Wijzigingen – Aanvullingen
Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”
Vervolg in “De Band” van juni 1965 : “De catechumenen en de internen waren aan ’t werken op hun velden. Enkele werklieden waren de klassen van de jongensschool aan ’t witten, een paar vrouwen en een zuster bevonden zich in de barza van de materniteit en voor de rest was er geen levende ziel te zien. Onze kok was naar huis en zou maar eerst tegen zes uur terugkomen om de moteur (van de elektriciteit) aan te steken en het avondeten klaar te maken. Onderweg was er wel hier en daar iemand die ons angstig en ondervragend aankeek : “Waar gaat ge nu naartoe ?”, hun hand opstaken en ons aankeken. Misschien vier of vijf personen en voor de rest was alles doods en verlaten, de deuren van de huizen potdicht gesloten, ook op de grote baan. Aan kilometer 8 kwamen we in Malabo; dorp waarover we het al hadden. Voorbij de magazijntjes links bevinden zich school en kapel, en rechts daartegenover het dorp van de chef, doch een beetje verwijderd van de baan. We werden een beetje ongerust. Normaal was Malabo als een mierennest, er is daar een grote markt en veel magazijnen en het krioelde er altijd van mensen. Nu niets of niemand en alles potdicht gesloten. We reden de kapel een beetje voorbij en stopten, ons afvragend wat we zouden doen. Ik zei : laat ons gaan kijken naar de chef. We moesten eerst een beetje achteruit rijden om zo rechts te kunnen in te slaan. Op hetzelfde ogenblik kwam er een bende aangereden in die richting. Ze reden heel traag en er zaten enkele mannen op. Er is daar een grote bocht in de baan, ongeveer 500 m van de plaats waar we ons bevonden. Zonder veel acht te slaan op die bende reden we het dorp binnen en stopten op het pleintje voor het huis van de chef nevens de vlaggenstok. Niemand te zien ! We gingen overal rondkijken. Tenslotte werd er schuchtertjes een deur geopend; de man die buiten kwam als hij ons zag heette Baudouin Lembanyabo, onze man van de katholieke actie in Malabo. We vroegen hem : “wat gebeurt er hier allemaal ?” “De mensen zijn allemaal gaan lopen, behalve ik.” “Waarom ?” “Wel, weet ge dan niet dat die mensen hier zijn ?” “Welke mensen ?” “Wel, zij.””Waar zijn die zij ?” “Daar, zie ze komen af.” We keken om en inderdaad “zij” waren daar, te voet, want hun auto stond aan de magazijnen. Met vier waren ze. Twee ervan hadden een automatisch geweer, de derde een grendelgeweer en de vierde had een lans in de hand. Hun chef (dat wisten we gauw, Salomon Bubu, die later altijd vriendelijk voor ons zou zijn, maar in feite niet veel te zeggen had) had een fluitje rond zijn hals hangen en een regenmantel aan zonder mouwen, de anderen waren half naakt. Een ogenblik wisten ze niet wat doen. De gedachte om gaan te lopen flitste door het hoofd, omdat er vele hutten in de nabijheid stonden en de brousse ook dichtbij was. Dat was echter geen oplossing, eerst en vooral gevaarlijk en dan, waar naartoe ? Daarom deden wij het enige wat wij konden doen, we zetten ons vriendelijkste gezicht op en we gingen naar hen toe, zulks met grote zelfzekerheid als om hen te verwelkomen, wat niet belette dat wij angstige ogenblikken beleefd hebben. Volgend gesprek speelde zich af : “Wat komt gijlie hier doen ?” “Wij komen u goedendag zeggen, wij hoorden dat gijlie allemaal brave mensen zijt en geen kwaad doet.” “Waarom zijt gijlie dan achteruit gereden en het dorp ingevlucht als ge ons zaagt aankomen ?” “Wij wisten niet dat gijlie dat waart en kwamen in het dorp om aan de mensen te vragen waar gijlie waart.” “Dat geloven we niet, want we hebben gezien dat gij gaan lopen zijt.” “Maar we hebben geen schrik, wij weten dat gij brave lieden zijt, anders zouden wij toch niet naar hier gekomen zijn ?” “Vanwaar komt gij dan ?” “De missie is hier op acht kilometers.” “Hebt ge daar auto’s ?””We hebben enkel de camionette waarmee we gekomen zijn.” “Dat geloven we ook niet. Allez vooruit, de camionette gaan wij al zeker meenemen. We zullen naar onze grote chef rijden.” We gingen in de richting van onze wagen, ze volgden ons met geladen geweren en ze schoten ook in de lucht. “Waar is het contact ?” “Er is geen contactsleutel.” “Leugens, geef het contact maar gauw of we schieten.” “Kom, dan kijken we in de cabine.” Twee Simba’s kropen er in, wij moesten van achter plaats nemen in de bak samen met de twee andere gewapende rebellen. We reden weg, zagen dan ook het lijk liggen van de vermoorde policier in de greppel en stopten aan een magazijn waar de andere Simba’s aan ’t drinken waren. Dezelfde comedie ! “Wat komt gijlie hier doen, van waar komt gij, waarom zijt ge gaan lopen ? Uw camionette hoort toe aan het volksleger…” Na nog wat palaberen waren ze toch ’t akkoord ons te laten vertrekken. Ze zouden zelf onze wagen komen halen op de missie morgen vroeg. Zo verliep onze eerste kennismaking met de Simba’s, die de laatste niet zou zijn. ’s Anderendaags ’s morgens, donderdag 3 september. Als de mis uit was rond zeven uur praatte ik zoals iedere dag als ik thuis was met de enkele mensen die de moed nog hadden naar de kerk te komen. We gingen daarna met ons getweeën een beetje eten, of liever wat eten door ons keelgat wringen, bij het minste gerucht opspringend, het was precies of we gedurig motoren hoorden !! Om negen uur ging ik onderricht geven aan de catechumenen die met een 80-tal waren : volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel en de kinderen van de plechtige communie. Wij noemden die zes-maanders, het waren gedoopte kinderen van rond de 12 jaar, die niet naar school gingen en voor zes maanden naar de missie komen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel . We waren nog pas bezig of we hoorden een camion afkomen en zingende mannen. Wij aanstonds naar buiten, dat wil zeggen de catechumenen en de rest de missie in en ik bleef alleen op de koer staan met Pater De Meyer die ook afgekomen was, samen met een paar zusters. Enkele ogenblikken later kwam er een grote rode autobus aangereden, door de rebellen buitgemaakt op het K.N.L.. Heel traagjes, we zagen ze rijden in de dreef die naar de missie loopt, tussen de palmbomen door. Het was een autobus zonder ruiten, gevuld met halfnaakte Simba’s, de geweerlopen door de ramen en al maar door zingend. Ze kwamen de koer opgereden en maakten een grote draai. Al zingend kwamen ze buiten en bleven nevens de bus staan dansen. Hier weer, zoals gisteren, deden wij hetzelfde. We gingen recht op hen af en herkenden onze adjudant, wat ons gerust stelde. “Roep de mensen maar, dat ze allemaal komen, niemand moet schrik hebben. Wij doen alleen maar kwaad aan degenen die geld gestolen hebben.” Zij bedoelden daarmee al degenen die werkten aan de staat en geld verdienen, soms heel veel, en ook wel, niet allemaal natuurlijk, geld stalen, vooral zij die aan de kas zaten. De mensen kwamen schuchter dichterbij, ieder met een tak in de hand of een hoopje lang gras, waarmee ze wuifden. Dat moest zo zijn, men vertelde zelfs dat de Simba’s de handen afkapten van degenen die niets in hun handen hadden. Ze zeiden dat ze gekomen waren om de streek, heel Kongo, te zuiveren van de profiteurs en uitbuiters, Tsjombe op kop, die Kongo verkocht heeft aan de Amerikanen die nu gekomen zijn om tegen de Simba’s oorlog te voeren. Ze gaven bevel aan de mensen dat ze soldaten van Tsjombe die op de vlucht zouden zijn en bij hen zouden kleren of eten vragen, vriendelijk moesten ontvangen; ze zouden aanstonds beginnen te zeggen : “kom maar binnen, we zullen eten voor u klaar maken, ge moogt hier slapen ook. Als de soldaten goed zouden gegeten hebben, zouden ze gaan slapen en zouden hun geweer naast hen leggen. Als ze dan ingeslapen zouden zijn, moesten ze hun overvallen. Als ze hen niet zouden durven vermoorden, moesten ze hen binden en aan de Simba’s overleveren samen met hun geweren…Ze zeiden ook “en wij willen absoluut geen kwaad doen aan de Paters of aan de missie ; ge moet maar veel bidden en aan God vragen.” “Uw camionette zullen we toch maar meenemen, alleen maar om onze gekwetsten naar het hospitaal te voeren, daarna brengen we ze terug.” Later vertelde men ons dat ze een Pater zouden doodgeschoten hebben indien we zouden geweigerd hebben. Pater De Meyer ging dan met enkele Simba’s naar de garage die achter ons huis lag. Ze moesten alleen maar de wagen hebben, de bäche, sleutels, pomp mochten blijven, want over een paar dagen zouden we de camionette toch terug krijgen. Onze fameuze adjudant was ondertussen een goeiedag gaan zeggen aan de zusters (Bamasoeurs). De chauffeur, of ene die dacht dat hij met de auto kon rijden, kwam met de camionette achterwaarts uit de garage gereden, wilde draaien voor ons huis, maar reed tegen de waterciterne. De kraan brak af en een brede waterstraal gutste uit de opening. Nu, dat is geen erg, zeiden we…en weg waren ze. Met dat al wisten we nog niet wat die mannen in ’t schild voerden. Er werd nog wat nagepraat en iedereen ging dan naar huis. Ik ging op zoek naar de kinderen van de mafundisho (onderricht) en de catechumenen. Die wonen achter de kerk, ik was juist van plan binnen te gaan in de slaapzaal om te kijken, of ik hoorde plots geweerschoten en twee van onze jonge hoveniers (waarvan ik hoger vertelde) kwamen afgestormd om zich te verschuilen. Ik ging naar de missie en zag juist de camionette terug de dreef inrijden en vertrekken. De mannen waren teruggekomen om de bäche. Als ze vertrokken schoten ze in de lucht van vreugde. De mensen kropen in een mollegat van schrik, niettegenstaande al de schone en vriendelijke woorden van de Simba’s. Terreur was wel het grote wapen van de rebellen om de bevolking kalm te houden. We werden gerust gelaten voor de rest van de dag. We hoorden alleen voorbijrijdende camions geladen met zingende Simba’s op de grote baan en verwachtten steeds dat ze naar de missie zouden komen. We vernamen ook dat Bunia ingenomen was. Een infirmier, wiens vader onderwijzer op de missie was, was thuis gekomen. Hij had de strijd bij de Tinda meegemaakt, omdat hij verplicht was door het K.N.L. met hen mee te gaan als ziekenverzorger. Alle kinderen, catechumenen, vrouwen die wachten in de materniteit, de Zusters met de weesjes en meisjes die bij hen werkten, waren allemaal weggelopen, ze hadden zich verscholen aan de andere kant van de missie in de velden waar twee werklieden woonden, helemaal alleen in de vlakte, want de missie ligt op een heuvel. De Zusters hadden eten meegenomen voor de kinderen en voor hen. Iedere morgen na de mis vertrokken ze. Ze werkten dikwijls in hun velden en ’s avonds kwamen ze dan terug naar huis. Anderen deden juist het tegenovergestelde, overdag bleven ze thuis en werkten er wat, maar ’s avonds zag men overal hoe ze vertrokken met pak en zak om ergens in de brousse bij een of andere kennis te overnachten. Vrijdag 4 september gaf ik toelating aan catechumenen en kinderen van het onderricht naar hun dorp te gaan, ze waren ten andere niet meer te houden en vielen mij heel de tijd lastig. Voor enkele dagen maar, zeiden ze. Ik zei hen ook de families te verwittigen van de weeskinderen, dat ze die ook maar zouden weghalen. Drie mannen die catechumenen waren, bleven achter om hun huis en velden te bewaken, alsook hun varken dat bijna vet genoeg was om te slachten. ’s Avonds rond 6 uur nieuw alarm. Het begon donker te worden en men had zo pas de moteur van de elektriciteit aangestoken. Een onderwijzer kwam buiten adem toegelopen en vertelde dat een grote groep weggevluchte soldaten van de K.N.L. na de nederlaag bij Bunia op weg waren naar hier, waar ze een weg zochten om over te steken. Men had ze gezien bij de Shari, een rivier op drie kilometer van hier. Ze waren gewapend maar deden niets, ze vroegen alleen maar burgerkleren. Als men weigerde trokken ze de kleren van ’t lichaam en lieten hun soldatenkleren achter. Paniek en schrik, na al datgene wat de Simba’s gisteren gezegd hadden, dat diegene die een soldaat zou helpen aanstonds zou gedood worden, kan men indenken… De moteur werd al dadelijk stilgelegd, we deden de deuren op slot en begaven ons naar de refter die achter het huis gelegen is. We hebben daar een beetje gegeten en een tijdje naar de radio geluisterd. Alle mogelijke en onmogelijke posten om wat nieuws te vernemen. Overal redevoeringen van ministers die niets anders zeiden dan dat ze wonnen en de anderen bedreigden. Brussel konden we sinds een paar dagen niet meer krijgen, daar hadden ze niet beter gevonden dan van golflengte te veranderen, zgz. om de uitzendingen klaarder te maken. Bij ons was het juist het tegenovergestelde. In alle geval op die avond gebeurde er niets. De soldaten waren wel voorbij gekomen, maar veel te haastig om ergens binnen te komen. Velen echter van diegenen die gevlucht waren uit Bunia na de inname van de stad door de Simba’s bleven kalm zitten aan de overkant van de Shari en de Ituri, die nog een veel grotere rivier was. Er zijn daar geen wegen, enkel maar bergen, bossen, brousse en wilde beesten. Met het vlees van die beesten, vooral olifanten en buffels kochten ze eten bij de mensen en konden ze in leven blijven tot in ’t begin december, wanneer de streek van Bunia terug bevrijd werd. Zaterdag 5 september. De spanning duurde voort. Er kwamen nog enkele mensen naar de kerk ’s morgens en daarna was alles verlaten. Ik werkte wat op mijn bureau, klopte de vertaling van de uitleg van de Katekismus in Kibira (inlandse taal gesproken door de Babira) in vier exemplaren; voor de rest gingen wij de mensen bezoeken in de naaste omgeving. We hadden een schoon uitzicht op de top van een kleine heuvel vlak bij de missie gelegen, waar een onderwijzer zijn huis gebouwd had. We konden van daaruit de grote baan zien liggen en de voorbijtrekkende Simba’s. ’s Avonds verlieten we de kerk na het avondgebed. Ik sloot de deur en op ’t zelfde ogenblik kwam er een auto aangereden. Het was een station-wagen, gestolen op de protestantse missie van Nyanunde. Er kwamen vier mannen uit in hun traditioneel oorlogskostuum, half naakt en gewapend met geweren. Ze waren echter vriendelijk en zeiden dat ze aan ’t patrouilleren waren en dat wij geen schrik moesten hebben. We gingen dan ook slapen. Om half twaalf schoot ik wakker, er was weer een auto. Ik kwam buiten en zag dezelfde mannen van daarjuist neven hun auto met geweer in aanslag ; aan hun manier van doen zag ik dadelijk dat het niet pluis was. Toen ik bij hen kwam zeiden ze : “gij verstopt een Amerikaan.” “Wij hebben hier geen Amerikaan gezien.” “Ofwel verstopt ge een soldaat van Tsjombe, wij hebben hem zelf gezien op de baan, hij is naar hier gelopen. Waar zit hij ?” “Maar er zit hier niemand. Ge hebt gezegd dat wij niemand mochten versteken. Als ge wilt moet ge maar komen kijken en zoeken.” Pater De Meyer stak het licht terug aan en een Simba vergezelde hem naar het moteurkot, omdat de Pater het zelf vroeg. De huiszoeking kon beginnen. Als ge nu weet hoeveel gebouwen er op de missie staan en hoever die van mekaar verwijderd liggen, dan is het niet moeilijk te begrijpen hoeveel uren er zouden nodig geweest zijn alles af te zoeken. Ik ging mijn kamer binnen gevolgd door twee gewapende Simba’s. Een keek onder de tafel, dan in mijn slaapkamer die zo klein is dat men er nauwelijks kan in omdraaien. Ze keken onder mijn bed en ik moest de deur openmaken van de kleerkast. De huiszoeking bij mij was afgelopen. Dan gingen we in ons “salon”. Op tafel stond er een bandopnemer en ze moesten weten wat dat voor iets was. In een hoek stond er een ouwe uiteengenomen radio “iko nini ?” (wat is dat). Om de huiszoeking te beëindigen wilden ze nog de huizen van de onderwijzers zien, die wonen op een 50-tal meters van de missie nevens de oude jongensschool, in negen huizen langs weerszijden van de weg. Daar was natuurlijk ook niets te zien, ze kwamen dan terug en zeiden “munafaya fonie”. Wij keken hen aan en wisten werkelijk niet wat ze bedoelden. (later zouden we het nog genoeg horen !...) “Ndiyo, munafanya fonie” (ja, ja, gijlie doet fonie) om de Amerikanen te roepen en tegen ons te vechten. Toen ging ons een licht op. Ze bedoelden een uitzendpost en verwarden dat met Telephone ! We zeiden dat we wel een radio hadden, maar nooit een phonie in bezit hadden. “Ge bezit wel een fonie, zie maar, in Nyankunde hebben ze er ook ene. Yosiya (een Kongolees die in de drukkerij werkte) is gaan lopen maar we hebben zijn zoon meegenomen. Kijk maar in de auto, als zijn vader niet terugkomt schieten wij hem dood.” Zij vertrokken.”
Vervolgt.





























































