Naar de inhoud

Kronieken van Leest

bij Mechelen
seniorennet.beseniorennet.be

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Op 7 november 1965 schreef Pater De Laet vanuit Badyia volgende brief naar “De Band” (gepubliceerd in het nummer van februari dat jaar) : “Begin met mij te excuseren omdat ik zo lang liet wachten op een teken van leven van mijnentwege. Ik troostte mij met de gedachte dat u zeker wel vernomen hebt dat ik hier aangekomen ben, en dat het hier zo slecht niet gaat, zoals er velen voorspeld hadden; hetgeen niet belet natuurlijk, dat ze met de tijd toch gelijk zullen krijgen. En dat is toekomstmuziek, met valse tonen in !! Ik ben dus terug op mijn ouwe post beland, Badyia, op 45 km van Bunia, op de weg naar Stanleystad. Op de negen maand dat we hier weg geweest zijn, is er een echte omwenteling gebeurd. Niet alleen de opstand met al wat erbij hoorde, de bevrijding en de repressie, die echt verschrikkelijk geweest is, dat alles weegt nog altijd als een vloek. Maar ook de mensen zijn veranderd. Men voelt aan dat ze niet meer zijn zoals vroeger, zelfs bij de mensen die de godsdienst (ik spreek van de onze) genegen zijn. Zelfs de onderwijzers, vroegere ijveraars van katholieke actie, enz., het is moeilijk te determineren. Ze willen of durven zich niet compromitteren of zeker niet meer handelen zoals vroeger, in volle vertrouwen. Als men iets wil gedaan hebben, moet men dat zesendertig maal gezegd en tenslotte moet men er zelf tussen komen., anders blijft men ter plaatse trappelen en komt men nergens. Het is schrikwekkend (om zo een woord te gebruiken) hoe weinig er gepresteerd wordt. Ge zoudt onze wegen eens moeten zien. Het is niet levensgevaarlijk natuurlijk op reis te gaan, behalve met de moto misschien, maar in alle geval men gaat er niet uit voor zijn plezier, verre van daar. Wij hebben hier een Volkswagen. Ge zoudt uw ogen open trekken als ge dat sport ziet afkomen vanuit Bunia, slijk en modder, en niet alleen de auto maar ook die er in zitten, ook die hebben in de modder moeten ploeteren als ze vast zaten in de potopoto. Ter ere Gods ! Niettegenstaande al die min of meer grote moeilijkheden werken we er toch lustig (echt !!!) op door. Niets dramatisch opnemen, anders wordt men zot of ziek. Wij bouwen huizen voor onze melaatsen (echte huizen uit steen en golfplaten), hebben een soort landbouwschool begonnen voor dezen die niet verder kunnen studeren, zijn begonnen met drie “coöperatieven” van schrijnwerkers, steenbakkers en groentenkwekers. Nooit zijn er zoveel kinderen in onze scholen geweest als nu. Er zijn catechumeren en kinderen die zich voorbereiden (zes maand) op plechtige communie en vormsel. De jeugdbewegingen floreren min of meer, dat was terug te herbeginnen vanaf NUL. Al wat vergaderingen vraagt en bijeenkomsten onder welke vorm ook, ruikt verdacht en daar zal zeker nog een hele tijd moeten overheen gaan… Wij gaan op tournée, bijna zoals vroeger…maar er moet te voet getrappeld worden…zo voor bezoek, ook voor onze schoolkapellen. Kwestie nu van veiligheid ! Onze streek is kalm en rustig. De eerste paar maanden dat ik hier was (juli-augustus) was er nog al dikwijls effervescentie , en met reden. De eerste zondag dat ik hier gekomen was op de missie was ’t groot feest…tenminste het feest was voorzien. Twee dagen tevoren waren echter onze fameuze leeuwenjongens uit het bos gekomen, hadden huizen afgebrand, mensen vermoord en anderen meegenomen. Het was een algemene oproep tot het mannenvolk uit gans de streek : ze trokken er op uit met lansen, pijlen en messen om de achtervolging in te zetten. Het geplande feest viel in ’t water, ten minste voor een groot deel. Nu weten de mensen van Leest dat ik nog leef en in de beste gezondheid verkeer. Tevens dank ik voor de edelmoedigheid die betoond werd tijdens mijn verblijf onder hen. Ik denk nu mijn plicht voldaan te hebben…Voorlopig hou ik het toch nog altijd bij de slechte wegen en de potopoto van Badyia, temeer dat in een onafzienbare toekomst er ooit misschien wel eens televisie zou kunnen komen tot hier toe…Nog ander toekomstmuziek…
                           E.P. De Laet.

René De Laet

René werd in de Tiendeschuurstraat geboren als achtste kind van elf van de latere burgemeester Victor en van Julia Meuldermans. Tot en met het vijfde leerjaar liep hij school in de jongensschool te Leest daarna volgde hij nog twee jaar les aan het Mechelse college. Zijn verdere humaniorajaren was hij intern aan het kleinseminarie te Hoogstraten, waar ook zijn vader op school was geweest. Dan trad hij in bij de Missionarissen van Afrika, de Witte Paters (1943). Dit betekende : twee jaar filosofie, een jaar noviciaat en nog vier jaar theologie respectievelijk te Boechout, Varsenare en Heverlee. Op 8 april 1950 werd hij priester gewijd. Zijn eremis deed hij te Leest op 16 april. Meer dan een halve eeuw was hij missionaris in Afrika (Belgisch Congo, later : Zaïre en momenteel : Demokratische Republiek Congo). Steeds in de Noord-Oost provincie met een ondergrond vol rijkdommen, mee de basis van de voortdurende spanningen en oorlogen. René vertrok naar de missie in Bunia. Hij werd er benoemd op de ‘aumonerie’ in Kilomines (waar ook de hoofdzetel van de goudmijnontginning van Kilo-Moto was). Hij leerde er Swahili, de taal in oostelijk Kongo en werd er professeur ‘en commerce’ aan de middelbare school voor het administratief personeel. Later (tot 1970) woonde en werkte hij als onderpastoor, daarop als pastoor in Badiya, veertig km westwaarts van Bunia en leerde daartoe Kibira, de plaatselijke taal. Precies in die periode begonnen in Kongo, na de onafhankelijkheidsverklaring, de eerste politieke moeilijkheden (juli 1960). Maar ze waren een lachertje in vergelijking met de bezetting en de terreur door de rebellenbeweging ‘Simba’ (van 1/9 tot 1/12/1964). Hij kreeg nieuwe posten : eerst onderpastoor aan de kathedraal van Bunia (1970 tot 72) en dan acht jaar in Geti (tot 1980), zestig km bezuiden Bunia en bij de grens tussen (toen) Zaïre en Oeganda. Na een verlof in Leest (1978) realiseerde René in Geti het ‘Centre des Jeunes’ met o.a. een bibliotheek. Zijn missiegebied was wel uitgestrekt : ongeveer honderdtwintig km van noord naar zuid en een veertig km van oost naar west met tezamen een honderdtal ‘schoolkapellen’. En opnieuw verhuizen : terug voor zes jaar (van 1981 tot 1987) naar het vroegere Kilomines, nu Bambu. Een paar keer (1981 en 1986) was hij op verlof in Leest. Maar intussen had pater René, na vierendertig jaar verblijf in Kongo, voor het eerst moeraskoorts of malaria gekregen (1984). En in Bambu werd zijn ‘parochie’ overgenomen door drie inlandse priesters (1987). Zo verhuisde hij naar het hem bekende Badiya. Daar kreeg hij een tweede, zware malariacrisis (1990). Het jaar nadien was er feest : een zesendertig meter lange brug der vriendschap, een ‘Baileybrug’ over de Shari – een rivier op drie km van de missiepost – werd er ingehuldigd. Dankzij de hulp van heel veel mensen uit o.a. Heist a/zee (waar een confrater woonde), uit Leest en van elders kon het materiaal ervoor (in België) worden aangekocht en de brug aangelegd. Omwille van een oogkwaal was hij (1993) in België. En al kreeg René drie jaar later een nieuwe benoeming in Geti, na amper drie maanden stond hij hier terug, nu omwille van de rebellenbeweging van Kabila, die ageerde tegen de dictatuur van Mobutu (1996). Met een Canadees en een Nigeriaan, confraters, ontsnapte hij te voet door het moerasgebied van de Semliki, een grensstroom tussen Kongo en Oeganda. Maar het volgende jaar (1997) was hij weer…in Geti. Tijdens zijn eerste verlof erna werd hij op Pinksteren (2000) in Leest gevierd voor zijn gouden priesterjubileum. En daarna vertrok hij opnieuw : bestemming Geti. Bij een overval op de missie werd hij er (begin 2001) bijna doodgeschoten. Dronken, gedrogeerde gewapende mannen eisten de missieauto op. De pater hield er een oorletsel aan over : zijn gehoorvlies bleek gescheurd en werd in België geopereerd. Toch vertrok hij nog maar eens (september 2001). En al zou zijn parochie in Geti (2002) doorgegeven worden aan inlandse priesters, geen enkele plek was nog veilig en noodgedwongen moest René terugkomen naar ons land (mei 2002). Tijdelijk verbleef hij bij zijn zus in Battel. Tot hij (in januari 2003) opnieuw – dit keer voor het laatst – naar Zaïre ging. De onlusten in Bunia en ruime omgeving duurden echter voort en (in mei 2003) diende hij definitief terug te komen na meer dan een halve eeuw missiewerk ! Thans verblijft hij te Antwerpen op de Prokuur der Missionarissen van Afrika. Ook dit mag vermeld : bij haar honderdste verjaardag vergat Stefanie Van Steenwinkel (°1905) haar overbuur in de Tiendeschuurstraat niet. In plaats van aan haar geschenken en bloemen te geven, vroeg ze te storten op een rekeningnummer voor de missie van Badiya, waar René vijfentwintig jaar gewerkt had ! Zo kon ze hem 1.157,5 euro schenken ! (Wilfried Hellemans : ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest)

René was te Leest geboren op 28 december 1924 en hij overleed op 95-jarige leeftijd te Antwerpen op 8 december 2019.

Foto’s :

-René De Laet tijdens verschillende fasen van zijn leven.

-Zijn gedachtenisprentje.



2717630-f1006c3fb4a2934ed7e51837a5307e3d.jpg

2717630-73f2aec7e950addf63f444f571932355.jpg

2717630-ff56ab3d13644fdfd7039860bc7c5a00.jpg

2717630-ab5bbd0f449a3b7b6b07812402fab025.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg “De Band” van maart 1966 : “Het nieuws over het gebeuren had zich zo vlug verspreid en de “docteur” der Simba’s was vervuld van afschuw en walg bij het zien van al dat bloed. De gekwetsten werden naar het hospitaal overgebracht en, na veel over en weer geloop en getelefoneer kwam er een ziekenwagen aan waarmee al de zusters werden vervoerd. Ook Broeder Achiel ging mee voor verzorging terwijl zuster Benedikt in de infirmerie verzorging ontving. Wat nu over de baldadigheden ? Onmogelijk is het er een uitleg voor te vinden of de “waarom” ervan te begrijpen. Na het drinken en het roken van hennep worden ze als wilde dieren, ze nemen de blanken voor Amerikanen en Paters. Rekening moet gehouden worden met de invloed van de “beul”, die de soldaten steeds ophitste tegen de Paters. Ingevolge het bezoek van Majoor Pierre mocht niemand meer binnengaan. Ondertussen waren vier van de zeventien zusters terug naar het hotel gekomen. Ze waren zogezegd niet zo erg gekwetst om in het hospitaal te blijven. De martelares, zuster Theresia, werd op de missie zelf begraven, hieromtrent bestaan er enkele diapositieven. Zo ging het dag in, dag uit. Steeds van het ene uiterste in het andere, lachende Simba’s om in een handomdraai te veranderen in een vertoornd gelach met al de gevolgen er aan verbonden. Door de ondergane mishandelingen kwamen allen, zonder onderscheid, terecht in het hospitaal. Toen we de kapitein te zien kregen en hij zonder reageren ons aanhoorde, konden wij toch vaststellen hoe geschrokken hij was en zei ons “de beul” te zullen meenemen, te oordelen en te bestraffen. Zaterdag 28 november :aflossing van de wacht. Dezelfde belofte : er zal niets gebeuren, de bewakers zijn daar om u te beschermen en MIJ in te lichten. Nog geen kwartier later ! Gewapende mannen springen binnen, wij moesten mee naar het militair kamp; bevel van de kolonel ! Deze was pas uit Stan gevlucht voor de aanrukkende para’s. Daar werden para’s gedropt. De toestand was er zeer gevaarlijk, want toen werd er te Watsa een bloedbad geschapen; verschillende Paters en Zusters werden er op zijn bevel vermoord ! In Aba werden zes Witte Paters en vier Zusters van Ingelmunster gedood als wraak voor de landing van para’s en het verlies van Stanleystad ! De bevolking was erg bevreesd voor ons lot en de plaatselijke bevolking deed het verzoek door tussenkomst van de Nationalistische vrouwen (M.N.C. Lumumba) onze 14 Paters vrij te kopen, zonder positief resultaat. Wij werden echter vrijgelaten na tussenkomst van de O.N.U. De dagen kropen zeer langzaam voorbij, immer verkerende in een onzekere toestand tot op een dag dat Simba’s zouden opgeladen worden om naar Bunia, het front, te vertrekken. Onderlinge duscussie om uit te maken wie het zijn beurt was om te gaan vechten. Op 1 december hoorden we schieten ; de zenuwen werden nog meer op de proef gesteld. We hoorden iemand aankomen; er werd geschoten uit de richting van het vliegveld. We konden niet vermoeden dat het kamp volledig leeggelopen was. Bunia was ingenomen, Paters en Zusters bevrijd. Bij de inname van Bunia stond de heer Dictus, bankdirecteur, de huurlingen op te wachten, wees hen de weg naar het hospitaal, dan ging het naar de Missie en zo naar het kamp waar wij ons verscholen hadden. Ondertussen was het donker geworden en er werd geschoten. Op 2 december, heel vroeg, waagden we ons buiten, wat frisse lucht, terug binnen en maar afwachten. Een Simba was als bewaker achter gebleven en toonde zijn matriculatiekaart van het A.N.C. en zei ons, na allerlei vragen, dat de blanken weldra zouden komen en hier zijn. Terug buitengekomen hoorden we roepen en zagen Pater Beyvoet die met de huurlingen gekomen was. We waren bevrijd na 3 maanden in de hel te hebben doorgebracht ! Onze vreugde kende geen grenzen. Wij omhelsden elkaar en konden onze tranen niet bedwingen, vonden geen woorden om onze bevrijders te bedanken. Bedroefd waren ze als ze vernamen dat daags te voren nog drie Paters vermoord werden. Zij werden afgemaakt omdat ze ’s zondags de mis hadden opgedragen in de missie-kerk ! Tevoren waren er nog Paters opgeladen geworden in het dorp en te Miyala aangekomen. Er arriveerden Simba’s die op de vlucht geslagen waren. Woedend deden ze de Paters uitstappen en onder de barza van een magazijn plaats nemen. Na een discussie werden die op een rij gezet. Pater De Meyer (Antwerpen) riep : “wat is dat nu ? Waar is de commandant ?”Op dat ogenblik klonk er een schot en de Pater viel. De drie anderen liepen weg en de Simba schoot nogmaals en Pater Pauwelijn uit Harelbeke viel neer. Een derde maal en ’t was Pater Smissaert uit Brugge en…toen de vierde Pater Faice uit Luik, niet gekwetst, maar bleef liggen, het was zijn redding ! De Simba’s vertrokken en lieten hun slachtoffers liggen. Na onze bevrijding nu, gingen we terug naar Bunia. De spullen werden gepakt en we logeerden in de stad samen met de huurlingen. Den donderdag kwam er een vliegtuig, en een jachttoestel overvloog het vliegveld ter controle. De rebellen die werden aangetroffen werden afgemaakt ofwel uitgeleverd aan de soldaten van het A.N.C., die zich met zulk luguber werkje bezig hielden. De huursoldaten waren niet te spreken over de Kongolese militairen, maar ook zij behaalden ook maar een treurige reputatie. Toen Bunia ingenomen was, hebben zij zich onledig gehouden met plunderen. Twee soldaten hadden geld afgeperst van de kassier van een garage-magazijn van een Griek. Als de kassier het geld overhandigde, kwamen er nog twee anderen binnen, die hetzelfde spelletje speelden. Ofwel had die kassier geen geld meer of wou er geen meer geven, feit is dat die dappere soldaten schoten en ze lieten de man in zijn bloed liggen. Deze was weggekropen en had een halve dag neven een beek gelegen, bewusteloos. Tegen de avond hadden de anderen hem gevonden en brachten hem over naar het hotel waar de huurlingen gelogeerd waren. Grote verontwaardiging van deze laatsten, die dreigden de schuldigen terstonds te fusilleren als ze hen uitleverden, wat natuurlijk niet gebeurde. De man had twee gapende wonden langs weerskanten onder het sleutelbeen en had omzeggens geen bloed meer. De Zusters hielpen hem, ook de dokter van de huurlingen, en ’s anderendaags is die man met ons naar Leo vertrokken. Diezelfde avond, het begon donker te worden, herbegonnen de Kongolese soldaten met hun schietpartijen. Ze wandelden door de stad en vele anderen bevonden zich in de inlandse cité, dus bij de mensen. Geen enkel van hen zou het aangedurfd hebben zich buiten de stad te begeven. Wij probeerden eens rustig te kunnen slapen. Heel goed ging het niet, onze knoken deden te veel pijn ! Op donderdag 3 december zijn er drie Amerikaanse militaire toestellen op het vliegveld van Bunia geland, bestuurd door Amerikaanse soldaten en volgepropt met munitie. In één vliegtuig stonden er drie militaire jeeps !! Begrijpelijk waren de Simba’s zo woest op de Amerikanen. Wanneer men de deur er van (meer gelijkenis met een schuurpoort) opende, sprongen de Grieken er eerst binnen, omdat ze vreesden beschuldigd te worden van samenheulen met de rebellen. Met het eerste vliegtuig vertrokken ook de Zusters en enkele zwaar gekwetsten, waaronder onze kassier en een huurling. Wij vertrokken met het tweede : 45 Paters en Zusters en een twaalftal Katangesen die in september de stad Bunia verdedigd (sic) hadden en uit de gevangenis bevrijd werden door de huurlingen. Er waren er twee bij met afgesneden oren. Dezelfde dag zijn wij te Leopoldstad aangekomen, daarna konden er reeds enkele Paters en Zusters naar Brussel vertrekken met een gewoon lijnvliegtuig. Zo ging het verder de volgende dagen. Vier dagen zijn wij nog in Leo gebleven, wachtende op andere mogelijke vluchtelingen, om dan een speciaal vliegtuig in te leggen. Wij logeerden in de Prokuur van de Paters Scheutisten en in een school voor Lichamelijke Opvoeding. Maandag namiddag rond 15 uur zijn we dan vertrokken naar Brussel met een D.C.6. Er waren 65 geestelijken aan boord. Om kwart voor acht daalden we in Kano. Om negen uur ’s avonds stegen we terug op om ’s morgens om vier uur aan te komen in Las Palmas. Dan ging het om de laatste trip om kwart na vijf en om 9 uur kwamen we te Brussel aan. Bitter koud was het te Brussel, het verschil in temperatuur was te groot. Te Leo was het 36° in de schaduw. Te warmer was het in onze ziel, en ook in het hart van al degenen die op ons hadden gewacht.
                     E.P. De Laet.”

Vervolgt.

Foto’s :

-De paters Eugeen Pauwelijn, Louis Smissaert en Piet De Meyer en hun graven op het kerkhof van Mudzi-Maria te Bunia waar ze op 4/12/1964 werden begraven.



2717495-e44475fb177bcee4b12335cfb6e082a1.jpg

2717495-687e0ecfb180f26989380acba21704af.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 12:06 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

“De Band” februari 1966 : Tijdens de nacht brak er een hels lawaai los. We hoorden dat er iemand werd binnengestampt, in de echte zin. ’s Morgens kenden we al spoedig de toedracht, er was een neger aangehouden die met een som van 80.000 fr. zou gaan lopen zijn van een maatschappij waar hij werkzaam was. Zulks was gebeurd op het ogenblik dat de rebellen de stad waren binnengevallen. Ten einde te voorkomen dat hij het onderweg op een lopen zou zetten, had men hem een autowiel zonder banden aan de knie vastgemaakt en zo werd hij dan overgebracht naar de barza waar de luitenant zich bevond. In de voormiddag werd hij voorgeleid voor verhoor. De gevangene moest zich op de grond leggen, op zijn buik en de handen werden op zijn rug vastgebonden. Een Simba, steeds dezelfde Damiano, stampte met zijn zware botten tegen het hoofd, ging er dan bovenop staan, wandelde aldus over zijn rug, dan in de nek om eens goed door te duwen…en dan begon de ondervraging. Beschuldigde ontkende ten stelligste gestolen te hebben, wel gaf hij toe 3000 fr te hebben genomen omdat hij al drie maand geen loon ontvangen had, en daarmee had hij een koe gekocht. Hij werd vrijgesproken maar moest voor de luitenant blijven werken. ’t Was 2 oktober, en alles werd opgeladen, de luitenant ging verhuizen. Onze spullen bleven echter staan. Tijdens een nacht kwam de boy Mombey ons wekken en zeggen dat we bij de luitenant moesten komen. We gingen er naartoe en bleven wachten onder de barza. Twee zusters stonden buiten aan de deur, deze weenden, zij wisten dat de luitenant aan ’t drinken was. Even kwam hij buiten en zei : “Uw zaken zijn gedaan, ge zult aanstonds sterven.” We moesten op een stoel plaats nemen, ook de twee zusters. De vier anderen waren daar niet. Steeds waren het de twee zelfde zusters die de luitenant mee op patrouille nam. De zusters moesten hun voile afdoen, wij moesten onze gandoerah uit doen. Tegen Mombey zei hij de chauffeur en camion te gaan halen, de paters en zusters op te laden en buiten de stad te brengen, want, de mensen moesten niet weten dat ze zouden doodgeschoten worden. Deze Mombey was zeker niet gegaan, kwam terug en zeide de chauffeur niet gevonden te hebben, en dat de camion defect was. Dan kreeg hij bevel Damiano te gaan halen, maar wederom kwam Mombey terug en zeide dat deze sliep. Zo was het drie uur geworden en konden we wat slapen gaan. Zo ging het dag in, dag uit. Altijd maar in het onzekere, afhangende van de wispelturigheden van één man en nooit wetende wat de andere dag brengen zou. Er was een zuster Theresia, die door toedoen van een Belg terug naar de missie mocht gaan, zulks omdat zij asthma crisissen had. Acht dagen nadien werd ze genezen verklaard en moest terug, om de volgende nacht te sterven in het hotel. Het is met een heilige schroom wat ik nu vertellen ga, wat er tijdens die verschrikkingsnacht van 16 op 17 november gebeurde. Die avond was er bijbelwake geweest. Daarna gingen we slapen, zo rond 21u30. Om 22 u werd de deur opengesmeten en iedereen moest opstaan. Een Simba wiens naam we niet kenden, maar in het hotel logeerde sedert enkele dagen, riep ons toe onze rozenkransen voor hem op de grond te leggen. Ondertussen was hij aan ’t brullen gegaan en begon ons uit te schelden omdat we voor het slapengaan gezongen hadden. De rozenkransen en Paternosters werden geteld. Onze beul (zo is die man de geschiedenis ingegaan) dreigde maar dat er zoveel rozenkransen waren als paters en zusters. Eenmaal het cijfer 20 bereikt, geraakten z’er niet meer wijs uit. Pater De Keyser die onze overste was, moest ze dan in een houten bakje laden. Wij wachten, de overste ging mee naar het bureau. Er gebeurde niets, de rozenkransen moesten achterblijven. Rond 12 uur werden we opgeschrikt. Er liepen gewapende Simba’s tussen ons door, zij waren goed dronken. De Simba’s riepen maar “waar zijn de zusters ?” We voelden het aan dat er wat in de lucht hing. Het waren soldaten gelegerd in Mambasa, 160 km verwijderd van Bunia op de grote weg naar Stanleystad. Zij waren, bij een poging van doorbraak, teruggedrongen door blanke huurlingen, en waren in plaats van naar Mambasa terug te keren, voor logement naar Bunia overgekomen. Ze zochten een tijdje en slaagden er in het hotel te ontdekken. De zusters konden nog gaan lopen, en door hun gegil, gebeurde er niets, en werkelijk ze gingen weg. Lang zou het echter niet duren, want na middernacht begon de furie. Bij het binnenkomen werden de paters verplicht te blijven liggen, en de Simba’s drongen het restaurant binnen. De zusters liepen het hotel binnen maar werden door de Simba’s tegengehouden. Ik was met open armen voor de zusters gaan staan, alhoewel het hopeloos was. Ik werd omver geduwd, mijn bril werd afgeslagen en dat was een benarde toestand. Ondertussen speelden er zich in het hotel en restaurant de meest beestachtige en wrede tonelen af. De zusters werden geslagen op een onmenselijke manier, sommigen van hen werden verkracht. Een zuster slaagde er in te ontsnappen langs een klein raampje. Zij was terechtgekomen in de keuken, daar bleef ze een hele tijd met een stuk stof rond haar lichaam. De zusters riepen maar “dat ze niet wilden”, dat ze veel liever stierven, dood ons, God zal u oordelen. Ondertussen werden de paters verplicht andermaal zich te ontdoen van de soutane en op de grote grond te gaan liggen waar ze matrak en geweerslagen ontvingen. Deze marteling van de zusters duurde tot 2 uur ’s nachts. Plots werd er geschoten, de kogel drong door twee benen van de zuster die reeds fel mishandeld was en ze zeeg neer in haar bloed. Ze bleef daar liggen en de militairen die voldaan waren en zich zeker vermoeid hadden trokken zich terug. Op een paar meter van mij lag zuster Therfesia te zieltogen, de absolutie heb ik haar gegeven, inwendig. Enkele Simba’s amuseerden zich met de zuster te bespotten, die de kracht nog had te bidden voor de zwarten en haar leven offerde voor de Afrikanen. De Simba’s zaten neergehurkt rond haar en vroegen : “Leeft ge nog ? Zijt ge nog niet dood ? Het is niets, morgen vroeg zal men uw benen breken en zult ge allemaal “mateka” zijn.” Tegen de morgen kreeg zuster Benedikt toelating zuster Theresia te verzorgen; het was veel te laat ! Tegen zes uur ’s morgens deden de moordenaars terug hun intrede. Een zuster die daar nog op de grond lag en die ze dood waanden, werd door hen met de armen weggesleept tot in het restaurant. De zusters moesten buiten, ze zo te zien was om te wenen. Ze keken echter allen moedig en fier. Alleen hadden ze nog stukken en flarden kleren aan, met bloed besmeurd. Buiten begonnen de Simba’s te zingen en de dansen rond de zusters die in een hoopje bijeen stonden, ze zongen de dodendans. De zusters werden één voor één terug binnen gebracht. Pas in het hotel, begonnen zij het overschot aan kleren die zij droegen van het lichaam te rukken. Indien zulks niet rap genoeg ging, werden zij op de grond geduwd en over de grond geleurd tot wanneer de kleren in hun handen bleven. Zo moesten de zusters een voor een voorbijkomen. Zij moesten in een rij gaan staan. Pater De Keyser moest op de knieën zitten, werd vastgegrepen, op de grond geduwd en met slagen overladen. Zo passeerde iedereen. De soldaten gingen weg; de bewakers waren terug vriendelijk geworden, dat was reeds een grote troost. Vooral de zusters zaten stil te schreien en kusten het voorhoofd van de stervende zuster Theresia, de martelares van de zuiverheid.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:46 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van november 1965, gewijzigd en aangevuld in het nummer van januari 1966 : “Ik heb hier voor u een kamer klaar gemaakt,” zei hij, “mijn eigen kamer, in mijn eigen bed zult ge slapen. Gijlie Paters (Bamupe, zeggen de mensen uit het woud en de omstreken van Stan, dat is het meervoud van “mupe” wat een vervorming is van het Franse “mon père”. Ook bij ons noemden “ze ons “Baba” (vader) meervoud “Bababa”.) die ons onderricht hebt. Denkt gij dat wij jullie zouden kunnen schrijven ? En waar zouden we leren lezen hebben ? En wie zou ons de dingen van God onderwezen hebben ? Zo maar slapen zonder bed of matras, dat is niet mogelijk. Hapana, hapana (neen, neen). Komt maar eens zien, ik zal alles in gereedheid brengen. Daarna moesten we plaats nemen (ge merkt op dat ik altijd zeg “moest” want we bewogen niet, voor niets. Ze zeiden alles wat we te doen hadden, zelf initiatief nemen was gevaarlijk, dat wisten we reeds bij ondervinding). Geflatteerd waren ze als ze ondervonden dat we wat onderdanig waren en vertrouwen hadden in hen ! Wij waren dus gezeten op stoelen tegen de muur geplaatst in het salon, op de zetels en in de sofa zaten en lagen enkele vrouwen en meisjes en natuurlijk ook onze luitenant-chef die maar steeds dronk en bleef drinken. Wij trachten zo vriendelijk mogelijk te zijn, vroegen hem hoe oud hij was, waar hij overal gekomen was, hoe zijn juiste naam was, wat hij vroeger deed en zo allerlei dingen. Maar wij moesten onze tegenzin overwinnen, wij wisten niet wat er allemaal gebeuren kon, hierover dierven we niets vragen want we hadden al kunnen vaststellen dat onze Gaston zeer opvliegend was. Rond 10 uur zei hij dan “laat ons nu de kapitein gaan bezoeken, want hij is onze “mkubwa” (overste). Hij is hier de verstandigste, maar hij is nog een kind, maar omwille van zijn knepen is hij de patron. Nooit maken wij ruzie, wij zijn de beste vrienden. En inderdaad , wij reden naar de kapitein die in een zetel zat, dronken en in gezelschap van een Hindou. Beiden zaten hun dorst te laven. We mochten gaan zitten en luisteren naar dezes brabbeltaal. Nadien zijn we in gezelschap van een Simba vertrokken met een petroleumlamp. Er bevonden zich twee luidsprekers met microfoon in dezelfde kamer. Om de beurt amuseerden zich kapitein en luitenant met allerlei onverstaanbare dingen in de micro te roepen, het trommelvlies van onze oren stond zeker op barstens. Twee luidsprekers in een kleine kamer en op zijn hardst én daarbij de muziek van de radio. We gingen naar onze slaapstede. Onnodig te zeggen dat we gans die nacht geen oog hebben dichtgedaan.. In het nevenvertrek ging men door met brassen en fuiven, met zingen en dansen. Driemaal moesten we opstaan om toegang te verlenen bier te komen halen. En dan na een vechtpartij was alles plots stil en konden we horen wat de Simba’s onderling vertelden over ons, de Amerikanen, bommen, schieten. Steeds hoorden we maar : ze zullen “mateka” (dood) zijn over vier uur. Dan herbegon het lawaai terug, de radio werd opnieuw open gedraaid, men hoorde ze met de bierflessen werken, aan de geweren prutsen, dansen en zingen zo tot vijf uur ’s morgens. Dan werd alles stil. Om zes uur, bij klaarte stonden we op. Een tijd nadien deden we de deur open. Geen mens te bespeuren in het salon. Een vunzige geur van bier en dan pas zagen we de luitenant uitgestrekt liggen op de divan, wakker was hij al en hij zei “hebt ge goed geslapen ? Ziet ge wel, dat ik voor u een goed bed had klaar gemaakt.” Toen stond hij recht en begon bier te drinken. Een tijdje nadien komt de kapitein afgereden per fiets en een transitor in de hand. Na wat over en weer gepraat zegt de luitenant “nu gaan we naar het appel”, en tegen een Simba zei hij “neem mijn twee geweren, chargeurs tatu (drie laders met elk 20 kogels) na masasi makumi tisa na sita (96 kogels). We zullen die banyankalakata (nietsnutten) die in het cachot zitten maar neerschieten. Hij trekt zijn uniform aan, anders liep hij rond in zijn pijama tijdens de voormiddag, in de namiddag in lange broek en pijamajasje. Hij steekt zijn revolver in zijn gordel en neemt zijn transitor. Dan vertrekken we : de luitenant links, wij met ons twee in het midden en de kapitein rechts. Achter ons drie gewapende Simba’s van de luitenant. Een vierde, Damiano Kirungi, Hemeli en Marino. Mombey Sefu, een heel brave vent (we zouden die mannen allemaal heel goed leren kennen) bleef bijna altijd thuis, behalve ’s nachts als de luitenant op patrouille gaat. Buiten deze mannen was er nog een kleine Simba in dienst van de luitenant Gilbert Laygabo, een jongen uit onze school die tijdens het groot verlof gedoopt was. Deze deed absoluut niets, alleen wat rondlopen. Dan waren er nog vijf meisjes die het eten klaar maakten. Het was acht uren in de morgen wanneer wij aan het bureau toekwamen, een laag gebouw met pannen daken bedekt, een brede barza met kolonnen voor de vier kamers alwaar de bureaus van het gewest waren ondergebracht. Voor de ingang stond de vlaggenmast midden in een ronde gemetselde parterre. Langs weerszijden van de mast stonden de Simba’s. Zes groepen in rijen van vier, alles samen tussen de 200 à 300 man. Ze droegen geen uniformen, trouwens die hadden ze niet, maar wel alle mogelijke denkbare hoofddeksels en de onvermijdelijke dierenvelletjes rond de pols. In die voorste rijen stonden daar jongens bij van nog geen 10 jaar oud. Enkelen waren er van onze streek, de meesten waren afkomstig uit de streken van Stan, Wamba en de stroom, bosmensen dus. Die jongens waren ingelijfd, soms met geweld, docht de meesten vrijwillig. Vroeger had er niemand werk, noch geld, het waren allemaal leeglopers. Voor 5000 fr. om de veertien dagen vonden zij het wel de moeite waard hun onkwetsbaar lichaam ten dienste te stellen, om bij de Simba’s te gaan, temeer, ze moesten niet werken, enkel amuseren, rondrijden met camions, barrelen bewaken en…naar het front gaan om te vechten. Dat laatste was wat anders, velen gingen immers lopen wanneer ze hoorden dat ze gingen vertrekken, als ze wisten waar naartoe, maar dat was omzeggens nooit het geval. De tovenaars zorgden er evenwel voor dat de Simba’s niet dierven weglopen, wat niet belette dat er bij elk appel Simba’s ontbraken. Ook gebeurde het dat ganse compagnieën weigerden te gaan vechten, maar die eer overlieten aan hen die nog niet weg geweest waren : ze zeiden “wij weten al wat oorlog is, de anderen moeten het ook maar eens meemaken !!” Toen wij aan het bureau aankwamen moesten wij onder de barza gaan staan. Voor de rest liet men ons gerust, de Simba’s zagen ons zelfs niet staan. Enkelen staarden ons met kwade ogen aan. We keken slechts maar toe. Een Simba Boniface Rwanisabo, die werkman geweest was op die missie, bleef bij mij een beetje babbelen toen hij voorbijkwam. Hij werd opgepikt en in het cachot gezet. Dan begon de ceremonie met de groet aan de vlag, gevolgd van het appel. De chef van iedere compagnie kwam om de beurt rapport uitbrengen aan de luitenant, deze zat alleen achter de tafel, hoevelen er weggelopen waren en wie er gevochten had, en die moesten dan voor de luitenant verschijnen. Plots kreeg de luitenant een aanval van woede. Met een gebaar veegde hij de conservedozen met verslenste bloemen van de tafel. Een paar Simba’s kwamen aangelopen en haasten zich wat verse bloemen te plukken en de dozen op tafel te zetten. Daarna bracht men drie gevangenen aan, gewone mensen beschuldigd van diefstal. Een ervan had enkele bladeren gedroogde tabak gestolen bij zijn gebuur en deze had hem aangeklaagd. Deze mensen waren uit de omtrek en ter dood veroordeeld. De gewone straf voor diefstal bij de Simba’s was de dood door de kogel. Oorspronkelijk was die straf ook en op de eerste plaats bedoeld voor de Simba’s zelf. De leiders wilden waarschijnlijk voorkomen dat de Simba’s zouden plunderen. Maar stilaan waren zij de overtuiging toegedaan dat ze met alle middelen moesten beletten dat de mensen begonnen te stelen. Daarom schoten ze de dieven dood, ook al was het maar voor een paar gedroogde tabaksbladeren die gestolen waren ! De drie mannen stonden voor de kapitein die een discours deed in ’t Ligala. Ze moesten de vlag groeten, de kapitein nadoen. De rechterarm gebogen met de hand voor de borst. Ze hadden dat nog nooit gedaan en de Simba’s proesten het uit van ’t lachen. Twee mannen die stonden toe te kijken aan de weg werden bijgeroepen. Deze moesten de handen van de gevangenen op de rug vastbinden. De Simba’s mochten immers niemand aanraken. Toen begonnen ze te zingen en te dansen op ’t ritme van een trommel : het was de dodendans, in een cirkel rond de drie ongelukkigen. Na een tijdje werd er een van hen weggeduwd naar de baan toe, een 50-tal meters van het bureau verwijderd. Hij werd gevolgd door een tiental gewapende Simba’s en moest met de rug naar hen toegekeerd staan en plaats nemen op een talus (berm van een kleine halve meter). Intussen werd er maar gezongen en gedanst, tot er plots door enkelen geroepen werd ”tirez, tirez”. Een losbranding volgde, maar er gebeurde niets, schoten ze nu vrijwillig in de lucht, ik weet het niet. Men herbegon, en weer volgde een rafal van de automatische geweren en de man viel voorover op de grond. Ze kwamen terug om hun tweede en daarna hun derde slachtoffer te halen en neer te schieten. De lijken bleven liggen zoals gewoonlijk en iedereen ging weg. Wij vertrokken met de kapitein naar zijn huis, waar wij een papier kregen door hem ondertekend en gestempeld : het was een “laissez passer” goed voor het hele territoriale van Bunia en “partout”. We moesten wachten tot 10 uur eer wij het papier in handen hadden. De kapitein had ook de commercanten van Malabo naar Irumu geroepen : ze kregen bevel al hun waren te verkopen aan de helft van de prijs die ze tot nu toe aan de mensen gevraagd hadden. Het was natuurlijk een rush van de mensen naar de magazijnen en op een ommekeer was alles verkocht, behalve hetgeen door de verkopers behendig verstopt was. Er was natuurlijk niets meer te krijgen en de handel lag stil. Vervoer was er niet meer, alle camions en auto’s waren door de Simba’s opgeeist. Niemand wou nog koopwaren indoen om het daarna met verlies te moeten verkopen. Om tien uur vertrokken we allen samen. De chauffeur deed ons nog een uur wachten alvorens Irumu te verlaten, zijn keel was namelijk te droog. Op de missie kwamen we rond de middag toe. De mensen kwamen vol vreugde toegelopen. Enkele onderwijzers en onze kok hadden ons huis bewaakt. De moteur voor het licht was heel de nacht blijven draaien en voor de barza hadden ze een heel groot vuur gemaakt. Vooraleer de Simba’s terug naar Irumu vertrokken schoten ze nog wat in de lucht, en de mensen, vol schrik, vluchten terug de brousse in. Vrijdag 25 september; wij hadden juist koffie gedronken en stonden onder de barza wanneer we zingende stemmen hoorden, en toen deze zingenden bij ons waren aangekomen vernamen we dat ze ons kwamen halen, we moesten mee naar Irumu. “Ga maar alles op uw kamer halen”, zeiden ze, “valies, eten, schoenen, enz…en de zusters moeten ook mee…ook de kok om te koken. Bedreigingen waren er bij de vleet en altijd was de spreker de sterkste, de baas enz. De tocht begon gedeeltelijk rijdende, dan te voet, maar toen we op de bestemming aangekomen waren, ’t was reeds duister, en er stonden gewapende mannen te praten, moesten we gaan neerzitten op een gemetst muurtje. De luitenant die in dronken toestand was aangekomen, beval ons goed te bewaken, want hij had “pouvoir” gekregen over de Paters, hij had zelfs de macht om ze te doden. Toen we eindelijk naar een binnenplaats werden geleid herbegon de altijd terugkomende predicatie. In die omgeving woonden ook een tiental vrouwen van policiers van Irumu die vermoord waren, zij werden zogezegd. door de luitenant in bescherming genomen. Hij wist wel waarom !!! Wij hadden dus het magazijntje ter beschikking. Ondertussen waren andere Simba’s bezig een kamer klaar te maken voor de zusters. Zes bedden werden aangebracht die nevens mekaar geschoven werden, ze hadden echter geen matras. De heldendaden door eenieder van hen bewezen, werden met de nodige saus opgediend. Zaterdag 26 september bracht men ons naar het salon. De luitenant zat te knikkebollen van dronkenschap, drie andere Simba’s stonden recht met het geweer in de hand en er zaten ook een paar vrouwen en meisjes bij. Op de tafel enkele onafscheidbare flessen bier. Men wou ons doen dansen, wij bleven evenwel staan. Een Simba knielde en mikte. Een andere Simba hief zijn geweer op en wou Pater De Meyer een stomp in de hals geven, deze duwde met beide handen af. De nacht trad in. De zusters werden mishandeld, zij mochten niet bij ons komen, wij mochten met hen praten als ze samen onder de barza zaten. Ze leden veel meer dan wij. Hoe dikwijls reeds hadden ze gezegd “dat ze ons maar doden of slaan, en dat ze de Paters naar huis laten gaan indien ze er niet moeten van hebben.” Het gebeurde meer dan eens dat de luitenant twee zusters meenam in zijn volkswagen op nachtelijke patrouilles. Nooit heeft hij hen iets kwaads gedaan alhoewel hij er zeker toe in staat was. Wanneer de rebellen Bunia hadden ingenomen was het de bedoeling op te rukken naar Bukavu die ze wilden aanvallen van uit het noorden. In Beni echter, op 200 km van Bunia stootten ze op blanke huurlingen en hun opmars was voorgoed gedaan. De Simba’s hebben met ware doodsverachting geprobeerd door te breken, maar de tol was groot, zonder evenwel te lukken. In Butembo gebeurde het dat 17 huurlingen (Zuid-Afrikanen) 900 van de meer dan 2.000 rebellen, die gewapend met messen en lansen toesnelden, met één mitrailleuse wegmaaiden. Deze die er van terugkwamen hadden een panische schrik welke in hun ogen te lezen stond. Ze beweerden met eigen ogen de Paters van Beni te hebben gezien die op hun schoten. Er was zelfs een Pater bij die met zes geweren tegelijk schoot. En de Amerikanen wierpen bommen. Gevolg terug naar het cachot, het was nog het beste. Wij moesten alles afgeven wat in ons bezit was. Pater De Meyer had zijn uurwerk in zijn kous verstopt, die waren ze echter vergeten. Des avonds om 6 uur toen het reeds duister begon te worden kwam de luitenant binnen en deed een speech. Een Simba kwam ons halen. Wij hadden enkel een korte broek aan en cinglet hemden droegen we niet omwille van de warmte overdag. Maar als ik buiten kwam sloeg ik mijn armen overeen om mij een beetje te kunnen verwarmen en het zat er op. We zagen de zusters zitten op stoelen, op een rijtje. Hun voile hadden ze moeten afdoen en op een hoopje leggen. Ook wij moesten op een stoel gaan zitten. Een gebulder op de kok die voor ons eten moest zorgen want het was een schande de Paters zo te behandelen. Damiano Kirungi, de duivel in persoon (de luitenant zei zelf hem in dienst genomen te hebben omwille van zijn wreedheid) beval dan de zusters hun pelerine af te doen en dan hun voorschoot. De luitenant verbood het echter, hij had het niet bevolen. Dan gingen we eten en wanneer we terug in het cachot kwamen waar het pikdonker was, mochten we van een voordeel genieten, want er werd ons een kussentje gegeven om het hoofd op te leggen en ook een deken ontvingen we. Rond middernacht herbegon het. Kom vlug, riep onze bewaker. In het salon zagen we weer onze luitenant zitten op zijn draaibaar directeursstoeltje, maar zo dronken dat hij de kracht niet meer had op te kijken of iets te zeggen, hij knikkebolde maar. Tegen de muur zaten de zusters zonder hun voile. Rond de tafel gewoon gezelschap van vrouwen. Dezelfde Damiano zei weer te dansen. Hij zette een plaats op en duwde twee zusters naar ons toe. Wij reageerden echter niet, geen spier vertrokken wij onafgezien zijn dreigementen. Enkele dagen tevoren waren wij samen met de luitenant onder de barza gezeten en gemoedelijk was hij beginnen te praten en te vragen. We voelden zeer spoedig waar hij wilde toekomen; het ging immers over de Paters en de Zusters, over niet te reine dingen die gebeurd waren in zijn streek en hij vroeg of dat ook bij ons zo was. Dat de Paters en zusters niet trouwden dat wist hij wel, maar toch, pembeni, pembeni. Op alle missies zijn er evenveel Paters als zusters zei hij ! Ik trachtte hem dan uit te leggen waarom wij niet trouwden en dus niet konden overgaan tot dingen die wel goed waren voor gehuden, waarvan wij vrijwillig afstand deden en de reden die wij daartoe hadden, wat niet zeggen wou dat het niet uitgesloten was dat er soms iemand misloopt, want tenslotte, ieder mens is zwak. In de vroege morgen kregen we alles terug. We konden gaan eten en zaten overdag in een ligstoel onder de barza voor het cachot.

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:04 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

“De Band” nr.8 van 1965 : “Wij hadden de missie onderverdeeld in zes sectoren. Een sector bestond uit een centrale schoolkapel, die steeds in een belangrijk dorp gelegen was. In de kleine dorpen van de omgeving was er ook een catechist en een kapel en een schooltje, met het eerste studiejaar. De kinderen die verder willen leren moesten dan naar de centrale school tot het vierde jaar, het vijfde en het zesde studiejaar deden ze op de missie zelf. Iedere maand, dus op een bepaalde zondag deden we de mis in een centraal gelegen dorp en de kristenen uit de omliggende kleine dorpjes kwamen daar ook. Om acht uur was er een mis voor de schoolkinderen; al onze kapellen waren veel te klein. In de late voormiddag was er dan de hoogmis, voorafgegaan door de doopsels van de kleine kinderen ; het Evangelie en de homilie (preek) waren er soms trouwers. Na de mis palabers, opschrijven van doopsels, zegening van zaad, van kinderen, van vrouwen, en ik weet niet wat al. Daarna was er nog een kleine vergadering met de catechisten van de sector en de ijveraars. In een woord, een geval om niet uit te kunnen. We kwamen thuis in de namiddag, soms kon het vier uur zijn ! De omstandigheden waren nu veranderd natuurlijk. Op die zondag waren wij met ons twee thuis. Pater De Keyzer was met verlof in België, daarenboven durfde niemand meer buiten te komen. Wij hadden ook geen middel meer om ons te verplaatsen. Op de gewone zondagen waren er twee missen, om half zes en om half tien. Op de eerste zondag was er ook een mis om acht uur, speciaal voor alle schoolkinderen, ook die van ver, op andere zondagen volgden die het gebed bij de catechist in hun dorp. Wanneer we op schoolkapel waren, begonnen we de hoogmis als de biechten gedaan waren, de mensen uit het dorp kwamen de zondag zelf. Als we dan thuis kwamen namen we eerst een douche, wat wel nodig was, na een dag in de brousse gezeten te hebben. Daarna een beetje eten en…slapen, de gazet lezen, wat naar muziek luisteren of babbelen. Het Lof deden we om zeven uur voor ons alleen, de zusters en de kinderen van het onderricht. Tussen zes en half zeven is het altijd donker en dan komen de negers niet meer buiten, behalve de dronkaards, die komen niet naar ’t Lof !! Op die fameuze zondag 13 september, kwamen wij uit de kerk om kwart na zes uur ’s morgens. Wij hadden onze meditatie gedaan en er bleef dan nog een kwartje over voor de vroegmis begon.. Er kwam een zware camion de dreef ingereden naar de missie, met een 12-tal met geweren, messen en lansen gewapende Simba’s. Al dadelijk sprongen zij van de wagen en kwamen naar ons toe. Ze vroegen onze kaart van het M.N.C. (Mouvement Congolaise, de politieke partij van Lumumba).Ze kwamen uit Bunia, waren allemaal dronken, schoten steeds maar in de lucht en zeiden dat ze van de kolonel in Bunia bevel gekregen hadden iedereen dood te schieten die geen kaart van het M.N.C. had. Ze gebruikten het woord “mateka” dat we nog honderden malen gehoord hebben. “Mateka” wil zeggen van maken. “Ytakuwa mateka” ge zult boter zijn : “utageuka mateka” ge zult in boter veranderen. “Utafika mateka” ge zult bij de boter komen, of “mateka mara moya”ineens boter !!! Om nog een beetje kracht bij hun beweringen te zetten schoten ze er maar op los. De christenen die op weg waren naar de kerk, maakten allemaal rechtsomkeer. De enkelen die al op de missie waren moesten hun kaart laten zien. In onze streek had praktisch iedereen een kaart van de M.N.C. sinds 1960 al, van in de tijd van de onafhankelijkheid. Lumumba was en is nog steeds de grote man. Ze geloven ten andere nog altijd dat hij niet dood is. Hij is de vader des vaderlands, martelaar van de dipenda (indépendance) en ze verwachtten er zich aan dat hij op een schone dag zou terugkomen, dan zou er overvloed zijn aan alles !!! (Noot : Patrice Emery Lumumba, °Onalua 2/7/1925, +Katanga 17/1/1961, was een Congolese onafhankelijkheidsleider en de eerste democratisch verkozen premier van de Republiek Congo, nadat hij mee had geholpen het onafhankelijk te maken van België in juni 1960. Slechts twee weken later, werd Lumumba's regering afgezet in een staatsgreep tijdens de Congocrisis. Hij werd gevangengenomen en geëxecuteerd door een vuurpeloton onder het bevel van separatistische Katangaanse autoriteiten. Er wordt beweerd dat deze moord werd uitgevoerd met de hulp van een buitenlandse regering of regeringen; de regeringen van België, de Verenigde Staten -via de CIA- en Groot-Brittannië zouden daar volgens verscheidene bronnen achter zitten.) Ze wisten natuurlijk niet dat de opstand voortkwam en gevoerd werd door de M.N.C. en Lumumbisten. Daarom waren zij gekant tegen de rebellen, die zich ook beriepen op Lumumba. Na al hetgeen de mensen al gezien en gehoord hadden de laatste dagen konden zij niet geloven dat Lumumba zo iets zou gewild of bevolen hebben… Ons geval was echter anders. Wij verdienden zeker de dood omdat wij geen kaart hadden van de M.N.C. Van alle Paters op de missie was er alleen Pater Van Roy van Bunia die een kaart gekocht had, omdat ze er mee kwamen leuren op de missie en Pater Dujardijn , die vroeger in Badiya was en nu al gestorven was in Europa. Op zekere dag ging hij naar Irumu om boter te gaan halen en onderweg hielden de policiers hem tegen. Hij was verplicht een kaart te kopen, anders mocht hij niet door. Als hij er een gekocht had brachten twee policiers ham naar het bureau van de administrateur, een functionaris dus, waar hij zijn kaart moest tonen !!! Voor de rest was er niemand van de Paters die een kaart had. Trouwens men had het nooit gevraagd ! De gewone mensen kochten hier allemaal een kaart, omdat men ze had wijsgemaakt dat ze dan geen belasting moesten betalen. Dat kostte hen 60 fr. voor de man, 60 fr. voor de vrouw en 20 fr. per kind. In 1960 is er werkelijk geen belasting betaald, maar het volgend jaar begon de inning van de “palata”, dan moest men betalen niet voor één jaar (een kleine honderd frank) maar voor twee, vermits men het jaar tevoren niet betaald had ! En de mensen betaalden maar… Men zeide aan de Simba’s : “Maar men heeft altijd gezegd dat de Paters aan geen politiek mogen doen.” “Hoelang zijt gijlie al in Kogo ?” “Al 14 jaar.” “Wat ? Al 14 jaar ? Gij zijt een echte Kongolees en Lumumba heeft nog zo gezegd in 1959 en in 1960 ook dat iedereen, blank en zwart, een kaart van de M.N.C. moest kopen.” “Misschien wel, maar men heeft ons nooit gevraagd een kaart te kopen. Wij wonen hier in de brousse.” “Hebt gijlie een radio ?” “Ja, maar wij luisteren niet veel, alleen maar wat muziek.” “Als ge een radio hebt, moet ge toch al lang weten dat Lumumba gezegd heeft dat iedereen een kaart moest kopen, hebt gij nooit zijn redevoeringen geboord in Stanleystad ?” “Neen, nooit, wij hebben ten andere geen geld om kaarten te kopen. Wij hebben hier wezen te onderhouden en twintig melaatsen. Wat wilt ge dat we ons geld gebruiken om kaarten te kopen van de M.N.C.of van wat anders ?” “Gijlie doet aan slechte politiek. Lumumba heeft gezegd dat ge een kaart moest kopen, waarom niet ? Wij weten het wel, gijlie moet van Lumumba niet hebben, daarom zijt ge dood schuldig. Wij zullen eerst onze chef gaan roepen, die is op de grote baan gebleven.” De chauffeur reed dan met de camion weg, de anderen loodsten we binnen in de spreekkamer. Na een kwartiertje was de camion terug. We gingen buiten en over de haag konden we zien dat er een officier uit de cabine stapte. Hij had een kepi op en getten aan. Hij kwam naar ons toe en wij naar hem. Intussen deed hij een handschoen aan, een tweede had hij niet, dit om ons te groeten. Wonder boven wonder, hij gaf ons een hand. Hij was heel vriendelijk en ging met ons mee naar binnen. Hij was vroeger chauffeur van een Griek in Bunia. Wij bemerkten ook dat hij een goede pot op had. Ze hadden allemaal de nacht doorgebracht met drinken en fuiven aan het kruispunt van de missie en waren naar hier gekomen toen ze de klok hoorden luiden voor de mis. Dezelfde ondervraging begon. Dan : “de kolonel van Bunia heeft ons gestuurd. Ik heb een brief bij van hem (haalde hem uit zijn zak en legde hem voor me neer op de grond), het is gevaarlijk om naar hem te sturen, want het is ne hele vieze en wrede, hij zou u zeker doen doodschieten.” (ze spraken steeds van coroné en een ogenblik dachten we dat de grote patron van Bunia Corneel heette, omdat de negers de namen nog al fel vervormen) “Alhoewel ik u zou moeten doodschieten, wil ik het toch niet doen. Maar gij hebt een grote fout gemaakt. We zullen u dus boeten doen betalen. Ieder jaar kost 500 frank en ’t is al vier jaar dat ge zonder kaart zijt, dat is dus 2.000 fr.” Een andere Simba met een rode broek zei “Voor de blanken is het dubbel !” “Inderdaad, dat is waar ook. Dan moet ieder van u 4.000 fr betalen.” Hoeveel is dat samen, terug uitgerekend en zij bekwamen 8.000 fr. De chef voegde er aan toe :“Maar nu moet ge een kaart kopen ook !” Zo was alles te samen 8.300 fr. Pater De Meyer ging geld halen. Toen we achter de kaarten vroegen, replikeerde hij : “dat is nu spijtig, in gans Bunia is er geen kaart meer te vinden, maar woensdag komen we terug, ge moogt er zeker van zijn.” Papier en stylo werd gevraagd om onze namen op te tekenen, maar aan onze namen konden zij niet wijs geraken. Zelf dan maar alles gedaan met bijvoeging van, en ook het bewijs van betaling van 8.300 fr werd gevraagd. “Natuurlijk zullen wij dat geven.” Maar als het puntje bij ’t paaltje kwam, bleek het dat niemand kon schrijven. Een Simba werd uitgezonden om de “secrétaire” te gaan halen. Na een tijdje kwam deze aangeland, het werd na lang talmen in de Lingalataal geschreven : 8.000 fr was leesbaar, de rest gekrabbel, ook van de 300 fr werd uiteindelijk een briefje bekomen. Op dat ogenblik kwam er een kleine Simba binnengelopen om te zeggen dat er een magazijntje was nevens de missie en dat er veel zaken te krijgen waren, vooral bier. Ze reden dan weg en uit het magazijntje hebben ze dan alles meegenomen wat ze konden, voor een waarde van 16.000 fr en betaalden 8.000 fr terug. Het was al beslist dat de prijzen in de magazijnen moesten gehalveerd worden. De eigenaars moesten daarmee wel akkoord gaan, want die mannen hadden geen geweren en de Simba’s wel ! We hebben die mannen natuurlijk nooit teruggezien… Al de Simba’s die op de missie kwamen waren woedend op de Amerikanen, in mindere mate op de Belgen. Ze zeiden : “wat komen die in Kongo doen ? Dat ze ons gerust laten. Wij gaan toch ook niet naar Amerika of Europa. Wij vechten onder elkaar. Tsjombe is een verrader en hij moet buiten, waarom komen de Amerikanen er tussen. Dat ze thuis blijven zoals wij ! Als ze niet oppassen zullen wij tegen hen oorlog gaan voeren in Amerika zelf en dan zullen zij wel zien wat voor sterke mannen wij zijn. Als de oorlog hier gedaan is zullen wij Kampala (hoofdstad van Uganda) innemen en daarna trekken wij naar Amerika, mara moya (ineens).” Sinds een paar jaar kregen wij regelmatig bloem, havermout, olie, vet en melkpoeder in grote hoeveelheden. Al die voedingswaren waren geschonken door Amerika aan de bevolking van Kongo. Wij deelden dat uit aan de melaatsen en armen. Op al die zakken, blikken bussen en kartonnen dozen stond in grote letters en wel in acht verschillende talen “geschonken door de volkeren van de Verenigde Staten van Amerika.” De melaatsen, die er het meest van profiteerden, kwamen zelf zeggen dat de Amerikanen slechterikken waren. Zij gingen ook bedelen bij de Simba’s. Als de Simba’s daar op uitkwamen dat er hier dozen en blikken van Amerika zijn ! Zelfs de zusters waren ook al komen zeggen dat het best zou zijn al die dozen weg te smijten of te verbranden. En de operatie begon… Op zaterdag 9 september op een avond om geen argwaan te wekken, begon men allerlei eetwaren bijeen te brengen en te verstoppen en wel onder een vat van 200 liter, dat op een verhoog geplaatst werd, en dat moest dienen om het water te verwarmen voor de douche. Nooit heeft er een rebel iets gezegd over bloem enz. Integendeel, ze hielpen en sleurden alles mee weg. Om op een goed blaadje te staan met de Simba’s werd er eten gegeven. Op zondag na de hoogmis hoorden we lawaai, een grote camion met Simba’s stopte voor de kerk en alles werd muisstil, het was het ogenblik van de zegening. Enkele Simba’s knielden neer, maakten een kruisteken, anderen lachten er mee. Enkelen gingen heen, anderen bleven met ons praten op de missie en waren uiterst vriendelijk. Een schone kerk zei er ene en beloofde elke zondag naar de mis te komen. Na het middageten een weinig gerust en we waren reeds vol hoop dat de dag verder rustig zou voorbijgaan. Maar…de hoop was rap verzwonden, daar kwamen twee volkswagens aan en we konden zien dat er op de para-choc een lans was vastgemaakt. Uit iedere wagen kwamen er vier mannen, gekleed met lange broek, naakt bovenlijf, palmtakken in kruisvorm over hun borst en rug gebonden en takken in hun broeksband, geweer in de hand schietensklaar. We gingen naar hen en wisten dat het niet plezant zou worden. Allen waren ze even dronken. Ik herkende de kapitein, maar geen enkele zei iets. Ze keken ons wild aan met doffe doortrokken ogen. “Ha kapitein ; yambo (goedendag).” Er ontspon weer een discussie over het slecht voeren van een politiek en dat we telefoneerden met de Amerikanen. In Stan hadden de Paters soutanes aan deze mannen gegeven… En ze gingen zoeken ! Overal volgden ze ons, op de sacristi, achter het altaar, de kerk, het bureel, alles wat men maar denken kan. Dan onderzoek bij de zusters. Veel mensen kwamen kijken, bleven echter omzichtig op afstand om als het moest met een wip de bananerij in te stormen. Toen wij terugkeerden van de materniteit, waar niemand meer was, zo langs de school, kwamen er nieuwe wagens aangereden vol met Simba’s, een bende huilende zatterikken. Voor we alles goed beseften, waren ze reeds bezig met alle deuren van het huis in te beuken met hun geweren en ijzeren baren. Plots steeg er een gejuich op ! Iemand kwam naar buiten gelopen met drie lederen soldatenriemen in de hand…dus...we verstopten Amerikanen, want de riemen waren gevonden. Van die riemen hadden we’r een tiental en deze werden soms ten geschenke gegeven op het einde van het schooljaar. Maar nu, begon men daar te schieten, een twintig minuten, in het ronde. Een mikte naar het kruis op de kerk, een kogel ging door de ruit en door het dak. De mensen waren echter allen goed verscholen. Dezen die over geen geweer beschikten riepen al maar door “tirez”. Ze dreigden met hun messen, riepen “mateka”;. Maar de Simba die voormiddag gezegd had dat we een schone kerk hadden, heeft driemaal voor mij gestaan met een lang gekromd mes in de handen, histerisch lachend en roepend “utakuwa mateka sassa hivi” (nu zult ge aanstonds dood zijn). De officieren stonden bij de zusters onder de barza die ze ondervroegen. De plundering begon, alles werd buiten gesleurd. Toen kwam er een adjudant opdagen en riep “de Paters hebben geen schuld, geef alles terug”. (het was een oud-klein seminarist uit Stan). Alles kwam terug behalve een transistor en een verrekijker die de brave seminarist maar liever voor zich zelf hield. Toen moesten we naar Irumu, en we zouden het er niet levend afbrengen indien de Amerikanen zouden bombarderen tijdens de nacht. Aan een stopplaats werd er verhinderd dat gepeupel op de camion zou komen. De officieren waren bij de zusters gebleven. Aan km 7 werden we onthaald op gedans en geroep. Een schooljongen van bij ons riep onder de invloed van de drank (araki of inlandse alkool) utakuwa wateka. Het was Jozeph Duabo. Eindelijk was het afstappen aan het postgebouw, we gingen een kamer binnen waar er een enorm geroezemoes was. Ook buiten het gebouw was er kermis, er werd gedanst, gedronken, gezongen. Er waren daar ook een hele hoop jonge meisjes van rond de tien en twaalf jaar die duchtig meedronken. Soms werden de niet-huwbare meisjes opgeeist. Er waren vele meisjes die op avontuur trokken en thuis wegliepen. Een interessant leventje hadden die wel, ze waren vrij, moesten niet veel werken want de Simba’s hadden al niet te veel eten en ze kregen geld ook. In princiep waren de Simba’s verplicht 100 fr. per dag te betalen. We mogen gerust zeggen dat die meisjes getekend zullen zijn voor hun leven ; geleefd te hebben tussen een bende jongemannen, die een ongebonden leventje leiden. Een lawaai van alle duivels : “B amupe wako wapi ?” (Waar zijn de Paters ?). Een Simba kwam binnen (denkelijk een officier), dronken, een geweer in de hand, revolver tussen de broeksband, verontschuldigde zich, dat wij buiten zijn weten, naar hier waren overgebracht. We werden naar het huis van de administrateur gevoerd, die weg was van bij de aankomst van de rebellen, en waar onze chef (Gaston) zijn intrek genomen had. Het was er donker, juist in een vertrek (salon) een petroleumlamp en toen begon een gesprek, dat we de volgende maal mee beginnen.”

Vervolgt.

Foto’s :

-Patrice Lumumba

-Moïse Tshombe.



2717381-a21e2e20f886855b448f306ec22927c4.jpg

2717381-b3656bd8e9e9c3d2da9583676f1fc844.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:52 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van juli 1965 : “’s Anderendaags ’s morgens na de mis als we buiten aan de poort van de kerk stonden, hoorden we ineens tromgeroffel, en het was precies of dat het al maar dichterbij kwam. Bij de Babira (volksstam uit de streek Bunia-Badiya-Irumu) werd er zo geroffeld bij de dood van een chef. We luisterden maar, en hoorden niets dan alleen maar die tamtam. In feite was het in Malabo (dorp van de chef die gaan lopen was) ; in vogelvlucht nog geen vijf kilometer van hier en in de morgen kon men alles heel klaar en duidelijk horen, te meer daar de missie op een heuvel gelegen, heel de streek domineerde. De trommel van de missie, die dienst deed als klok, kon gehoord worden als de wind meezat tot in Irumu, meer dan 15 km in vogelvlucht. In Malabo trommelden de Simba’s iedere dag, zolang tot dat de chef zou terugkomen. Die was dus op de vlucht en bevond zich op dat ogenblik in Nalanyabo, een dorp aan de andere kant van de Shari, waar hij dikwijls verbleef en een nabanenrij had, samen met zijn familie en enkele policiers. Zij wisten wel dat zij het er niet levend zouden van af brengen ! De Simba’s kwamen natuurlijk te weten waar de chef zich bevond. Ze zonden elke dag één of twee mannen uit naar het dorp om hem te zeggen dat hij naar Irumu moest komen, waar zijn geval zou besproken worden. Na enkele dagen is hij dan toch maar vertrokken met zijn broer. Ze staken de Shari over en begaven zich naar Bagotta, de chef van de Wahema (koeherders) die de Simba’s gespaard hadden omwille van zoveel koeien die hij moest leveren. De volgende morgen gingen ze allen te voet, meer dan vier uur. De chef Manuel, een zware mens met een versleten lange broek en een onderlijfje aan, weende als een klein kind. Op 7 km van Irumu wou men hem een fiets geven, hij was nog maar amper halverwege of lag al tegen de grond, zo bibberde hij. Hij had een grote snede boven zijn hoofd, nl. aan het oog. Tegen de avond kwamen zij te Irumu aan en sliepen er. Driemaal moesten ze dan op het bureau verschijnen waar alle papieren vernield waren en buiten gegooid op hopen. Men had er een soort volksrechtbank opgericht. Telkens werd er aan de mensen gevraagd of de chef een goede was. Wanneer er niemand antwoordde of zei “een slechte”, dan was het proces afgesloten en werd er geschoten. Gelukkig voor de chef werd er voor hem ten beste gesproken door Bagota, de chef van de Wahema. Niemand van zijn vijanden kloeg hem aan, die waren wellicht niet daar, want veel vijanden had hij, of durfden ze niet zeggen wat op andere plaatsen wel gebeurde. Manuel was enkele dagen later terug thuis. We waren nu zondag 6 september. Er waren nogal wat mensen in de kerk, van in de onmiddellijke omgeving alleen. Het was de eerste zondag van de maand en normaal was het die dag na de hoogmis vergadering voor de mannen van de katholieke actie, een 60-tal. Nu waren er maar een goeie 20 en niemand peinsde op de vergadering na de mis. Er werd alleen maar verteld, de meest ongelooflijke en tegenstrijdige dingen eerst. ’s Avonds rond 7 uur begon het te regenen. Ik was alleen in mijn bureau en de deur stond open zoals altijd. Plots hoorde ik stappen, er kwam een man binnen met sleuren aan zijn lijf, een stok in de hand en een Simba-velletje aan de pols. Het was Boniface Mawawa, naaier van beroep, maar sinds lang nietsnut en rondloper. Zoals het de gewoonte was bij de Simba’s, groette hij met eens forsig te roepen : “Simba !” “Morgen maandag in de voormiddag moet ge naar Irumu komen, de kapitein heeft het gezegd.” “Wat moet ik daar gaan doen ?” “Dat weet ik niet, dat zijn mijn zaken niet. De kapitein heeft alleen maar gezegd dat gij moet komen.” Zijn zoon was in de maand april weggestuurd uit de Normaalschool, niet zonder reden. Boniface had gewild dat we zijn zoon, Prosper, zouden aannemen als onderwijzer hetgeen ik geweigerd had. Vandaar dat Boniface kwaad was. “Ge hebt hem naar school gestuurd, dan moet ge hem maar werk geven ook.” Het wat natuurlijk zo dat we hem na zijn lagere school op de missie naar de Normaalschool gestuurd hadden met het gedacht om hem later als onderwijzer te aanvaarden. Die man kon echter niet aannemen dat we hem niet konden aanvaarden als hem zoveel vuile dingen verweten werden, ten andere hij had nog maar één jaar gedaan. Boniface had overal verteld dat hij de Paters bij de kapitein had aangeklaagd… Op die zondag stond hij dus in de deur van mijn bureau . Ik vroeg : “Hebt ge een briefje van de kapitein ?” “Neen, waarom, ik ben toch een Simba ! Volstaat dat soms niet ?” “Ik kan ginder niets gaan doen, ten andere mijn moto is kapot.” “Dan moet ge maar te voet gaan tot aan de grote baan, er rijden genoeg camions met Simba’s.” Ik zei hem dat ik niet naar Irumu zou gaan, dat de kapitein wel een briefje zou sturen als hij mij hebben wou. Boniface ging toen weg. Hij was vergezeld van een der drie onderwijzers die ook naar Irumu ontboden waren door de kapitein, het was Francois Bisangbolo, onderwijzer van het vijfde studiejaar. De twee anderen waren onderwijzer in de brousse. In ’t holle van de nacht is Francois op de vlucht geslagen, hij liet zijn vrouw en acht kleine kinderen achter, alles door de schrik. Het eerste dat de Simba’s deden als er iemand gaan vluchten was, was zijn vrouw aanhouden. De directeur van de lagere school is ook zo gevaren. Hij kwam natuurlijk terug als hij vernam dat zijn vrouw in de handen van de Simba’s gevallen was. Hij is dan heel lelijk toegetakeld geworden en achtergelaten voor dood. Op die avond wist ik echt niet wat doen, zoals dat heel, heel dikwijls gebeurd is de volgende weken en maanden. Thuis blijven : dat zou de kapitein zeker kwalijk nemen, in geval hij me werkelijk geroepen had. Naar Irumu gaan was ook niet bepaald aanlokkelijk. Na al wat we vernomen hadden over volksrechtbank en executies had ik de indruk in de muil van de wolf te lopen. Woensdag 7 september. Normaal moesten de scholen beginnen, maar er was natuurlijk niemand te zien. Verscheidene onderwijzers die bij hen thuis op verlof waren, waren nog niet aangekomen en de mensen hadden ook te veel schrik om hun kinderen naar school te sturen. Het nieuws dat de kapitein mij naar Irumu had geroepen liep als een vuurtje rond. De mensen van de missie kwamen mij vragen toch maar naar Irumu te gaan, want de kapitein was “makali kabisa” (n’en hele vieze). Rond half tien maakte ik mij toch klaar, mijn moto (met een aanhangwagen) was niet meer in goede staat. We hadden er al dikwijls aan gefrutseld en het gebeurde dat de moteur aanschoot als ik mij liet duwen. Een onderwijzer wilde me vergezellen, doch niet tot in Irumu. Hij had geen kaart van de M.N.C. zei hij en zou me opwachten onderweg. Die had natuurlijk ook schrik lijk iedereen. Ik deed me duwen wel twee kilometer ver. Soms schoot de moteur aan en viel dan na een poosje stil. Ik had mijn zonnehelm en overfrak op de missie laten liggen met het gedacht terug te komen als mijn moto zou marcheren. We waren intussen op een goede kilometer van de grote baan genaderd, waar voortdurend camions met zingende Simba’s voorbijreden. Ik dacht bij mezelf, ik zal doorrijden tot in Malabo, waar er zich een barrière van Simba’s bevindt en ik zal daar vragen of zij weten wat er in Irumu gaande is. Maar toen viel de moteur van mijn moto uit en voor goed. Het was half elf door en dan begon het parmantelijk te regenen. Ik liet mijn moto staan in de modder want de baan is er zeer slecht en we gingen schuilen in het huis van een policier van Malabo, die daar alleen woonde met zijn vrouw en kinderen en die nog niet lastig gevallen was. Een collega van hem, die niet naar zijn dorp dierf teruggaan, hield zich daar ook verscholen, omdat men jacht maakte op die mannen. Na een half uurtje was het gedaan met regenen. Ik liet mijn moto wat verder duwen tot bij het dispensarium van de veeartsennijkundige dienst (ook een groot woord dat niet veel meer dekte). Ik bleef daar wat rusten bij de infirmièr, en stuurde een man met de fiets naar Malabo. Ik gaf een brief mee voor de commandant van de Simba’s, die een barrière bewaakten om te weten wat er juist van aan was, of de kapitein mij werkelijk geroepen had. Drie uur later kwam die man, Gaston Bachweki, terug, hoogstwaarschijnlijk had hij de rebellen niet durven benaderen, maar was ergens in de geburen blijven zitten !!! Mijn brief bracht hij mee terug, men had hem gezegd zei hij, dat de Pater werkelijk naar Irumu moest komen, en ze hadden hem geminacht en bespot. Intussen waren er vier jongens van de missie ons achterna gekomen. Ze hadden daar vernomen dat wij miserie hadden en ze duwden de moto terug naar de missie. Ik ben met hen meegegaan, peinzende : “ze kunnen naar de maan lopen, het ging trouwens al naar de avond. Hier en daar stonden de mensen langs de weg, vol compassie, we waren vuil en beslijkt… Groot was de verontwaardiging, vooral toen men vernam dat die fameuze Boniface zelf verteld had, toen hij zat was, het betaald te zetten aan de Pater, omdat zijn zoon geen werk als onderwijzer had gekregen. De volgende dag hadden we regelmatig bezoek van de Simba’s. Ze moesten van alles hebben : vervangingingsstukken voor auto’s, essence, mazout, bier, radio’s…Iedere officier had een draagbare radio, dan waanden ze zich een koning te rijk en het was als hun herkenningsteken, zoals een officier hier te herkennen is aan zijn kepi of sterren. Ze zouden eerder hun geweer achtergelaten hebben dan een radiotoestel, die trouwens heel de tijd en zo hard mogelijk open stond, en dag en nacht. Ik zag eens een majoor die van het front van Beni kwam, hijzelf droeg zijn radio, een jongen van ongeveer twaalf jaar zijn automatisch geweer en een snotneus van hoogstens 8 jaar zijn revolver. Alle Simba’s die bij ons op de missie kwamen tijdens die dagen waren uiterst vriendelijk, sommigen kwamen zelfs binnen waar we hen iets aanboden, water of koffie. Ze vroegen echter naar bier ! En dat hadden we niet ! We waren toch heel de tijd op ons qui-vive. Mensen die van Bunia kwamen vertelden ons de meest verschrikkelijke dingen van moordpartijen. De Paters zouden ze echter met rust gelaten hebben. De Simba’s waren zelfs op de missie komen zeggen dat alles normaal moest doorgaan, ook de klok luiden voor de mis. Doch op zaterdag 12 september begonnen de poppen te dansen. Om 12 uur kwamen wij met ons getweeën uit de kerk en wilden naar de refter gaan om te eten. Op dat ogenblik kwam er een stationwagen op de koer gereden en hield stil voor ons huis. De chauffeur kwam eerst buiten, die herkende ik al dadelijk, het was een arabisé, muselmanse neger die in Malabo woonde. Hij heette Karimu. Na hem kwamen nog een vijftal gewapende Simba’s uit de auto, alsook een Indiër die mecanicien in Irumu was. De chauffeur deed dan de achterste portier open en er stapte een jonge man uit, ongewapend maar met een stokje in de hand, precies een stuk speelgoed. Hij had een breedgerande hoed op. Al aanstonds zegden ze dat ze onze moto’s kwamen halen. Ze wisten dus heel goed wat er zich op de missie bevond. Pater De Meyer, die zijn moto bijna nooit gebruikte, omdat hij steedsz met de camionette reed, zodat zijn moto nog praktisch nieuw was, had aan het contact een paar draadjes verkeerd aangekoppeld, zodat hij normaal niet zou marcheren. Die stond in de garage, terwijl de mijne nog steeds met aanhangwagen buiten stond onder een manguier. We stonden voor de trappen van de barza te praten en dan zei Karimu, de chauffeur, dat die jonge man de kapitein van Irumu was, Christiphe Yenga. Dat was nu het laatste wat we zouden denken hebben. De man was ten hoogste achttien jaar en had geen enkel herkenningsteken. Men had enkel de deur open gedaan om hem te laten uitstappen. Ik ging aanstonds naar hem toe, nodigde hem uit binnen te komen. Hij weigerde en wou onmiddellijk naar de moto’s gaan zien. We gingen achter het huis en zagen natuurlijk eerst mijn moto staan. Ik zei dat die kapot was, dat ik verleden maandag geprobeerd had naar Irumu te komen omdat men mij had gezegd dat de kapitein mij geroepen had. “Ha, en waarom zijt ge dan niet gekomen ? Ik ben hier de kapitein en heb hier alles te zeggen.” “Ja, ja”, zei de chauffeur, “zie zijn stokje maar eens, hij heeft daar al meer dan één mens mee doodgeslagen.” Dan zei de kapitein : “Ga maar uw moto halen, in gang steken en speel geen comedie.” Eerst moest ik de aanhangwagen losmaken. Ik probeerde aan te stampen maar dat was natuurlijk tevergeefs. Dan moesten enkele jongens komen duwen. Intussen waren de Simba’s gaan kijken naar de moto van Pater De Meyer, die ook zei dat zijn moto niet marcheerde !!! Hun mecanicien haalde hem buiten, deed zich duwen en…de moto schoot aan. Wij van onze kant duwden ons de ziel uit het lijf om mijn moto aan gang te krijgen op de koer, terwijl de kapitein stond toe te kijken, de andere Simba’s met hun geweer aan ’t grendelen waren en de Hindou er met de moto van Pater De Meyer van onder reed. Men deed dan teken dat ik moest terugkomen. Enkele jongens duwden mijn moto terug achter het huis. Voor ons huis stonden dan de kapitein, Pater De Meyer en een paar Simba’s. Toen ik bij hen kwam, buiten adem en bezweet, zei de kapitein : “Gij zijt nogal ne goeie, maar dien anderen daar, uwen broeder, is ne slechte.” Wanneer zijn moto in gang schoot had de Pater gezegd dat hij niet wist dat zijn moto nog in goeie staat was, omdat het drie maand geleden was dat hij er nog mee gereden had. De mensen van de missie die stonden toe te kijken zeiden dat de Pater altijd met de camionette reed. De Simba’s geloofden het niet, de Pater had hen belogen. Hij zou met hen mee moeten naar Irumu waar ze hem zouden opsluiten in ’t cachot. De Pater zei : “waarom zijt ge zo makali (woest) op mij ?” Dat deed de maat overlopen. Ik wilde tussenkomen en zei dat de Pater nooit met zijn moto reed, en het hem pijn deed niet te willen geloven, dat zijn karakter zo was en hem zou berispen, en…dat wij hen graag hielpen waar het mogelijk was. Ik zei hem binnen te komen maar tevergeefs. De chauffeur zei : “Gij zijt sukari (suiker), we kennen u allang, maar uwen ndugu (broeder) doet aan slechte politiek.” “Ga eerst een beetje drinken om uw keel wat te verfrissen.” De pater moest de auto in en toen ik terug kwam, zag ik de zusters die bij de kapitein aan ’ t praten waren, ze vroegen en smeekten hem de Pater toch vrij te laten. Onze vader is Lumumba, onze God is Lumumba, zeiden de Simba’s. De kapitein zei dan ; “De zwarten hebben nog meer verstand dan de blanken” en de Pater mocht terug uit de auto stappen. Dan zei de kapitein tegen mij : “als ge vannacht de mis doet moet ge uwen “ndugu” maar goed onderrichten.” Dat zeiden de andere Simba’s ook, dat we moesten bidden, de mis doen en mekaar onderrichten, maar onze God is Lumumba ! Enkele mannen van de missie moesten takken gaan halen om ze vast te maken van achter aan hun auto en weg waren ze. Nu wisten we al een beetje beter welk vlees we in de kuip hadden. Die kapitein stond ons absoluut niet aan. Die zei bijna niets en kon ons zo vreemd aankijken met wantrouwige ogen. Hij kon enkele woorden Frans en een beetje Kiswahili, de voertaal uit het noorden, en speelde altijd met zijn stokje, voorzeker een toverstokje. Men vertelde ons later dat hij een grote macht bezat en heel verstandig was. De soldaten van het K.N.L. hadden hem vroeger eens gevangen genomen, zijn kop afgesneden, zijn buik opengereten, niettegenstaande dat, was hij opgestaan en alles was terug aaneengegroeid. Toen zeiden de soldaten “we zullen hem maar laten lopen, daar is toch niets aan te doen” en zo is hij kapitein geworden in het volksleger. Nieuw klein (bijna een groot) drama de volgende dag op zondag 13 september. Normaal, (dat wil zeggen tot in juni, toen we nog met drie Paters waren en er van Simba’s geen sprake was) was er ’s zondags een Pater thuis op de missie, de twee andere Paters waren ieder in een centrale schoolkapel, zodat praktisch ieder christen maandelijks de gelegenheid had de mis bij te wonen en de sacramenten te ontvangen bij hen thuis in het dorp of in de onmiddellijke omgeving. Nochtans op de eerste zondag van de maand bleven we met ons gedrieën thuis. Op die dag was er dan ook vergadering van alle verantwoordelijken van de katholieke actie in de dorpen, zodat die mensen op de missie naar de mis kwamen ook. Sommigen deden drie uur te voet.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:19 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van juni 1965 : “De catechumenen en de internen waren aan ’t werken op hun velden. Enkele werklieden waren de klassen van de jongensschool aan ’t witten, een paar vrouwen en een zuster bevonden zich in de barza van de materniteit en voor de rest was er geen levende ziel te zien. Onze kok was naar huis en zou maar eerst tegen zes uur terugkomen om de moteur (van de elektriciteit) aan te steken en het avondeten klaar te maken. Onderweg was er wel hier en daar iemand die ons angstig en ondervragend aankeek : “Waar gaat ge nu naartoe ?”, hun hand opstaken en ons aankeken. Misschien vier of vijf personen en voor de rest was alles doods en verlaten, de deuren van de huizen potdicht gesloten, ook op de grote baan. Aan kilometer 8 kwamen we in Malabo; dorp waarover we het al hadden. Voorbij de magazijntjes links bevinden zich school en kapel, en rechts daartegenover het dorp van de chef, doch een beetje verwijderd van de baan. We werden een beetje ongerust. Normaal was Malabo als een mierennest, er is daar een grote markt en veel magazijnen en het krioelde er altijd van mensen. Nu niets of niemand en alles potdicht gesloten. We reden de kapel een beetje voorbij en stopten, ons afvragend wat we zouden doen. Ik zei : laat ons gaan kijken naar de chef. We moesten eerst een beetje achteruit rijden om zo rechts te kunnen in te slaan. Op hetzelfde ogenblik kwam er een bende aangereden in die richting. Ze reden heel traag en er zaten enkele mannen op. Er is daar een grote bocht in de baan, ongeveer 500 m van de plaats waar we ons bevonden. Zonder veel acht te slaan op die bende reden we het dorp binnen en stopten op het pleintje voor het huis van de chef nevens de vlaggenstok. Niemand te zien ! We gingen overal rondkijken. Tenslotte werd er schuchtertjes een deur geopend; de man die buiten kwam als hij ons zag heette Baudouin Lembanyabo, onze man van de katholieke actie in Malabo. We vroegen hem : “wat gebeurt er hier allemaal ?” “De mensen zijn allemaal gaan lopen, behalve ik.” “Waarom ?” “Wel, weet ge dan niet dat die mensen hier zijn ?” “Welke mensen ?” “Wel, zij.””Waar zijn die zij ?” “Daar, zie ze komen af.” We keken om en inderdaad “zij” waren daar, te voet, want hun auto stond aan de magazijnen. Met vier waren ze. Twee ervan hadden een automatisch geweer, de derde een grendelgeweer en de vierde had een lans in de hand. Hun chef (dat wisten we gauw, Salomon Bubu, die later altijd vriendelijk voor ons zou zijn, maar in feite niet veel te zeggen had) had een fluitje rond zijn hals hangen en een regenmantel aan zonder mouwen, de anderen waren half naakt. Een ogenblik wisten ze niet wat doen. De gedachte om gaan te lopen flitste door het hoofd, omdat er vele hutten in de nabijheid stonden en de brousse ook dichtbij was. Dat was echter geen oplossing, eerst en vooral gevaarlijk en dan, waar naartoe ? Daarom deden wij het enige wat wij konden doen, we zetten ons vriendelijkste gezicht op en we gingen naar hen toe, zulks met grote zelfzekerheid als om hen te verwelkomen, wat niet belette dat wij angstige ogenblikken beleefd hebben. Volgend gesprek speelde zich af : “Wat komt gijlie hier doen ?” “Wij komen u goedendag zeggen, wij hoorden dat gijlie allemaal brave mensen zijt en geen kwaad doet.” “Waarom zijt gijlie dan achteruit gereden en het dorp ingevlucht als ge ons zaagt aankomen ?” “Wij wisten niet dat gijlie dat waart en kwamen in het dorp om aan de mensen te vragen waar gijlie waart.” “Dat geloven we niet, want we hebben gezien dat gij gaan lopen zijt.” “Maar we hebben geen schrik, wij weten dat gij brave lieden zijt, anders zouden wij toch niet naar hier gekomen zijn ?” “Vanwaar komt gij dan ?” “De missie is hier op acht kilometers.” “Hebt ge daar auto’s ?””We hebben enkel de camionette waarmee we gekomen zijn.” “Dat geloven we ook niet. Allez vooruit, de camionette gaan wij al zeker meenemen. We zullen naar onze grote chef rijden.” We gingen in de richting van onze wagen, ze volgden ons met geladen geweren en ze schoten ook in de lucht. “Waar is het contact ?” “Er is geen contactsleutel.” “Leugens, geef het contact maar gauw of we schieten.” “Kom, dan kijken we in de cabine.” Twee Simba’s kropen er in, wij moesten van achter plaats nemen in de bak samen met de twee andere gewapende rebellen. We reden weg, zagen dan ook het lijk liggen van de vermoorde policier in de greppel en stopten aan een magazijn waar de andere Simba’s aan ’t drinken waren. Dezelfde comedie ! “Wat komt gijlie hier doen, van waar komt gij, waarom zijt ge gaan lopen ? Uw camionette hoort toe aan het volksleger…” Na nog wat palaberen waren ze toch ’t akkoord ons te laten vertrekken. Ze zouden zelf onze wagen komen halen op de missie morgen vroeg. Zo verliep onze eerste kennismaking met de Simba’s, die de laatste niet zou zijn. ’s Anderendaags ’s morgens, donderdag 3 september. Als de mis uit was rond zeven uur praatte ik zoals iedere dag als ik thuis was met de enkele mensen die de moed nog hadden naar de kerk te komen. We gingen daarna met ons getweeën een beetje eten, of liever wat eten door ons keelgat wringen, bij het minste gerucht opspringend, het was precies of we gedurig motoren hoorden !! Om negen uur ging ik onderricht geven aan de catechumenen die met een 80-tal waren : volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel en de kinderen van de plechtige communie. Wij noemden die zes-maanders, het waren gedoopte kinderen van rond de 12 jaar, die niet naar school gingen en voor zes maanden naar de missie komen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel . We waren nog pas bezig of we hoorden een camion afkomen en zingende mannen. Wij aanstonds naar buiten, dat wil zeggen de catechumenen en de rest de missie in en ik bleef alleen op de koer staan met Pater De Meyer die ook afgekomen was, samen met een paar zusters. Enkele ogenblikken later kwam er een grote rode autobus aangereden, door de rebellen buitgemaakt op het K.N.L.. Heel traagjes, we zagen ze rijden in de dreef die naar de missie loopt, tussen de palmbomen door. Het was een autobus zonder ruiten, gevuld met halfnaakte Simba’s, de geweerlopen door de ramen en al maar door zingend. Ze kwamen de koer opgereden en maakten een grote draai. Al zingend kwamen ze buiten en bleven nevens de bus staan dansen. Hier weer, zoals gisteren, deden wij hetzelfde. We gingen recht op hen af en herkenden onze adjudant, wat ons gerust stelde. “Roep de mensen maar, dat ze allemaal komen, niemand moet schrik hebben. Wij doen alleen maar kwaad aan degenen die geld gestolen hebben.” Zij bedoelden daarmee al degenen die werkten aan de staat en geld verdienen, soms heel veel, en ook wel, niet allemaal natuurlijk, geld stalen, vooral zij die aan de kas zaten. De mensen kwamen schuchter dichterbij, ieder met een tak in de hand of een hoopje lang gras, waarmee ze wuifden. Dat moest zo zijn, men vertelde zelfs dat de Simba’s de handen afkapten van degenen die niets in hun handen hadden. Ze zeiden dat ze gekomen waren om de streek, heel Kongo, te zuiveren van de profiteurs en uitbuiters, Tsjombe op kop, die Kongo verkocht heeft aan de Amerikanen die nu gekomen zijn om tegen de Simba’s oorlog te voeren. Ze gaven bevel aan de mensen dat ze soldaten van Tsjombe die op de vlucht zouden zijn en bij hen zouden kleren of eten vragen, vriendelijk moesten ontvangen; ze zouden aanstonds beginnen te zeggen : “kom maar binnen, we zullen eten voor u klaar maken, ge moogt hier slapen ook. Als de soldaten goed zouden gegeten hebben, zouden ze gaan slapen en zouden hun geweer naast hen leggen. Als ze dan ingeslapen zouden zijn, moesten ze hun overvallen. Als ze hen niet zouden durven vermoorden, moesten ze hen binden en aan de Simba’s overleveren samen met hun geweren…Ze zeiden ook “en wij willen absoluut geen kwaad doen aan de Paters of aan de missie ; ge moet maar veel bidden en aan God vragen.” “Uw camionette zullen we toch maar meenemen, alleen maar om onze gekwetsten naar het hospitaal te voeren, daarna brengen we ze terug.” Later vertelde men ons dat ze een Pater zouden doodgeschoten hebben indien we zouden geweigerd hebben. Pater De Meyer ging dan met enkele Simba’s naar de garage die achter ons huis lag. Ze moesten alleen maar de wagen hebben, de bäche, sleutels, pomp mochten blijven, want over een paar dagen zouden we de camionette toch terug krijgen. Onze fameuze adjudant was ondertussen een goeiedag gaan zeggen aan de zusters (Bamasoeurs). De chauffeur, of ene die dacht dat hij met de auto kon rijden, kwam met de camionette achterwaarts uit de garage gereden, wilde draaien voor ons huis, maar reed tegen de waterciterne. De kraan brak af en een brede waterstraal gutste uit de opening. Nu, dat is geen erg, zeiden we…en weg waren ze. Met dat al wisten we nog niet wat die mannen in ’t schild voerden. Er werd nog wat nagepraat en iedereen ging dan naar huis. Ik ging op zoek naar de kinderen van de mafundisho (onderricht) en de catechumenen. Die wonen achter de kerk, ik was juist van plan binnen te gaan in de slaapzaal om te kijken, of ik hoorde plots geweerschoten en twee van onze jonge hoveniers (waarvan ik hoger vertelde) kwamen afgestormd om zich te verschuilen. Ik ging naar de missie en zag juist de camionette terug de dreef inrijden en vertrekken. De mannen waren teruggekomen om de bäche. Als ze vertrokken schoten ze in de lucht van vreugde. De mensen kropen in een mollegat van schrik, niettegenstaande al de schone en vriendelijke woorden van de Simba’s. Terreur was wel het grote wapen van de rebellen om de bevolking kalm te houden. We werden gerust gelaten voor de rest van de dag. We hoorden alleen voorbijrijdende camions geladen met zingende Simba’s op de grote baan en verwachtten steeds dat ze naar de missie zouden komen. We vernamen ook dat Bunia ingenomen was. Een infirmier, wiens vader onderwijzer op de missie was, was thuis gekomen. Hij had de strijd bij de Tinda meegemaakt, omdat hij verplicht was door het K.N.L. met hen mee te gaan als ziekenverzorger. Alle kinderen, catechumenen, vrouwen die wachten in de materniteit, de Zusters met de weesjes en meisjes die bij hen werkten, waren allemaal weggelopen, ze hadden zich verscholen aan de andere kant van de missie in de velden waar twee werklieden woonden, helemaal alleen in de vlakte, want de missie ligt op een heuvel. De Zusters hadden eten meegenomen voor de kinderen en voor hen. Iedere morgen na de mis vertrokken ze. Ze werkten dikwijls in hun velden en ’s avonds kwamen ze dan terug naar huis. Anderen deden juist het tegenovergestelde, overdag bleven ze thuis en werkten er wat, maar ’s avonds zag men overal hoe ze vertrokken met pak en zak om ergens in de brousse bij een of andere kennis te overnachten. Vrijdag 4 september gaf ik toelating aan catechumenen en kinderen van het onderricht naar hun dorp te gaan, ze waren ten andere niet meer te houden en vielen mij heel de tijd lastig. Voor enkele dagen maar, zeiden ze. Ik zei hen ook de families te verwittigen van de weeskinderen, dat ze die ook maar zouden weghalen. Drie mannen die catechumenen waren, bleven achter om hun huis en velden te bewaken, alsook hun varken dat bijna vet genoeg was om te slachten. ’s Avonds rond 6 uur nieuw alarm. Het begon donker te worden en men had zo pas de moteur van de elektriciteit aangestoken. Een onderwijzer kwam buiten adem toegelopen en vertelde dat een grote groep weggevluchte soldaten van de K.N.L. na de nederlaag bij Bunia op weg waren naar hier, waar ze een weg zochten om over te steken. Men had ze gezien bij de Shari, een rivier op drie kilometer van hier. Ze waren gewapend maar deden niets, ze vroegen alleen maar burgerkleren. Als men weigerde trokken ze de kleren van ’t lichaam en lieten hun soldatenkleren achter. Paniek en schrik, na al datgene wat de Simba’s gisteren gezegd hadden, dat diegene die een soldaat zou helpen aanstonds zou gedood worden, kan men indenken… De moteur werd al dadelijk stilgelegd, we deden de deuren op slot en begaven ons naar de refter die achter het huis gelegen is. We hebben daar een beetje gegeten en een tijdje naar de radio geluisterd. Alle mogelijke en onmogelijke posten om wat nieuws te vernemen. Overal redevoeringen van ministers die niets anders zeiden dan dat ze wonnen en de anderen bedreigden. Brussel konden we sinds een paar dagen niet meer krijgen, daar hadden ze niet beter gevonden dan van golflengte te veranderen, zgz. om de uitzendingen klaarder te maken. Bij ons was het juist het tegenovergestelde. In alle geval op die avond gebeurde er niets. De soldaten waren wel voorbij gekomen, maar veel te haastig om ergens binnen te komen. Velen echter van diegenen die gevlucht waren uit Bunia na de inname van de stad door de Simba’s bleven kalm zitten aan de overkant van de Shari en de Ituri, die nog een veel grotere rivier was. Er zijn daar geen wegen, enkel maar bergen, bossen, brousse en wilde beesten. Met het vlees van die beesten, vooral olifanten en buffels kochten ze eten bij de mensen en konden ze in leven blijven tot in ’t begin december, wanneer de streek van Bunia terug bevrijd werd. Zaterdag 5 september. De spanning duurde voort. Er kwamen nog enkele mensen naar de kerk ’s morgens en daarna was alles verlaten. Ik werkte wat op mijn bureau, klopte de vertaling van de uitleg van de Katekismus in Kibira (inlandse taal gesproken door de Babira) in vier exemplaren; voor de rest gingen wij de mensen bezoeken in de naaste omgeving. We hadden een schoon uitzicht op de top van een kleine heuvel vlak bij de missie gelegen, waar een onderwijzer zijn huis gebouwd had. We konden van daaruit de grote baan zien liggen en de voorbijtrekkende Simba’s. ’s Avonds verlieten we de kerk na het avondgebed. Ik sloot de deur en op ’t zelfde ogenblik kwam er een auto aangereden. Het was een station-wagen, gestolen op de protestantse missie van Nyanunde. Er kwamen vier mannen uit in hun traditioneel oorlogskostuum, half naakt en gewapend met geweren. Ze waren echter vriendelijk en zeiden dat ze aan ’t patrouilleren waren en dat wij geen schrik moesten hebben. We gingen dan ook slapen. Om half twaalf schoot ik wakker, er was weer een auto. Ik kwam buiten en zag dezelfde mannen van daarjuist neven hun auto met geweer in aanslag ; aan hun manier van doen zag ik dadelijk dat het niet pluis was. Toen ik bij hen kwam zeiden ze : “gij verstopt een Amerikaan.” “Wij hebben hier geen Amerikaan gezien.” “Ofwel verstopt ge een soldaat van Tsjombe, wij hebben hem zelf gezien op de baan, hij is naar hier gelopen. Waar zit hij ?” “Maar er zit hier niemand. Ge hebt gezegd dat wij niemand mochten versteken. Als ge wilt moet ge maar komen kijken en zoeken.” Pater De Meyer stak het licht terug aan en een Simba vergezelde hem naar het moteurkot, omdat de Pater het zelf vroeg. De huiszoeking kon beginnen. Als ge nu weet hoeveel gebouwen er op de missie staan en hoever die van mekaar verwijderd liggen, dan is het niet moeilijk te begrijpen hoeveel uren er zouden nodig geweest zijn alles af te zoeken. Ik ging mijn kamer binnen gevolgd door twee gewapende Simba’s. Een keek onder de tafel, dan in mijn slaapkamer die zo klein is dat men er nauwelijks kan in omdraaien. Ze keken onder mijn bed en ik moest de deur openmaken van de kleerkast. De huiszoeking bij mij was afgelopen. Dan gingen we in ons “salon”. Op tafel stond er een bandopnemer en ze moesten weten wat dat voor iets was. In een hoek stond er een ouwe uiteengenomen radio “iko nini ?” (wat is dat). Om de huiszoeking te beëindigen wilden ze nog de huizen van de onderwijzers zien, die wonen op een 50-tal meters van de missie nevens de oude jongensschool, in negen huizen langs weerszijden van de weg. Daar was natuurlijk ook niets te zien, ze kwamen dan terug en zeiden “munafaya fonie”. Wij keken hen aan en wisten werkelijk niet wat ze bedoelden. (later zouden we het nog genoeg horen !...) “Ndiyo, munafanya fonie” (ja, ja, gijlie doet fonie) om de Amerikanen te roepen en tegen ons te vechten. Toen ging ons een licht op. Ze bedoelden een uitzendpost en verwarden dat met Telephone ! We zeiden dat we wel een radio hadden, maar nooit een phonie in bezit hadden. “Ge bezit wel een fonie, zie maar, in Nyankunde hebben ze er ook ene. Yosiya (een Kongolees die in de drukkerij werkte) is gaan lopen maar we hebben zijn zoon meegenomen. Kijk maar in de auto, als zijn vader niet terugkomt schieten wij hem dood.” Zij vertrokken.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:16 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”

Vervolg in “De Band” van mei 1965 : “’s Anderdaags na de middag vertrok diezelfde Pater op tourné naar Kibe, een centrale schoolkapel op 45 km van de missie gelegen, juist op het groot kruispunt Stan-Bunia-Beni, om er zondag a.s. de maandelijkse mis te doen voor de christenen. Toen hij daar aankwam was er geen levende ziel te bespeuren. Hij stopte aan de kapel en wachtte tot er tenslotte een onderwijzer kwam opdagen. Het A.N.C. was daar gepasseerd, komende uit Bunia. Alle mensen waren er gaan lopen omdat de soldaten er nogal lelijk huis gehouden hadden : geplunderd, vrouwen verkracht en mishandeld en ook enkele mensen gedood. Aan het kruispunt waren de mensen fel M.N.C. (Mouvement National Congolais, partij van Lumumba) gezind, zoals trouwens gans de bevolking van Ituri, op enkele uitzonderingen na. Nu waren ze voort opgetrokken naar Mambasa om er de rebellen te verjagen. We vernamen later dat de fameuze kommandant, die de streek ging verdedigen, de enige gesneuvelde was in de strijd om Mambasa, waar de rebellen op de vlucht gedreven werden. De militairen van het A.N.C. in plaats van hun stellingen te versterken, begonnen dan maar met feest te vieren en te drinken. Wanneer ze goed zat waren werden ze overvallen door de ’s nachts weergekeerde rebellen. Een deel werd vermoord en de anderen vluchten de bossen in. De weg naar Bunia lag open. Intussen was alles kalm op de missie ; ’s vrijdags op de middag, cirkelde een vliegtuig van de O.N.U. heel laag boven de streek, ook over ons huis tot driemaal toe, waarschijnlijk op verkenning. Zaterdag, ook tegen de middag, hadden wij bezoek van de gewestbeheerder van Irumu, die toch in Bunia geraakt was om het leger te verwittigen en terug thuis gekomen was. Hij was vergezeld van een 10-tal gewapende policiers. Nu was hij de streek aan ’t doorlopen om de mensen aan te sporen kalm te blijven, want het gevaar was geweken zei hij. Niemand wist dat de soldaten van het A.N.C. verslagen waren en de rebellen op komst. Trouwens nergens waren er mensen te zien ; heel de streek was doods en verlaten. De Administrateur profiteerde er ook van om door te rijden naar de Shari en de mannen die hem een paar dagen tevoren geweigerd hadden over te zetten, gevankelijk mee te voeren ; enkele dagen later werd er een van hen in Bunia door het A.N.C. neergeschoten evenals een grote chef van bij ons samen met enkele anderen, onder beschuldiging van samenwerking met de rebellen. Op zondag 30 en maandag 31 augustus was het rustig, hoewel de atmosfeer geladen was en men de indruk had dat het land was uitgestorven. “Ze” (de rebellen) waren al aan de njiapanda (kruispunt) ; “ze” waren met zes, anderen beweerden dat ze met zeven waren of met elf. “Ze” schoten soms, men had “ze” zien dansen en horen zingen. Maar niemand wist te zeggen wat “ze” in ’t schild voerden, niemand ook had al met hen gesproken, men had alleen maar schrik. Op dinsdag 1 september werd er heftig gevochten aan het kruispunt. Een andere colonne soldaten van het A.N.C. werd er op de vlucht gedreven door de opstandelingen die in hinderlaag lagen. Om 11 uur in de voormiddag kwamen die laatsten aan te Irumu, op 25 km van bij ons dus, en vermoorden er zo maar eventjes negen personen zonder vorm van proces, zogezegd omdat ze gestolen hadden, wat zeker tenminste voor sommigen onder hen niet het geval geweest was. Op diezelfde dag werd er ook een jonge man doodgeschoten die een matras op zijn rug droeg, matras die hij uit een leegstaand huis had weggesleurd. Een andere werd neergeschoten omdat hij een leeg petroleumvat dat op het vliegveld stond had meegenomen. De negen waarvan ik daarjuist sprak werden doodgeschoten aan het bureau van het gewest, de armen op de rug gebonden samen met de voeten. Ze lagen op de buik en werden een voor een met een schot in de nek afgemaakt. De anderen werden gedood door geweerschoten afgevuurd door de rebellen van op hun camions waarmee ze vervoerd werden. Vervolgens werden de huizen van de Hindous (handelaars) kapot geslagen en geplunderd door de rebellen en werden alle papieren en dossiers uit de bureaus van het gewest gesmeten en gescheurd. De enkele nieuwsgierigen werden uitgenodigd om er sigaretten mee te rollen. Het meest akelige was dat de lijken van degenen die gedood waren bleven liggen. We hebben dat later verschillende malen opgemerkt : minstens drie dagen. In Irumu werden dan de lijken door gewone burgers op kruiwagens naar een voormalig militair kamp overgebracht en in een half gevulde loopgracht geworpen. Meteen wisten de mensen en wij meteen met wie we te doen gingen hebben. We weten dit alles van onze catechist die de moed had ter plaatse te blijven, daar waar bijna iedereen de brousse was in gevlucht. De agenten van de administratie waren ook allemaal verdwenen, alsmede de policiers waarvan er daarna toch nog drie gesnapt werden en zonder pardon geëxecuteerd. De rebellen waren immers woest op al wat van de administratie was, regering, chefs, bedienden (in mindere mate nochtans) en policiers. Dus op allen die op d‘ een of d’ andere manier geleefd hadden op kosten van de gemeenschap. Juist na de middag van dezelfde dinsdag 1 september, kwamen de rebellen aan in Malabo, het dorp van een grote Babira-chef, in vogelvlucht op 5 km van de missie, langs de grote baan op 8 km. Het was gelegen op de grote baan in de richting van Irumu; het was tevens een klein handelscentrum waar zich een dertigtal magazijntjes bevonden. Ze waren met een tiental en verplaatsten zich met een benne die ze buitgemaakt hadden. Ze vonden natuurlijk een leeg dorp of bijna. De tactiek van de rebellen evenals van het K.N.L. bestond er in zo maar in ’t wilde te schieten wat een ware angstterreur onder de mensen teweegbracht. De chef, Manuel Sidikani was nochtans gebleven, gans alleen in zijn huis met gesloten deuren. Een enkele van zijn policiers bevond zich in de keuken, een ronde hut met gras bedekt zonder muren, achter het huis van de chef gelegen. Bij hun aankomst gingen de rebellen, zoals het hun gewoonte was, naar de chef, steeds maar schietend. Zeer dikwijls werden de chefs vermoord, omdat zij beschouwd werden (voor sommigen niet ten onrechte) als tirannen en uitbuiters van de bevolking. Gelukkig voor onze chef mochten de rebellen volgens hun reglementen (waarover later meer) nergens bij de mensen binnenkomen. Manuel had zich verscholen onder zijn bed, terwijl de rebellen begonnen te dansen in een kring rond zijn huis en steeds maar dwars door de muren schoten. Op hetzelfde ogenblik kwam de policier uit de keuken, hetgeen natuurlijk zijn verderf was, hij werd vastgegrepen en al dansende gingen ze er mee naar de grote baan juist tegenover de magazijnen waar hij neergeschoten werd en met een lans doorstoken. Nu waren de mensen werkelijk zich zelf niet meer meester van de schrik. De dorpen waren totaal verlaten, evenals de huizen langs de grote baan, tenminste ’s nachts. De huizen van degenen die in de brousse woonden waren natuurlijk over-overbevolkt, niemand dierf blijven slapen wanneer zijn huis een beetje dicht bij de baan stond. Op woensdag 2 september trokken de rebellen verder. Het was in de vroege namiddag dat ze passeerden aan het kruispunt op 4 km van de missie. Ze kwamen echter niet naar hier, omdat ze gezworen hadden Bunia zo gauw mogelijk in te nemen en de stad zwaar te straffen, omdat ze de mensen van Ituri, onze provincie dus, beschouwden als verraders, Manzikala, de gouverneur op kop. Bunia was steeds berucht geweest als zijnde een bolwerk van de M.N.C. en van Lumumbisten, dat was werkelijk zo, maar bij ons waren de mensen fel vreedzaam. Als de geruchten begonnen door te sijpelen van de wreedheden die gepleegd waren door de rebellen, werd Bunia in staat van verdediging gebracht. Tsjombe was nog op bezoek geweest een paar weken voor de inval en Manzikala was persoonlijk soldaten gaan halen in Katanga om Bunia te helpen verdedigen. Het K.N.L. waarvan dus een groot deel Katangezen waren, had zich verschanst achter de brug over de Tinda, waarover ik hoger sprak. De brug zelf was helemaal omspannen met prikkeldraad. Eerst vertel ik u hoe de rebellen oorlog voerden, voor zover wij hebben kunnen uitmaken uit hun gezegden, want zelf ben ik natuurlijk nooit bij geweest. Ze waren onderverdeeld in vier groepen. Enkel degenen die behoorden tot een van de drie eerste groepen waren gewapend met geweren. Sommigen hadden automatische geweren waarvan de laders 20 patronen bevatten. De eerste groep noemde zich de commando’s (allemaal grote namen voor niets), zij waren de toekomstige soldaten van de volksrepubliek. Waren ook gewapend , de officieren en onderofficieren van de G.D. (ze noemden zich Ba-G.D.de ville), de toekomstige gendarmerie en tenslotte ook de officieren van de P.M.(Ba-PeeM) die na de oorlog policiers zouden zijn. Al die mannen had men beloofd dat ze, eens de oorlog gedaan, een huis zouden krijgen. Daarnaast had men aan de grote massa Simba’s een samenraapsel van kinderen (er waren er bij die amper acht jaar oud waren) en jonge mannen voor het merendeels ongehuwden of die thuis miserie hadden en die als wapens beschikten over lansen, messen, boog en pijlen, bajonetten, ijzeren stangen of bij gebrek aan dat alles over een gewone stok. Als ze ten strijde trokken hadden ze niets aan dan een broek. Over hun blote borst bonden ze ingekruist palmtakken of lang gras. Ook staken ze tussen hun broeksriem palmtakken of gras. Iedere Simba (leeuw) droeg een vel of velletje van ’t een of ’t ander wild dier aan de arm als bracelet of op het hoofd. Van de duizenden die wij gezien hebben kan ik mij niet meer herinneren er ooit twee gezien te hebben die op dezelfde manier gekleed of getooid waren. Ze trokken ten strijde al zingende, camions volgepropt met Simba’s, ingekaderd door gewapende mannen. De grote kracht der rebellen is de overtuiging dat ze onkwetsbaar zijn. Bij hun inlijving worden ze eerst bewerkt door de tovenaar (mufumu), die hen bezweert en met tovermiddelen instrijkt na insnijdingen gemaakt te hebben ofwel op hun voorhoofd, hun arm of lichaam. Wanneer ze voor de tweede maal terugkomen, nadat ze een punt van het reglement overtreden hebben, worden ze met water besprenkeld. Eenmaal dus dat de Simba ingewijd is moet hij de reglementen van de Simba’s nakomen, op straffe van terug kwetsbaar te worden in de oorlog. Er zijn zo een hele serie, in onze ogen belachelijke en kinderachtige bepalingen, zoals b.v., het is hen verboden groenten te eten, door de regen, of door een riviertje, zelfs door een plas water te gaan, hun haar of baard af te snijden, de kop of staart van een vis te eten, de benen te kraken van een kip of ander vlees dat men klaar gemaakt heeft om te eten. Het is verboden eten aan te nemen dat bereid is door volwassen vrouwen of door mannen. Zo is het uit te leggen dat alle Simba’s hun eten doen klaar maken door jonge onhuwbare meisjes. Het ging zelfs zo ver dat ze die kinderen kwamen weghalen in de klas bij de Zusters. Het is hun ook verboden iets aan te nemen uit de hand, daarom moest men het voorwerp dat men hen wilde geven op de grond of op de tafel leggen. Als men hen een sigaret wilde geven liet men die in hun handen vallen die ze uitstrekten, behalve natuurlijk als ze u te rap af waren en heel het pakske uit uw hand namen…Ze mochten ook de hand niet reiken of aannemen, om te groeten brachten ze de rechterhand voor de borst, zoals de Waxaveri (Chiro). Een armbandhorloge mochten ze niet aandoen, tenzij over een dierenvelletje, want anders zou die de kogels aantrekken. Ze mochten ook geen vrouwen aanraken, zelfs niet bekijken of er op denken, evenmin op hun familie die ze trouwens nooit meer mochten bezoeken. Als het bij toeval gebeurde dat ze thuis kwamen, dan moesten ze buiten blijven staan en eten mochten ze niet aannemen. Ze mochten niet stelen, lijken begraven ook niet of ergens binnengaan enz. De mensen moesten er mee lachen en zeiden : “Wij kunnen zelfs de tien geboden van God niet onderhouden en zij hebben er 45”. Als beloning voor hun werk kreeg elke Simba, van de eerste tot de laatste in twee weken 3.000 fr. De officieren kregen het dubbele of natuurlijk veel meer… Wanneer men begon te schieten op hen tijdens een aanval, volstond het dat ze riepen “mayi Mulele; Mayi Lumumba; mayi, mayi” (water,water) en de kogels kotsten af op hun lichaam of bleven in hun broeksband steken. Bommen ontploften nevens hen en maakten een diepe put, maar zij bleven altijd ongedeerd staan. Zelf rukten ze op en grepen de soldaten van Tjombe vast met hun blote handen ; zelfs de vliegtuigen haalden ze naar beneden met hun handen. Zo vertelden ze, en ieder die hen beluisterde hoorde toe met gespannen aandacht, de ogen opengesperd van bewondering, temeer dat er bij hen bijna nooit doden vielen, altijd maar een of soms twee, en bij de anderen met tientallen of bij honderden. Op woensdag 2 september kwamen de rebellen aan de brug over de Tinda op 17 km van Bunia dat ze kost wat kost wilden innemen en als verlamd was van de schrik, uitgenomen misschien de enkele honderden Katangezen die de stad moesten verdedigen. Vele vooraanstaanden waren reeds vertrokken met pak en zak. De Simba’s trokken op, in camions, huilend en zingend. Ze waren nochtans zo verstandig de eerste camions vol te stoppen met kanonnenvlees, t.t.z. met mensen uit de streek die ze met geweld ingelijfd hadden waaronder zelfs een heel deel Pygmeeën uit het bos. Toen ze aan de brug kwamen waar de Katangezen verscholen lagen, sprongen de Simba’s van de camions om de pinnekensdraad los te maken, ze werden natuurlijk allemaal weggemaaid, drie, vier camions die mekaar opvolgden. De Katangezen hadden een soldaat dood, die van de ene kant van de baan naar de andere liep en neergeschoten werd. Heel de tijd werd er geschoten dat het een aard had, vooral dan de Katangezen die veel beter bewapend waren dan de rebellen , schoten zonder ophouden, ook wanneer de rebellen allemaal dood waren en de anderen niet waren aangekomen. Het onvermijdelijke gebeurde, ze vielen zonder munitie. Er was wel een camion naar Bunia vertrokken om er te gaan halen maar het was te laat. De Katangezen vluchtten allemaal de brousse in ; de rebellen trokken de brug over en reden naar Bunia, almaar door schietend en zonder tegenstand te ondervinden. Bunia was ingenomen. In de stad zelf speelden er zich verschrikkelijke scenes af. Dat gebeurde dus op woensdag 2 september. Dat Bunia door de rebellen was ingenomen wisten we te Badiya nog niet, we hoorden enkel vertellen dat ze in Irumu waren, dat er in Malabo een policier dood lag op straat en dat er gevochten werd aan de Tinda. De prostestanten van de missie Nyankunde, op 13 km van hier, waren geëvacueerd een paar dagen tevoren en men vertelde ook dat hun missie geplunderd was. De woensdagnamiddag was de atmosfeer echt ondraaglijk. Toen wij om 4 uur samen met Pater De Meyer aan ’t koffie drinken waren (eetlust hadden we echter niet veel) besloten wij eens te gaan kijken naar de protestantse missie in Nyankunde, te meer daar wij dachten dat Mr. Deans, een Amerikaan en sinds jaren overste aldaar en met wie we op goede voet leefden, zonder nochtans veel betrekkingen te hebben onderhouden, steeds daar was. Al verschillende malen waren de anderen op de vlucht gegaan als de toestand wat gespannen was, maar Mr. Deans was dan gebleven. We raapten dus al onze moed bijeen en vertrokken met de camionette. Het was juist half vijf.”

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:13 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

Vervolg : Pater René DE LAET over het geval “Kongo”.

In Bunia was er ook het College, de Witte Zusters met normaalschool en huishoudschool voor meisjes, een leproserij, het hospitaal (zonder dokter) en moederhuis op 3 km van de missie gelegen, maar bediend door de Witte Zusters samen met enkele zwarte zusterkens en een heel stelletje zwarte infirmières; noviciaat van zwarte zusters en broeders. Zagerij, schrijnwerkerij, smidse, drukkerij, garage, bureau voor het katholiek onderwijs en zo meer. De missie ligt op 3 km van de stad aan de overkant van de NGEZI, een klein riviertje. In de inlandse cité wonen er tussen de 25 en dertigduizend mensen ; midden daarin bevindt zich ook een missie met lagere scholen voor jongens en meisjes, alsook een school voor bewerking van hout. De stad BUNIA is absoluut niet groot : één grote en brede straat, geasfalteerd sinds acht jaar, met magazijnen die vooral aan Grieken toebehoren en hotels; er is een residentie-wijk, bewoond vooral door functionarissen (nu zwarten, tot voor 1960 blanken): een beetje verspreid bevonden zich de burelen van de verschillende ministeries. Evenwijdig met de grote baan is er nog een andere straat met woningen, magazijnen, de markt en schuins daartegenover een tamelijk groot hotel, waar we later nog wel meer zullen van vernemen. Het hospitaal ligt op drie km van de stad in de richting van de missie ; daar niet ver vandaan het vliegveld, dat alleen toegankelijk is voor
D.C.6 ; het kamp van de policiers en het militair kamp.
Tijdens de maand augustus 1964 werd de toestand alarmerend ; niet te veel nochtans. Wij werkten gewoon door. Het was groot verlof voor de schoolkinderen en wij profiteerden ervan om de schooljongens van de vierde studiejaren naar de missie doen te komen om hun plechtige communie te doen, de heidenen onder hen die het onderricht gevolgd hadden te dopen en te vormen. Ze waren met een tweehonderdtal, en veertig onder hen die heel ver van de missie woonden en geen plaats hadden kunnen vinden bij kennissen of familie om te logeren, verbleven op de missie ; er was onderricht van 9 uur tot 11u15, gevolgd van de mis, daarna ging ieder naar huis. Degenen die het verst afwoonden liepen een paar uur te voet, zoals tijdens het schooljaar, met dit verschil dat de klassen begonnen om 8 uur. Buiten die schooljongens woonden er op de missie 80 catechumenen, volwassenen die zich voorbereiden op het doopsel, een 50-tal meisjes van rond de 12 jaar, kinderen van kristen ouders, die niet meer naar school gingen en voor zes maanden naar de missie kwamen om zich voor te bereiden op plechtige communie en vormsel. Er waren ook drie infirmiéres die werkzaam waren in het dispensarium van de missie waaraan ook twee hospitaalzaaltjes aan gehecht waren waar de zieken konden overnachten. Ongelukkig beschikten wij over praktisch geen geneesmiddelen meer. Verder werkten er ook zes zwarte zusters, waarvan er drie klas gaven samen met vier onderwijzeressen, een was vroedvrouw aan de materniteit, een andere gaf onderricht en zorgde voor de velden van de kinderen van de plechtige communie en van de catechumenen en de overste MAMA MODESTA, zorgde voor de schoolmeisjes die intern waren op de missie. Andere activiteiten op de missie waren de werking van de kajotters, die in twee groepen verdeeld waren. Iedere groep was begonnen met het maken en bakken van bakstenen ; de missie had hen geholpen en zo waren die mannen aan het werk gegaan en konden geld verdienen want de streek liep leeg ; bijna alle jongelingen waren nietsnutten die niets anders deden dan rondlopen en wandelen, bij voorkeur naar BUNIA, want werk was er nergens te vinden. Daar waren ook een zestal jongens van rond de 16 jaar begonnen, sinds meer dan een jaar, met het aanleggen van een grote groentenhof. De bedoeling was hen aan te sporen te werken en aan te tonen hoe ze het moesten aan boord leggen om legumen te kweken. Later zouden ze dan als zelfstandige in hun eigen dorp beginnen en voor hun eigen rekening werken. Dan was er nog een ploeg schrijnwerkers, ze hadden deze van de missie nadat onze nieuwe kerk gebouwd was overgenomen (voor niets natuurlijk, want ze hadden geen geld!!!) om zo op hun manier aan de kost te komen. Er waren er drie onder hen die de schrijnwerkersschool van Broeder Augustinus in Bunia gevolgd hadden. Twee waren er getrouwd ; samen waren ze ook met een 6-tal. Voorlopig geschiedde alles onder het oog van de Pater, want die mannen hadden het vertrouwen nog niet, zo wilden ze dat het geld dat ze verdienden in hun handen bleef ; wij trachten er stillekens aan naar die jongens toe voor het werk liefde in te prenten en ook verantwoordelijkheidsgevoel.
Er was op de missie ook een leproserij met 20 melaatsen. Op 20 augustus kregen we bezoek van Monseigneur Gabriel, die er zich kwam van vergewissen hoe wij het stelden, want in Bunia veel meer dan hier was men in spanning, vooral dan de administratie en de regering omwille van de praatjes en geruchten die de ronde deden zoals moordpartijen, wreedheden en onkwetsbaarheid van de rebellen enz. Monseigneur had ook een briefje bij van de Kommandant van het garnizoen van het Kongolees Nationaal Leger (in afkorting K.N.L. of A.N.C. – Armée Nationale Congolaise) in Bunia waarin deze tot kalmte aanspoorde en zei dat men gerust mocht zijn, ook de missionarissen. Het leger is hier zei hij, om zo nodig de streek te verdedigen, maar er zou niets gebeuren en na een paar weken zou alles voorbij zijn en patati en patata. Intussen hadden de militairen, 4 à 500 man sterk waarvan een groot deel Katangezen die door de Provincie-gouverneur geroepen waren om Bunia te helpen verdedigen, zich opgesteld aan een brug op 17 km van de stad om de rebellen, die nooit de grote banen verlieten, tegen te houden. Die rivier in kwestie heette TINDA. Vanaf dat ogenblik was het voor ons onmogelijk Bunia te bereiken, er mocht niemand meer door omdat men meende dat spionnen Bunia zouden binnendringen. Wij van onze kant dachten er zelfs niet aan naar de stad uit te wijken juist omwille van de ondraaglijk gespannen toestand. Vermits we daarenboven niets hoorden van gewelddaden tegenover de missie of missionarissen vanwege de rebellen, behalve dan op Amerikanen bleven wij op de missie van BADIYA. Op maandag 24 augustus passeerde op de missie de Administrateur van het gewest IRUMU. Hij was per fiets en begaf zich naar BUNIA (op de grote baan naar Stan was alles afgesloten), dus langs een zijweg. Hij ging hulp vragen daar de rebellen aangekomen waren te MAMBASA op 170 km van BUNIA op de grote baan naar Stan, en ze er de Administrateur en zijn assistent vermoord hadden. Om BUNIA te bereiken waren er twee wegen : ofwel de grote baan die nu versperd was door de soldaten van het A.N.C. en een zijbaan in heel slechte staat, die langs de missie voorbijliep. Drie km van de missie werd die weg gekruist door een tamelijk brede rivier, die SHARI heette. Er is daar geen brug over en men bereikt de overkant ofwel al zwemmend natuurlijk ofwel langs een lianenbrug, die wij apenbrug noemen, als die echter niet in ’t water hing, ofwel langs de bak of ponton op vier pirogen, als die natuurlijk ook niet weggespoeld was met de stroming. Toen de Administrateur daar aankwam, weigerde men hem over te zetten, doch ze hielden hem eenvoudig aan en een onder hen ging bij de chef een paar policiers roepen die gauw kwamen en Mijnheer de Administrateur terug naar IRUMU brachten ; zij dachten dat hij trachtte te vluchten met het geld van de kas. De volgende dag, dinsdag 25 augustus, was er vormsel op de missie. Monseigneur had me de toelating gegeven zelf te vormen in geval hij niet meer bij mij zou geraken, hetgeen werkelijk zo was. Twee dagen later, op donderdag 27 augustus, vertrekt Pater De Meyer met de camionette naar Bunia , hij was vergezeld van een Canadese jonge Pater die sinds januari bij ons was om het Kibira (inlandse taal) te leren. Niettegenstaande de moeilijkheden oordeelden wij dat het maar best was dat de Pater vertrok, daar velen natuurlijk wisten dat Canada in Amerika ligt en wij al vernomen hadden dat de rebellen bijzonder woest waren op de Amerikanen. De protestantse missionnarissen , die Amerikanen waren, van de missie NYANKUNDE op 15 km van hier, waren trouwens allemaal vertrokken. Aan de Tinda-rivier hadden de twee Paters alle moeite van de wereld om over de brug te geraken. Tegen de avond was Pater De Meyer terug thuis, maar alleen. Hij had ook eten meegebracht : bloem, suiker en charcuterie, ook missiewijn die men in Bunia verdeeld had over alle missies.”

Vervolgt.

Foto’s :

-Pater René tussen zijn familie.

-Op zijn moto.

-Tijdens één van zijn afreizen.




2717246-21807f4a8f36e47ee3a1fe1217a43d95.jpg

2717246-fb4cceca53636451db787003469a7d29.jpg

2717246-39bc68bed6b58fdb6b634cd2eda57f5b.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 12:12 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Augustusnummer “De Band” : Pater René DE LAET over het geval Kongo” 

KONGO.

De Band (april 1965) : “Het zal onze lezers en lezeressen zeker verheugen, te mogen vernemen dat het ons mogelijk is, dank zij onze dorpsgenoot E.P. De Laet, een uitgebreide reportage te geven over het geval KONGO !! “

In Wikipedia vonden we volgende achtergrondinformatie : De Simba's (Swahili voor 'leeuwen') waren Congolese opstandelingen die in 1964 grote delen van Oost-Congo veroverden. Zij waren antiwesters gezind en blijven berucht omwille van hun moordpartijen op Congolese burgers, westerlingen en missionarissen. Belgische militaire operaties, de Ommegang en Dragon Rouge, maakten een einde aan de Simba-opstand. In 1960 werd Belgisch-Congo onafhankelijk. Het centrale bestuur onder Kasavubu en Lumumba slaagde er niet in zijn gezag overal te doen gelden. Allerlei groepen en stammen herkenden zich niet in het landsbestuur en de moord op Lumumba in 1961 wakkerde de onrust aan. Het ongedisciplineerde ANC (Armée Nationale Congolaise)) ging zich te buiten aan moordpartijen, verkrachtingen en plunderingen, wat her en der opstanden uitlokte. De opstand van de zogeheten Simba’s in Oost-Kongo in de zomer van 1964 bleek onverwacht heel succesvol. De Simba’s rekruteerden voornamelijk bij animistische stammen uit Kivu en Orientale. ‘Simba’s’ geloofden dat ze onkwetsbaar waren voor kogels, dat ze in leeuwen zouden veranderen in de strijd, want zo hadden de sjamanen Mama Maria Onema en mama Fumu hun verzekerd. De Simba’s werden geleid door Christophe Gbenye en Gaston Soumialot, leden van de marxistische Mouvement National Congolais (MNL), die werd gesteund door de Sovjet-Unie en Cuba. Ontevreden jongeren, jeugdbendes die zich als de ‘jeunesse’ hadden verenigd, sloten zich gewillig aan bij de Simba’s en vormden een aparte kern. Als belangrijkste militaire leider van de Simba’s wierp Nicholas Olenga zich op, een Lumumba-vertrouweling die in 1963 nog een mislukte staatsgreep had gepleegd. De Congolese regering werd in 1964 voorgezeten door Tshombe, oud-leider van de afgescheiden provincie Katanga, maar was zwak. Het ANC onder leiding van Mobutu en berucht om zijn wreedheden, riep vooral weerstand op bij de bevolking. Tijdens de opmars van de Simba’s vluchtte het ANC meer dan dat het verzet bood. In korte tijd slaagden de Simba’s erin heel oostelijk Congo te veroveren met als koninginnenstuk de inname van Stanleystad op 5 augustus. In deze bloeiende handelsstad woonden zowat 1600 buitenlanders, waaronder ruim 500 Belgen. De Simba’s vermoordden duizenden mensen vooral Congolezen zij gijzelden honderden westerlingen. België stuurde kolonel Frédéric Vandewalle uit. Die begon een veldtocht tegen de Simba’s, de Ommegang genoemd, aan het hoofd van enkele duizenden Katangese gendarmes en 254 blanke huurlingen. Vandewalle veroverde Kindu maar stelde vast dat de Simba’s niet aarzelden om gijzelaars te doden als ze militair werden bedreigd. Omdat Belgen in Stanleystad direct gevaar liepen werd een bliksemactie voorbereid om hen te bevrijden. De geheime operatie werd “Dragon Rouge” genoemd en stond onder leiding van kolonel Charles Laurent. Belgische para’s sprongen op 24 november boven de luchthaven van Stanleystad en slaagden erin de meeste gijzelaars tijdig te bevrijden. In samenwerking met Dragon Rouge maakte Vandewalle een eind aan het Simba-bewind. Toen alles weer veilig was, deed het ANC zijn intrede in Stanleystad. De Congolese veiligheidschef Victor Nendaka organiseerde een zeer verregaande repressie onder de burgerbevolking. Personen die ervan werden verdacht met de Simba’s te sympathiseren, werden doodgemarteld. De strijd tegen de Simba’s, die Punia nog veroverden, zou voortduren tot mei 1965. Na de ontzetting van Watsa, waar de lijken van 38 vermoorde westerlingen werden gevonden. Het zou nog tot augustus 1965 duren alvorens de gevechten in het land stopten. Zo volgde op zondag 30 mei 1965 nog een moordpartij in Buta, waar eenendertig missionarissen werden vermoord. In november greep Mobutu de macht en begon een periode van relatieve stabiliteit.

René DE LAET.

“Velen hebben zich waarschijnlijk al afgevraagd wat ik zoal meegemaakt heb, en op welke wijze wij ontsnapt zijn uit wat men noemt “de hel van Kongo”. Daarom ga ik trachten de lezers van DE BAND eenvoudig ’t een en ’t ander vertellen over die drie maanden die wij doorgebracht hebben onder rebellenbewind. Ik zeg in ’t kort en “’t een en ’t ander” want alles tot in de details neerschrijven zou tot resultaat hebben dat u een boek zou voorgeschoteld krijgen. Weest er ook niet over verwonderd dat ik dikwijls in de eerste persoon zal spreken ; dat wil zeggen dat bijna alles wat gaat volgen door mij persoonlijk beleefd is. Al hetgeen er gebeurd is in andere streken hebt u vernomen langs de dagbladen, radio en T.V. Eerst geeft ik u een klein overzicht van onze missie, de plaats en de streek waar wij leefden en hopelijk zullen terugkeren. Neemt u de kaart van Kongo, dan ziet u de voormalige Oostprovincie met Stanleystad als hoofdplaats liggen in de rechterbovenhoek, m.a.w. in het noordoosten van het land. Ik zeg de voormalige Oostprovincie, want sinds 1961 is iedere Kongolese provincie ingedeeld in drie of vier omschrijvingen die samenvielen met de vroegere districten, die men nu ook provincie noemde en die onafhankelijk waren van mekaar en in theorie tenminste bestuurd werden door het Centraal gouvernement van Leopoldstad door middel van de provinciale regering. De uithoek van Kongo in het noordoosten, ingesloten in het noorden door de Soedan en in het oosten door Uganda, werd dus de provincie van KIBALI-ITURI met BUNIA als hoofdplaats; ze werden zo genoemd naar de twee voornaamste rivieren die er stromen. We kregen dus een regering met President en een twaalftal ministers, functionarissen, de ene al meer onbekwaam dan de andere, wiens aantal steeds meer aangroeide, zonder dat er iets gedaan werd om de toestand op gelijk welk gebied te verbeteren. Wanneer de provincie bij ons opgericht werd waren de meeste agenten van de administratie in dienst, en die dus al een heel klein beetje ervaring hadden, afkomstig uit Stanleystad en omstreken. Al die vreemden werden door de mensen WATOKACHINI” genoemd (degenen die komen van beneden, omdat Bunia hoger gelegen is dan Stanleyville). Er was stilaan verzet gekomen tegen die Watokachini, omdat de Ituri zo een beetje als wingewest van Stan beschouwd werd; met het gevolg ook dat Ituri onafhankelijk werd en vele vreemden, vooral die uit de administratie, vertrokken. Ook met het gevolg dat alles nog meer in ’t honderd liep. De belastingen vermeerderden ; de prijzen gingen de hoogte in ; vele zaken kon men niet meer krijgen ; er kwamen altijd maar meer werklozen bij ; bijna al de plantages van koffie waren verlaten, stonden in de brousse en brachten niets meer op ; sommigen zoals onderwijzers, kantonniers of bedienden werden onregelmatig of in ’t geheel niet meer betaald; de wegen waren in een heel slechte staat en werden niet meer onderhouden buiten enkele grote wegen en dan nog ; zoals b.v. de baan van Stan-Bunia die 700 km lang is en op sommige plaatsen veel weg had van de Larestraat of het Hoogveld in Leest ; ze is alleen een stuk breder. Op diezelfde baan (Stan-Bunia) ligt onze missie van BADIYA, 4 kilometers er van verwijderd en 40 kilometers van Bunia (de dichtstbijzijnde stad). De grens van onze Missie in de richting van Stanleystad is op 75 km, in het grote oerwoud dat begint op 40 km van bij ons en zich uitstrekt tot in Stan. In dezelfde richting ligt de hoofdplaats, of hoofdplaatsje, van het gewest (territoire), IRURU genaamd op 25 km ; daar nog 20 km verder bevindt zich het grote kruispunt (NJIAPANDA, noemden we dat); de grote weg splitst er zich in twee; rechtdoor naar Stan en links naar BENI, waar de Paters Assomptionnisten hun missies hebben : BUTEMBO, GOMA en BUKAVU, die laatste plaats is 800 km van hier verwijderd. Op het grondgebied van onze missie wonen er zo ongeveer 36.000 mensen, verdeeld onder vier verschillende rassen ; talrijkst waren de BABIRA, 20.000, 4.000 WALESE (bosmensen), een paar duizend Pigmeeën of dwergen, die ook in het bos wonen en WAHEMA of koeherders die met de BABIRA samenwoonden. Daarnaast had men mensen van allerlei rassen die hier komen wonen waren; vooral WAGETI, die bij hen moesten uitwijken omdat zij te talrijk waren en geen eten genoeg konden vinden. Van al die mensen waren er 14.000 katholiek gedoopten, verdeeld over zes centrale en 28 brousse schoolkapellen, die we regelmatig bezochten.
We waren met drie Paters : Pater Jaak De Meyer, een Bruggeling, Pater De Keyser uit Sint Agatha Berchem en ik. Pater De Keyzer die tevens professor van godsdienst was aan het Atheneum van IRURU was op verlof in Europa sinds juni, evenals alle andere blanke professoren, zodat we met twee overbleven. In heel de streek waren we trouwens de twee enige blanke professoren. In BUNIA bevond zich de voornaamste missie van het bisdom met Monseigneur Gabriel UHEC, een inlandse priester, sinds augustus 63 na de dood van Monseigneur Matthyssen Apostolisch Administrator van het Bisdom.

Vervolgt.

Foto’s :

-Joseph Kasavubu.

-Patrice Lumumba.

-René De Laet - herinneringen aan de dag van zijn eremis.



2717242-9dac494cbeb97fc2f5592e546ce1a218.jpg

2717242-dc80207822cba283e8efe08f2f8ea6c7.jpg

2717242-b95e554fad886e1ba3726c722788dabf.jpg

2717242-3a7fcf90dd970409a5c88e090195ff68.jpg

2717242-09651962bd226ed165e52c810271dea1.jpg
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:41 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Juninummer “De Band” : Chiro-Nieuws
“Sedert geruime tijd werden voorbereidselen getroffen voor de TOP’64 die te Antwerpen moest doorgaan. Menig inwoner maakte er propaganda voor door het ophangen van de daartoe bestaande pamfletten. De Chirojongens trappelden van ongeduld om te kunnen genieten van het grootste schouwspel dat zou plaats hebben…en dan eindelijk was het zo ver. Bus nr. 2 was voor de Chiro van Leest, de tweede van een caravaan van 200, ja, ja, goed gelezen, tweehonderd ! Het was dan ook met de grootste belangstelling dat de verslagen in dag- en weekbladen werden verslonden om langs die weg te vernemen wat er allemaal gebeurd was, want van wat op de beeldbuis van onze Nederlandse T.V. te zien was, kon men niet veel van meedragen ; ne stoet links en ne stoet rechts is voor die heren wel belangrijker dan een jeugdmanifestatie van wel 70.000 jongeren. Op het Flageyplein had men er dus niet veel interesse voor. De TOP’64 zal wel deugd gedaan hebben aan alle Chiro’s en hun enthousiasme zal er zeker door versterkt zijn. (Noot : op 24 mei 1964 zakten meer dan 60.000 jongeren af naar het Antwerpse Bosuilstadion voor een spectaculair belijdenisfeest, de TOP’64. Leden en leiding demonstreerden op indrukwekkende wijze de typische Chirostijl van toen met hun honderden groepsbanieren, trompetgeschal en tromgeroffel, massazang en dans.) Benevens deze gebeurtenis, een echt verbroederingsfeest, nam de Chiro-Leest ook deel op 31 mei jl. aan de geplande sportmanifestatie te Hombeek. Deze sportnamiddag ging door op het prachtig domein van de heer Burgemeester, Baron de Meester. Ook de Chiro-jongens van Leest waren van de partij en behaalden eervolle uitslagen, o.m. : Wedstrijd 1000 meter 4de plaats voor Erik Bradt (10 deelnemers) Wedstrijd 1200 meter 5de plaats voor Alfons Huysmans (10 deelnemers). In ’t algemeen klassement behaalde Leest de 3de plaats. Ten slotte kan vermeld worden dat vele ouders, sympathisanten en andere sportmannen ooggetuigen waren van deze respectievelijke spannende wedstrijden, en ter beschikking gestelde bekers waren de schoonste beloning voor de overwinnaars. Op die zelfde zondag ging voor de tweede maal de Processie langs de straten der gemeente. Ook daarin stapten wederom de Chiro-jongens, in keurig uniform, tuchtvol. Maar wat we ons afvragen is, waar blijven de klaroenblazers en trommelaars ? Waarom blijven die opgeborgen ? Met klaroenen en trommels vooraan zou de Chiro-groep nog een mooie indruk nalaten. Denk even terug aan vroeger ! En nu er toch een vraagje gesteld wordt, kan er nog wel eentje bij : er bestaat te Leest een Groep-Chiro meisjes ! Waar zijn die gebleven, waarom ook die groep niet in de Processie ? ’t Is toch op die manier dat het mogelijk is er bij te werven, en de meisjes van het eigen dorp onrechtstreeks niet te verplichten bij een groep van een naburige gemeente of gehucht ? De jeugd te Leest moet sterk worden, maar zich dan ook durven en mogen tonen !!”

1964 – Juninummer “De Band” : Gevonden voorwerp
“Langs de openbare weg werd een paar bruine schoenen gevonden, gewikkeld in papier. Deze kunnen terug bekomen worden bij de vinder ervan : Jozef Peeters, Blaasveldstraat 9a Leest.”

1964 – Juninummer “De Band” : Zomerreis van de Vrouwengilde
“De Vrouwengilde ging op reis naar Beauraing, Bouillon en Orval. Een andere uitstap ging door naar het Zilvermeer te Mol alwaar een uitgestrekte speeltuin ter beschikking was van de kinderen. Deze uitstap was inderdaad voorbehouden voor moeders met kinderen.”

1964 – Zondag 7 juni : De K. F. Ste Cecilia nam deel aan stapwedstrijd te Kapelle-op-den-Bos.“Deze wedstrijd was ingericht door de Fanfare “De Werker”. Als gekozen stuk werd uitgevoerd “De officiële Mars van de Belgische Politie” en als verplichtend stuk de mars “Mozes” van Rossini naar een bewerking van Jean Segers. Hieraan namen een vijftiental muziekverenigingen deel. De uitslag leerde ons dat de K.F. Sint Cecilia 91% behaalde met onderscheiding van de Jury.” (“DB”, juni 1964)

1964 – Zondag 5 juli : Uitreiking diploma’s Kantonale wedstrijd
In het gemeentehuis had de uitreiking van de diploma’s plaats aan de leerlingen van het zesde studiejaar die deelgenomen hadden aan de Kantonale wedstrijd te Mechelen. Na de hoogmis togen burgemeester Verschueren, de schepenen Frans en Ferdinand De Prins, de gemeenteraadsleden Buelens en Van den Heuvel, samen met de pastoor, de onderpastoor en schoolhoofd Meyers met zijn leerkrachten Huysmans en Hendrickx zich naar de raadszaal van het gemeentehuis. Ook de betrokken leerlingen en de meeste van hun ouders waren aanwezig. De burgervader opende de zitting met een warme hulde aan het onderwijzend personeel en speciaal aan de heer Huysmans, titularis van het 6de studiejaar. Hij legde er de nadruk op dat de resultaten eens te meer bewezen dat de gemeenteschool van Leest degelijk onderwijs verschafte en dat de ouders niet te snel hun kinderen naar andere scholen dienden te sturen. Na een hartelijk proficiat tot de geslaagden, namen die hun prijs in ontvangst : een exemplaar van het Kramer’s woordenboek. Hierna kwam de pastoor aan het woord die een vergelijking maakte tussen een te bouwen huis met stevige fundamenten, bestand tegen wind en andere natuurelementen en de leerlingen die thans de 12-jarige leeftijd bereikten. Ook voor hen is het nog te vroeg van nu af reeds een bepaalde richting te kiezen, te vroeg om reeds aan bouwen te denken op “ersatz”grond. Hij spoorde de ouders en de leerlingen aan voort te gaan op de ingeslagen weg en zeker niet te vergeten dat een goed onderwijs dient gegrondvest te zijn op christelijke grondslag. Meester Meyers deelde vervolgens mee dat leerlingen die graag een leerboek bekwamen, dit eenvoudig moesten vragen, zodat de werklustigen zich verder en vaster in het zadel konden zetten voor aanvang van een nieuw schooljaar. Van dit aanbod werd gretig gebruik gemaakt. Het slotwoord was van meester Huysmans die wees op de gezonde samenwerking tussen het onderwijzend personeel, niets was teveel wanneer het om het welzijn van de kinderen ging, want voegde hij eraan toe “uw onderwijzers staan graag in de klas”. Vanaf de inrichting van de kantonale wedstrijden mocht Leest zeer tevreden zijn over de onderscheiden resultaten ging hij verder. Het 1ste jaar waren er 5 deelnemers waarvan 4 geslaagden. Het 2de jaar 5 en evenveel geslaagden. Het 3de jaar 6 en allen geslaagd en het 4de jaar 9 en alle 9 geslaagd. Aan de best gerangschikte leerling van de gemeente Eddy Van Hoof werd een plakket overhandigd, waarvan niemand de herkomst kon bepalen. (“DB”, augustus 1964) (De foto van Eddy onderaan)

1964 – Zondag 12 juli : De K. Fanfare Ste Cecilia te Hombeek
De Leestse fanfare nam deel aan het festival van de Koninklijke Harmonie St. Martinus te Hombeek. Dit naar aanleiding van het 100-jarig bestaan van deze harmonie. (“DB”, juni 64)

1964 – 15 juli : Overlijden van Victoria “Toor” Coosemans
Anna Catharina Victoria “Toor” Coosemans was te Leest geboren op 27 september 1877. Ze was gehuwd met Jan Huysmans (°Leest 27/9/1877, +Leest 9/2/1951) de stichter van het limonadefabriekje “In de Proef” die haar drie kinderen schonk : Albert, Alfons en Constant. Gedurende de oorlogsjaren, 1914-1918, moest moeder “Toor” zelf met de limonade rondrijden omdat vader Huysmans aan het front zat. Albert “Bert” en Alfons “Fons” Huysmans zetten de zaak van hun vader voort tot in 1972.

“Ze is zacht ontslapen : stil en onderworpen. Zoals wij haar zovele jaren gekend hebben, zo zal zij immer in onze herinnering leven : bedrijvig, eenvoudig, opgewekt, godsdienstig : sieraden van een goede echtgenote en moeder. Met de dood houdt het leven niet op; ’t verandert slechts in een eeuwig tehuis. Beminde kinderen, kleinkinderen, verwanten en vrienden : gedenkt, een hoge ouderdom is rap bereikt. Bedankt voor uw goede zorgen en genegenheid. Vergeet mij niet in uw gebeden.”

1964 – Vrijdag 31 juli : Diefstal van vier balen tarwe
Van de landbouwer Victor Juliaan De Laet (°Leest 28/6/1914, +Mechelen 17/6/1996), wonende Tiendeschuurstraat 12, werden 4 balen tarwe, een totaal van 200 kg, gestolen. De gewezen burgemeester van Leest had zijn tarwe met een pikdorser laten maaien en ze in jute zakken gestopt. 100 balen had hij ’s avonds naar huis gebracht maar omdat het laat geworden was had hij er vier achtergelaten aan de schuur, zijde der straat. (VVH)

1964 – Augustusnummer “De Band” : Gemengd nieuws
-Ontvreemding : Bij Juul Geens wonende Juniorslaan, werden tijdens de verlopen maand een partij aardappelen ontvreemd. Deze bakjes stonden klaar om opgehaald te worden. Enkele dagen nadien vond de diefstal plaats bij Victor De Laet, evenals 10 kassen spinazie bij V. Robijns in de Alemstraat.
-Fietsdiefstal: Uit een bergplaats ten huize van K. Leemans werd een fiets gestolen.
-Aanrijding : Een botsing deed zich voor aan de Adegempoort tussen de vrachtauto’s van Leestenaar Maurice Vleminckx en Hugo Coenen uit Sint Truiden en nog een personenwagen. Gelukkig slechts stoffelijke schade.

Foto’s :
-Eddy Van Hoof was de best gerangschikte leerling.
-Victoria “Toor” Coosemans met haar drie kinderen Albert, Alfons en baby Constant. De foto dateert van 1918 toen vader Huysmans aan het front zat.
-Moeder Toor anno 1933 aan het begin van de Scheerstraat (thans Ten Moortele).
-De doodsbrief van moeder Toor.
-Juul Geens en zijn echtgenote Melanie Van Praet.



2716300-2d5684642dc8011e908cb26544b7738b.jpg

2716300-24f9f29a739b61fd639a9ea48d07de3b.jpg

2716300-7a1d61dfe7ecda870ec81f9835fd02b9.jpg

2716300-e297a18640325f95be26c5348592435b.jpg

2716300-a5b181b61bdd28f157d41b901ec5815e.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:07 1 reactie Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – Mei : Voettocht naar Scherpenheuvel
De voettocht verliep dit jaar in de beste omstandigheden. Er waren 51 deelnemers (sters). (DB)

1964 - Meinummer “De Band” : Gekwetst bij ’t spel
-Toen enkele jongens op het speelveld van het parochiehuis aan het voetballen waren werd de kleine Alfons Silverans door een bal in het oog getroffen, waarbij hij zo erg gekwetst werd dat doktershulp noodzakelijk was. (Zijn foto onderaan)

1964 – Meinummer “De Band” : Soldaat Marcel VERWERFT
-Luchtbal-Antwerpen : “Eindelijk, zullen de Leestenaren zeggen, ofwel nu al, want naar ik vernomen heb zijn er nog velen die niet weten dat ik in het leger ben opgeroepen ; in ieder geval beter laat dan nooit. Van de 7de augustus 1963 ben ik in Antwerpen, de sinjorenstad gekazerneerd, en ik begin nu stilaan af te tellen. Wat in die 9 maanden gebeurd is zou ik in één brief niet kunnen neerschrijven, want als infanterist is er elke dag iets nieuws te beleven en is elke dag goed gevuld. In ’t kort volgt hier een relaas van de vervlogen 9 maanden. Zoals alle piotten kregen we onze basisopleiding, wat meteen een aanpassing was aan het militaire leven; kruipen, drill, lopen, wacht en al wat maar nodig geacht wordt voor een moderne soldaat. Maar daarna begon het pas : onze opleiding tot stormfuselier wat voor heel wat onder u een onbekend woord zal zijn, maar als ge er zelf met uw beide voeten instaat, veel duidelijker is. Dagelijks maar trainen op de hindernispiste, voor de oudgedienden beter gekend onder de naam “Piste of Stahle” met rugzak gevuld met drinkbus, gamellen, helm, wapen, granaatwerper, bewapening, in en uiteensmijten van de wapens op zo kort mogelijke tijd, patrouillelopen, oversteken van waterlopen met stormboten, close-combat of ook lijf aan lijf gevecht genaamd, plus natuurlijk schieten. Na deze zware opleiding wisten wij ons prachtig te onderscheiden in Vogelsang en behaalden de eervolle 5de plaats in de wedstrijd tussen de verschillende Bataljons. Daarna kwamen de grote oefeningen, waar we nu volop aan bezig zijn, maar dit is voorlopig niets voor mij, want ik doe nu dienst als hulponderrichter bij onze nieuwe rekruten, een mooi leventje is dit wel. Voor mijn eerste brief is dit wel voldoende denk ik, er zullen nog wel andere volgen, ook verder de hartelijke groeten aan al de Leestenaars, maar in het bijzonder aan mijn wapenbroeders en tot ziens ! N.B. Dank u voor het mooie geschenk.” (Zijn foto onderaan)

1964 – 10 mei : Chiroknapen per fiets naar Scherpenheuvel
“Op zondag 10 mei deden de Knapen een fietstocht naar Scherpenheuvel, ze werden vergezeld door een buitengewoon mooi weertje. Op Pinksteren werd overgegaan tot de beloftenaflegging der knapen.” (DB,1964)

1964 – 31 mei : Chiro Sportmanifestatie te Hombeek
Op het domein van burgemeester Baron De Meester behaalde de chiro van Leest de 3de plaats. Individuele uitschieters waren er van Erik Bradt met een 4de plaats op de 1000 meter en Alfons Huysmans met een 5de plaats op de 1200 meter. (Foto’s van Erik en Alfons onderaan)

1964 – Juninummer “De Band” : Ongevallen
-Een aanrijding deed zich voor op de Kapellebaan tussen de personenwagen van Pieter De Hertogh en twee fietsers uit Londerzeel.

-Door een onvoorziene omstandigheid kwam W. Lauwers uit Leest met zijn auto terecht op een veld in de Vinkstraat. Lauwers kon zijn weg verderzetten nadat een geneesheer was ontboden.

-Op de Gentse steenweg te Mechelen deed zich een ongeval voor tussen de personenwagen van Frans De Prins uit Leest en Erik De Raeymaeker uit Willebroek. Enkel stoffelijke schade.

-Een verkeersongeval deed zich voor op de steenweg naar Hombeek waar de voetganger Victor De Mazy aangereden werd door de bestelwagen van Alfons Hellemans en waarbij eerstgenoemde licht gewond werd.

-Tijdens de speeltijd deed de kleine Vicki De Laet op de koer van de speelplaats een ongelukkige val en diende geneeskundige zorgen te krijgen. Na enkele dagen volledige rust kon hij opnieuw naar school gaan. (Zijn foto onderaan)

-Tijdens het openen van een garagepoort ontsnapte de hond van Jozef Schools uit de Kouter. Het dier werd door een aankomende auto op slag gedood.

-Gebeten door hond : De moeder van Jan De Smedt, Dorpstraat, werd door haar hond gebeten. Geneeskundige zorgen waren dringend nodig.

-Aanrijding : Op de Veemarkt te Mechelen deed zich een aanrijding voor tussen K. Diddens en de voetgangster Seraphien Luyckx, alles zonder schade.

-Vermeldenswaard : onze dorpsgenoot en Chiro burchtknapenleider Roger Silverans werd als Primus Perpetuum uitgeroepen bij zijn uitgang van het Sint Rombautscollege te Mechelen. Hij volgde de wetenschappen. We wensen hem nog veel succes toe in zijn verdere studiën te Leuven waar hij de wiskunde zal volgen.”

Foto’s :

-Alfons Silverans kreeg een bal in zijn oog.

-Soldaat Marcel Verwerft vertelde over zijn opleiding.

-Erik Bradt en Alfons Huysmans haalden mooie resultaten in de sportmanifestatie van de Chiro te Hombeek.

-Vicky De Laet deed een ongelukkige val op de koer van de speelplaats.

-Roger Silverans werd uitgeroepen tot Primus Perpetuum in het Sint-Rombautscollege.



2715291-bb2e3fedea33fe85dfe34a90d1190bf5.jpg

2715291-71478fe45925a2d272db3b0a2019cead.jpg

2715291-d7c9e25c96f70f93aa3ae27bbe7a4144.jpg

2715291-73ca7bc7c2058d7892a7ac7a449993f1.jpg

2715291-f73de751503dbd4d4c0a864538df3dc1.jpg

2715291-454386435c625d664ebb131e181d49bf.png
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:16 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – Maandag 15 april : Op reis met de Gepensioneerden

Bezoek aan de basiliek te Koekelberg, de Citadel van Namen en de bronnen Spontin en Dinant. Laatste oponthoud in het “Jagershuis” langs de Leuvensesteenweg in Hever (Boortmeerbeek). Dat was voor vele Leestse verenigingen in die periode de vaste afsluiter. Toendertijd werd die dancing geëxploiteerd door de Limburgse zanger Tony Geys.
In 2015 ging het gebouw tegen de vlakte.
In “De Band” verscheen van deze trip volgend verslag : “…een grote dag voor onze gepensioneerden. Te acht uur was iedereen klaar en werd afgevaren in de richting Brussel. Het moet gezegd dat het weder niet best was. Het regende en de koude wind die er mee gepaard ging deed vrezen dat dit wel een ganse dag kon duren. Nochtans was de stemming goed en we hoopten op beter. Eerste halte : de basiliek van Koekelberg. Door regen en wind naar de basiliek –wat kunnen we nog flink doorstappen als het moet !- voor een geleid bezoek. Voor velen was het de eerste maal dat ze dit monument te zien kregen. We kregen deskundige uitleg met cijfers en getallen. Iedereen was tevreden over dit bezoek. Spijtig dat de “klok” nog niet was aangekomen. De grootste klok van de Beneluxlanden komt slechts op 22 juni in de basiliek aan. Na een uitgebreid bezoek, een warme tas koffie of een pintje in de “Pelgrim” en opnieuw in de gezellige warme bus voor de tweede etappe Brussel-Namen. Terwijl het buiten regent rijden we door het Zoniënwoud. We nemen de nieuwe autostrade Jezus-Eik tot Waver en van daar langs Gembloers naar Namen. Het wordt doodstil in de bus wanneer deze langs de haarspeldbochten traag haar weg zoekt naar de Citadel. Boven op de Citadel hebben we een prachtig gezicht op de Maas. In het Hotel Panorama gebruiken we het middagmaal, dat lekker smaakt. Ondertussen is de regen opgehouden en komen de grappenmakers los. Vooral buiten op de molentjes wordt er veel plezier gemaakt. Om 13u30 stipt, zoals afgesproken rijden we weer de Citadel af, steken de Maas over. De chauffeur kent zeer goed de streek, maar we raken verloren in de kleine wegen die ons tenslotte brengen tot Crupet waar een grote grot is gelegen, een bedevaartplaats ter ere van St. Antonius. Na dit kleine oponthoud gaan we verder naar Spontin. Eerst een bezoek aan de bronnen van dit minerale water, daarna bezichtigen van het interessante gedeelte van de limonadefabriek, vervolgens trakteert de directie de bezoekers op een limonade. Ondertussen klaart de hemel stilaan op en terwijl we dan opnieuw afzakken naar de Maasvallei geraakt de zon er een beetje door. Dinant : dit prachtig stadje aan de Maas mochten we natuurlijk niet overslaan. Hier krijgen we tijd voor een wandelingetje en gelegenheid tot winkelen. Ook de knapzak wordt aangesproken. En wanneer we dan daarna de grote trip aanvatten is er van slecht weer geen sprake meer. Inderdaad, het was een grote trip van Dinant tot Rotselaar, waar we afspanden in “Heidelberg”. Na nog een oponthoud in het “Jagershuis” zeilden we in de vallende duisternis naar Leest toe, waar we rond 22 uur op het dorpsplein aanlanden. Het was een mooie dag geweest. Onze gepensioneerden hadden er plezier aan beleefd. Ze waren blij weer thuis te zijn maar zeggen : tot de volgende keer.”

1964 – 26 april : Georgette Daelemans legde haar tijdelijke beloften af

Georgette Coleta Alphonsina Daelemans werd op 7 mei 1937 geboren. Als derde Leestenaar uit de Alemstraat werd ze Kloosterzuster. Haar eerste schooltijd bracht ze door in Kalfort en Tisselt en vanaf het derde leerjaar ging ze naar Kapelle-op-den-Bos. Daarna moest ze als oudste van acht thuis meehelpen.
Tot ze (in 1958) naar Duffel kon waar ze een jaar later ziekenoppaster werd. Ze ging er binnen in het Convent van Betlehem bij de zusters Norbertienen (1961). Als zuster Charisia legde ze haar tijdelijke beloften af (26/4/1964) die ze drie jaar later vernieuwde. Haar eeuwige geloften deed ze twee jaar erna (1969).
In Duffel werkte ze (tot in 1978) op de psychiatrische afdeling van het bekende instituut. Van dan af als thuisverpleger te Antwerpen van o.a. zangeres La Esterella. Enkele jaren (van december 1999 tot in 2005) woonde ze met twee of drie medezusters in het mooie ‘wasgebouw’ (uit 1623) van de abdij te Averbode. In de abdij zelf verzorgde ze de zieke paters al moest ze het sinds een hartoperatie (in 2004) wel wat kalmer aan doen. Sinds 2006 woont ze met medezusters in het rusthuis van Ranst.
(“De St-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)

Foto’s :

-Het “Jagershuis” langs de Leuvensesteenweg in Hever waar de Leestse gepensioneerde hun laatste oponthoud hielden.

-Georgette Daelemans, alias zuster Charisia.

-Herinnering aan haar professie.



2714736-9b143d2c03b11d41e5be40a94673a93a.jpg

2714736-8ca5c8ad6811cf5a1fb2af64d6559454.jpg

2714736-ce9530b61ce1a955598305df6382abca.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 09:38 Reageer op dit bericht

Wijzigingen – Aanvullingen

1964 – 31 maart : Nachtelijke aanranding

In de vroege ochtend van 31 maart (02u30) werd Ludovicus Van Winghe, (°Leest 5/1/1943) Alemstraat 6 Leest, door vier mannen overvallen. Hij legde bij de garde volgende verklaring af:

“Gisteravond bevond ik mij op de Paaskermis te Leest. In café ‘Telstar’, Dorp waren een viertal jonge mannen van Kapelle op den Bos, die ruzie zochten. Daar is dan verder niets gebeurd, doch toen ik heden morgen rond 2.30 uur per fiets huiswaarts reed, werd ik onderweg door die vier mannen overvallen. Deze mannen zijn vier kameraden die steeds bij elkaar zijn en daarvan ken ik er één P. F. uit de Bormstraat in Kapelle op den Bos. Deze mannen stonden mij af te wachten op de Klein Heide, nabij de vijver van de oud-burgemeester alhier. P. die naar ik meen op een bromfiets reed, kwam naast mij gereden en wilde mij omverduwen. Ik moest dan stoppen en er is een tweede op mij gesprongen, die greep mijn fiets uit mijn handen en begon in mijn gezicht te boksen. Ik rukte mij los en liep achter de woning Vloeberghen. Daar klopte ik op de deur om hulp te vragen, doch daar werd ik terug ingehaald door alle vier en weer geslagen en gestampt. Hier werd ik dan door drie hunner vastgegrepen en ik hoorde ze tegen elkaar zeggen : we zullen eens zien hoe sterk dat hij is, we zullen hem leren zwemmen. Hierop sleurden ze me in de richting van de vijver, waar ze me wilden ingooien. Maar ik kon me losrukken, de velden inlopen en mijn woning bereiken. Mijn fiets heb ik echter moeten achterlaten. Deze werd dan later door mijn broer Achiel, zwaar beschadigd, nabij de vijver teruggevonden. Mijn fiets was tevoren door één onder hen herhaaldelijk tegen het betonnen wegdek gesmeten. Bij mijn thuiskomst hebben mijn familieleden dadelijk geneesheer Van der Heyden laten komen. Ik werd over gans mijn lichaam gestampt en geslagen en ben onbekwaam tot enig werk. Mijn klederen werden ook zwaar beschadigd, mijn regenjas is gescheurd, kostuum gans bevuild en mijn pullover werd bijna gans doorgescheurd.”

De garde constateerde een open wonde boven het rechteroog, dik gezwollen lippen en mond, geschramde neus en een gekneusde rechterhand. De voorvork van de fiets was opgestuikt, het kader aan achterwiel ingedrukt evenals de kettingkast. Het onderzoek werd verdergezet in Kapelle-op-den-Bos. (VVH)

Louis Van Winghe was gehuwd met Greta Dehaut en overleed te Mechelen op 22 augustus 1990. “Je hebt ons stil verlaten, zoals je altijd was, met alles tevreden, nimmer veeleisend voor jezelf. Je hebt je strijd gestreden, je hebt het meer dan moedig gedaan, wie kan begrijpen wat je hebt geleden, wie kan voelen wat je hebt doorstaan. Dank voor wat je was en blijf “onze papa”.
Veelzeggende woorden uit zijn gedachtenisprentje. Zijn soldatenbrieven zijn terug te vinden in deze Kronieken : 9/5/1962.

1964 – Aprilnummer “De Band” : Ongevallen

-Onze dorpsgenoot Maurice Van Camp (foto onderaan) kwam al fietsende in aanraking met de voetgangster Clementine Gillis die hierbij licht gewond werd.

-Onze medeburger Louis Polfliet werd aangereden door een tweewieler. De stoffelijke schade aan zijn auto was aanzienlijk.

-Apers uit Leest deed met zijn bromfiets een erge val toen hij naar zijn werk reed. Hierbij werd hij zeer ernstig gekwetst en moest naar een ziekenhuis te Mechelen worden overgebracht.

1964 – 12 april : Jaarlijks Concert Kon. Fanfare Sint Cecilia

Met optreden van radio en tv-ster Leonard Van Deyck.

1964 – Zondag 12 april : Chiro-Leest : de burchtknapen op trektocht

“De burchtknapen, onder leiding van hun aanvoerder Roger, trokken zondag 12 j.l. op trektocht. De zure gezichten werden thuis gelaten, en we zagen dan ook niets dan welgezinde burchtknapen opstappen, de rugzak dragende en gezwind naar Breendonk. Het werd voor hen een aangename dag, en met vermoeide benen kwamen ze allen opgewekt thuis. Zondag 19 dezer was het de beurt der knapen, en hier ging het naar Boom…” (“DB”, april ’64)

Foto’s :

-Louis Van Winghe werd het slachtoffer van een overval.

-Maurice Van Camp had een aanrijding met een voetgangster.



2714182-440cd289b9b2f81fff74914feaddd976.JPG

2714182-701c00d4abb328a608699e2a5282f0a2.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 11:11 Reageer op dit bericht

Vervolg Militaire Romebedevaart – Verslag van Herman Bradt

Maandag 30 maart

Weer maken we een uitstap per autocar in Rome. In de voormiddag bezoeken we de St. Paulusbasiliek, waar de overblijfselen van deze Apostel der Heidenen werden begraven. We komen langs de “TRE FONTANE” abdij waar St Paulus de marteldood stierf. In de namiddag brengen we een grondig onderzoek aan het oude Rome met het COLLOSEUM, DE BOOG en BASILIEK van KONSTANTIJN, de kerk van de H. COSMUS, en DAMIANUS en het FORUM.

Dinsdag 31 maart

Per autocar brengen we een bezoek aan het museum van het vaticaan. Verder was er een bezoek gepland aan de SIXTIJNSE kapel. Dit gaat echter niet door want we werden ontvangen door de H. Vader. In de kapel hebben we de Indische kazuifel kunnen bewonderen die we de H. Vader bij gelegenheid van de audiëntie zullen schenken. Hoe mooi deze reis ook was, de dertig minuten die wij bij de H. Vader mochten doorbrengen zijn de mooiste, de ontroerendste van heel de bedevaart. Daarom alleen reeds was deze Rome-reis de moeite waard. Helaas, veel te vlug moesten we van de H. Vader afscheid nemen, want hem wachten weer nieuwe bezoekers. Wij keren terug naar ons hotel en vertrekken naar TERMINI en POMPEÏ waar we te 18 uur de H. Mis bijwonen. De autocar brengt ons voorbij CASTELLAMARE naar SORRENTO waar we zullen overnachten.

Woensdag 1 april

Vroeg in de morgen vertrokken we en rijden langs ’s werelds mooie wegen naar AMALFI. We vieren de gemeenschapsmis in de crypte van de kathedraal, waar de relieken van de Apostel ANDREAS bewaard worden. De H. Andreas is de patroon der Oosterse Kerk. Een hulde door alle bedevaarders ondertekend wordt naar Z.H. ATHENAGORAS I, Patriarch van Constantinopel gezonden. Na het middagmaal maken we een excursie naar het eiland CAPRI.

Donderdag 2 april

Afreis naar NAPELS per autocar. Vertrek per trein naar ROME. Langs AREZZO en FLORENTIE rijden we tot BOLOGNE. ’s Avonds rond 19 uur komen we aan te PARMA. We maken een korte wandeling doorheen de stad, vooraleer we ons naar het hotel begeven voor de nacht.

Vrijdag 3 april

We beginnen de afreis met de autocar, dan verder met de trein tot MILAAN. Langs MONZE en COMO naar CHIASSO aan de Italiaans-Zwitserse grens. Na de controle reizen we verder tot LUZERN waar we in de Jezuïetenkerk met een H. Mis de bedevaart sluiten.

Zaterdag 4 april

Langs de Franse grens verlaten we Zwitserland en komen aan de Frans-Luxemburgse grens rond half vijf ’s morgens. Op Belgisch grondgebied gekomen, blikken we nog even terug op die prachtige bedevaart, we voelen ons ontroerd en dankbaar, en het is met de glimlach dat onze familie ons weerziet.
     S.M. Bradt Herman.”

Noot : de toespraak van Paus Paulus VI tot de Belgische militairen van 31 maart en die van de directeur van de bedevaart tot de Paus werden gepubliceerd in “De Band” van juni 1964.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:28 1 reactie Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Van 26 maart tot 4 april : Militaire Romebedevaart – Verslag van Herman Bradt

“De Band” van mei 1964 : wij danken van harte onze vriend, milicien Herman Bradt, voor dit buitengewoon verslag over de militaire Romebedevaart, dat wij hier graag laten verschijnen.

“Ieder jaar, rond Pasen, richt het Belgische leger een bedevaart in naar Rome. Samen met 259 anderen kon ik deze reis meemaken. Graag geef ik een relaas over deze prachtige bedevaart. Moge het voor vele toekomstige miliciens en voor hun families een aansporing zijn om er deel aan te nemen.

Witte Donderdag

Na een H. Mis in de kerk der E.P. Franciscanen vertrekken we in het Zuidstation te Brussel. Wij kijken niet naar buiten, maar wel in ons coupé, waar we ieder op onze beurt de gezellen aan een onderzoek onderwerpen. We maken vlug kennis en het valt erg mee. Na de halte te Aarlen bidden we het avondgebed en reizen langs het Groothertogdom Luxemburg verder.

Goede Vrijdag

Wij ontwaken op Zwitsers grondgebied en dra bereiken we BERN. Prachtige en afwisselende vergezichten brengen ons naar de LOTSCHBERG. Aan de uitgang van de tunnel strekt zich de prachtige RHONE-VALLEI uit. We dalen af en komen aan de SIMPLONTUNNEL die 21 km lang is. Stilaan bereiken we de Italiaanse grens. Verder rijden we langs het MAGGIOREMEER voorbij het mooie STRESA. Nadat we te Milaan zijn overgestapt komen we te FLORENTIE aan waar we de kerk “SANTA MARIA NOVELLA” bezoeken. Lang mogen we echter niet dralen, want de reis gaat verder. Omstreeks half negen ’s avonds komen we aan te ASSISI waar vriendelijke zusters ons opwachten om ons na een stevige maaltijd ook nachtverblijf te gunnen.

Zaterdag 28 maart

Bezoek aan het klooster van St Franciscus en aan zijn graf. Wij zien het kruis dat tot Franciscus sprak en plukken een paar blaadjes van de rozenstruik zonder doornen. We bezichtigen ook het graf van de H. Klara. Vervolgens gaan we naar de basiliek “de PORZIUNCOLO”, de volle aflaat verdienen. Weer gaat de reis verder en in de namiddag komen we te ROME aan. Hier bidden we in de St. Pieterskerk luidop het Credo. Nog helemaal onder de indruk van die indrukwekkende St. Pietersbasiliek dalen we af in de CATACOMBE van St. DOMITILLA. Dan keren we terug naar ons hotel en nemen rust voor de grote dag.

PASEN 29 maart

Na de H. Mis en Paascommunie keren we naar ons hotel terug om te ontbijten. Vervolgens brengt een autobus ons naar de St. Pietersbasiliek waar we de Pauselijke mis bijwonen. Op het St. Pietersplein wachten we de H. Vader op om zijn zegen “URBI ET ORBI” te ontvangen. Even gaan onze gedachten naar België, waar duizenden landgenoten deze plechtigheid meeleven. In de namiddag brengen we per autocar een bezoek aan de stad. Naast het “oude Rome”, met zijn prachtige gebouwen uit de eerste eeuwen ontdekken we ook het “moderne Rome”, waar rijke filmsterren hun villa’s betrekken."

Vervolgt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 17:16 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Maartnummer “De Band” : Ongevallen en fietsdiefstal

-Verkeersongeval :Tussen de personenwagen van onze dorpsgenoot Goovaerts Herman en de bestelwagen, bestuurd door Verschueren Victor uit Booischot enerzijds, en anderzijds met de jeep van R. Joris uit Berlaar deed zich een aanrijding voor waarbij Verschueren licht gewond werd.

-Aanrijding : Een lichte botsing had plaats tussen twee wagens waarbij deze van Jan Casteels uit Leest betrokken was. Gelukkig enkel stoffelijke schade. (Recentere foto van Jan onderaan)

-Ontvreemding : Aan het stedelijk zwemdok te Mechelen werd het rijwiel, eigendom van onze dorpsgenoot Kamiel Van den Brande, ontvreemd.

1964 – Maartnummer “De Band” : Soldaat – Milicien Freddy GEETS vanuit Mechelen

Op 3 februari was ons dorpje weer een soldaat rijker geworden. Ik heb mijn eerste maand doorgebracht in Turnhout, waar we een eerste opleiding kregen. Het begon zoals bij alle bleukens, met geef acht, ter plaatse rust, etc.., en maar herhalen tot we allemaal dezelfde cadans hadden. Ondertussen kregen we een brokje tactiek en bewapening te slikken. En dan kwam eindelijk het begin van het soldatenleven, nl. naar het oefenplein. Daar moesten we leren afstanden schatten, kruipen en kruipen en och arme dat geweerke ! Zo voorzichtig mogelijk kropen we door het zand omdat er toch maar geen korreltje zand in de loop zou komen. Van dan af zijn we bijna elke dag naar het oefenplein geweest, waar we nadien hebben leren schieten. Eén keer hebben we een schietoefening meegemaakt met lichtkogels waar we personen moesten waarnemen.
Ondertussen ging de tijd snel en de 26ste zijn we naar Mechelen vertrokken. Nu ben ik gekazerneerd in het Opleidingscentrum van T.T.R. waar ik ingedeeld ben in de Staf Cie en de functie bekleed van wapenmaker. De eerste week hebben we nog opleiding gekregen en nu begint ons koningenleven (zo zeggen ze dat tegen ons).
Enfin, ik mag niet klagen, ik moet om 8 uur beginnen en eindig om 5 uur, met een break van 3 tot 3,30 u. Nog een woordje over het eten, het is bijna niet te geloven wat we hier krijgen, veel te veel om op te sommen, dus zal ik de toekomstige militianen maar moed inpompen. We zijn hier met drie Leestenaars in de kazerne, dus is ons dorp goed vertegenwoordigd in Mechelen. En zo gaat het soldatenleven zijn gang, sommige dagen vliegen, anderen kruipen voorbij. Ik ga nu dit briefje sluiten met de groeten aan alle lezers van de ‘Band’ en hoop dat iedere soldaat zijn steentje zal bijdragen in het soldatenblad.”

1964 – 16 maart : Filmavond

Ingericht door de Boerengilde, Boerinnengilde en B.J.B. afdeling Leest.
Vertoond werd “De Wijde Ruimte” (“The Big County”) een prent van William Wyler uit 1958 met in de hoofdrollen Gregory Peck, Charlton Heston en Jean Simmons.
Als bijfilm werd een documentaire over landbouw voorgezet. “Een zeer goede opkomst mocht geboekt worden voor deze merkwaardige kleurenfilm...” (DB)
(Foto van de affiche onderaan)

1964 – Zondag 22 maart : Filmavond van de Oudstrijdersbond

Op zondag 22 maart 1964 werd opnieuw een filmavond gegeven ditmaal door de Oudstrijdersbond van Leest. Locatie : het lokaal van de weduwe Huybrechts in de Dorpstraat. Start 19 uur, inkomprijs 15 fr. Ten voordele van deze vereniging. (DB-maart 1964)

Foto’s :

-Jan Casteels, anno 2018, was in 1964 het slachtoffer van een lichte aanrijding.

-“De Wijde Ruimte”, de film die vertoond werd op 16 maart.



2713830-9f5babc7036ffd368d0f1aef50264388.JPG

2713830-388967cd453341ed5bb531df313ed29a.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 07:32 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Februari – “De Band” : ONZE GROT
“Ze staat daar, stil en niet zo klein,
Tussen kastanjes en dennenbomen,
Met willekeurige en ongevormde lijn
Als wilde ze half verdoken zijn,
Toch wenkt ze ons om nader te komen,
’t Is alsof , van ’t gewone leven los,
Daarrond stille geesten zweven,
Zoals het vallen in een heel stil bos,
Van droge blaren in het zachte mos.
Uw stappen doen de stilte bevel,
En pinken lichtjes die hun gloed
’s Nachts schijnen laten in de schermergolven
En in ons soms zo zwaar gemoed
Het grote mysterie voelen doet
Waarin de waarheid ligt bedolven.
Maar als we dan ons zielenklacht
Aan wie hier woont gaan mededelen,
Dan is het of een engelenmacht
Ons meeste zorgen weg komt helen,
Grot, O Grot, wij versieren U zo zeer
Omdat hier de Moeder van onze Koning
Voor ons zou maken meer en meer
Het genadeoord aan onze lijdenswoning.
     Kamiel De Wit.”

In 1960 werd de idee geopperd om het Mariakapelleke van de KWB te vervangen door een echte Lourdesgrot. Aan de basis van dat idee lagen de echtgenoten van Lodewijk Verbruggen en Kamiel De Wit die ernstig ziek waren. Onderpastoor pater Clementiaan was de stuwende kracht achter het initiatief. De familie Moyson stelde een lapje grond ter beschikking en aan basismateriaal was geen nood. Betonblokken, afkomstig van de steenweg op de Bist, die slecht was gelegd en moest worden uitgebroken, werden ervoor gebruikt. Heel de buurt hielp aan de bouw van de bidplaats onder leiding van Kamiel De Wit. Het plan werd uitgetekend door de toen pas afgestudeerde architect Fons Ceulemans. Neel Solie en Jef Leemans zorgden voor de voegwerken.

1964 – 9 februari : Jaarlijks Bal van K.F.St.-Cecilia
In de zaal “Sint-Cecilia” in de Dorpstraat met het orkest “The Tornados”. (DB)

1964 – Maandag 10 februari : Milac-Avond
Ter gelegenheid van de “Week van de Soldaat” met, zoals tien jaar geleden, de populaire Kees Brug. Het verslag verscheen in “De Band” van maart 1964 : “Het valt onze redactie zeer moeilijk over onze Milac-avond te schrijven. We zouden het eenvoudig kunnen doen met te zeggen : ONGELOOFLIJK ! FANTASTISCH ! Wat heeft Kees Brug en zijn medewerkers ons gebracht ?? Het is voor ons Milac een waar genoegen, te weten, dat al die aanwezigen ten zeerste voldaan huiswaarts gegaan zijn, en ja ja, onderweg werd het dikwijls herhaald “spijtig dat het gedaan was”. Het was zijn geld waard !! Dit alleen is het beste bewijs van de tevredenheid van het publiek. En de opkomst ? Enorm ! Velen moesten zich met een staanplaats tevreden stellen, maar beste mensen, voor het tekort aan zitplaatsen is Milac nu eens niet verantwoordelijk, maar wat we wel kunnen verzekeren, dat Milac in de toekomst daar zorg zal voor dragen. We trachten zoveel mogelijk voldoening te geven. En de reuze-show ? Alles van de bovenste plank, onbegonnen zou het zijn er één enkel nummer uit te halen, over gans de lijn, buitengewoon ! KEES BRUG heeft het nogmaals bewezen een groot artiest te zijn en we danken hem zeer hartelijk voor de geleverde prestatie en…tot een volgende keer !! Onze dank gaat ook naar allen die tegenwoordig waren, en daardoor Milac gesteund hebben, het was een stimulans voor de toekomst, want Milac werkt graag voor onze soldaten !” (“DB”, nr. 2 van ’64)

1964 – 27 februari : Landloper
Veldwachter Van Hoof werd er van verwittigd dat er een persoon zonder middelen van bestaan rondzwierf in de Elleboogstraat. Het betrof een zekere Pieter De Quint geboortig van Kapelle-op-den-Bos en met adres in Mechelen.
Hij verzocht zelf om opname in een Rijksweldadigheidsinrichting. (VVH)

Foto’s :
-Kamiel De Wit (°Leest, 10/10/1908, +Duffel 27/4/1989) plaatst het Mariabeeld in de Lourdesgrot in de Kouter. De Grot werd o.a gebouwd ter ere van zijn ernstig zieke echtgenote.

-Tijdens de receptie van de inhuldiging van de grot in 1961 in het kasteel Moyson met v.l.n.r. Modest Van Steenwinkel, pastoor Coosemans, Kamiel De Wit, Louis Vebruggen (“Louis van Vit”) en Rosalie Buelens.

-De Milac-affiche van de Kees Brugshow van 1964. (Met dank aan Eddy Apers)



2713403-276f656069bf254d71ebaee127883afc.jpg

2713403-984eb1b55d5e3e17ea54941c8a630c99.jpg

2713403-0ba638c844c22d4a2df432798d5137bc.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 12:32 Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – Februari 1964 – GvM : Gouden huwelijksjubileum burgemeester Verschueren
Het is in een kleine gemeente geen alledaagse gebeurtenis dat men een bruiloftsviering meemaakt van een burgemeester. Dit was echter vorige zaterdag te Leest het geval met de echtelingen Emiel Verschueren- Catharina Lauwers, wonende op de mooie boerderij “Hof ter Halen” in de Elleboogstraat 18. Zij vierden er immers de 50ste verjaardag van hun huwelijk. Beiden zijn geboren Leestenaren. Emiel zag er het levenslicht op 31/1/1889, zijn echtgenote op 10/8/1890. In de Sint Niklaasparochie werd op 14 februari 1914 hun huwelijk ingezegend door wijlen Z.E.H. Beukelaers. Aan het hoofd van de gemeente stond toen wijlen burgemeester Bernaerts. Hun huwelijk werd gezegend met 8 kinderen die thans allen nog in leven zijn, namelijk 5 meisjes en 3 jongens. Eén van de dochters werd kloosterzuster. Verder hebben ze reeds 19 kleinkinderen. Miel Verschueren heeft samen met zijn geliefde vrouw hard gewerkt, want benevens de opvoeding van de schone kroost hadden ze 12 ha land dat diende bewerkt te worden. Ze hebben echter het wel en wee samen goed weten te dragen. Maar niet alleen voor zijn gezin heeft Miel zich verdienstelijk gemaakt, zijn goed hart en bekommernis voor de gemeenschap reikte nog veel verder, zo kwam het dat deze gevierde jubilaris zich in de gemeentepolitiek ging moeien. Tevens was hij een der grondleggers van de Kon. Fanfare St.-Cecilia waarvan hij heden nog het ere-voorzitterschap waarneemt. Dat de familie en de burgervader op de handen worden gedragen, werd zaterdag afdoende bewezen. Rond de woning, in het dorp, langsheen de kerk en op het gemeentehuis was het een pracht van vlagjes, bloemen en spreuken. Toen ze met de prachtige auto’s langs de versierde straten naar de kerk reden, brachten talrijke inwoners met sympathiek handgebaar hulde aan het echtpaar. De jubelmis werd opgedragen door Z.E.H. Bernaerts, onderpastoor te Ganshoren en neef van de jubilarissen. Aan het altaar werd hij bijgestaan door pastoor Coosemans en onderpastoor Verbist. Onder de dankmis hield Z.E.H. Bernaerts een korte maar mooie toespraak waarin het zeer verdienstelijk leven van het bruiloftspaar in ’t licht werd gesteld. Na de dankmis werden zij geluk gewenst door Z.E.H Coosemans en E.H. Verbist. Hierna gingen ze in stoet tussen de leerlingen der gemeenteschool die een erehaag hadden gevormd naar het gemeentehuis. Daar werden ze ontvangen door schepenen Ferdinand en Frans De Prins in aanwezigheid van de raadsleden, secretaris Bradt en veldwachter Van Hoof. Het was Frans De Prins die de taak van de burgemeester moest overnemen, hij deed dit op zeer treffende wijze, en verklaarde fier te zijn nu zelf eens de burgemeester en zijn familie in de bloemen te mogen zetten. Na zijn toespraak kwam de burgemeester met tranen in de ogen zelf aan het woord, hij vond geen woorden genoeg om in naam van zijn gezin en familie zijn dank te betuigen voor de grote eer hem en zijn familie aangedaan. Hierna werden twee mooie clubzetels, namens de bevolking overhandigd, en vanwege het gemeentebestuur een prachtige vulpen aangeboden. Vervolgens werd de erewijn gedronken en als slot van deze feestzitting dankte de oudste zoon Cyriel Verschueren het gemeentebestuur voor de goede ontvangst welke hen was te beurt gevallen. Hierna begaven de feestelingen zich naar de parochiezaal, waar het feestmaal te wachten stond. ’s Avonds bracht de Kon.Fanf. St.-Cecila zijn ere-voorzitter nog een serenade, en werd hen als geschenk een 900-dagen klok aangeboden.

“De Band” (maart 1964) mocht niet uitblijven :

Gemeentenieuws – Een gouden Bruiloft “Leest was in feest !
Inderdaad de echtelingen Verschueren, Elleboogstraat vierden hun gouden bruiloftsfeest. Maar Leest was nog meer in feest omdat het hier om de Burgemeester ging. Van ’s morgens vroeg wapperden aan de huizen de driekleurige vlag en van bij de ingang van de dorpsplaats tot aan de parochiekerk en anderzijds tot aan het gemeentehuis stonden dennenboompjes aaneengestrengeld met kleurige guirlandes. Het was eenvoudig, maar schoon ! Vooreerst werd in de parochiale kerk een H. Dankmis opgedragen en werden de jubilarissen door de Z.E.H. Pastoor van harte geluk gewenst. Wanneer de auto’s met de gevierden en andere familieleden in de gemeentekom toekwamen, moesten zij door een haag gevormd door de schoolkinderen, allen met een vlaggetje; de jeugd die spontaan hun burgervader toewuifde en menig toeschouwer was ten zeerste aangedaan, maar ook de jubilarissen waren er door ontroerd! Op het gemeentehuis, waar gans het gemeentebestuur aanwezig was, op één na, werd door eerste schepen Frans De Prins volgend huldeadres afgelezen, we laten het hier volgen omdat het de werkelijke gevoelens van allen weergeeft : “Mijnheer de Burgemeester, Mevrouw, achtbare familie, reeds verscheidene malen hebben wij de eer en het genoegen gehad een gouden bruiloft te mogen vieren. Doch deze maal is het een gouden bruiloft van uitzonderlijke betekenis, die ons nog met meer vreugde en fierheid vervult dan anders. Immers hoe dikwijls heeft een gemeente de kans een gouden bruiloft te vieren van haar geliefde burgemeester en gade ? Wij zijn fier en blij, mijnheer de Burgemeester, Mevrouw, dat wij in naam van al de burgers van Leest U hier kunnen vieren. Wij zijn verheugd onze burgemeester en zijn vrouw hier bij ons te hebben in stralende gezondheid en omringd door een mooie en talrijke kroost. Vijftig jaar is een heel stuk van een mensenleven. Vijftig jaar zijt U nu getrouwd. Gans die tijd hebt U samen liefdevol de vreugde en het verdriet van het leven doorgemaakt. U hebt samen hard en zonder versagen gewerkt, samen hebt U voor uw kinderen een ware toekomst voorbereid. Op een heuglijke dag als deze, is het ons wel toegelaten een welgemeende hulde te brengen aan onze jubilarissen voor de wijze waarop zij hun huwelijksleven, dat soms hard maar van de andere kant toch zo grenzeloos schoon en voorbeeldig is geweest, te hebben beleefd. U zijt en blijft een voorbeeld voor alle getrouwde paren van de gemeente. Zij mogen U beiden, die vijftig jaar lang een sprekende getuigenis hebt gegeven van een schoon en vruchtbaar huwelijksleven, tot voorbeeld nemen. Mevrouw, wij zijn fier U vandaag te mogen huldigen en danken voor de wijze waarop U, Uw man en onze burgemeester trouw terzijde hebt gestaan. Nooit kwam U op het voorplan, steeds hebt U als een nederige maar beste moeder gewerkt voor uw kinderen. En U, burgemeester, uw leven was het leven van een echte Vlaamse boer, hard maar schoon, ijveren voor iets, voor veel, voor velen in verschillende richtingen, daarvoor strijden alleen de besten. Het was voor U een bewijs dat ge leefde en meeleefde met de gemeente, iets dat aan uw leven reliëf en betekenis geeft. Bij al dat zijt U onverwoestbaar, door niets of niemand te breken, een eerlijke optimist, die kan lachen en doen lachen in alle omstandigheden. Als blijvende herinnering aan deze heugelijke dag hebben wij het genoegen U beiden dit geschenk aan te bieden. Wij hopen dat dit nog vele jaren van nut moge zijn. Met deze welgemeende wens heffen wij het glas op de gezondheid van Mevrouw en Mijnheer de Burgemeester. Prosit ! Ook de Gemeenteraadsleden hadden er aan gehouden hun burgervader niet te vergeten, en boden hem een prachtig geschenk aan. Zo werd het tijd om naar de Patronaatzaal te gaan waar het grote familiefeest moest plaats hebben. Merken we maar dadelijk op dat ook daar de versiering opperbest was aangebracht, en de zaal ook aangepast was aan deze gebeurtenis. Door de Koninklijke Fanfare Sint Cecilia werd des avonds een serenade gegeven in het Parochiehuis zelve. Wat volk, mensen, werkelijk formidabel, allen lachende gezichten, allen in feestroes, en ook daar werd door de Secretaris August Lauwers een toespraak gehouden, en dit in naam van deze fanfare:

Een Burgemeester wordt gevierd ! Geloof me, dat ’t een feest is !
Vooral als het een man zal zijn. 
Die steeds geliefd geweest is !
EMIEL VERSCHUEREN is de naam, Deze dag schijnt hem een wonder !
Hij viert zijn gouden huwelijksfeest, Verheugt zich ook bijzonder !
En CATO LAUWERS zijn vrouw, Is even fier als hij is,
Geloof me, dat ’t haar heel wat doet En dat zij even blij is !
In Leest geboren, allebei, Behoren zij bij elkander !
Vraagt ge Emiel : “Hoe is’t met Cato ?” Zegt hij : “’k ben stapel van d’r !”
Zij hebben voor elkaar geleefd, Niets kon’t geluk verhinderen,
En met drie zonen en vijf dochters nog Hebben zij een pracht stel kinderen !
Spreekt de bruid er van, dan leeft zij op,
Dan lacht zij stil…en bloost er van. Acht kinderen…dat kan er door…
Waarvan eentje in het klooster !
De heer Verschueren is een man Die ’t leven wist te leven,
En als Burgemeester heeft hij ook Z’n beste krachten gegeven !
Hij houdt ook heel veel van muziek Plezier ! Dat is je ware !
Hij is al vijftig jaren lid Van Sint Cecilia, de fanfare !
Als Ere-Voorzitter is hij Onmisbaar voor de leden,
Zo is hij nu…vandaag de dag… Zo was hij in ’t verleden.
Voor de gemeente staat hij pal, Daar wist hij voor te werken
En waar het nodig was wist hij Te steunen en te sterken !
Vroeger was hij eerst schepene Hij kwam tot ’t volk steeds nader,
Nu is hij reeds zes jaar benoemd, Tot onze burgervader !
En wij zijn werkelijk fier op hem Z’n geestdrift is niet te remmen,
En stelt hij zich als kandidaat Krijgt hij de meeste voorkeurstemmen !
Dat is toch wel het beste bewijs Dat hij heel graag gezien is,
Wijl zijn aard en zijn humeur Zo stralend bovendien is !
En nu vieren wij het jubilé Van vijftig huwelijksjaren !
Een halve eeuw heeft hij nu al De huwelijksboot bevaren !
Zijn vrouw voer dapper met hem mee Geen tegenslag kon hinderen,
Zij hees de zeilen…klom in ’t want… Voor haar man en voor haar kinderen !
En vandaag hebben we slechts ene wens, Dat God u moge sparen,
U beiden en uw ganse kroost Voor ons lang mag bewaren !
Blijf ook nog Burgemeester, vriend, Ik zal me niet vergissen
Wanneer ik zeg, dat niemand in Leest U graag zou willen missen !
En dat er nog een feest eens komt Dat wij weer allen hier zijn,
En dat we op u allebei Dan nog eens dubbel zo fier zijn !
Dat u dan ZESTIG jaar zult zijn getrouwd, En men juicht langs alle kanten !
Dat uw beider huwelijkskroon zal zijn VERSIERD MET DIAMANTEN !”

Hier ook werd een geschenk aangeboden vanwege de K. Fanfare Sint Cecilia, waarna in het lokaal zelf, een gezellig samenzijn plaats had. De muziektonen dreunden door het dorp, want Leest was in feest ! Wij wensen aan het gouden paar nog vele jaren in ons midden, door Gods Zegen ! L.B.”

Emiel Verschueren was de zoon van de stichter-voorzitter van de fanfare St.-Cecilia Theofiel Verschueren. Hij werd te Leest geboren op 31 januari 1889 en overleed er op 1 februari 1975. Door zijn vrienden werd hij ‘Boske’ genoemd. In zijn jonge jaren is hij muzikant geweest vanaf 1907 tot ongeveer 1934. Later werd hij bestuurslid in de fanfare. Hij was ook een van de eerste lokaalhouders van St.-Cecilia en wel van 1914 tot 1931. In 1931 kocht hij het ‘Hof ter Haelen’ en werd er herenboer. Hij was burgemeester van Leest van 1939 tot 1944 en van 1959 tot 1965.

Foto’s :

-Burgemeester Miel Verschueren en Catharina Lauwers 50 jaar getrouwd : plechtige ontvangst op het gemeentehuis door de voltallige raad. Van l. naar r. veldwachter Van Hoof, schepen Henri Van Den Heuvel en de raadslieden Constant Buelens, Rik De Bruyn en Juul Geens. Onderaan : schepen De Prins, burgemeester Verschueren, secretaris Bradt, Catharina Lauwers, raadslid Verbeeck en schepen Ferdinand “Nante” De Prins.

-Eerste schepen Frans De Prins hield een ontroerende toespraak.

-Hij werd daarna gevolgd door de latere burgemeester August Lauwers.



2710306-73ceae61c8be7bf39cbf58de38ee6ddb.jpg

2710306-804c1fe6b68d40adef06125891a8b1e7.jpg

2710306-c6b6e72b03bbf07a679fb9429d70be77.jpg
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:55 1 reactie Reageer op dit bericht

Wijzigingen - Aanvullingen

1964 – 29 januari : Aflegging beloften Burchtknapen en Kerstfeest Chiro
“Op 29 januari 1964 werd door de Burchtknapen die de voorbereidingstijd goed volbracht hadden, de belofte afgelegd. Het Kerstfeest ging daarna door en er was veel leute en kameraadschapsgeest vast te stellen.” (DB)

1964 – Februarinummer “De Band” : Ongevallen
-Aan het Volksbelang werd onze dorpsgenoot Ernest Nuytkens door een auto aangereden. De auto hoorde toe aan Neuttiens Maurits uit Hofstade. Ernest werd gewond en overgebracht naar een Mechels ziekenhuis.

-Op de steenweg naar Battel deed zich een aanrijding voor tussen de personenwagens van Alfons Verbruggen uit Leest en deze bestuurd door Antoon Van Steen uit Ruisbroek. De echtgenote van deze laatste werd hierbij licht gewond.

-Werkongeval : Tijdens zijn werk werd Jan Spinnael (foto onderaan), werkzaam bij de firma Comet, ernstig aan de rechterhand verbrand, zodat hem thuis geneeskundige zorgen werden verleend.

-Een verkeersongeval deed zich voor aan de Brusselpoort te Mechelen tussen de personenwagen van De Vadder uit Herent en de bestelauto van de Leestenaar Paul Polspoel (Foto onderaan).

1964 – Februarinummer “De Band” : Soldaat J. MUYSOMS

 -Kassel : “Hier dan eindelijk een briefje van een Leestenaar die zijn legerdienst te Kassel vervult en hoopt dat “den troeptijd” rap zal een einde nemen. Dat ik tot nog toe niet schreef is te wijten aan steeds maar uitstellen en tot nog toe is daar nog niets van gekomen, maar nu moet het er eindelijk toch door. Op 11-12-13 februari hadden wij Cie-testen. Dat betekent 16 km in ongeveer 1u50 hindernissenbaan en een oefening van twee dagen. Nu het voorbij is, is dat heel goed meegevallen. Deze week hebben wij “wacht” en “piket” en ons niet al te erg afsloven aan gewoon Richt, en een wacht meer is toch ook zo erg niet. Alleen dat het hier soms nog zo koud is. Om te sluiten besten dank aan Milac voor alles wat ze opstuurden, en de beste groeten aan alle Leestenaars, maar bijzonder aan de BJB en de soldaten van Leest.” (Zijn foto onderaan)

1964 – Februarinummer “De Band” : Soldaat Robert Verbruggen

-Soest : “Amper twintig dagen scheiden mij nog van het zo lang verlangde afzwaaien, twaalf maanden soldatenleven, met zijn drill en oefeningen, zijn karwijen en zijn koekjes zullen toekomende maand nog slechts een herinnering zijn. Uit het “vurig verlangde afzwaaien” en de twaalf lange maanden moet ge niet afleiden dat ik als een gevangene de 365 dagen heb afgeteld. Oh neen, als topograaf bij de artillerie heb ik een mooie legerdienst gehad. Bijna alle dagen op oefening, metingen uitvoeren in het open veld, is vooral ’s zomers een aangenaam werkje. We waren er buiten de kazerne, en in ons klein ploegje heerste steeds een goede, frisse geest. Mijn dienst is werkelijk voorbijgevlogen. Steeds heb ik er voor gezorgd, vooral mijn vrije tijd goed te gebruiken. De informatiezaal, de kantien, de filmzaal, het zwembad, de bibliotheek hadden in mij een regelmatige bezoeker. Dat is dan ook een goede raad van een “ancien” aan de “bleu” : blijf ’s avonds en ’s zondags niet lui op uw bed liggen kankeren op den troep, daardoor duurt uw dienst eens zo lang. Eerlijk gezegd, ook heb ik wel, als ieder ander soldaat, dagen gekend waarop “alles mocht ontploffen”, dagen waarop ik trapte tegen al wat kaki was en dat ik die “rotte boel” hartgrondig verwenste. Maar dat zijn momenten die ieder soldaat nu eenmaal doorstaan en doorwinteren moet. Met een beetje karakter en wat steun van de anderen (een briefje van thuis kan wonderen doen) komt men er wel vlug overheen. Niet bij allen gaat het zo ; nooit zal ik de triestige scènes vergeten , als men de stomdronken kanonniers even voor het appel, de kamer binnensleepten. Het lange verblijf in Duitsland, ver weg van hun thuis, blijft een probleem : soldatenheimwee is iets waar men niet mee lachen mag. Enkel oud-soldaten kunnen dat ten volle begrijpen. Beste vrienden van Milac, uw post “de Band” en “Zondagsvriend” en het “Parochieblad”, kwam tussen de verwachte brieven van thuis in. Juist doordat ze op mijn “nest” lagen wanneer ik van de facteur niets verwachtte, deed het me zoveel plezier. Ik dank u allen dan ook van harte voor uw werk. Speciaal dank voor het mooie geschenk dat ik ontving ter gelegenheid van de “Week van de Soldaat”. Van mijn kant ; ik voel me zwaar schuldig en nalatig, omdat ik u zo weinig heb geschreven gedurende mijn dienst. In mijn opleiding heb ik naar de “Band” een paar brieven geschreven. Daar ik nooit geweten heb dat die brieven wel gearriveerd zijn, heb ik gans ten onrechte van mij niets meer laten horen. Beste vrienden “mea culpa”, ik hoop dat ik met dit briefje iets goed gemaakt heb. Nogmaals, hartelijk bedankt voor alles wat u voor de soldaten doet. Een goede dag aan al de lezers van De Band, en in ’t bijzonder aan alle soldaten van Leest en al de medewerkers van De Band tussen Leest en zijn soldaten.” (Zijn foto onderaan)

Foto’s :

-Jan Spinnael werd het slachtoffer van een werkongeval.

-Paul Polspoel kreeg een ongeluk met zijn bestelwagen. De foto’s dateren van zijn plechtige communie en zijn huwelijk.

-Juul Muysoms schreef vanuit Kassel.

-Robert Verbruggen vanuit Soest. Op de foto uit 2013 werd hij geflankeerd door zijn echtgenote Bertha Smulders en Pol Huybrechts.



2710174-7c27b25d69f2c942379d557697a6e348.jpg

2710174-4065455b0105027728f029a447bbaa88.jpg

2710174-d17df5bfc289a3d20bd4c7af2f246885.png

2710174-97777e927f45b9b39dc84dc744051baf.jpg

2710174-87d0e0e850da0e83b6f8bcb748b8b1a1.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Van Hoof om 10:38 Reageer op dit bericht

Meer van Kronieken van Leest

↑ Terug naar de berichten