
Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”.
In Bunia was er ook het College, de Witte Zusters met normaalschool en huishoudschool voor meisjes, een leproserij, het hospitaal (zonder dokter) en moederhuis op 3 km van de missie gelegen, maar bediend door de Witte Zusters samen met enkele zwarte zusterkens en een heel stelletje zwarte infirmières; noviciaat van zwarte zusters en broeders. Zagerij, schrijnwerkerij, smidse, drukkerij, garage, bureau voor het katholiek onderwijs en zo meer. De missie ligt op 3 km van de stad aan de overkant van de NGEZI, een klein riviertje. In de inlandse cité wonen er tussen de 25 en dertigduizend mensen ; midden daarin bevindt zich ook een missie met lagere scholen voor jongens en meisjes, alsook een school voor bewerking van hout. De stad BUNIA is absoluut niet groot : één grote en brede straat, geasfalteerd sinds acht jaar, met magazijnen die vooral aan Grieken toebehoren en hotels; er is een residentie-wijk, bewoond vooral door functionarissen (nu zwarten, tot voor 1960 blanken): een beetje verspreid bevonden zich de burelen van de verschillende ministeries. Evenwijdig met de grote baan is er nog een andere straat met woningen, magazijnen, de markt en schuins daartegenover een tamelijk groot hotel, waar we later nog wel meer zullen van vernemen. Het hospitaal ligt op drie km van de stad in de richting van de missie ; daar niet ver vandaan het vliegveld, dat alleen toegankelijk is voor
D.C.6 ; het kamp van de policiers en het militair kamp.
Tijdens de maand augustus 1964 werd de toestand alarmerend ; niet te veel nochtans. Wij werkten gewoon door. Het was groot verlof voor de schoolkinderen en wij profiteerden ervan om de schooljongens van de vierde studiejaren naar de missie doen te komen om hun plechtige communie te doen, de heidenen onder hen die het onderricht gevolgd hadden te dopen en te vormen. Ze waren met een tweehonderdtal, en veertig onder hen die heel ver van de missie woonden en geen plaats hadden kunnen vinden bij kennissen of familie om te logeren, verbleven op de missie ; er was onderricht van 9 uur tot 11u15, gevolgd van de mis, daarna ging ieder naar huis. Degenen die het verst afwoonden liepen een paar uur te voet, zoals tijdens het schooljaar, met dit verschil dat de klassen begonnen om 8 uur. Buiten die schooljongens woonden er op de missie 80 catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel, een 50-tal meisjes van rond de 12 jaar, kinderen van kristen ouders, die niet meer naar school gingen en voor zes maanden naar de missie kwamen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel. Er waren ook drie infirmiéres die werkzaam waren in het dispensarium van de missie waaraan ook twee hospitaalzaaltjes aan gehecht waren waar de zieken konden overnachten. Ongelukkig beschikten wij over praktisch geen geneesmiddelen meer. Verder werkten er ook zes zwarte zusters, waarvan er drie klas gaven samen met vier onderwijzeressen, een was vroedvrouw aan de materniteit, een andere gaf onderricht en zorgde voor de velden van de kinderen van de plechtige communie en van de catechumenen en de overste MAMA MODESTA, zorgde voor de schoolmeisjes die intern waren op de missie. Andere activiteiten op de missie waren de werking van de kajotters, die in twee groepen verdeeld waren. Iedere groep was begonnen met het maken en bakken van bakstenen ; de missie had hen geholpen en zo waren die mannen aan het werk gegaan en konden geld verdienen want de streek liep leeg ; bijna alle jongelingen waren nietsnutten die niets anders deden dan rondlopen en wandelen, bij voorkeur naar BUNIA, want werk was er nergens te vinden. Daar waren ook een zestal jongens van rond de 16 jaar begonnen, sinds meer dan een jaar, met het aanleggen van een grote groentenhof. De bedoeling was hen aan te sporen te werken en aan te tonen hoe ze het moesten aan boord leggen om legumen te kweken. Later zouden ze dan als zelfstandige in hun eigen dorp beginnen en voor hun eigen rekening werken. Dan was er nog een ploeg schrijnwerkers, ze hadden deze van de missie nadat onze nieuwe kerk gebouwd was overgenomen (voor niets natuurlijk, want ze hadden geen geld!!!) om zo op hun manier aan de kost te komen. Er waren er drie onder hen die de schrijnwerkersschool van Broeder Augustinus in Bunia gevolgd hadden. Twee waren er getrouwd ; samen waren ze ook met een 6-tal. Voorlopig geschiedde alles onder het oog van de Pater, want die mannen hadden het vertrouwen nog niet, zo wilden ze dat het geld dat ze verdienden in hun handen bleef ; wij trachten er stillekens aan naar die jongens toe voor het werk liefde in te prenten en ook verantwoordelijkheidsgevoel.
Er was op de missie ook een leproserij met 20 melaatsen. Op 20 augustus kregen we bezoek van Monseigneur Gabriel, die er zich kwam van vergewissen hoe wij het stelden, want in Bunia veel meer dan hier was men in spanning, vooral dan de administratie en de regering omwille van de praatjes en geruchten die de ronde deden zoals moordpartijen, wreedheden en onkwetsbaarheid van de rebellen enz. Monseigneur had ook een briefje bij van de Kommandant van het garnizoen van het Kongolees Nationaal Leger (in afkorting K.N.L. of A.N.C. – Armée Nationale Congolaise) in Bunia waarin deze tot kalmte aanspoorde en zei dat men gerust mocht zijn, ook de missionarissen. Het leger is hier zei hij, om zo nodig de streek te verdedigen, maar er zou niets gebeuren en na een paar weken zou alles voorbij zijn en patati en patata. Intussen hadden de militairen, 4 à 500 man sterk waarvan een groot deel Katangezen die door de Provincie-gouverneur geroepen waren om Bunia te helpen verdedigen, zich opgesteld aan een brug op 17 km van de stad om de rebellen, die nooit de grote banen verlieten, tegen te houden. Die rivier in kwestie heette TINDA. Vanaf dat ogenblik was het voor ons onmogelijk Bunia te bereiken, er mocht niemand meer door omdat men meende dat spionnen Bunia zouden binnendringen. Wij van onze kant dachten er zelfs niet aan naar de stad uit te wijken juist omwille van de ondraaglijk gespannen toestand. Vermits we daarenboven niets hoorden van gewelddaden tegenover de missie of missionarissen vanwege de rebellen, behalve dan op Amerikanen bleven wij op de missie van BADIYA. Op maandag 24 augustus passeerde op de missie de Administrateur van het gewest IRUMU. Hij was per fiets en begaf zich naar BUNIA (op de grote baan naar Stan was alles afgesloten), dus langs een zijweg. Hij ging hulp vragen daar de rebellen aangekomen waren te MAMBASA op 170 km van BUNIA op de grote baan naar Stan, en ze er de Administrateur en zijn assistent vermoord hadden. Om BUNIA te bereiken waren er twee wegen : ofwel de grote baan die nu versperd was door de soldaten van het A.N.C. en een zijbaan in heel slechte staat, die langs de missie voorbijliep. Drie km van de missie werd die weg gekruist door een tamelijk brede rivier, die SHARI heette. Er is daar geen brug over en men bereikt de overkant ofwel al zwemmend natuurlijk ofwel langs een lianenbrug, die wij apenbrug noemen, als die echter niet in ’t water hing, ofwel langs de bak of ponton op vier pirogen, als die natuurlijk ook niet weggespoeld was met de stroming. Toen de Administrateur daar aankwam, weigerde men hem over te zetten, doch ze hielden hem eenvoudig aan en een onder hen ging bij de chef een paar policiers roepen die gauw kwamen en Mijnheer de Administrateur terug naar IRUMU brachten ; zij dachten dat hij trachtte te vluchten met het geld van de kas. De volgende dag, dinsdag 25 augustus, was er vormsel op de missie. Monseigneur had me de toelating gegeven zelf te vormen in geval hij niet meer bij mij zou geraken, hetgeen werkelijk zo was. Twee dagen later, op donderdag 27 augustus, vertrekt Pater De Meyer met de camionette naar Bunia , hij was vergezeld van een Canadese jonge Pater die sinds januari bij ons was om het Kibira (inlandse taal) te leren. Niettegenstaande de moeilijkheden oordeelden wij dat het maar best was dat de Pater vertrok, daar velen natuurlijk wisten dat Canada in Amerika ligt en wij al vernomen hadden dat de rebellen bijzonder woest waren op de Amerikanen. De protestantse missionnarissen , die Amerikanen waren, van de missie NYANKUNDE op 15 km van hier, waren trouwens allemaal vertrokken. Aan de Tinda-rivier hadden de twee Paters alle moeite van de wereld om over de brug te geraken. Tegen de avond was Pater De Meyer terug thuis, maar alleen. Hij had ook eten meegebracht : bloem, suiker en charcuterie, ook missiewijn die men in Bunia verdeeld had over alle missies.”
Vervolgt.
Foto’s :
-Pater René tussen zijn familie.
-Op zijn moto.
-Tijdens één van zijn afreizen.





































































