
Vervolg herinneringen aan de legertijd van Robert De Rooster
Vanuit Soest – 1965 : “Iemand van Milac vroeg me eens iets te schrijven over het soldatenleven. Ik voel me hier nu heel rustig, het is zondag…Voor ik bij den troep was stelde ik me het soldatenleven heel anders voor. Ik had er eerlijk gezegd een beetje schrik van. Nu ben ik ongeveer 8 maanden binnen en heb bijna gans de tijd in Duitsland doorgebracht. In België heeft men nog iedere week zijn thuis en ik vind dat, dat niet echt soldaat zijn is ! Ik kan er niet van meespreken maar het moet toch triestig zijn en vervelend om elke week de verandering te moeten ondergaan. In Duitsland waar de meeste soldaten liggen, daar hebben de jongens ‘alleen’ mekaar. Ze hebben anders niets. Ze worden gesterkt door de brieven van thuis, hun meisje en elders. Kameraadschap, zonder dat men het weet, is nergens zo groot dan in het leger. Een kamer vormt een familie, een peloton vormt een ploeg, men hangt aan elkaar, men is aan elkaar gebonden. Vroeger dacht ik dat het er bij de soldaten ruw aan toe ging en dat er daar veel barbaarse toeren werden uitgehaald, want als er in de kazerne iets ‘kleins’ gebeurt, staat het in blokletters in de gazet. Wel, in ons peloton zijn het allemaal goeie jongens, allemaal jongens waar ge iets kunt van gedaan krijgen, ik ken ze allemaal met hun voornaam…en ik denk dat, dat in alle pelotons zo is…en dat is zo. Voor een soldaat in België heeft men weinig respect, ik ben zelf soldaat, ik ondervind dit. Tegenover soldaten spreekt men ruwe taal, op straat ziet men u niet gaan en op een bal wijst men u met de vingers na als je, je soldatenpak aan hebt, dan zijt ge een categorie lager. Van de soldaten wordt gedacht dat ze veel slechte dingen doen, gemene cafeetjes opzoeken en kabaal maken; bij ons is het procent zeer laag, ja zeer gering van de mannen die zuipen en dan doen die jongens het om hun problemen te ‘verdrinken’. In de kantien gebeurt het nogal dikwijls dat ge een pintje te veel uit hebt, maar diegenen die van buiten de kazerne ‘zat’ binnen komen, kunt ge iedere week op de vingers tellen en buiten de kazerne gebeurt er NIETS. Vele soldaten in België hebben een grote muil om dingen te vertellen die sensatie verwekken bij de hedendaagse opvattingen, maar ze zeggen het nooit uit hun hart ! De weinige cafeetjes die zich in ons garnizoen bevinden zijn steeds schaars met soldaten bezet, en er zijn er hier duizenden in het garnizoen ! Iedere soldaat, evenals een ander mens streeft naar een ideaal en allemaal willen z’er iets schoon van maken. Soms steekt het tegen en dan zeggen ze straffe dingen, maar als het er op aan komt doen ze om het best. Deze week hebben we daar nog een bewijs van gekregen. We zouden ’s avonds dropping hebben, we werden verdeeld in verschillende secties. Iedereen ging er zijn voeten aan vagen ! Er zou geen stap gelopen worden ! En ze kunnen mijn voeten kussen, ze mogen ontploffen, ik ga doktersrapport vragen, ik zal me niet inspannen, enz… Tijdens de dropping had men er deugd in om zich te kunnen haasten en rap het volgende punt te vinden en onderweg een andere sectie voorbij te steken, dan was zelfs hun moed niet te beschrijven. ’s Anderendaags vertelde iedereen zijn wedervaren en allen konden ze de dropping beschrijven en ze deden er veel bij omdat het zo goed was meegevallen, in hun brieven schreven ze over de dropping aan iedereen. Natuurlijk gaat een soldaat gaarne in verlof. Als men voor 2 maanden van huis weg is weegt het soms zeer zwaar, vooral als ge veel vrije tijd hebt begint ge te voelen dat ge iets mist, dat ge een tekort hebt in dit leven, ge begint aan huis te denken, dat begint allemaal in uw kop te draaien, je denkt aan alles wat je in de heimat mist, je denkt aan tedere dingen die je mist, die je zouden komen troosten, sommigen voelen dat zo diep aan dat het hen te sterk wordt en ze roepen uit : ‘ik ga me een stuk in mijn kraag drinken’. In die momenten nemen ze hun almanakje, ze tellen na…nog tweehonderd en drie of vier dagen…Wanneer die soldaat geregeld een brief krijgt is dat allemaal niets. Met een brief kunt ge zo plus minus 3 dagen voort. Maar er zijn sukkelaars die soms weken moeten wachten alvorens post te krijgen, het zijn de mannen die in het cachot terecht komen, ze bezuipen zich, ze doen zotte toeren en dat ondermijnt die sukkelaars. Door mannen met een hart worden ze bijgestaan, maar door de meesten geminacht….er zijn zo een paar gevallen in onze compagnie. ‘Dat’ alleen zou ik de duistere kant van het leger noemen. Zeg, wanneer ge een vriend soldaat hebt of in je familie, of iemand die ge kent is soldaat, schrijf hem eens een briefje of stuur hem iets op, ge kunt niet geloven hoe gelukkig ge hem maakt. Ge doet er geloof ik meer goed aan dan 100 fr te geven voor een goed werk. Vooral soldaten zijn weke mensen, ze zijn vooral niet brutaal, och, we zijn hier allemaal doodgewone jongens, vrienden onder elkaar, soms hebben we voor mekaar meer over dan ge ooit voor je broer zoudt over gehad hebben (ik heb in werkelijkheid geen broer, ik denk dat ik hard aan mijn kameraden zal missen wanneer ik het leger verlaat). Onder elkaar worden hier veel moppen verteld. Sommige zijn daar zelfs specialist in en bij ons moet het werkelijk al erg extreem doen, eer men er kan mee lachen… ja, dat is werkelijk zo ! Maar zou dat bij de soldaten alleen zijn ? De jongens worden soms die rotte atmosfeer beu en zeggen ‘zwijgt nu eens met uw gezever’. Eerst vertellen ze de moppen om sensatie te verwekken, maar als ze op den duur eens goed nadenken krijgen ze medelijden met zichzelve. In het burgerleven gaan misschien plus minus 70% van de soldaten naar de mis ! Voor enkele weken heb ik in de kapel de soldaten geteld, het waren er 143 en dan zouden er nog een 10-tal in de avondmis zijn, dat maakt 160 en in onze kazerne zijn 500 soldaten ! Om u een voorbeeld te geven : in onze kamer gaan mijn vriend en ik naar de mis, er zijn er 7 op onze kamer; de kamer links van ons gaat er soms 1 van de 8, de kamer rechts van ons gaan er twee van de acht, ’onregelmatig’. Hoe dat komt ? Kunt u geloven dat sommige jongens verlegen zijn voor anderen om naar de mis te gaan. Hun geloof is zo gering dat ze dat zelfs laten, ge kunt u inbeelden welk geloof dat ze uit het burgerleven hebben meegekregen…Het is droevig ! De jongens zien er het nut niet van in, het laat hen zelfs koud. Soms zeggen ze wel : ‘Dat zouden ze thuis eens moeten weten..’ en dan krijgen ze spijt en dan gaan ze weer maar eens…doch hier hangt ook weer veel af van de brieven die van huis ontvangen worden of van elders. Een verloofde of de thuis zelf kan zijn soldaat ‘besturen’. Is de post goed, dan is de soldaat ook goed. Een soldaat heeft natuurlijk ontspanning nodig. ’s Avonds heeft hij vrijaf van 6 uur tot 10 uur. Sommigen gaan naar de cinema kijken, anderen schrijven een briefje en lezen de krant in een hoekske; nog anderen gaan naar de kantien, nog anderen hebben de tijd nodig om aan hun materiaal te werken en vele avonden zijn bezet door nachtoefening, wacht, piket of i.d. De zondag is de soldaat over ’t algemeen de ganse dag vrij en hier komt de kat op de koord : over ’t algemeen is er ’s zondags een prachtige film en is de avond bezet, in de namiddag is er niets en uit de verveling komen de rare dingen…daar heb ik mijn gedacht reeds over geschreven. Wat er in de kantien is inzake godsdienst is niet vet ! Er zijn in een kazerne honderden oversten maar er is slechts één aalmoezenier en die doet dan dienst in 3 kazernes, die mens heeft werk tot boven zijn oren en toch doet hij veel ! Milac doet ook veel voor de soldaten. Ieder soldaat die het woord Milac hoort uitspreken denkt direct dat het voor hem is, want dat is speciaal voor de soldaten. Wat wordt er verder voor ons gedaan buiten de kazerne ? Wat bestaat er buiten Milac om voor ons iets te doen ? Er is in de kazerne een Milac-dienst, de soldaten kunnen regelmatig harch kopen, er staat een lokaal ter beschikking van Milac om zijn artikelen te verkopen, de koster krijgt soms zijn werk niet gedaan. Dikwijls geeft Milac de kans om een pakje naar de soldaten op te sturen. Milac organiseert ook ieder jaar een bedevaart naar Werl en regelmatig worden vergaderingen en spreekbeurten georganiseerd. De soldaten genieten ook veel van de Milac-actie uit hun eigen parochie en ik moet zeggen dat Milac-Leest daarin een pluimpje verdient. Ik denk dat ik ongeveer alles gezegd heb, misschien hebt ge meer verwacht, wel laat die gedachten maar op zij. Alles bij mekaar genomen is soldaat zijn maar een gewoon leven, op zijn eigen een heel avontuur zoals het leven een avontuur is. Naderhand bekeken zeggen ze allemaal dat het de schoonste tijd uit hun leven was, op dat ogenblik steekt de vroegere kameraadschap in hun hoofd en denken ze er niet meer aan dat ze door de burgers in ’t algemeen zowat verstoten werden… Ik moet nog 4 maanden en 17 dagen doen, de vorige zijn over ’t algemeen meegevallen, ik heb reeds grote dingen meegemaakt, verscheidene kampen meegedaan, reeds met het vliegtuig gevlogen en dit jaar nog zal ik met de soldaten mee naar Lourdes gaan…voor een week. Ach, ik geloof dat ik nadien nog verdriet zal hebben als het voorbij is, alhoewel ik nu snak naar huis, mijn heimat, op dit ogenblik nog 5 à 6 weken van mij verwijderd. Mensen, lezers, doe iets voor ons ‘soldaten’, wij zullen u later altijd dankbaar zijn, want ik ben er zeker van dat u, uw soldaten een goed, zeer goed hart toedraagt.
Robert.”
Vanuit Soest, 1965 : “Vandaag zijn er nog 48 dagen voor de boeg ! Nog een kleine 2 maandjes en ik zeg ‘adieu’ aan de troep. Ik ben pas een week terug uit Lourdes (dank voor het kaartje N.R.) alwaar ik nog enkele makkers-soldaten uit Leest heb ontmoet en samen een wandeling gedaan, nl. Spoelders en Herman De Wit. (Dank voor de mededeling Robert) Lourdes is voor ons fantastisch geweest, de schoonste week uit mijn soldatenleven. We waren getroffen door die 40.000 soldaten komende uit alle landen, samen biddend voor de vrede. De optochten aan de basiliek en de grot waren oppermachtig en het gezang uit de menigte ontroerend. Toeristisch hebben we de schoonste streken en bergen meegepakt, nooit te vergeten. Nu ben ik weer in de kazerne, pas mijn werk gedaan, sta in de Mess der onderofficieren tot 19 juni, en dan beginnen de gevechtstesten en zijn er 16 km te lopen. We hopen allemaal op een goed einde van ons soldatenleven, algemeen is het goed meegevallen, we beleefden schone momenten. Nogmaals bedank ik Milac voor de morele steun, wens hen verder veel succes toe.” (‘De Band’, augustus 1965)
Foto’s :
-Robert als figurant tijdens een stoet in Mechelen.
-Op oudere leeftijd.














































