al die voedingswaren waren geschonken door Amerika aan de bevolking van Kongo. Wij deelden dat uit aan de melaatsen en armen. Op al die zakken, blikken bussen en kartonnen dozen stond in grote letters en wel in acht verschillende talen “geschonken door de volkeren van de Verenigde Staten van Amerika.” De melaatsen, die er het meest van profiteerden, kwamen zelf zeggen dat de Amerikanen slechterikken waren. Zij gingen ook bedelen bij de Simba’s. Als de Simba’s daar op uitkwamen dat er hier dozen en blikken van Amerika zijn ! Zelfs de zusters waren ook al komen zeggen dat het best zou zijn al die dozen weg te smijten of te verbranden. En de operatie begon… Op zaterdag 9 september op een avond om geen argwaan te wekken, begon men allerlei eetwaren bijeen te brengen en te verstoppen en wel onder een vat van 200 liter, dat op een verhoog geplaatst werd, en dat moest dienen om het water te verwarmen voor de douche. Nooit heeft er een rebel iets gezegd over bloem enz. Integendeel, ze hielpen en sleurden alles mee weg. Om op een goed blaadje te staan met de Simba’s werd er eten gegeven. Op zondag na de hoogmis hoorden we lawaai, een grote camion met Simba’s stopte voor de kerk en alles werd muisstil, het was het ogenblik van de zegening. Enkele Simba’s knielden neer, maakten een kruisteken, anderen lachten er mee. Enkelen gingen heen, anderen bleven met ons praten op de missie en waren uiterst vriendelijk. Een schone kerk zei er ene en beloofde elke zondag naar de mis te komen. Na het middageten een weinig gerust en we waren reeds vol hoop dat de dag verder rustig zou voorbijgaan. Maar…de hoop was rap verzwonden, daar kwamen twee volkswagens aan en we konden zien dat er op de para-choc een lans was vastgemaakt. Uit iedere wagen kwamen er vier mannen, gekleed met lange broek, naakt bovenlijf, palmtakken in kruisvorm over hun borst en rug gebonden en takken in hun broeksband, geweer in de hand schietensklaar. We gingen naar hen en wisten dat het niet plezant zou worden. Allen waren ze even dronken. Ik herkende de kapitein, maar geen enkele zei iets. Ze keken ons wild aan met doffe doortrokken ogen. “Ha kapitein ; yambo (goedendag).” Er ontspon weer een discussie over het slecht voeren van een politiek en dat we telefoneerden met de Amerikanen. In Stan hadden de Paters soutanes aan deze mannen gegeven… En ze gingen zoeken ! Overal volgden ze ons, op de sacristi, achter het altaar, de kerk, het bureel, alles wat men maar denken kan. Dan onderzoek bij de zusters. Veel mensen kwamen kijken, bleven echter omzichtig op afstand om als het moest met een wip de bananerij in te stormen. Toen wij terugkeerden van de materniteit, waar niemand meer was, zo langs de school, kwamen er nieuwe wagens aangereden vol met Simba’s, een bende huilende zatterikken. Voor we alles goed beseften, waren ze reeds bezig met alle deuren van het huis in te beuken met hun geweren en ijzeren baren. Plots steeg er een gejuich op ! Iemand kwam naar buiten gelopen met drie lederen soldatenriemen in de hand…dus...we verstopten Amerikanen, want de riemen waren gevonden. Van die riemen hadden we’r een tiental en deze werden soms ten geschenke gegeven op het einde van het schooljaar. Maar nu, begon men daar te schieten, een twintig minuten, in het ronde. Een mikte naar het kruis op de kerk, een kogel ging door de ruit en door het dak. De mensen waren echter allen goed verscholen. Dezen die over geen geweer beschikten riepen al maar door “tirez”. Ze dreigden met hun messen, riepen “mateka”;. Maar de Simba die voormiddag gezegd had dat we een schone kerk hadden, heeft driemaal voor mij gestaan met een lang gekromd mes in de handen, histerisch lachend en roepend “utakuwa mateka sassa hivi” (nu zult ge aanstonds dood zijn). De officieren stonden bij de zusters onder de barza die ze ondervroegen. De plundering begon, alles werd buiten gesleurd. Toen kwam er een adjudant opdagen en riep “de Paters hebben geen schuld, geef alles terug”. (het was een oud-klein seminarist uit Stan). Alles kwam terug behalve een transistor en een verrekijker die de brave seminarist maar liever voor zich zelf hield. Toen moesten we naar Irumu, en we zouden het er niet levend afbrengen indien de Amerikanen zouden bombarderen tijdens de nacht. Aan een stopplaats werd er verhinderd dat gepeupel op de camion zou komen. De officieren waren bij de zusters gebleven. Aan km 7 werden we onthaald op gedans en geroep. Een schooljongen van bij ons riep onder de invloed van de drank (araki of inlandse alkool) utakuwa wateka. Het was Jozeph Duabo. Eindelijk was het afstappen aan het postgebouw, we gingen een kamer binnen waar er een enorm geroezemoes was. Ook buiten het gebouw was er kermis, er werd gedanst, gedronken, gezongen. Er waren daar ook een hele hoop jonge meisjes van rond de tien en twaalf jaar die duchtig meedronken. Soms werden de niet-huwbare meisjes opgeeist. Er waren vele meisjes die op avontuur trokken en thuis wegliepen. Een interessant leventje hadden die wel, ze waren vrij, moesten niet veel werken want de Simba’s hadden al niet te veel eten en ze kregen geld ook. In princiep waren de Simba’s verplicht 100 fr. per dag te betalen. We mogen gerust zeggen dat die meisjes getekend zullen zijn voor hun leven ; geleefd te hebben tussen een bende jongemannen, die een ongebonden leventje leiden. Een lawaai van alle duivels : “B amupe wako wapi ?” (Waar zijn de Paters ?). Een Simba kwam binnen (denkelijk een officier), dronken, een geweer in de hand, revolver tussen de broeksband, verontschuldigde zich, dat wij buiten zijn weten, naar hier waren overgebracht. We werden naar het huis van de administrateur gevoerd, die weg was van bij de aankomst van de rebellen, en waar onze chef (Gaston) zijn intrek genomen had. Het was er donker, juist in een vertrek (salon) een petroleumlamp en toen begon een gesprek, dat we de volgende maal mee beginnen.”

Vervolgt.

Foto’s :

-Patrice Lumumba

-Moïse Tshombe.



2717381-a21e2e20f886855b448f306ec22927c4.jpg

2717381-b3656bd8e9e9c3d2da9583676f1fc844.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:52 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van juli 1965 : “’s Anderendaags ’s morgens na de mis als we buiten aan de poort van de kerk stonden, hoorden we ineens tromgeroffel, en het was precies of dat het al maar dichterbij kwam. Bij de Babira (volksstam uit de streek Bunia-Badiya-Irumu) werd er zo geroffeld bij de dood van een chef. We luisterden maar, en hoorden niets dan alleen maar die tamtam. In feite was het in Malabo (dorp van de chef die gaan lopen was) ; in vogelvlucht nog geen vijf kilometer van hier en in de morgen kon men alles heel klaar en duidelijk horen, te meer daar de missie op een heuvel gelegen, heel de streek domineerde. De trommel van de missie, die dienst deed als klok, kon gehoord worden als de wind meezat tot in Irumu, meer dan 15 km in vogelvlucht. In Malabo trommelden de Simba’s iedere dag, zolang tot dat de chef zou terugkomen. Die was dus op de vlucht en bevond zich op dat ogenblik in Nalanyabo, een dorp aan de andere kant van de Shari, waar hij dikwijls verbleef en een nabanenrij had, samen met zijn familie en enkele policiers. Zij wisten wel dat zij het er niet levend zouden van af brengen ! De Simba’s kwamen natuurlijk te weten waar de chef zich bevond. Ze zonden elke dag één of twee mannen uit naar het dorp om hem te zeggen dat hij naar Irumu moest komen, waar zijn geval zou besproken worden. Na enkele dagen is hij dan toch maar vertrokken met zijn broer. Ze staken de Shari over en begaven zich naar Bagotta, de chef van de Wahema (koeherders) die de Simba’s gespaard hadden omwille van zoveel koeien die hij moest leveren. De volgende morgen gingen ze allen te voet, meer dan vier uur. De chef Manuel, een zware mens met een versleten lange broek en een onderlijfje aan, weende als een klein kind. Op 7 km van Irumu wou men hem een fiets geven, hij was nog maar amper halverwege of lag al tegen de grond, zo bibberde hij. Hij had een grote snede boven zijn hoofd, nl. aan het oog. Tegen de avond kwamen zij te Irumu aan en sliepen er. Driemaal moesten ze dan op het bureau verschijnen waar alle papieren vernield waren en buiten gegooid op hopen. Men had er een soort volksrechtbank opgericht. Telkens werd er aan de mensen gevraagd of de chef een goede was. Wanneer er niemand antwoordde of zei “een slechte”, dan was het proces afgesloten en werd er geschoten. Gelukkig voor de chef werd er voor hem ten beste gesproken door Bagota, de chef van de Wahema. Niemand van zijn vijanden kloeg hem aan, die waren wellicht niet daar, want veel vijanden had hij, of durfden ze niet zeggen wat op andere plaatsen wel gebeurde. Manuel was enkele dagen later terug thuis. We waren nu zondag 6 september. Er waren nogal wat mensen in de kerk, van in de onmiddellijke omgeving alleen. Het was de eerste zondag van de maand en normaal was het die dag na de hoogmis vergadering voor de mannen van de katholieke actie, een 60-tal. Nu waren er maar een goeie 20 en niemand peinsde op de vergadering na de mis. Er werd alleen maar verteld, de meest ongelooflijke en tegenstrijdige dingen eerst. ’s Avonds rond 7 uur begon het te regenen. Ik was alleen in mijn bureau en de deur stond open zoals altijd. Plots hoorde ik stappen, er kwam een man binnen met sleuren aan zijn lijf, een stok in de hand en een Simba-velletje aan de pols. Het was Boniface Mawawa, naaier van beroep, maar sinds lang nietsnut en rondloper. Zoals het de gewoonte was bij de Simba’s, groette hij met eens forsig te roepen : “Simba !” “Morgen maandag in de voormiddag moet ge naar Irumu komen, de kapitein heeft het gezegd.” “Wat moet ik daar gaan doen ?” “Dat weet ik niet, dat zijn mijn zaken niet. De kapitein heeft alleen maar gezegd dat gij moet komen.” Zijn zoon was in de maand april weggestuurd uit de Normaalschool, niet zonder reden. Boniface had gewild dat we zijn zoon, Prosper, zouden aannemen als onderwijzer hetgeen ik geweigerd had. Vandaar dat Boniface kwaad was. “Ge hebt hem naar school gestuurd, dan moet ge hem maar werk geven ook.” Het wat natuurlijk zo dat we hem na zijn lagere school op de missie naar de Normaalschool gestuurd hadden met het gedacht om hem later als onderwijzer te aanvaarden. Die man kon echter niet aannemen dat we hem niet konden aanvaarden als hem zoveel vuile dingen verweten werden, ten andere hij had nog maar één jaar gedaan. Boniface had overal verteld dat hij de Paters bij de kapitein had aangeklaagd… Op die zondag stond hij dus in de deur van mijn bureau . Ik vroeg : “Hebt ge een briefje van de kapitein ?” “Neen, waarom, ik ben toch een Simba ! Volstaat dat soms niet ?” “Ik kan ginder niets gaan doen, ten andere mijn moto is kapot.” “Dan moet ge maar te voet gaan tot aan de grote baan, er rijden genoeg camions met Simba’s.” Ik zei hem dat ik niet naar Irumu zou gaan, dat de kapitein wel een briefje zou sturen als hij mij hebben wou. Boniface ging toen weg. Hij was vergezeld van een der drie onderwijzers die ook naar Irumu ontboden waren door de kapitein, het was Francois Bisangbolo, onderwijzer van het vijfde studiejaar. De twee anderen waren onderwijzer in de brousse. In ’t holle van de nacht is Francois op de vlucht geslagen, hij liet zijn vrouw en acht kleine kinderen achter, alles door de schrik. Het eerste dat de Simba’s deden als er iemand gaan vluchten was, was zijn vrouw aanhouden. De directeur van de lagere school is ook zo gevaren. Hij kwam natuurlijk terug als hij vernam dat zijn vrouw in de handen van de Simba’s gevallen was. Hij is dan heel lelijk toegetakeld geworden en achtergelaten voor dood. Op die avond wist ik echt niet wat doen, zoals dat heel, heel dikwijls gebeurd is de volgende weken en maanden. Thuis blijven : dat zou de kapitein zeker kwalijk nemen, in geval hij me werkelijk geroepen had. Naar Irumu gaan was ook niet bepaald aanlokkelijk. Na al wat we vernomen hadden over volksrechtbank en executies had ik de indruk in de muil van de wolf te lopen. Woensdag 7 september. Normaal moesten de scholen beginnen, maar er was natuurlijk niemand te zien. Verscheidene onderwijzers die bij hen thuis op verlof waren, waren nog niet aangekomen en de mensen hadden ook te veel schrik om hun kinderen naar school te sturen. Het nieuws dat de kapitein mij naar Irumu had geroepen liep als een vuurtje rond. De mensen van de missie kwamen mij vragen toch maar naar Irumu te gaan, want de kapitein was “makali kabisa” (n’en hele vieze). Rond half tien maakte ik mij toch klaar, mijn moto (met een aanhangwagen) was niet meer in goede staat. We hadden er al dikwijls aan gefrutseld en het gebeurde dat de moteur aanschoot als ik mij liet duwen. Een onderwijzer wilde me vergezellen, doch niet tot in Irumu. Hij had geen kaart van de M.N.C. zei hij en zou me opwachten onderweg. Die had natuurlijk ook schrik lijk iedereen. Ik deed me duwen wel twee kilometer ver. Soms schoot de moteur aan en viel dan na een poosje stil. Ik had mijn zonnehelm en overfrak op de missie laten liggen met het gedacht terug te komen als mijn moto zou marcheren. We waren intussen op een goede kilometer van de grote baan genaderd, waar voortdurend camions met zingende Simba’s voorbijreden. Ik dacht bij mezelf, ik zal doorrijden tot in Malabo, waar er zich een barrière van Simba’s bevindt en ik zal daar vragen of zij weten wat er in Irumu gaande is. Maar toen viel de moteur van mijn moto uit en voor goed. Het was half elf door en dan begon het parmantelijk te regenen. Ik liet mijn moto staan in de modder want de baan is er zeer slecht en we gingen schuilen in het huis van een policier van Malabo, die daar alleen woonde met zijn vrouw en kinderen en die nog niet lastig gevallen was. Een collega van hem, die niet naar zijn dorp dierf teruggaan, hield zich daar ook verscholen, omdat men jacht maakte op die mannen. Na een half uurtje was het gedaan met regenen. Ik liet mijn moto wat verder duwen tot bij het dispensarium van de veeartsennijkundige dienst (ook een groot woord dat niet veel meer dekte). Ik bleef daar wat rusten bij de infirmièr, en stuurde een man met de fiets naar Malabo. Ik gaf een brief mee voor de commandant van de Simba’s, die een barrière bewaakten om te weten wat er juist van aan was, of de kapitein mij werkelijk geroepen had. Drie uur later kwam die man, Gaston Bachweki, terug, hoogstwaarschijnlijk had hij de rebellen niet durven benaderen, maar was ergens in de geburen blijven zitten !!! Mijn brief bracht hij mee terug, men had hem gezegd zei hij, dat de Pater werkelijk naar Irumu moest komen, en ze hadden hem geminacht en bespot. Intussen waren er vier jongens van de missie ons achterna gekomen. Ze hadden daar vernomen dat wij miserie hadden en ze duwden de moto terug naar de missie. Ik ben met hen meegegaan, peinzende : “ze kunnen naar de maan lopen, het ging trouwens al naar de avond. Hier en daar stonden de mensen langs de weg, vol compassie, we waren vuil en beslijkt… Groot was de verontwaardiging, vooral toen men vernam dat die fameuze Boniface zelf verteld had, toen hij zat was, het betaald te zetten aan de Pater, omdat zijn zoon geen werk als onderwijzer had gekregen. De volgende dag hadden we regelmatig bezoek van de Simba’s. Ze moesten van alles hebben : vervangingingsstukken voor auto’s, essence, mazout, bier, radio’s…Iedere officier had een draagbare radio, dan waanden ze zich een koning te rijk en het was als hun herkenningsteken, zoals een officier hier te herkennen is aan zijn kepi of sterren. Ze zouden eerder hun geweer achtergelaten hebben dan een radiotoestel, die trouwens heel de tijd en zo hard mogelijk open stond, en dag en nacht. Ik zag eens een majoor die van het front van Beni kwam, hijzelf droeg zijn radio, een jongen van ongeveer twaalf jaar zijn automatisch geweer en een snotneus van hoogstens 8 jaar zijn revolver. Alle Simba’s die bij ons op de missie kwamen tijdens die dagen waren uiterst vriendelijk, sommigen kwamen zelfs binnen waar we hen iets aanboden, water of koffie. Ze vroegen echter naar bier ! En dat hadden we niet ! We waren toch heel de tijd op ons qui-vive. Mensen die van Bunia kwamen vertelden ons de meest verschrikkelijke dingen van moordpartijen. De Paters zouden ze echter met rust gelaten hebben. De Simba’s waren zelfs op de missie komen zeggen dat alles normaal moest doorgaan, ook de klok luiden voor de mis. Doch op zaterdag 12 september begonnen de poppen te dansen. Om 12 uur kwamen wij met ons getweeën uit de kerk en wilden naar de refter gaan om te eten. Op dat ogenblik kwam er een stationwagen op de koer gereden en hield stil voor ons huis. De chauffeur kwam eerst buiten, die herkende ik al dadelijk, het was een arabisé, muselmanse neger die in Malabo woonde. Hij heette Karimu. Na hem kwamen nog een vijftal gewapende Simba’s uit de auto, alsook een Indiër die mecanicien in Irumu was. De chauffeur deed dan de achterste portier open en er stapte een jonge man uit, ongewapend maar met een stokje in de hand, precies een stuk speelgoed. Hij had een breedgerande hoed op. Al aanstonds zegden ze dat ze onze moto’s kwamen halen. Ze wisten dus heel goed wat er zich op de missie bevond. Pater De Meyer, die zijn moto bijna nooit gebruikte, omdat hij steedsz met de camionette reed, zodat zijn moto nog praktisch nieuw was, had aan het contact een paar draadjes verkeerd aangekoppeld, zodat hij normaal niet zou marcheren. Die stond in de garage, terwijl de mijne nog steeds met aanhangwagen buiten stond onder een manguier. We stonden voor de trappen van de barza te praten en dan zei Karimu, de chauffeur, dat die jonge man de kapitein van Irumu was, Christiphe Yenga. Dat was nu het laatste wat we zouden denken hebben. De man was ten hoogste achttien jaar en had geen enkel herkenningsteken. Men had enkel de deur open gedaan om hem te laten uitstappen. Ik ging aanstonds naar hem toe, nodigde hem uit binnen te komen. Hij weigerde en wou onmiddellijk naar de moto’s gaan zien. We gingen achter het huis en zagen natuurlijk eerst mijn moto staan. Ik zei dat die kapot was, dat ik verleden maandag geprobeerd had naar Irumu te komen omdat men mij had gezegd dat de kapitein mij geroepen had. “Ha, en waarom zijt ge dan niet gekomen ? Ik ben hier de kapitein en heb hier alles te zeggen.” “Ja, ja”, zei de chauffeur, “zie zijn stokje maar eens, hij heeft daar al meer dan één mens mee doodgeslagen.” Dan zei de kapitein : “Ga maar uw moto halen, in gang steken en speel geen comedie.” Eerst moest ik de aanhangwagen losmaken. Ik probeerde aan te stampen maar dat was natuurlijk tevergeefs. Dan moesten enkele jongens komen duwen. Intussen waren de Simba’s gaan kijken naar de moto van Pater De Meyer, die ook zei dat zijn moto niet marcheerde !!! Hun mecanicien haalde hem buiten, deed zich duwen en…de moto schoot aan. Wij van onze kant duwden ons de ziel uit het lijf om mijn moto aan gang te krijgen op de koer, terwijl de kapitein stond toe te kijken, de andere Simba’s met hun geweer aan ’t grendelen waren en de Hindou er met de moto van Pater De Meyer van onder reed. Men deed dan teken dat ik moest terugkomen. Enkele jongens duwden mijn moto terug achter het huis. Voor ons huis stonden dan de kapitein, Pater De Meyer en een paar Simba’s. Toen ik bij hen kwam, buiten adem en bezweet, zei de kapitein : “Gij zijt nogal ne goeie, maar dien anderen daar, uwen broeder, is ne slechte.” Wanneer zijn moto in gang schoot had de Pater gezegd dat hij niet wist dat zijn moto nog in goeie staat was, omdat het drie maand geleden was dat hij er nog mee gereden had. De mensen van de missie die stonden toe te kijken zeiden dat de Pater altijd met de camionette reed. De Simba’s geloofden het niet, de Pater had hen belogen. Hij zou met hen mee moeten naar Irumu waar ze hem zouden opsluiten in ’t cachot. De Pater zei : “waarom zijt ge zo makali (woest) op mij ?” Dat deed de maat overlopen. Ik wilde tussenkomen en zei dat de Pater nooit met zijn moto reed, en het hem pijn deed niet te willen geloven, dat zijn karakter zo was en hem zou berispen, en…dat wij hen graag hielpen waar het mogelijk was. Ik zei hem binnen te komen maar tevergeefs. De chauffeur zei : “Gij zijt sukari (suiker), we kennen u allang, maar uwen ndugu (broeder) doet aan slechte politiek.” “Ga eerst een beetje drinken om uw keel wat te verfrissen.” De pater moest de auto in en toen ik terug kwam, zag ik de zusters die bij de kapitein aan ’ t praten waren, ze vroegen en smeekten hem de Pater toch vrij te laten. Onze vader is Lumumba, onze God is Lumumba, zeiden de Simba’s. De kapitein zei dan ; “De zwarten hebben nog meer verstand dan de blanken” en de Pater mocht terug uit de auto stappen. Dan zei de kapitein tegen mij : “als ge vannacht de mis doet moet ge uwen “ndugu” maar goed onderrichten.” Dat zeiden de andere Simba’s ook, dat we moesten bidden, de mis doen en mekaar onderrichten, maar onze God is Lumumba ! Enkele mannen van de missie moesten takken gaan halen om ze vast te maken van achter aan hun auto en weg waren ze. Nu wisten we al een beetje beter welk vlees we in de kuip hadden. Die kapitein stond ons absoluut niet aan. Die zei bijna niets en kon ons zo vreemd aankijken met wantrouwige ogen. Hij kon enkele woorden Frans en een beetje Kiswahili, de voertaal uit het noorden, en speelde altijd met zijn stokje, voorzeker een toverstokje. Men vertelde ons later dat hij een grote macht bezat en heel verstandig was. De soldaten van het K.N.L. hadden hem vroeger eens gevangen genomen, zijn kop afgesneden, zijn buik opengereten, niettegenstaande dat, was hij opgestaan en alles was terug aaneengegroeid. Toen zeiden de soldaten “we zullen hem maar laten lopen, daar is toch niets aan te doen” en zo is hij kapitein geworden in het volksleger. Nieuw klein (bijna een groot) drama de volgende dag op zondag 13 september. Normaal, (dat wil zeggen tot in juni, toen we nog met drie Paters waren en er van Simba’s geen sprake was) was er ’s zondags een Pater thuis op de missie, de twee andere Paters waren ieder in een centrale schoolkapel, zodat praktisch ieder christen maandelijks de gelegenheid had de mis bij te wonen en de sacramenten te ontvangen bij hen thuis in het dorp of in de onmiddellijke omgeving. Nochtans op de eerste zondag van de maand bleven we met ons gedrieën thuis. Op die dag was er dan ook vergadering van alle verantwoordelijken van de katholieke actie in de dorpen, zodat die mensen op de missie naar de mis kwamen ook. Sommigen deden drie uur te voet.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:19 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten