Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”
Vervolg in “De Band” van juli 1965 : “’s Anderendaags ’s morgens na de mis als we buiten aan de poort van de kerk stonden, hoorden we ineens tromgeroffel, en het was precies of dat het al maar dichterbij kwam. Bij de Babira (volksstam uit de streek Bunia-Badiya-Irumu) werd er zo geroffeld bij de dood van een chef. We luisterden maar, en hoorden niets dan alleen maar die tamtam. In feite was het in Malabo (dorp van de chef die gaan lopen was) ; in vogelvlucht nog geen vijf kilometer van hier en in de morgen kon men alles heel klaar en duidelijk horen, te meer daar de missie op een heuvel gelegen, heel de streek domineerde. De trommel van de missie, die dienst deed als klok, kon gehoord worden als de wind meezat tot in Irumu, meer dan 15 km in vogelvlucht. In Malabo trommelden de Simba’s iedere dag, zolang tot dat de chef zou terugkomen. Die was dus op de vlucht en bevond zich op dat ogenblik in Nalanyabo, een dorp aan de andere kant van de Shari, waar hij dikwijls verbleef en een nabanenrij had, samen met zijn familie en enkele policiers. Zij wisten wel dat zij het er niet levend zouden van af brengen ! De Simba’s kwamen natuurlijk te weten waar de chef zich bevond. Ze zonden elke dag één of twee mannen uit naar het dorp om hem te zeggen dat hij naar Irumu moest komen, waar zijn geval zou besproken worden. Na enkele dagen is hij dan toch maar vertrokken met zijn broer. Ze staken de Shari over en begaven zich naar Bagotta, de chef van de Wahema (koeherders) die de Simba’s gespaard hadden omwille van zoveel koeien die hij moest leveren. De volgende morgen gingen ze allen te voet, meer dan vier uur. De chef Manuel, een zware mens met een versleten lange broek en een onderlijfje aan, weende als een klein kind. Op 7 km van Irumu wou men hem een fiets geven, hij was nog maar amper halverwege of lag al tegen de grond, zo bibberde hij. Hij had een grote snede boven zijn hoofd, nl. aan het oog. Tegen de avond kwamen zij te Irumu aan en sliepen er. Driemaal moesten ze dan op het bureau verschijnen waar alle papieren vernield waren en buiten gegooid op hopen. Men had er een soort volksrechtbank opgericht. Telkens werd er aan de mensen gevraagd of de chef een goede was. Wanneer er niemand antwoordde of zei “een slechte”, dan was het proces afgesloten en werd er geschoten. Gelukkig voor de chef werd er voor hem ten beste gesproken door Bagota, de chef van de Wahema. Niemand van zijn vijanden kloeg hem aan, die waren wellicht niet daar, want veel vijanden had hij, of durfden ze niet zeggen wat op andere plaatsen wel gebeurde. Manuel was enkele dagen later terug thuis. We waren nu zondag 6 september. Er waren nogal wat mensen in de kerk, van in de onmiddellijke omgeving alleen. Het was de eerste zondag van de maand en normaal was het die dag na de hoogmis vergadering voor de mannen van de katholieke actie, een 60-tal. Nu waren er maar een goeie 20 en niemand peinsde op de vergadering na de mis. Er werd alleen maar verteld, de meest ongelooflijke en tegenstrijdige dingen eerst. ’s Avonds rond 7 uur begon het te regenen. Ik was alleen in mijn bureau en de deur stond open zoals altijd. Plots hoorde ik stappen, er kwam een man binnen met sleuren aan zijn lijf, een stok in de hand en een Simba-velletje aan de pols. Het was Boniface Mawawa, naaier van beroep, maar sinds lang nietsnut en rondloper. Zoals het de gewoonte was bij de Simba’s, groette hij met eens forsig te roepen : “Simba !” “Morgen maandag in de voormiddag moet ge naar Irumu komen, de kapitein heeft het gezegd.” “Wat moet ik daar gaan doen ?” “Dat weet ik niet, dat zijn mijn zaken niet. De kapitein heeft alleen maar gezegd dat gij moet komen.” Zijn zoon was in de maand april weggestuurd uit de Normaalschool, niet zonder reden. Boniface had gewild dat we zijn zoon, Prosper, zouden aannemen als onderwijzer hetgeen ik geweigerd had. Vandaar dat Boniface kwaad was. “Ge hebt hem naar school gestuurd, dan moet ge hem maar werk geven ook.” Het wat natuurlijk zo dat we hem na zijn lagere school op de missie naar de Normaalschool gestuurd hadden met het gedacht om hem later als onderwijzer te aanvaarden. Die man kon echter niet aannemen dat we hem niet konden aanvaarden als hem zoveel vuile dingen verweten werden, ten andere hij had nog maar één jaar gedaan. Boniface had overal verteld dat hij de Paters bij de kapitein had aangeklaagd… Op die zondag stond hij dus in de deur van mijn bureau . Ik vroeg : “Hebt ge een briefje van de kapitein ?” “Neen, waarom, ik ben toch een Simba ! Volstaat dat soms niet ?” “Ik kan ginder niets gaan doen, ten andere mijn moto is kapot.” “Dan moet ge maar te voet gaan tot aan de grote baan, er rijden genoeg camions met Simba’s.” Ik zei hem dat ik niet naar Irumu zou gaan, dat de kapitein wel een briefje zou sturen als hij mij hebben wou. Boniface ging toen weg. Hij was vergezeld van een der drie onderwijzers die ook naar Irumu ontboden waren door de kapitein, het was Francois Bisangbolo, onderwijzer van het vijfde studiejaar. De twee anderen waren onderwijzer in de brousse. In ’t holle van de nacht is Francois op de vlucht geslagen, hij liet zijn vrouw en acht kleine kinderen achter, alles door de schrik. Het eerste dat de Simba’s deden als er iemand gaan vluchten was, was zijn vrouw aanhouden. De directeur van de lagere school is ook zo gevaren. Hij kwam natuurlijk terug als hij vernam dat zijn vrouw in de handen van de Simba’s gevallen was. Hij is dan heel lelijk toegetakeld geworden en achtergelaten voor dood. Op die avond wist ik echt niet wat doen, zoals dat heel, heel dikwijls gebeurd is de volgende weken en maanden. Thuis blijven : dat zou de kapitein zeker kwalijk nemen, in geval hij me werkelijk geroepen had. Naar Irumu gaan was ook niet bepaald aanlokkelijk. Na al wat we vernomen hadden over volksrechtbank en executies had ik de indruk in de muil van de wolf te lopen. Woensdag 7 september. Normaal moesten de scholen beginnen, maar er was natuurlijk niemand te zien. Verscheidene onderwijzers die bij hen thuis op verlof waren, waren nog niet aangekomen en de mensen hadden ook te veel schrik om hun kinderen naar school te sturen. Het nieuws dat de kapitein mij naar Irumu had geroepen liep als een vuurtje rond. De mensen van de missie kwamen mij vragen toch maar naar Irumu te gaan, want de kapitein was “makali kabisa” (n’en hele vieze). Rond half tien maakte ik mij toch klaar, mijn moto (met een aanhangwagen) was niet meer in goede staat. We hadden er al dikwijls aan gefrutseld en het gebeurde dat de moteur aanschoot als ik mij liet duwen. Een onderwijzer wilde me vergezellen, doch niet tot in Irumu. Hij had geen kaart van de M.N.C. zei hij en zou me opwachten onderweg. Die had natuurlijk ook schrik lijk iedereen. Ik deed me duwen wel twee kilometer ver. Soms schoot de moteur aan en viel dan na een poosje stil. Ik had mijn zonnehelm en overfrak op de missie laten liggen met het gedacht terug te komen als mijn moto zou marcheren. We waren intussen op een goede kilometer van de grote baan genaderd, waar voortdurend camions met zingende Simba’s voorbijreden. Ik dacht bij mezelf, ik zal doorrijden tot in Malabo, waar er zich een barrière van Simba’s bevindt en ik zal daar vragen of zij weten wat er in Irumu gaande is. Maar toen viel de moteur van mijn moto uit en voor goed. Het was half elf door en dan begon het parmantelijk te regenen. Ik liet mijn moto staan in de modder want de baan is er zeer slecht en we gingen schuilen in het huis van een policier van Malabo, die daar alleen woonde met zijn vrouw en kinderen en die nog niet lastig gevallen was. Een collega van hem, die niet naar zijn dorp dierf teruggaan, hield zich daar ook verscholen, omdat men jacht maakte op die mannen. Na een half uurtje was het gedaan met regenen. Ik liet mijn moto wat verder duwen tot bij het dispensarium van de veeartsennijkundige dienst (ook een groot woord dat niet veel meer dekte). Ik bleef daar wat rusten bij de infirmièr, en stuurde een man met de fiets naar Malabo. Ik gaf een brief mee voor de commandant van de Simba’s, die een barrière bewaakten om te weten wat er juist van aan was, of de kapitein mij werkelijk geroepen had. Drie uur later kwam die man, Gaston Bachweki, terug, hoogstwaarschijnlijk had hij de rebellen niet durven benaderen, maar was ergens in de geburen blijven zitten !!! Mijn brief bracht hij mee terug, men had hem gezegd zei hij, dat de Pater werkelijk naar Irumu moest komen, en ze hadden hem geminacht en bespot. Intussen waren er vier jongens van de missie ons achterna gekomen. Ze hadden daar vernomen dat wij miserie hadden en ze duwden de moto terug naar de missie. Ik ben met hen meegegaan, peinzende : “ze kunnen naar de maan lopen, het ging trouwens al naar de avond. Hier en daar stonden de mensen langs de weg, vol compassie, we waren vuil en beslijkt… Groot was de verontwaardiging, vooral toen men vernam dat die fameuze Boniface zelf verteld had, toen hij zat was, het betaald te zetten aan de Pater, omdat zijn zoon geen werk als onderwijzer had gekregen. De volgende dag hadden we regelmatig bezoek van de Simba’s. Ze moesten van alles hebben : vervangingingsstukken voor auto’s, essence, mazout, bier, radio’s…Iedere officier had een draagbare radio, dan waanden ze zich een koning te rijk en het was als hun herkenningsteken, zoals een officier hier te herkennen is aan zijn kepi of sterren. Ze zouden eerder hun geweer achtergelaten hebben dan een radiotoestel, die trouwens heel de tijd en zo hard mogelijk open stond, en dag en nacht. Ik zag eens een majoor die van het front van Beni kwam, hijzelf droeg zijn radio, een jongen van ongeveer twaalf jaar zijn automatisch geweer en een snotneus van hoogstens 8 jaar zijn revolver. Alle Simba’s die bij ons op de missie kwamen tijdens die dagen waren uiterst vriendelijk, sommigen kwamen zelfs binnen waar we hen iets aanboden, water of koffie. Ze vroegen echter naar bier ! En dat hadden we niet ! We waren toch heel de tijd op ons qui-vive. Mensen die van Bunia kwamen vertelden ons de meest verschrikkelijke dingen van moordpartijen. De Paters zouden ze echter met rust gelaten hebben. De Simba’s waren zelfs op de missie komen zeggen dat alles normaal moest doorgaan, ook de klok luiden voor de mis. Doch op zaterdag 12 september begonnen de poppen te dansen. Om 12 uur kwamen wij met ons getweeën uit de kerk en wilden naar de refter gaan om te eten. Op dat ogenblik kwam er een stationwagen op de koer gereden en hield stil voor ons huis. De chauffeur kwam eerst buiten, die herkende ik al dadelijk, het was een arabisé, muselmanse neger die in Malabo woonde. Hij heette Karimu. Na hem kwamen nog een vijftal gewapende Simba’s uit de auto, alsook een Indiër die mecanicien in Irumu was. De chauffeur deed dan de achterste portier open en er stapte een jonge man uit, ongewapend maar met een stokje in de hand, precies een stuk speelgoed. Hij had een breedgerande hoed op. Al aanstonds zegden ze dat ze onze moto’s kwamen halen. Ze wisten dus heel goed wat er zich op de missie bevond. Pater De Meyer, die zijn moto bijna nooit gebruikte, omdat hij steedsz met de camionette reed, zodat zijn moto nog praktisch nieuw was, had aan het contact een paar draadjes verkeerd aangekoppeld, zodat hij normaal niet zou marcheren. Die stond in de garage, terwijl de mijne nog steeds met aanhangwagen buiten stond onder een manguier. We stonden voor de trappen van de barza te praten en dan zei Karimu, de chauffeur, dat die jonge man de kapitein van Irumu was, Christiphe Yenga. Dat was nu het laatste wat we zouden denken hebben. De man was ten hoogste achttien jaar en had geen enkel herkenningsteken. Men had enkel de deur open gedaan om hem te laten uitstappen. Ik ging aanstonds naar hem toe, nodigde hem uit binnen te komen. Hij weigerde en wou onmiddellijk naar de moto’s gaan zien. We gingen achter het huis en zagen natuurlijk eerst mijn moto staan. Ik zei dat die kapot was, dat ik verleden maandag geprobeerd had naar Irumu te komen omdat men mij had gezegd dat de kapitein mij geroepen had. “Ha, en waarom zijt ge dan niet gekomen ? Ik ben hier de kapitein en heb hier alles te zeggen.” “Ja, ja”, zei de chauffeur, “zie zijn stokje maar eens, hij heeft daar al meer dan één mens mee doodgeslagen.” Dan zei de kapitein : “Ga maar uw moto halen, in gang steken en speel geen comedie.” Eerst moest ik de aanhangwagen losmaken. Ik probeerde aan te stampen maar dat was natuurlijk tevergeefs. Dan moesten enkele jongens komen duwen. Intussen waren de Simba’s gaan kijken naar de moto van Pater De Meyer, die ook zei dat zijn moto niet marcheerde !!! Hun mecanicien haalde hem buiten, deed zich duwen en…de moto schoot aan. Wij van onze kant duwden ons de ziel uit het lijf om mijn moto aan gang te krijgen op de koer, terwijl de kapitein stond toe te kijken, de andere Simba’s met hun geweer aan ’t grendelen waren en de Hindou er met de moto van Pater De Meyer van onder reed. Men deed dan teken dat ik moest terugkomen. Enkele jongens duwden mijn moto terug achter het huis. Voor ons huis stonden dan de kapitein, Pater De Meyer en een paar Simba’s. Toen ik bij hen kwam, buiten adem en bezweet, zei de kapitein : “Gij zijt nogal ne goeie, maar dien anderen daar, uwen broeder, is ne slechte.” Wanneer zijn moto in gang schoot had de Pater gezegd dat hij niet wist dat zijn moto nog in goeie staat was, omdat het drie maand geleden was dat hij er nog mee gereden had. De mensen van de missie die stonden toe te kijken zeiden dat de Pater altijd met de camionette reed. De Simba’s geloofden het niet, de Pater had hen belogen. Hij zou met hen mee moeten naar Irumu waar ze hem zouden opsluiten in ’t cachot. De Pater zei : “waarom zijt ge zo makali (woest) op mij ?” Dat deed de maat overlopen. Ik wilde tussenkomen en zei dat de Pater nooit met zijn moto reed, en het hem pijn deed niet te willen geloven, dat zijn karakter zo was en hem zou berispen, en…dat wij hen graag hielpen waar het mogelijk was. Ik zei hem binnen te komen maar tevergeefs. De chauffeur zei : “Gij zijt sukari (suiker), we kennen u allang, maar uwen ndugu (broeder) doet aan slechte politiek.” “Ga eerst een beetje drinken om uw keel wat te verfrissen.” De pater moest de auto in en toen ik terug kwam, zag ik de zusters die bij de kapitein aan ’ t praten waren, ze vroegen en smeekten hem de Pater toch vrij te laten. Onze vader is Lumumba, onze God is Lumumba, zeiden de Simba’s. De kapitein zei dan ; “De zwarten hebben nog meer verstand dan de blanken” en de Pater mocht terug uit de auto stappen. Dan zei de kapitein tegen mij : “als ge vannacht de mis doet moet ge uwen “ndugu” maar goed onderrichten.” Dat zeiden de andere Simba’s ook, dat we moesten bidden, de mis doen en mekaar onderrichten, maar onze God is Lumumba ! Enkele mannen van de missie moesten takken gaan halen om ze vast te maken van achter aan hun auto en weg waren ze. Nu wisten we al een beetje beter welk vlees we in de kuip hadden. Die kapitein stond ons absoluut niet aan. Die zei bijna niets en kon ons zo vreemd aankijken met wantrouwige ogen. Hij kon enkele woorden Frans en een beetje Kiswahili, de voertaal uit het noorden, en speelde altijd met zijn stokje, voorzeker een toverstokje. Men vertelde ons later dat hij een grote macht bezat en heel verstandig was. De soldaten van het K.N.L. hadden hem vroeger eens gevangen genomen, zijn kop afgesneden, zijn buik opengereten, niettegenstaande dat, was hij opgestaan en alles was terug aaneengegroeid. Toen zeiden de soldaten “we zullen hem maar laten lopen, daar is toch niets aan te doen” en zo is hij kapitein geworden in het volksleger. Nieuw klein (bijna een groot) drama de volgende dag op zondag 13 september. Normaal, (dat wil zeggen tot in juni, toen we nog met drie Paters waren en er van Simba’s geen sprake was) was er ’s zondags een Pater thuis op de missie, de twee andere Paters waren ieder in een centrale schoolkapel, zodat praktisch ieder christen maandelijks de gelegenheid had de mis bij te wonen en de sacramenten te ontvangen bij hen thuis in het dorp of in de onmiddellijke omgeving. Nochtans op de eerste zondag van de maand bleven we met ons gedrieën thuis. Op die dag was er dan ook vergadering van alle verantwoordelijken van de katholieke actie in de dorpen, zodat die mensen op de missie naar de mis kwamen ook. Sommigen deden drie uur te voet.”
Vervolgt.

























































