

Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”
Vervolg in “De Band” van november 1965, gewijzigd en aangevuld in het nummer van januari 1966 : “Ik heb hier voor u een kamer klaar gemaakt,” zei hij, “mijn eigen kamer, in mijn eigen bed zult ge slapen. Gijlie Paters (Bamupe, zeggen de mensen uit het woud en de omstreken van Stan, dat is het meervoud van “mupe” wat een vervorming is van het Franse “mon père”. Ook bij ons noemden “ze ons “Baba” (vader) meervoud “Bababa”.) die ons onderricht hebt. Denkt gij dat wij jullie zouden kunnen schrijven ? En waar zouden we leren lezen hebben ? En wie zou ons de dingen van God onderwezen hebben ? Zo maar slapen zonder bed of matras, dat is niet mogelijk. Hapana, hapana (neen, neen). Komt maar eens zien, ik zal alles in gereedheid brengen. Daarna moesten we plaats nemen (ge merkt op dat ik altijd zeg “moest” want we bewogen niet, voor niets. Ze zeiden alles wat we te doen hadden, zelf initiatief nemen was gevaarlijk, dat wisten we reeds bij ondervinding). Geflatteerd waren ze als ze ondervonden dat we wat onderdanig waren en vertrouwen hadden in hen ! Wij waren dus gezeten op stoelen tegen de muur geplaatst in het salon, op de zetels en in de sofa zaten en lagen enkele vrouwen en meisjes en natuurlijk ook onze luitenant-chef die maar steeds dronk en bleef drinken. Wij trachten zo vriendelijk mogelijk te zijn, vroegen hem hoe oud hij was, waar hij overal gekomen was, hoe zijn juiste naam was, wat hij vroeger deed en zo allerlei dingen. Maar wij moesten onze tegenzin overwinnen, wij wisten niet wat er allemaal gebeuren kon, hierover dierven we niets vragen want we hadden al kunnen vaststellen dat onze Gaston zeer opvliegend was. Rond 10 uur zei hij dan “laat ons nu de kapitein gaan bezoeken, want hij is onze “mkubwa” (overste). Hij is hier de verstandigste, maar hij is nog een kind, maar omwille van zijn knepen is hij de patron. Nooit maken wij ruzie, wij zijn de beste vrienden. En inderdaad , wij reden naar de kapitein die in een zetel zat, dronken en in gezelschap van een Hindou. Beiden zaten hun dorst te laven. We mochten gaan zitten en luisteren naar dezes brabbeltaal. Nadien zijn we in gezelschap van een Simba vertrokken met een petroleumlamp. Er bevonden zich twee luidsprekers met microfoon in dezelfde kamer. Om de beurt amuseerden zich kapitein en luitenant met allerlei onverstaanbare dingen in de micro te roepen, het trommelvlies van onze oren stond zeker op barstens. Twee luidsprekers in een kleine kamer en op zijn hardst én daarbij de muziek van de radio. We gingen naar onze slaapstede. Onnodig te zeggen dat we gans die nacht geen oog hebben dichtgedaan.. In het nevenvertrek ging men door met brassen en fuiven, met zingen en dansen. Driemaal moesten we opstaan om toegang te verlenen bier te komen halen. En dan na een vechtpartij was alles plots stil en konden we horen wat de Simba’s onderling vertelden over ons, de Amerikanen, bommen, schieten. Steeds hoorden we maar : ze zullen “mateka” (dood) zijn over vier uur. Dan herbegon het lawaai terug, de radio werd opnieuw open gedraaid, men hoorde ze met de bierflessen werken, aan de geweren prutsen, dansen en zingen zo tot vijf uur ’s morgens. Dan werd alles stil. Om zes uur, bij klaarte stonden we op. Een tijd nadien deden we de deur open. Geen mens te bespeuren in het salon. Een vunzige geur van bier en dan pas zagen we de luitenant uitgestrekt liggen op de divan, wakker was hij al en hij zei “hebt ge goed geslapen ? Ziet ge wel, dat ik voor u een goed bed had klaar gemaakt.” Toen stond hij recht en begon bier te drinken. Een tijdje nadien komt de kapitein afgereden per fiets en een transitor in de hand. Na wat over en weer gepraat zegt de luitenant “nu gaan we naar het appel”, en tegen een Simba zei hij “neem mijn twee geweren, chargeurs tatu (drie laders met elk 20 kogels) na masasi makumi tisa na sita (96 kogels). We zullen die banyankalakata (nietsnutten) die in het cachot zitten maar neerschieten. Hij trekt zijn uniform aan, anders liep hij rond in zijn pijama tijdens de voormiddag, in de namiddag in lange broek en pijamajasje. Hij steekt zijn revolver in zijn gordel en neemt zijn transitor. Dan vertrekken we : de luitenant links, wij met ons twee in het midden en de kapitein rechts. Achter ons drie gewapende Simba’s van de luitenant. Een vierde, Damiano Kirungi, Hemeli en Marino. Mombey Sefu, een heel brave vent (we zouden die mannen allemaal heel goed leren kennen) bleef bijna altijd thuis, behalve ’s nachts als de luitenant op patrouille gaat. Buiten deze mannen was er nog een kleine Simba in dienst van de luitenant Gilbert Laygabo, een jongen uit onze school die tijdens het groot verlof gedoopt was. Deze deed absoluut niets, alleen wat rondlopen. Dan waren er nog vijf meisjes die het eten klaar maakten. Het was acht uren in de morgen wanneer wij aan het bureau toekwamen, een laag gebouw met pannen daken bedekt, een brede barza met kolonnen voor de vier kamers alwaar de bureaus van het gewest waren ondergebracht. Voor de ingang stond de vlaggenmast midden in een ronde gemetselde parterre. Langs weerszijden van de mast stonden de Simba’s. Zes groepen in rijen van vier, alles samen tussen de 200 à 300 man. Ze droegen geen uniformen, trouwens die hadden ze niet, maar wel alle mogelijke denkbare hoofddeksels en de onvermijdelijke dierenvelletjes rond de pols. In die voorste rijen stonden daar jongens bij van nog geen 10 jaar oud. Enkelen waren er van onze streek, de meesten waren afkomstig uit de streken van Stan, Wamba en de stroom, bosmensen dus. Die jongens waren ingelijfd, soms met geweld, docht de meesten vrijwillig. Vroeger had er niemand werk, noch geld, het waren allemaal leeglopers. Voor 5000 fr. om de veertien dagen vonden zij het wel de moeite waard hun onkwetsbaar lichaam ten dienste te stellen, om bij de Simba’s te gaan, temeer, ze moesten niet werken, enkel amuseren, rondrijden met camions, barrelen bewaken en…naar het front gaan om te vechten. Dat laatste was wat anders, velen gingen immers lopen wanneer ze hoorden dat ze gingen vertrekken, als ze wisten waar naartoe, maar dat was omzeggens nooit het geval. De tovenaars zorgden er evenwel voor dat de Simba’s niet dierven weglopen, wat niet belette dat er bij elk appel Simba’s ontbraken. Ook gebeurde het dat ganse compagnieën weigerden te gaan vechten, maar die eer overlieten aan hen die nog niet weg geweest waren : ze zeiden “wij weten al wat oorlog is, de anderen moeten het ook maar eens meemaken !!” Toen wij aan het bureau aankwamen moesten wij onder de barza gaan staan. Voor de rest liet men ons gerust, de Simba’s zagen ons zelfs niet staan. Enkelen staarden ons met kwade ogen aan. We keken slechts maar toe. Een Simba Boniface Rwanisabo, die werkman geweest was op die missie, bleef bij mij een beetje babbelen toen hij voorbijkwam. Hij werd opgepikt en in het cachot gezet. Dan begon de ceremonie met de groet aan de vlag, gevolgd van het appel. De chef van iedere compagnie kwam om de beurt rapport uitbrengen aan de luitenant, deze zat alleen achter de tafel, hoevelen er weggelopen waren en wie er gevochten had, en die moesten dan voor de luitenant verschijnen. Plots kreeg de luitenant een aanval van woede. Met een gebaar veegde hij de conservedozen met verslenste bloemen van de tafel. Een paar Simba’s kwamen aangelopen en haasten zich wat verse bloemen te plukken en de dozen op tafel te zetten. Daarna bracht men drie gevangenen aan, gewone mensen beschuldigd van diefstal. Een ervan had enkele bladeren gedroogde tabak gestolen bij zijn gebuur en deze had hem aangeklaagd. Deze mensen waren uit de omtrek en ter dood veroordeeld. De gewone straf voor diefstal bij de Simba’s was de dood door de kogel. Oorspronkelijk was die straf ook en op de eerste plaats bedoeld voor de Simba’s zelf. De leiders wilden waarschijnlijk voorkomen dat de Simba’s zouden plunderen. Maar stilaan waren zij de overtuiging toegedaan dat ze met alle middelen moesten beletten dat de mensen begonnen te stelen. Daarom schoten ze de dieven dood, ook al was het maar voor een paar gedroogde tabaksbladeren die gestolen waren ! De drie mannen stonden voor de kapitein die een discours deed in ’t Ligala. Ze moesten de vlag groeten, de kapitein nadoen. De rechterarm gebogen met de hand voor de borst. Ze hadden dat nog nooit gedaan en de Simba’s proesten het uit van ’t lachen. Twee mannen die stonden toe te kijken aan de weg werden bijgeroepen. Deze moesten de handen van de gevangenen op de rug vastbinden. De Simba’s mochten immers niemand aanraken. Toen begonnen ze te zingen en te dansen op ’t ritme van een trommel : het was de dodendans, in een cirkel rond de drie ongelukkigen. Na een tijdje werd er een van hen weggeduwd naar de baan toe, een 50-tal meters van het bureau verwijderd. Hij werd gevolgd door een tiental gewapende Simba’s en moest met de rug naar hen toegekeerd staan en plaats nemen op een talus (berm van een kleine halve meter). Intussen werd er maar gezongen en gedanst, tot er plots door enkelen geroepen werd ”tirez, tirez”. Een losbranding volgde, maar er gebeurde niets, schoten ze nu vrijwillig in de lucht, ik weet het niet. Men herbegon, en weer volgde een rafal van de automatische geweren en de man viel voorover op de grond. Ze kwamen terug om hun tweede en daarna hun derde slachtoffer te halen en neer te schieten. De lijken bleven liggen zoals gewoonlijk en iedereen ging weg. Wij vertrokken met de kapitein naar zijn huis, waar wij een papier kregen door hem ondertekend en gestempeld : het was een “laissez passer” goed voor het hele territoriale van Bunia en “partout”. We moesten wachten tot 10 uur eer wij het papier in handen hadden. De kapitein had ook de commercanten van Malabo naar Irumu geroepen : ze kregen bevel al hun waren te verkopen aan de helft van de prijs die ze tot nu toe aan de mensen gevraagd hadden. Het was natuurlijk een rush van de mensen naar de magazijnen en op een ommekeer was alles verkocht, behalve hetgeen door de verkopers behendig verstopt was. Er was natuurlijk niets meer te krijgen en de handel lag stil. Vervoer was er niet meer, alle camions en auto’s waren door de Simba’s opgeeist. Niemand wou nog koopwaren indoen om het daarna met verlies te moeten verkopen. Om tien uur vertrokken we allen samen. De chauffeur deed ons nog een uur wachten alvorens Irumu te verlaten, zijn keel was namelijk te droog. Op de missie kwamen we rond de middag toe. De mensen kwamen vol vreugde toegelopen. Enkele onderwijzers en onze kok hadden ons huis bewaakt. De moteur voor het licht was heel de nacht blijven draaien en voor de barza hadden ze een heel groot vuur gemaakt. Vooraleer de Simba’s terug naar Irumu vertrokken schoten ze nog wat in de lucht, en de mensen, vol schrik, vluchten terug de brousse in. Vrijdag 25 september; wij hadden juist koffie gedronken en stonden onder de barza wanneer we zingende stemmen hoorden, en toen deze zingenden bij ons waren aangekomen vernamen we dat ze ons kwamen halen, we moesten mee naar Irumu. “Ga maar alles op uw kamer halen”, zeiden ze, “valies, eten, schoenen, enz…en de zusters moeten ook mee…ook de kok om te koken. Bedreigingen waren er bij de vleet en altijd was de spreker de sterkste, de baas enz. De tocht begon gedeeltelijk rijdende, dan te voet, maar toen we op de bestemming aangekomen waren, ’t was reeds duister, en er stonden gewapende mannen te praten, moesten we gaan neerzitten op een gemetst muurtje. De luitenant die in dronken toestand was aangekomen, beval ons goed te bewaken, want hij had “pouvoir” gekregen over de Paters, hij had zelfs de macht om ze te doden. Toen we eindelijk naar een binnenplaats werden geleid herbegon de altijd terugkomende predicatie. In die omgeving woonden ook een tiental vrouwen van policiers van Irumu die vermoord waren, zij werden zogezegd. door de luitenant in bescherming genomen. Hij wist wel waarom !!! Wij hadden dus het magazijntje ter beschikking. Ondertussen waren andere Simba’s bezig een kamer klaar te maken voor de zusters. Zes bedden werden aangebracht die nevens mekaar geschoven werden, ze hadden echter geen matras. De heldendaden door eenieder van hen bewezen, werden met de nodige saus opgediend. Zaterdag 26 september bracht men ons naar het salon. De luitenant zat te knikkebollen van dronkenschap, drie andere Simba’s stonden recht met het geweer in de hand en er zaten ook een paar vrouwen en meisjes bij. Op de tafel enkele onafscheidbare flessen bier. Men wou ons doen dansen, wij bleven evenwel staan. Een Simba knielde en mikte. Een andere Simba hief zijn geweer op en wou Pater De Meyer een stomp in de hals geven, deze duwde met beide handen af. De nacht trad in. De zusters werden mishandeld, zij mochten niet bij ons komen, wij mochten met hen praten als ze samen onder de barza zaten. Ze leden veel meer dan wij. Hoe dikwijls reeds hadden ze gezegd “dat ze ons maar doden of slaan, en dat ze de Paters naar huis laten gaan indien ze er niet moeten van hebben.” Het gebeurde meer dan eens dat de luitenant twee zusters meenam in zijn volkswagen op nachtelijke patrouilles. Nooit heeft hij hen iets kwaads gedaan alhoewel hij er zeker toe in staat was. Wanneer de rebellen Bunia hadden ingenomen was het de bedoeling op te rukken naar Bukavu die ze wilden aanvallen van uit het noorden. In Beni echter, op 200 km van Bunia stootten ze op blanke huurlingen en hun opmars was voorgoed gedaan. De Simba’s hebben met ware doodsverachting geprobeerd door te breken, maar de tol was groot, zonder evenwel te lukken. In Butembo gebeurde het dat 17 huurlingen (Zuid-Afrikanen) 900 van de meer dan 2.000 rebellen, die gewapend met messen en lansen toesnelden, met één mitrailleuse wegmaaiden. Deze die er van terugkwamen hadden een panische schrik welke in hun ogen te lezen stond. Ze beweerden met eigen ogen de Paters van Beni te hebben gezien die op hun schoten. Er was zelfs een Pater bij die met zes geweren tegelijk schoot. En de Amerikanen wierpen bommen. Gevolg terug naar het cachot, het was nog het beste. Wij moesten alles afgeven wat in ons bezit was. Pater De Meyer had zijn uurwerk in zijn kous verstopt, die waren ze echter vergeten. Des avonds om 6 uur toen het reeds duister begon te worden kwam de luitenant binnen en deed een speech. Een Simba kwam ons halen. Wij hadden enkel een korte broek aan en cinglet hemden droegen we niet omwille van de warmte overdag. Maar als ik buiten kwam sloeg ik mijn armen overeen om mij een beetje te kunnen verwarmen en het zat er op. We zagen de zusters zitten op stoelen, op een rijtje. Hun voile hadden ze moeten afdoen en op een hoopje leggen. Ook wij moesten op een stoel gaan zitten. Een gebulder op de kok die voor ons eten moest zorgen want het was een schande de Paters zo te behandelen. Damiano Kirungi, de duivel in persoon (de luitenant zei zelf hem in dienst genomen te hebben omwille van zijn wreedheid) beval dan de zusters hun pelerine af te doen en dan hun voorschoot. De luitenant verbood het echter, hij had het niet bevolen. Dan gingen we eten en wanneer we terug in het cachot kwamen waar het pikdonker was, mochten we van een voordeel genieten, want er werd ons een kussentje gegeven om het hoofd op te leggen en ook een deken ontvingen we. Rond middernacht herbegon het. Kom vlug, riep onze bewaker. In het salon zagen we weer onze luitenant zitten op zijn draaibaar directeursstoeltje, maar zo dronken dat hij de kracht niet meer had op te kijken of iets te zeggen, hij knikkebolde maar. Tegen de muur zaten de zusters zonder hun voile. Rond de tafel gewoon gezelschap van vrouwen. Dezelfde Damiano zei weer te dansen. Hij zette een plaats op en duwde twee zusters naar ons toe. Wij reageerden echter niet, geen spier vertrokken wij onafgezien zijn dreigementen. Enkele dagen tevoren waren wij samen met de luitenant onder de barza gezeten en gemoedelijk was hij beginnen te praten en te vragen. We voelden zeer spoedig waar hij wilde toekomen; het ging immers over de Paters en de Zusters, over niet te reine dingen die gebeurd waren in zijn streek en hij vroeg of dat ook bij ons zo was. Dat de Paters en zusters niet trouwden dat wist hij wel, maar toch, pembeni, pembeni. Op alle missies zijn er evenveel Paters als zusters zei hij ! Ik trachtte hem dan uit te leggen waarom wij niet trouwden en dus niet konden overgaan tot dingen die wel goed waren voor gehuden, waarvan wij vrijwillig afstand deden en de reden die wij daartoe hadden, wat niet zeggen wou dat het niet uitgesloten was dat er soms iemand misloopt, want tenslotte, ieder mens is zwak. In de vroege morgen kregen we alles terug. We konden gaan eten en zaten overdag in een ligstoel onder de barza voor het cachot.
Vervolgt.

















































