Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”
Vervolg in “De Band” van mei 1965 : “’s Anderdaags na de middag vertrok diezelfde Pater op tourné naar Kibe, een centrale schoolkapel op 45 km van de missie gelegen, juist op het groot kruispunt Stan-Bunia-Beni, om er zondag a.s. de maandelijkse mis te doen voor de christenen. Toen hij daar aankwam was er geen levende ziel te bespeuren. Hij stopte aan de kapel en wachtte tot er tenslotte een onderwijzer kwam opdagen. Het A.N.C. was daar gepasseerd, komende uit Bunia. Alle mensen waren er gaan lopen omdat de soldaten er nogal lelijk huis gehouden hadden : geplunderd, vrouwen verkracht en mishandeld en ook enkele mensen gedood. Aan het kruispunt waren de mensen fel M.N.C. (Mouvement National Congolais, partij van Lumumba) gezind, zoals trouwens gans de bevolking van Ituri, op enkele uitzonderingen na. Nu waren ze voort opgetrokken naar Mambasa om er de rebellen te verjagen. We vernamen later dat de fameuze kommandant, die de streek ging verdedigen, de enige gesneuvelde was in de strijd om Mambasa, waar de rebellen op de vlucht gedreven werden. De militairen van het A.N.C. in plaats van hun stellingen te versterken, begonnen dan maar met feest te vieren en te drinken. Wanneer ze goed zat waren werden ze overvallen door de ’s nachts weergekeerde rebellen. Een deel werd vermoord en de anderen vluchten de bossen in. De weg naar Bunia lag open. Intussen was alles kalm op de missie ; ’s vrijdags op de middag, cirkelde een vliegtuig van de O.N.U. heel laag boven de streek, ook over ons huis tot driemaal toe, waarschijnlijk op verkenning. Zaterdag, ook tegen de middag, hadden wij bezoek van de gewestbeheerder van Irumu, die toch in Bunia geraakt was om het leger te verwittigen en terug thuis gekomen was. Hij was vergezeld van een 10-tal gewapende policiers. Nu was hij de streek aan ’t doorlopen om de mensen aan te sporen kalm te blijven, want het gevaar was geweken zei hij. Niemand wist dat de soldaten van het A.N.C. verslagen waren en de rebellen op komst. Trouwens nergens waren er mensen te zien ; heel de streek was doods en verlaten. De Administrateur profiteerde er ook van om door te rijden naar de Shari en de mannen die hem een paar dagen tevoren geweigerd hadden over te zetten, gevankelijk mee te voeren ; enkele dagen later werd er een van hen in Bunia door het A.N.C. neergeschoten evenals een grote chef van bij ons samen met enkele anderen, onder beschuldiging van samenwerking met de rebellen. Op zondag 30 en maandag 31 augustus was het rustig, hoewel de atmosfeer geladen was en men de indruk had dat het land was uitgestorven. “Ze” (de rebellen) waren al aan de njiapanda (kruispunt) ; “ze” waren met zes, anderen beweerden dat ze met zeven waren of met elf. “Ze” schoten soms, men had “ze” zien dansen en horen zingen. Maar niemand wist te zeggen wat “ze” in ’t schild voerden, niemand ook had al met hen gesproken, men had alleen maar schrik. Op dinsdag 1 september werd er heftig gevochten aan het kruispunt. Een andere colonne soldaten van het A.N.C. werd er op de vlucht gedreven door de opstandelingen die in hinderlaag lagen. Om 11 uur in de voormiddag kwamen die laatsten aan te Irumu, op 25 km van bij ons dus, en vermoorden er zo maar eventjes negen personen zonder vorm van proces, zogezegd omdat ze gestolen hadden, wat zeker tenminste voor sommigen onder hen niet het geval geweest was. Op diezelfde dag werd er ook een jonge man doodgeschoten die een matras op zijn rug droeg, matras die hij uit een leegstaand huis had weggesleurd. Een andere werd neergeschoten omdat hij een leeg petroleumvat dat op het vliegveld stond had meegenomen. De negen waarvan ik daarjuist sprak werden doodgeschoten aan het bureau van het gewest, de armen op de rug gebonden samen met de voeten. Ze lagen op de buik en werden een voor een met een schot in de nek afgemaakt. De anderen werden gedood door geweerschoten afgevuurd door de rebellen van op hun camions waarmee ze vervoerd werden. Vervolgens werden de huizen van de Hindous (handelaars) kapot geslagen en geplunderd door de rebellen en werden alle papieren en dossiers uit de bureaus van het gewest gesmeten en gescheurd. De enkele nieuwsgierigen werden uitgenodigd om er sigaretten mee te rollen. Het meest akelige was dat de lijken van degenen die gedood waren bleven liggen. We hebben dat later verschillende malen opgemerkt : minstens drie dagen. In Irumu werden dan de lijken door gewone burgers op kruiwagens naar een voormalig militair kamp overgebracht en in een half gevulde loopgracht geworpen. Meteen wisten de mensen en wij meteen met wie we te doen gingen hebben. We weten dit alles van onze catechist die de moed had ter plaatse te blijven, daar waar bijna iedereen de brousse was in gevlucht. De agenten van de administratie waren ook allemaal verdwenen, alsmede de policiers waarvan er daarna toch nog drie gesnapt werden en zonder pardon geëxecuteerd. De rebellen waren immers woest op al wat van de administratie was, regering, chefs, bedienden (in mindere mate nochtans) en policiers. Dus op allen die op d‘ een of d’ andere manier geleefd hadden op kosten van de gemeenschap. Juist na de middag van dezelfde dinsdag 1 september, kwamen de rebellen aan in Malabo, het dorp van een grote Babira-chef, in vogelvlucht op 5 km van de missie, langs de grote baan op 8 km. Het was gelegen op de grote baan in de richting van Irumu; het was tevens een klein handelscentrum waar zich een dertigtal magazijntjes bevonden. Ze waren met een tiental en verplaatsten zich met een benne die ze buitgemaakt hadden. Ze vonden natuurlijk een leeg dorp of bijna. De tactiek van de rebellen evenals van het K.N.L. bestond er in zo maar in ’t wilde te schieten wat een ware angstterreur onder de mensen teweegbracht. De chef, Manuel Sidikani was nochtans gebleven, gans alleen in zijn huis met gesloten deuren. Een enkele van zijn policiers bevond zich in de keuken, een ronde hut met gras bedekt zonder muren, achter het huis van de chef gelegen. Bij hun aankomst gingen de rebellen, zoals het hun gewoonte was, naar de chef, steeds maar schietend. Zeer dikwijls werden de chefs vermoord, omdat zij beschouwd werden (voor sommigen niet ten onrechte) als tirannen en uitbuiters van de bevolking. Gelukkig voor onze chef mochten de rebellen volgens hun reglementen (waarover later meer) nergens bij de mensen binnenkomen. Manuel had zich verscholen onder zijn bed, terwijl de rebellen begonnen te dansen in een kring rond zijn huis en steeds maar dwars door de muren schoten. Op hetzelfde ogenblik kwam de policier uit de keuken, hetgeen natuurlijk zijn verderf was, hij werd vastgegrepen en al dansende gingen ze er mee naar de grote baan juist tegenover de magazijnen waar hij neergeschoten werd en met een lans doorstoken. Nu waren de mensen werkelijk zich zelf niet meer meester van de schrik. De dorpen waren totaal verlaten, evenals de huizen langs de grote baan, tenminste ’s nachts. De huizen van degenen die in de brousse woonden waren natuurlijk over-overbevolkt, niemand dierf blijven slapen wanneer zijn huis een beetje dicht bij de baan stond. Op woensdag 2 september trokken de rebellen verder. Het was in de vroege namiddag dat ze passeerden aan het kruispunt op 4 km van de missie. Ze kwamen echter niet naar hier, omdat ze gezworen hadden Bunia zo gauw mogelijk in te nemen en de stad zwaar te straffen, omdat ze de mensen van Ituri, onze provincie dus, beschouwden als verraders, Manzikala, de gouverneur op kop. Bunia was steeds berucht geweest als zijnde een bolwerk van de M.N.C. en van Lumumbisten, dat was werkelijk zo, maar bij ons waren de mensen fel vreedzaam. Als de geruchten begonnen door te sijpelen van de wreedheden die gepleegd waren door de rebellen, werd Bunia in staat van verdediging gebracht. Tsjombe was nog op bezoek geweest een paar weken voor de inval en Manzikala was persoonlijk soldaten gaan halen in Katanga om Bunia te helpen verdedigen. Het K.N.L. waarvan dus een groot deel Katangezen waren, had zich verschanst achter de brug over de Tinda, waarover ik hoger sprak. De brug zelf was helemaal omspannen met prikkeldraad. Eerst vertel ik u hoe de rebellen oorlog voerden, voor zover wij hebben kunnen uitmaken uit hun gezegden, want zelf ben ik natuurlijk nooit bij geweest. Ze waren onderverdeeld in vier groepen. Enkel degenen die behoorden tot een van de drie eerste groepen waren gewapend met geweren. Sommigen hadden automatische geweren waarvan de laders 20 patronen bevatten. De eerste groep noemde zich de commando’s (allemaal grote namen voor niets), zij waren de toekomstige soldaten van de volksrepubliek. Waren ook gewapend , de officieren en onderofficieren van de G.D. (ze noemden zich Ba-G.D.de ville), de toekomstige gendarmerie en tenslotte ook de officieren van de P.M.(Ba-PeeM) die na de oorlog policiers zouden zijn. Al die mannen had men beloofd dat ze, eens de oorlog gedaan, een huis zouden krijgen. Daarnaast had men aan de grote massa Simba’s een samenraapsel van kinderen (er waren er bij die amper acht jaar oud waren) en jonge mannen voor het merendeels ongehuwden of die thuis miserie hadden en die als wapens beschikten over lansen, messen, boog en pijlen, bajonetten, ijzeren stangen of bij gebrek aan dat alles over een gewone stok. Als ze ten strijde trokken hadden ze niets aan dan een broek. Over hun blote borst bonden ze ingekruist palmtakken of lang gras. Ook staken ze tussen hun broeksriem palmtakken of gras. Iedere Simba (leeuw) droeg een vel of velletje van ’t een of ’t ander wild dier aan de arm als bracelet of op het hoofd. Van de duizenden die wij gezien hebben kan ik mij niet meer herinneren er ooit twee gezien te hebben die op dezelfde manier gekleed of getooid waren. Ze trokken ten strijde al zingende, camions volgepropt met Simba’s, ingekaderd door gewapende mannen. De grote kracht der rebellen is de overtuiging dat ze onkwetsbaar zijn. Bij hun inlijving worden ze eerst bewerkt door de tovenaar (mufumu), die hen bezweert en met tovermiddelen instrijkt na insnijdingen gemaakt te hebben ofwel op hun voorhoofd, hun arm of lichaam. Wanneer ze voor de tweede maal terugkomen, nadat ze een punt van het reglement overtreden hebben, worden ze met water besprenkeld. Eenmaal dus dat de Simba ingewijd is moet hij de reglementen van de Simba’s nakomen, op straffe van terug kwetsbaar te worden in de oorlog. Er zijn zo een hele serie, in onze ogen belachelijke en kinderachtige bepalingen, zoals b.v., het is hen verboden groenten te eten, door de regen, of door een riviertje, zelfs door een plas water te gaan, hun haar of baard af te snijden, de kop of staart van een vis te eten, de benen te kraken van een kip of ander vlees dat men klaar gemaakt heeft om te eten. Het is verboden eten aan te nemen dat bereid is door volwassen vrouwen of door mannen. Zo is het uit te leggen dat alle Simba’s hun eten doen klaar maken door jonge onhuwbare meisjes. Het ging zelfs zo ver dat ze die kinderen kwamen weghalen in de klas bij de Zusters. Het is hun ook verboden iets aan te nemen uit de hand, daarom moest men het voorwerp dat men hen wilde geven op de grond of op de tafel leggen. Als men hen een sigaret wilde geven liet men die in hun handen vallen die ze uitstrekten, behalve natuurlijk als ze u te rap af waren en heel het pakske uit uw hand namen…Ze mochten ook de hand niet reiken of aannemen, om te groeten brachten ze de rechterhand voor de borst, zoals de Waxaveri (Chiro). Een armbandhorloge mochten ze niet aandoen, tenzij over een dierenvelletje, want anders zou die de kogels aantrekken. Ze mochten ook geen vrouwen aanraken, zelfs niet bekijken of er op denken, evenmin op hun familie die ze trouwens nooit meer mochten bezoeken. Als het bij toeval gebeurde dat ze thuis kwamen, dan moesten ze buiten blijven staan en eten mochten ze niet aannemen. Ze mochten niet stelen, lijken begraven ook niet of ergens binnengaan enz. De mensen moesten er mee lachen en zeiden : “Wij kunnen zelfs de tien geboden van God niet onderhouden en zij hebben er 45”. Als beloning voor hun werk kreeg elke Simba, van de eerste tot de laatste in twee weken 3.000 fr. De officieren kregen het dubbele of natuurlijk veel meer… Wanneer men begon te schieten op hen tijdens een aanval, volstond het dat ze riepen “mayi Mulele; Mayi Lumumba; mayi, mayi” (water,water) en de kogels kotsten af op hun lichaam of bleven in hun broeksband steken. Bommen ontploften nevens hen en maakten een diepe put, maar zij bleven altijd ongedeerd staan. Zelf rukten ze op en grepen de soldaten van Tjombe vast met hun blote handen ; zelfs de vliegtuigen haalden ze naar beneden met hun handen. Zo vertelden ze, en ieder die hen beluisterde hoorde toe met gespannen aandacht, de ogen opengesperd van bewondering, temeer dat er bij hen bijna nooit doden vielen, altijd maar een of soms twee, en bij de anderen met tientallen of bij honderden. Op woensdag 2 september kwamen de rebellen aan de brug over de Tinda op 17 km van Bunia dat ze kost wat kost wilden innemen en als verlamd was van de schrik, uitgenomen misschien de enkele honderden Katangezen die de stad moesten verdedigen. Vele vooraanstaanden waren reeds vertrokken met pak en zak. De Simba’s trokken op, in camions, huilend en zingend. Ze waren nochtans zo verstandig de eerste camions vol te stoppen met kanonnenvlees, t.t.z. met mensen uit de streek die ze met geweld ingelijfd hadden waaronder zelfs een heel deel Pygmeeën uit het bos. Toen ze aan de brug kwamen waar de Katangezen verscholen lagen, sprongen de Simba’s van de camions om de pinnekensdraad los te maken, ze werden natuurlijk allemaal weggemaaid, drie, vier camions die mekaar opvolgden. De Katangezen hadden een soldaat dood, die van de ene kant van de baan naar de andere liep en neergeschoten werd. Heel de tijd werd er geschoten dat het een aard had, vooral dan de Katangezen die veel beter bewapend waren dan de rebellen , schoten zonder ophouden, ook wanneer de rebellen allemaal dood waren en de anderen niet waren aangekomen. Het onvermijdelijke gebeurde, ze vielen zonder munitie. Er was wel een camion naar Bunia vertrokken om er te gaan halen maar het was te laat. De Katangezen vluchtten allemaal de brousse in ; de rebellen trokken de brug over en reden naar Bunia, almaar door schietend en zonder tegenstand te ondervinden. Bunia was ingenomen. In de stad zelf speelden er zich verschrikkelijke scenes af. Dat gebeurde dus op woensdag 2 september. Dat Bunia door de rebellen was ingenomen wisten we te Badiya nog niet, we hoorden enkel vertellen dat ze in Irumu waren, dat er in Malabo een policier dood lag op straat en dat er gevochten werd aan de Tinda. De prostestanten van de missie Nyankunde, op 13 km van hier, waren geëvacueerd een paar dagen tevoren en men vertelde ook dat hun missie geplunderd was. De woensdagnamiddag was de atmosfeer echt ondraaglijk. Toen wij om 4 uur samen met Pater De Meyer aan ’t koffie drinken waren (eetlust hadden we echter niet veel) besloten wij eens te gaan kijken naar de protestantse missie in Nyankunde, te meer daar wij dachten dat Mr. Deans, een Amerikaan en sinds jaren overste aldaar en met wie we op goede voet leefden, zonder nochtans veel betrekkingen te hebben onderhouden, steeds daar was. Al verschillende malen waren de anderen op de vlucht gegaan als de toestand wat gespannen was, maar Mr. Deans was dan gebleven. We raapten dus al onze moed bijeen en vertrokken met de camionette. Het was juist half vijf.”
Vervolgt.
































































