
Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”
“De Band” nr.8 van 1965 : “Wij hadden de missie onderverdeeld in zes sectoren. Een sector bestond uit een centrale schoolkapel, die steeds in een belangrijk dorp gelegen was. In de kleine dorpen van de omgeving was er ook een catechist en een kapel en een schooltje, met het eerste studiejaar. De kinderen die verder willen leren moesten dan naar de centrale school tot het vierde jaar, het vijfde en het zesde studiejaar deden ze op de missie zelf. Iedere maand, dus op een bepaalde zondag deden we de mis in een centraal gelegen dorp en de kristenen uit de omliggende kleine dorpjes kwamen daar ook. Om acht uur was er een mis voor de schoolkinderen; al onze kapellen waren veel te klein. In de late voormiddag was er dan de hoogmis, voorafgegaan door de doopsels van de kleine kinderen ; het Evangelie en de homilie (preek) waren er soms trouwers. Na de mis palabers, opschrijven van doopsels, zegening van zaad, van kinderen, van vrouwen, en ik weet niet wat al. Daarna was er nog een kleine vergadering met de catechisten van de sector en de ijveraars. In een woord, een geval om niet uit te kunnen. We kwamen thuis in de namiddag, soms kon het vier uur zijn ! De omstandigheden waren nu veranderd natuurlijk. Op die zondag waren wij met ons twee thuis. Pater De Keyzer was met verlof in België, daarenboven durfde niemand meer buiten te komen. Wij hadden ook geen middel meer om ons te verplaatsen. Op de gewone zondagen waren er twee missen, om half zes en om half tien. Op de eerste zondag was er ook een mis om acht uur, speciaal voor alle schoolkinderen, ook die van ver, op andere zondagen volgden die het gebed bij de catechist in hun dorp. Wanneer we op schoolkapel waren, begonnen we de hoogmis als de biechten gedaan waren, de mensen uit het dorp kwamen de zondag zelf. Als we dan thuis kwamen namen we eerst een douche, wat wel nodig was, na een dag in de brousse gezeten te hebben. Daarna een beetje eten en…slapen, de gazet lezen, wat naar muziek luisteren of babbelen. Het Lof deden we om zeven uur voor ons alleen, de zusters en de kinderen van het onderricht. Tussen zes en half zeven is het altijd donker en dan komen de negers niet meer buiten, behalve de dronkaards, die komen niet naar ’t Lof !! Op die fameuze zondag 13 september, kwamen wij uit de kerk om kwart na zes uur ’s morgens. Wij hadden onze meditatie gedaan en er bleef dan nog een kwartje over voor de vroegmis begon.. Er kwam een zware camion de dreef ingereden naar de missie, met een 12-tal met geweren, messen en lansen gewapende Simba’s. Al dadelijk sprongen zij van de wagen en kwamen naar ons toe. Ze vroegen onze kaart van het M.N.C. (Mouvement Congolaise, de politieke partij van Lumumba).Ze kwamen uit Bunia, waren allemaal dronken, schoten steeds maar in de lucht en zeiden dat ze van de kolonel in Bunia bevel gekregen hadden iedereen dood te schieten die geen kaart van het M.N.C. had. Ze gebruikten het woord “mateka” dat we nog honderden malen gehoord hebben. “Mateka” wil zeggen van maken. “Ytakuwa mateka” ge zult boter zijn : “utageuka mateka” ge zult in boter veranderen. “Utafika mateka” ge zult bij de boter komen, of “mateka mara moya”ineens boter !!! Om nog een beetje kracht bij hun beweringen te zetten schoten ze er maar op los. De christenen die op weg waren naar de kerk, maakten allemaal rechtsomkeer. De enkelen die al op de missie waren moesten hun kaart laten zien. In onze streek had praktisch iedereen een kaart van de M.N.C. sinds 1960 al, van in de tijd van de onafhankelijkheid. Lumumba was en is nog steeds de grote man. Ze geloven ten andere nog altijd dat hij niet dood is. Hij is de vader des vaderlands, martelaar van de dipenda (indépendance) en ze verwachtten er zich aan dat hij op een schone dag zou terugkomen, dan zou er overvloed zijn aan alles !!! (Noot : Patrice Emery Lumumba, °Onalua 2/7/1925, +Katanga 17/1/1961, was een Congolese onafhankelijkheidsleider en de eerste democratisch verkozen premier van de Republiek Congo, nadat hij mee had geholpen het onafhankelijk te maken van België in juni 1960. Slechts twee weken later, werd Lumumba's regering afgezet in een staatsgreep tijdens de Congocrisis. Hij werd gevangengenomen en geëxecuteerd door een vuurpeloton onder het bevel van separatistische Katangaanse autoriteiten. Er wordt beweerd dat deze moord werd uitgevoerd met de hulp van een buitenlandse regering of regeringen; de regeringen van België, de Verenigde Staten -via de CIA- en Groot-Brittannië zouden daar volgens verscheidene bronnen achter zitten.) Ze wisten natuurlijk niet dat de opstand voortkwam en gevoerd werd door de M.N.C. en Lumumbisten. Daarom waren zij gekant tegen de rebellen, die zich ook beriepen op Lumumba. Na al hetgeen de mensen al gezien en gehoord hadden de laatste dagen konden zij niet geloven dat Lumumba zo iets zou gewild of bevolen hebben… Ons geval was echter anders. Wij verdienden zeker de dood omdat wij geen kaart hadden van de M.N.C. Van alle Paters op de missie was er alleen Pater Van Roy van Bunia die een kaart gekocht had, omdat ze er mee kwamen leuren op de missie en Pater Dujardijn , die vroeger in Badiya was en nu al gestorven was in Europa. Op zekere dag ging hij naar Irumu om boter te gaan halen en onderweg hielden de policiers hem tegen. Hij was verplicht een kaart te kopen, anders mocht hij niet door. Als hij er een gekocht had brachten twee policiers ham naar het bureau van de administrateur, een functionaris dus, waar hij zijn kaart moest tonen !!! Voor de rest was er niemand van de Paters die een kaart had. Trouwens men had het nooit gevraagd ! De gewone mensen kochten hier allemaal een kaart, omdat men ze had wijsgemaakt dat ze dan geen belasting moesten betalen. Dat kostte hen 60 fr. voor de man, 60 fr. voor de vrouw en 20 fr. per kind. In 1960 is er werkelijk geen belasting betaald, maar het volgend jaar begon de inning van de “palata”, dan moest men betalen niet voor één jaar (een kleine honderd frank) maar voor twee, vermits men het jaar tevoren niet betaald had ! En de mensen betaalden maar… Men zeide aan de Simba’s : “Maar men heeft altijd gezegd dat de Paters aan geen politiek mogen doen.” “Hoelang zijt gijlie al in Kogo ?” “Al 14 jaar.” “Wat ? Al 14 jaar ? Gij zijt een echte Kongolees en Lumumba heeft nog zo gezegd in 1959 en in 1960 ook dat iedereen, blank en zwart, een kaart van de M.N.C. moest kopen.” “Misschien wel, maar men heeft ons nooit gevraagd een kaart te kopen. Wij wonen hier in de brousse.” “Hebt gijlie een radio ?” “Ja, maar wij luisteren niet veel, alleen maar wat muziek.” “Als ge een radio hebt, moet ge toch al lang weten dat Lumumba gezegd heeft dat iedereen een kaart moest kopen, hebt gij nooit zijn redevoeringen geboord in Stanleystad ?” “Neen, nooit, wij hebben ten andere geen geld om kaarten te kopen. Wij hebben hier wezen te onderhouden en twintig melaatsen. Wat wilt ge dat we ons geld gebruiken om kaarten te kopen van de M.N.C.of van wat anders ?” “Gijlie doet aan slechte politiek. Lumumba heeft gezegd dat ge een kaart moest kopen, waarom niet ? Wij weten het wel, gijlie moet van Lumumba niet hebben, daarom zijt ge dood schuldig. Wij zullen eerst onze chef gaan roepen, die is op de grote baan gebleven.” De chauffeur reed dan met de camion weg, de anderen loodsten we binnen in de spreekkamer. Na een kwartiertje was de camion terug. We gingen buiten en over de haag konden we zien dat er een officier uit de cabine stapte. Hij had een kepi op en getten aan. Hij kwam naar ons toe en wij naar hem. Intussen deed hij een handschoen aan, een tweede had hij niet, dit om ons te groeten. Wonder boven wonder, hij gaf ons een hand. Hij was heel vriendelijk en ging met ons mee naar binnen. Hij was vroeger chauffeur van een Griek in Bunia. Wij bemerkten ook dat hij een goede pot op had. Ze hadden allemaal de nacht doorgebracht met drinken en fuiven aan het kruispunt van de missie en waren naar hier gekomen toen ze de klok hoorden luiden voor de mis. Dezelfde ondervraging begon. Dan : “de kolonel van Bunia heeft ons gestuurd. Ik heb een brief bij van hem (haalde hem uit zijn zak en legde hem voor me neer op de grond), het is gevaarlijk om naar hem te sturen, want het is ne hele vieze en wrede, hij zou u zeker doen doodschieten.” (ze spraken steeds van coroné en een ogenblik dachten we dat de grote patron van Bunia Corneel heette, omdat de negers de namen nog al fel vervormen) “Alhoewel ik u zou moeten doodschieten, wil ik het toch niet doen. Maar gij hebt een grote fout gemaakt. We zullen u dus boeten doen betalen. Ieder jaar kost 500 frank en ’t is al vier jaar dat ge zonder kaart zijt, dat is dus 2.000 fr.” Een andere Simba met een rode broek zei “Voor de blanken is het dubbel !” “Inderdaad, dat is waar ook. Dan moet ieder van u 4.000 fr betalen.” Hoeveel is dat samen, terug uitgerekend en zij bekwamen 8.000 fr. De chef voegde er aan toe :“Maar nu moet ge een kaart kopen ook !” Zo was alles te samen 8.300 fr. Pater De Meyer ging geld halen. Toen we achter de kaarten vroegen, replikeerde hij : “dat is nu spijtig, in gans Bunia is er geen kaart meer te vinden, maar woensdag komen we terug, ge moogt er zeker van zijn.” Papier en stylo werd gevraagd om onze namen op te tekenen, maar aan onze namen konden zij niet wijs geraken. Zelf dan maar alles gedaan met bijvoeging van, en ook het bewijs van betaling van 8.300 fr werd gevraagd. “Natuurlijk zullen wij dat geven.” Maar als het puntje bij ’t paaltje kwam, bleek het dat niemand kon schrijven. Een Simba werd uitgezonden om de “secrétaire” te gaan halen. Na een tijdje kwam deze aangeland, het werd na lang talmen in de Lingalataal geschreven : 8.000 fr was leesbaar, de rest gekrabbel, ook van de 300 fr werd uiteindelijk een briefje bekomen. Op dat ogenblik kwam er een kleine Simba binnengelopen om te zeggen dat er een magazijntje was nevens de missie en dat er veel zaken te krijgen waren, vooral bier. Ze reden dan weg en uit het magazijntje hebben ze dan alles meegenomen wat ze konden, voor een waarde van 16.000 fr en betaalden 8.000 fr terug. Het was al beslist dat de prijzen in de magazijnen moesten gehalveerd worden. De eigenaars moesten daarmee wel akkoord gaan, want die mannen hadden geen geweren en de Simba’s wel ! We hebben die mannen natuurlijk nooit teruggezien… Al de Simba’s die op de missie kwamen waren woedend op de Amerikanen, in mindere mate op de Belgen. Ze zeiden : “wat komen die in Kongo doen ? Dat ze ons gerust laten. Wij gaan toch ook niet naar Amerika of Europa. Wij vechten onder elkaar. Tsjombe is een verrader en hij moet buiten, waarom komen de Amerikanen er tussen. Dat ze thuis blijven zoals wij ! Als ze niet oppassen zullen wij tegen hen oorlog gaan voeren in Amerika zelf en dan zullen zij wel zien wat voor sterke mannen wij zijn. Als de oorlog hier gedaan is zullen wij Kampala (hoofdstad van Uganda) innemen en daarna trekken wij naar Amerika, mara moya (ineens).” Sinds een paar jaar kregen wij regelmatig bloem, havermout, olie, vet en melkpoeder in grote hoeveelheden. Al die voedingswaren waren geschonken door Amerika aan de bevolking van Kongo. Wij deelden dat uit aan de melaatsen en armen. Op al die zakken, blikken bussen en kartonnen dozen stond in grote letters en wel in acht verschillende talen “geschonken door de volkeren van de Verenigde Staten van Amerika.” De melaatsen, die er het meest van profiteerden, kwamen zelf zeggen dat de Amerikanen slechterikken waren. Zij gingen ook bedelen bij de Simba’s. Als de Simba’s daar op uitkwamen dat er hier dozen en blikken van Amerika zijn ! Zelfs de zusters waren ook al komen zeggen dat het best zou zijn al die dozen weg te smijten of te verbranden. En de operatie begon… Op zaterdag 9 september op een avond om geen argwaan te wekken, begon men allerlei eetwaren bijeen te brengen en te verstoppen en wel onder een vat van 200 liter, dat op een verhoog geplaatst werd, en dat moest dienen om het water te verwarmen voor de douche. Nooit heeft er een rebel iets gezegd over bloem enz. Integendeel, ze hielpen en sleurden alles mee weg. Om op een goed blaadje te staan met de Simba’s werd er eten gegeven. Op zondag na de hoogmis hoorden we lawaai, een grote camion met Simba’s stopte voor de kerk en alles werd muisstil, het was het ogenblik van de zegening. Enkele Simba’s knielden neer, maakten een kruisteken, anderen lachten er mee. Enkelen gingen heen, anderen bleven met ons praten op de missie en waren uiterst vriendelijk. Een schone kerk zei er ene en beloofde elke zondag naar de mis te komen. Na het middageten een weinig gerust en we waren reeds vol hoop dat de dag verder rustig zou voorbijgaan. Maar…de hoop was rap verzwonden, daar kwamen twee volkswagens aan en we konden zien dat er op de para-choc een lans was vastgemaakt. Uit iedere wagen kwamen er vier mannen, gekleed met lange broek, naakt bovenlijf, palmtakken in kruisvorm over hun borst en rug gebonden en takken in hun broeksband, geweer in de hand schietensklaar. We gingen naar hen en wisten dat het niet plezant zou worden. Allen waren ze even dronken. Ik herkende de kapitein, maar geen enkele zei iets. Ze keken ons wild aan met doffe doortrokken ogen. “Ha kapitein ; yambo (goedendag).” Er ontspon weer een discussie over het slecht voeren van een politiek en dat we telefoneerden met de Amerikanen. In Stan hadden de Paters soutanes aan deze mannen gegeven… En ze gingen zoeken ! Overal volgden ze ons, op de sacristi, achter het altaar, de kerk, het bureel, alles wat men maar denken kan. Dan onderzoek bij de zusters. Veel mensen kwamen kijken, bleven echter omzichtig op afstand om als het moest met een wip de bananerij in te stormen. Toen wij terugkeerden van de materniteit, waar niemand meer was, zo langs de school, kwamen er nieuwe wagens aangereden vol met Simba’s, een bende huilende zatterikken. Voor we alles goed beseften, waren ze reeds bezig met alle deuren van het huis in te beuken met hun geweren en ijzeren baren. Plots steeg er een gejuich op ! Iemand kwam naar buiten gelopen met drie lederen soldatenriemen in de hand…dus...we verstopten Amerikanen, want de riemen waren gevonden. Van die riemen hadden we’r een tiental en deze werden soms ten geschenke gegeven op het einde van het schooljaar. Maar nu, begon men daar te schieten, een twintig minuten, in het ronde. Een mikte naar het kruis op de kerk, een kogel ging door de ruit en door het dak. De mensen waren echter allen goed verscholen. Dezen die over geen geweer beschikten riepen al maar door “tirez”. Ze dreigden met hun messen, riepen “mateka”;. Maar de Simba die voormiddag gezegd had dat we een schone kerk hadden, heeft driemaal voor mij gestaan met een lang gekromd mes in de handen, histerisch lachend en roepend “utakuwa mateka sassa hivi” (nu zult ge aanstonds dood zijn). De officieren stonden bij de zusters onder de barza die ze ondervroegen. De plundering begon, alles werd buiten gesleurd. Toen kwam er een adjudant opdagen en riep “de Paters hebben geen schuld, geef alles terug”. (het was een oud-klein seminarist uit Stan). Alles kwam terug behalve een transistor en een verrekijker die de brave seminarist maar liever voor zich zelf hield. Toen moesten we naar Irumu, en we zouden het er niet levend afbrengen indien de Amerikanen zouden bombarderen tijdens de nacht. Aan een stopplaats werd er verhinderd dat gepeupel op de camion zou komen. De officieren waren bij de zusters gebleven. Aan km 7 werden we onthaald op gedans en geroep. Een schooljongen van bij ons riep onder de invloed van de drank (araki of inlandse alkool) utakuwa wateka. Het was Jozeph Duabo. Eindelijk was het afstappen aan het postgebouw, we gingen een kamer binnen waar er een enorm geroezemoes was. Ook buiten het gebouw was er kermis, er werd gedanst, gedronken, gezongen. Er waren daar ook een hele hoop jonge meisjes van rond de tien en twaalf jaar die duchtig meedronken. Soms werden de niet-huwbare meisjes opgeeist. Er waren vele meisjes die op avontuur trokken en thuis wegliepen. Een interessant leventje hadden die wel, ze waren vrij, moesten niet veel werken want de Simba’s hadden al niet te veel eten en ze kregen geld ook. In princiep waren de Simba’s verplicht 100 fr. per dag te betalen. We mogen gerust zeggen dat die meisjes getekend zullen zijn voor hun leven ; geleefd te hebben tussen een bende jongemannen, die een ongebonden leventje leiden. Een lawaai van alle duivels : “B amupe wako wapi ?” (Waar zijn de Paters ?). Een Simba kwam binnen (denkelijk een officier), dronken, een geweer in de hand, revolver tussen de broeksband, verontschuldigde zich, dat wij buiten zijn weten, naar hier waren overgebracht. We werden naar het huis van de administrateur gevoerd, die weg was van bij de aankomst van de rebellen, en waar onze chef (Gaston) zijn intrek genomen had. Het was er donker, juist in een vertrek (salon) een petroleumlamp en toen begon een gesprek, dat we de volgende maal mee beginnen.”
Vervolgt.
Foto’s :
-Patrice Lumumba
-Moïse Tshombe.

























































