
Wijzigingen - Aanvullingen
1964 – Augustusnummer “De Band” : Pater René DE LAET over het geval Kongo”
KONGO.
De Band (april 1965) : “Het zal onze lezers en lezeressen zeker verheugen, te mogen vernemen dat het ons mogelijk is, dank zij onze dorpsgenoot E.P. De Laet, een uitgebreide reportage te geven over het geval KONGO !! “
In Wikipedia vonden we volgende achtergrondinformatie : De Simba's (Swahili voor 'leeuwen') waren Congolese opstandelingen die in 1964 grote delen van Oost-Congo veroverden. Zij waren antiwesters gezind en blijven berucht omwille van hun moordpartijen op Congolese burgers, westerlingen en missionarissen. Belgische militaire operaties, de Ommegang en Dragon Rouge, maakten een einde aan de Simba-opstand. In 1960 werd Belgisch-Congo onafhankelijk. Het centrale bestuur onder Kasavubu en Lumumba slaagde er niet in zijn gezag overal te doen gelden. Allerlei groepen en stammen herkenden zich niet in het landsbestuur en de moord op Lumumba in 1961 wakkerde de onrust aan. Het ongedisciplineerde ANC (Armée Nationale Congolaise)) ging zich te buiten aan moordpartijen, verkrachtingen en plunderingen, wat her en der opstanden uitlokte. De opstand van de zogeheten Simba’s in Oost-Kongo in de zomer van 1964 bleek onverwacht heel succesvol. De Simba’s rekruteerden voornamelijk bij animistische stammen uit Kivu en Orientale. ‘Simba’s’ geloofden dat ze onkwetsbaar waren voor kogels, dat ze in leeuwen zouden veranderen in de strijd, want zo hadden de sjamanen Mama Maria Onema en mama Fumu hun verzekerd. De Simba’s werden geleid door Christophe Gbenye en Gaston Soumialot, leden van de marxistische Mouvement National Congolais (MNL), die werd gesteund door de Sovjet-Unie en Cuba. Ontevreden jongeren, jeugdbendes die zich als de ‘jeunesse’ hadden verenigd, sloten zich gewillig aan bij de Simba’s en vormden een aparte kern. Als belangrijkste militaire leider van de Simba’s wierp Nicholas Olenga zich op, een Lumumba-vertrouweling die in 1963 nog een mislukte staatsgreep had gepleegd. De Congolese regering werd in 1964 voorgezeten door Tshombe, oud-leider van de afgescheiden provincie Katanga, maar was zwak. Het ANC onder leiding van Mobutu en berucht om zijn wreedheden, riep vooral weerstand op bij de bevolking. Tijdens de opmars van de Simba’s vluchtte het ANC meer dan dat het verzet bood. In korte tijd slaagden de Simba’s erin heel oostelijk Congo te veroveren met als koninginnenstuk de inname van Stanleystad op 5 augustus. In deze bloeiende handelsstad woonden zowat 1600 buitenlanders, waaronder ruim 500 Belgen. De Simba’s vermoordden duizenden mensen vooral Congolezen zij gijzelden honderden westerlingen. België stuurde kolonel Frédéric Vandewalle uit. Die begon een veldtocht tegen de Simba’s, de Ommegang genoemd, aan het hoofd van enkele duizenden Katangese gendarmes en 254 blanke huurlingen. Vandewalle veroverde Kindu maar stelde vast dat de Simba’s niet aarzelden om gijzelaars te doden als ze militair werden bedreigd. Omdat Belgen in Stanleystad direct gevaar liepen werd een bliksemactie voorbereid om hen te bevrijden. De geheime operatie werd “Dragon Rouge” genoemd en stond onder leiding van kolonel Charles Laurent. Belgische para’s sprongen op 24 november boven de luchthaven van Stanleystad en slaagden erin de meeste gijzelaars tijdig te bevrijden. In samenwerking met Dragon Rouge maakte Vandewalle een eind aan het Simba-bewind. Toen alles weer veilig was, deed het ANC zijn intrede in Stanleystad. De Congolese veiligheidschef Victor Nendaka organiseerde een zeer verregaande repressie onder de burgerbevolking. Personen die ervan werden verdacht met de Simba’s te sympathiseren, werden doodgemarteld. De strijd tegen de Simba’s, die Punia nog veroverden, zou voortduren tot mei 1965. Na de ontzetting van Watsa, waar de lijken van 38 vermoorde westerlingen werden gevonden. Het zou nog tot augustus 1965 duren alvorens de gevechten in het land stopten. Zo volgde op zondag 30 mei 1965 nog een moordpartij in Buta, waar eenendertig missionarissen werden vermoord. In november greep Mobutu de macht en begon een periode van relatieve stabiliteit.
René DE LAET.
“Velen hebben zich waarschijnlijk al afgevraagd wat ik zoal meegemaakt heb, en op welke wijze wij ontsnapt zijn uit wat men noemt “de hel van Kongo”. Daarom ga ik trachten de lezers van DE BAND eenvoudig ’t een en ’t ander vertellen over die drie maanden die wij doorgebracht hebben onder rebellenbewind. Ik zeg in ’t kort en “’t een en ’t ander” want alles tot in de details neerschrijven zou tot resultaat hebben dat u een boek zou voorgeschoteld krijgen. Weest er ook niet over verwonderd dat ik dikwijls in de eerste persoon zal spreken ; dat wil zeggen dat bijna alles wat gaat volgen door mij persoonlijk beleefd is. Al hetgeen er gebeurd is in andere streken hebt u vernomen langs de dagbladen, radio en T.V. Eerst geeft ik u een klein overzicht van onze missie, de plaats en de streek waar wij leefden en hopelijk zullen terugkeren. Neemt u de kaart van Kongo, dan ziet u de voormalige Oostprovincie met Stanleystad als hoofdplaats liggen in de rechterbovenhoek, m.a.w. in het noordoosten van het land. Ik zeg de voormalige Oostprovincie, want sinds 1961 is iedere Kongolese provincie ingedeeld in drie of vier omschrijvingen die samenvielen met de vroegere districten, die men nu ook provincie noemde en die onafhankelijk waren van mekaar en in theorie tenminste bestuurd werden door het Centraal gouvernement van Leopoldstad door middel van de provinciale regering. De uithoek van Kongo in het noordoosten, ingesloten in het noorden door de Soedan en in het oosten door Uganda, werd dus de provincie van KIBALI-ITURI met BUNIA als hoofdplaats; ze werden zo genoemd naar de twee voornaamste rivieren die er stromen. We kregen dus een regering met President en een twaalftal ministers, functionarissen, de ene al meer onbekwaam dan de andere, wiens aantal steeds meer aangroeide, zonder dat er iets gedaan werd om de toestand op gelijk welk gebied te verbeteren. Wanneer de provincie bij ons opgericht werd waren de meeste agenten van de administratie in dienst, en die dus al een heel klein beetje ervaring hadden, afkomstig uit Stanleystad en omstreken. Al die vreemden werden door de mensen WATOKACHINI” genoemd (degenen die komen van beneden, omdat Bunia hoger gelegen is dan Stanleyville). Er was stilaan verzet gekomen tegen die Watokachini, omdat de Ituri zo een beetje als wingewest van Stan beschouwd werd; met het gevolg ook dat Ituri onafhankelijk werd en vele vreemden, vooral die uit de administratie, vertrokken. Ook met het gevolg dat alles nog meer in ’t honderd liep. De belastingen vermeerderden ; de prijzen gingen de hoogte in ; vele zaken kon men niet meer krijgen ; er kwamen altijd maar meer werklozen bij ; bijna al de plantages van koffie waren verlaten, stonden in de brousse en brachten niets meer op ; sommigen zoals onderwijzers, kantonniers of bedienden werden onregelmatig of in ’t geheel niet meer betaald; de wegen waren in een heel slechte staat en werden niet meer onderhouden buiten enkele grote wegen en dan nog ; zoals b.v. de baan van Stan-Bunia die 700 km lang is en op sommige plaatsen veel weg had van de Larestraat of het Hoogveld in Leest ; ze is alleen een stuk breder. Op diezelfde baan (Stan-Bunia) ligt onze missie van BADIYA, 4 kilometers er van verwijderd en 40 kilometers van Bunia (de dichtstbijzijnde stad). De grens van onze Missie in de richting van Stanleystad is op 75 km, in het grote oerwoud dat begint op 40 km van bij ons en zich uitstrekt tot in Stan. In dezelfde richting ligt de hoofdplaats, of hoofdplaatsje, van het gewest (territoire), IRURU genaamd op 25 km ; daar nog 20 km verder bevindt zich het grote kruispunt (NJIAPANDA, noemden we dat); de grote weg splitst er zich in twee; rechtdoor naar Stan en links naar BENI, waar de Paters Assomptionnisten hun missies hebben : BUTEMBO, GOMA en BUKAVU, die laatste plaats is 800 km van hier verwijderd. Op het grondgebied van onze missie wonen er zo ongeveer 36.000 mensen, verdeeld onder vier verschillende rassen ; talrijkst waren de BABIRA, 20.000, 4.000 WALESE (bosmensen), een paar duizend Pigmeeën of dwergen, die ook in het bos wonen en WAHEMA of koeherders die met de BABIRA samenwoonden. Daarnaast had men mensen van allerlei rassen die hier komen wonen waren; vooral WAGETI, die bij hen moesten uitwijken omdat zij te talrijk waren en geen eten genoeg konden vinden. Van al die mensen waren er 14.000 katholiek gedoopten, verdeeld over zes centrale en 28 brousse schoolkapellen, die we regelmatig bezochten.
We waren met drie Paters : Pater Jaak De Meyer, een Bruggeling, Pater De Keyser uit Sint Agatha Berchem en ik. Pater De Keyzer die tevens professor van godsdienst was aan het Atheneum van IRURU was op verlof in Europa sinds juni, evenals alle andere blanke professoren, zodat we met twee overbleven. In heel de streek waren we trouwens de twee enige blanke professoren. In BUNIA bevond zich de voornaamste missie van het bisdom met Monseigneur Gabriel UHEC, een inlandse priester, sinds augustus 63 na de dood van Monseigneur Matthyssen Apostolisch Administrator van het Bisdom.
Vervolgt.
Foto’s :
-Joseph Kasavubu.
-Patrice Lumumba.
-René De Laet - herinneringen aan de dag van zijn eremis.





































































