
Wijzigingen - Aanvullingen
1964 - 25 oktober : Kristus-Koningsfeest Chiro
1964 – Novembernummer “De Band” : Sergeant Milicien Jan TEUGHELS
-Arlon, 1964 : “Eindelijk is’t er van gekomen. Zes weken zijn voorbij, gelukkig voor mij voorbij gevlogen. Dagen voor ik binnen moest had ik niet het minste benul van wat het leger mij kon bieden. Nu weet ik er wel ’t een en ’t ander over. Veel had ik er nochtans over horen vertellen en ik moet eerlijk zeggen dat het bij ons gans anders is dan hetgeen men er mij over vertelde. Is het misschien omdat we hier in een school zitten, het werkelijk anders is dan in een gewone kazerne ? Volgens mij is dat wel de reden. De meeste jongens zijn collega’s, o.a. vijf jongens die met mij hun diploma behaalden zijn hier gekazerneerd. Dat is zeker de reden dat we mekaar zo goed verstaan. Zes maanden zal ik hier mijn kaki-broekjes verslijten. Daarna nog zes maanden naar Duitsland om er als sectie commandant de tijd door te brengen. Natuurlijk brengt dat een strenge opleiding van zes maanden met zich mede. Buiten de dril, marsen en droppings die elke soldaat krijgt hebben we nog de lessen die wel een halve uurrooster in beslag nemen. Daarom vallen de marsen veel ’s avonds, met het gevolg dat we weinig vrije tijd hebben. Vorige week waren er o.a. drie marsen naar Lagland (ongeveer 8 km) en terug. De derde dag, bij de derde mars, waren er van de 40 slechts 18 vertrekkers. Allemaal hadden we pijn aan de voeten en benen. Vorige week was dat niet het geval en nu deze week nog minder, vermits we volgende maandag over acht dagen naar Brussel moeten gaan defileren ter gelegenheid van het bezoek van de Koning van Noorwegen. Moesten er nu ook zoveel naar de dokter lopen zou dat voor de baasjes ook niet meevallen. Verder had ik mij de gebouwen voorgesteld, omringd met hoge muren met glasscherven en ramen met ijzeren grendels in. Wel, hier is het net omgekeerd. De kazerne is slechts enkele jaartjes oud en ge kunt ze gemakkelijk verlaten. Natuurlijk mag dat niet altijd, maar voor de liefhebbers is het geen kwestie van over muren kruipen. Van de kost mogen we in ’t geheel niet klagen. Slechts éénmaal liet het te wensen over, maar als het zo blijft zijn w’er over tevreden. Onze kamer is gevuld met vier onderwijzers, twee agenten, één licenciaat en één architect. Het zijn dus 8 jonge kerels, blozend van vreugd als er een briefje van ’t liefje is en die ook wel eens grappen durven uithalen. Vorige week bijvoorbeeld maakten we samen een briefje op voor de verloofde van onze architect. Buiten weten van deze laatste. Ze schreef volgens hem te weinig en we schreven dat de oorzaak is dat hij nu aan drank verslaafd is. Alleen haar brieven konden hem redden ! Ik ben eens benieuwd wat het antwoord aan kamer 64 zal zijn. Nu mag ik de redactie niet vergeten te bedanken voor het geregeld ontvangen van haar tijdschriften. Ik ben er geweldig over tevreden. Ik hoop niets meer dan dat de mensen uit Leest de Milac steunt. Ook uw kinderen moeten misschien eens soldaat worden en die zullen er dan ook zeer blij en dankbaar voor zijn. Aan alle vrienden een goeie dag en tot volgende brief.”
-Jan Teughels van uit Aarlen, in “De Band” van december 1964 : “Als een soldaat op zaterdag en zondag niet naar huis mag betekent dat voor hem rust en tijd om brieven te schrijven. Ook Milac vergeet ik niet van uit Aarlen. We mogen zeggen dat onze opleiding na 3 maand en half weg is. Gelukkig wacht ons na deze periode meer vrije tijd. Vele avonden zijn wij op het terrein, hebben we droppings of zijn we verplicht naar een didactische film te gaan kijken. De laatste maand hebben we verschillende momenten meegemaakt. Einde eerste fase betekende voor ons test. Op een dropping van 35 km kregen we op vijf plaatsen testen. In groepjes is dat wel plezierig, maar niet als individueel. Toch is er voor mij een schone zijde aan vermits ik een natuurliefhebber ben sta ik er hoe langer hoe meer in bewondering voor. Vooral de herten met hun lawaai en gevechten zijn merkwaardig in deze tijd vermits het de paringstijd is voor deze dieren. Eekhoorntjes en vossen zijn hier ook nog veelvuldig van de partij. Verder hebben we ook al met enige “oorlogsspullen” gespeeld. Als ’t maar spel was. Ik was telkens blij als de bommen ontploft waren. Zo schoten we met een echte ennergabom naar een tank op 75 m. Met de blindicide bedroeg de afstand 200 m. Dit laatste bleef tot nu toe beperkt tot vuurkogels. De offensieve en defensieve granaten waren ook al van de partij. De tanks die hiervoor gebruikt worden zijn er die in de laatste wereldoorlog kapot zijn geschoten. Denk maar eens aan Bastogne, dat hier slechts enkele km vandaan is. De schietoefeningen worden alzo op dit terrein aangepast aan de plaats waar de tanks zich bevinden. Nu is het herfst. De laatste dagen zijn we verscheidene malen kletsnat en vol slijk hier ’s nachts toegekomen. Maar enkelen moesten ze gaan zoeken. Ze waren in Luxemburg verzeild geraakt. Achteraf kan men er wel eens mee lachen. In alle geval niet op die ogenblikken. Na het volgend weekeinde hebben we onze testen in Marche-les-Dames. Gisteren hadden we reeds een oefening in het naar beneden komen van rotsen en het overschrijden, met een paar touwen, van een vallei. Dit was niet ver van een kazerne. Over de hoogte van de rotsen wordt er van alles verteld. Wat het juist is zal ik in een volgende brief schrijven. Al zovelen voor mij hebben het gedurfd, waarom ik niet ? Nu nog het antwoord en de reactie op die brief. Vooreerst moet ik u schrijven dat het meisje in kwestie van Holland is en op ’t ogenblik ergens in Zwitserland werkt. “Heikneuters” als aanspraaktitel vond ik heel tof. Het eerste gedeelte vond ik zodanig mooi geschreven dat de jongen geen vrees moet hebben om naar een meisje te schrijven. Niemand van de meisjes zou negatief antwoorden. Wij zijn, volgens haar, hier ook niet op onze plaats. We kunnen met zeven nog niet een persoon goed opvoeden. Wat zouden we dat alleen met 10 jongens kunnen, schrijft ze. En zo stond die brief vol met “steken onder water”, als men het zo mag noemen. Wat ook goed was, is dat wij die brief hadden ontvangen voor dat die architect er een had gekregen. Ge moest dat gezicht gezien hebben als hij dat geschrift zag ! Ik bedank de redactie voor de post die ik regelmatig ontvang en stuur de groeten aan alle vrienden.”
-Jan Teughels vanuit Arlon, 1965 : Om u even nog te doen denken aan het dagelijks leven van de troep heb ik een onderwerp uitgezocht : PATROUILLE BIJ NACHT. ’s Middags koos de luitenant vier jongens uit die de rol van sectie-commandant moesten spelen, om, als overste de sectie te leiden. Daar ik deze maal één van die vier was kan ik u er wat meer over vertellen. In de namiddag bracht een jeep ons op de juiste plaatsen in het terrein om alles te verkennen. De twee patrouille-commandanten : L en B, moesten een goede en kortst mogelijke volgweg kiezen. Die van de sectie-hinderlaag moest zijn manschappen zodanig plaatsen op een kruispunt, dat de patrouille lopers er ongetwijfeld in een val liepen om hen alzo verder te sturen naar de sectie die in verdediging lag. Ik, als sectie-commandant van deze laatste, zocht de gekozen hoekjes op het terrein uit met goede dekkingen en een ruim waarnemingsveld. Om het moreel te vergroten zette ik hen twee aan twee. Twee met de telefoon lagen een honderd meter voorop en bij het minste gerucht of bij de minste beweging die er kwam moesten ze ons waarschuwen. De M-schutter en zijn bevoorrader bevonden er zich een honderd meter rechts van. De andere vijf en ik lagen er een eindje achter, in de breedte opgesteld, zodanig dat de vijand onvermijdelijk door de sectie hinderlaag in een zak werd gedreven. Iedere leider beschikte over een radio, zodanig dat men met behulp van codewoorden omtrent hoofdpost, hinderlaag en verdediging met mekaar in contact kon komen. Om 7 uur gaf de radio het bericht “begin oefening !’ Iedereen had zijn werk : de telefoon werd geplaatst en beproefd, geweren en M. werden geladen ; de manschappen zorgden er voor dat hun stelling comfortabeler uitgebouwd werd, want ze moesten er een tijdje in vertoeven. Achter ons waren er twee gepantserde voertuigen met infrarood licht opgesteld. Om dit op te speuren beschikt de vijand over natascopen. Een uur wachten, wachten…Niets te horen ! Ring, ring ! Ja, ’t spel ging beginnen. Twee slachtoffers liepen in de voorziene zak. De voorposten hadden opdracht gekregen niet te vuren vooraleer de achterlijn het deed. Als ze ver genoeg waren vlogen er rode vuurlichten uit de lopen. De vijand vluchtte…weg waren ze. Enkele honderden meters van ons verwijderd waren de jongens van de sectie-hinderlaag hun lopen aan ’t warm stoken. Daar de vijand van de voorziene weg was afgeweken trachtten ze hen uit alle macht op het rode pad te krijgen en…het lukte. Na een kwartierke wachten was het voor de tweede maal de bel van de telefoon die ons uit een halve slaap deed ontwaken. Het leek haastig te zijn, ja, want het waren er wel acht die op ons afkwamen. Onopgemerkt liepen ze de waarnemingsposten voorbij en een enorm geknal van geweerschoten ging de donkere lucht in. Ze dachten dekking te zoeken. Daar ze spoedig merkten dat het onbegonnen werk was omwille van het kale terrein, riep hij : ‘achteruit’. De voorpost had er op hun terugweg twee, door list, weten te doen struikelen, zodat we hen gemakkelijk te pakken kregen. We hadden een buit. Dat was voor ons het voornaamste. De rest wist te ontsnappen. Hoe weet ge nu in het donker of het een vijand is ? Wel daarvoor is er een afgesproken, dubbel paswoord in de sectie onderling. De eerste van ons die iemand zag zei : ‘Max’. Het antwoord moest ‘Maft’ zijn, anders was het een vijand, dan moest er een knallend rood antwoord van ‘Vuur’ op volgen. Ondertussen deed de hinderlaag nog steeds haar werk. Enkelen waagden nog kansen om door te dringen, maar moesten helaas voor hen, steeds vluchten. Niemand bereikte ons objectief : de gepantserde voertuigen. Als het elf uur was volgden enkele witte vuurpijlen, achter elkaar, de hoogte in, wat voor ons ‘einde oefening’ betekende, terugtocht naar de kazerne en een korte nacht. Alles is maar oefening en spel. De patronen zijn er met los poeder in. Wat geen spel was is, dat we in de kazerne vernamen dat er een jongen, bij ’t vluchten, tegen een boom was aangelopen. Nu, na een week, ligt die sukkelaar nog steeds in het hospitaal te Brussel. ’t Zal in ’t vervolg wel minder spel en meer oefeningen worden, denk ik. Aan alle lezers de meeste groeten en tot volgend schrijven.”
-Jan Teughels vanuit Arlon, 1965 : “Ook al ben ik de laatste tijd veel thuis geweest, toch ga ik mijn steentje voor Milac bijdragen. Voor veertien dagen hadden we, zoals ik reeds schreef, onze testen van durf te Marche-les-Dames. In deze brief zal ik daar wat meer over vertellen. ’s Maandags lagen we pas om twee uur in bed. Om vier uur dertig moesten we er uit, want we mochten zeker onze trein naar Namen niet verspelen. Een Touring-bus bracht ons op een indrukwekkende plaats naast de Maas. Vele tenten, schoon op een rijtje, stonden er opgesteld. Ertussen een spoorlijn met zeer druk verkeer. Achter ons lagen de hoog schrikwekkende rotsen, waar we onze tijd gingen op doorbrengen. Om te beginnen trokken ze met ons op een 50 m hoge rots waar we van een touw schuin naar beneden moesten glijden. In Agadir moesten we in donkere gangen met hindernissen. Menigeen was er met lieve balkjes in contact gekomen, dat was wel aan neus en gezicht te zien. Anderen liepen er, net zoals ik, met hun voeten tegen, waarvan het gevolg was dat we in lieve plasjes terecht kwamen. Van een 70 m hoge rots moesten we al glijdend aan een touw naar beneden. Een plank die geen halve meter breed was en een lengte van 6 m had gaf de verbinding tussen twee rotsen, over een ravijn van 80 m diepte. Slechts ene van het peloton weigerde. Na aanmoedigingswoorden van de luitenant is hij er toch overgeraakt. Verder hadden we nog de wedstrijd in rubberen boten op de Maas. Was dat een geklets en geplas… Verder is er ook een kolonel op bezoek geweest. Enige artiesten durfden het aan, uit een helikopter boven de Maas, langs een touw van 200 m naar beneden te glijden. Slechts één misstapte toen hij in een rubberen boot stapte en dat in een weer, waar ’s morgens het ijs op de ruitjes van de tenten stond… (Noot : de rest is onleesbaar) “
-Jan Teughels vanuit Antwerpen-Luchtbal, 1965 : “Een half jaar heb ik er naar getracht, en ’t is zo ver. Voor enkele dagen heb ik mijn matras omgedraaid ! Buiten alle verwachtingen heb ik een garnizoenskeuze in België mogen doen en samen met negen andere makkers hebben we de 29 januari een laatste leger goeiendag gezegd aan dat kleine, maar voor ons onvergetelijk stadje. Of we tevreden waren omdat we in Jemelle de richting Brussel mochten nemen hoef ik u niet te schrijven. Zelfs daar sleurden we met veel plezier onze pakken naar een ander spoor om onze nieuwe eenheid, in het 6de op de Luchtbal te vervoegen. Vooraleer ik daar meer over vertel ga ik nog wat over onze laatste opleidingsdagen vertellen. Naar gewoonte doorstonden we ook de zeer zware raid. Dinsdag avond werden we op 70 km van Arlon gedropt. Na een ganse nacht marcheren, schuiven, kruipen, glijden, enz. zijn we omstreeks 6 u. te Ortho, onze eindpost, aangekomen. Alles te samen was dat een 25 km. Ik heb daar juist wel veel werkwoorden gebruikt, maar ik kon er nog meer schrijven want op de bergen was het glibberig wegens de smeltende sneeuw en de rappels en beklimmingen waren niet uitgesloten. Slechts 1 uurtje hebben we, in de loop van de dag, in onze slaapzak, op de grond, gerust. ’s Avonds om 7 uur werden we opnieuw gedropt. Nu waren het slechts 15 km. Langs een open brug van 30 meter staken we de Ourthe over en deze hebben we 2 km gevolgd. Door bossen, weiden, heuvels, moerassen baanden we ons een weg. Hierop was de tijd wel vooruit gevlogen, want bij het einde van het bos was de klok 4 uur vooruitgegaan. Van het eindpunt voerden ze ons met camions naar Libramont waar we nog van een drie uur rust genoten en om er ’s anderendaags onze strepen te gaan ontvangen. De overheden aanschouwen het als zijnde een grote plechtigheid. Voor hen misschien wel, maar wat baatte dat ? Vermoeid als we waren haalden we nauwelijks onze pas. En eten dat we die dag klaargemaakt hebben ! Alles : aardappelen, ajuin, groenten, vlees, eieren enz. was ter onzer beschikking maar we moesten het dan ook zelf klaarmaken. Gelukkig ziet een hongerige maag niet zo nauw en lust ze alles. Het lastigste was wel afscheid nemen van de vrienden. Een half jaar hebben we samen geleefd, dag in dag uit mekaar geholpen, nu moeten we op ons eigen benen, de ene hier, de andere elders, de rol van sectie-commandant overnemen. Inderdaad, hier zeggen ze niet zo en zo, nu kan ik het zelf zeggen en dat is minder interessant. Maar ja, alles moet men leren en nu, na een 10-tal dagen gaat het al veel beter. Aan allen de beste groeten en mag ik vooral Milac bedanken voor het geschenk dat ik mocht in ontvangst nemen. Sgt. Mil Teughels Jan, 6D Linie bataljon, 1ste compagnie Kamer 178, Kazerne Kol. Housmans Antwerpen(Luchtbal).”
-Jan Teughels vanuit Antwerpen, 1965 : “Reeds twee maanden en half vervul ik de rol van sectie-commandant in de kazerne Housmans op de Luchtbal. Vooreerst werd ik ingeschakeld bij het kader van anciens, die vorige maand opnieuw de intrede in het burgerleven hebben gedaan. Dat kader bestond slechts uit drie reservisten. Ook al betrof het een ganse compagnie, toch moest men steeds zoeken dat men karweimannen nodig had. Haast iedereen had zijn vaste dienst. Voor drie weken heb ik hen tot aan het station geleid vanwaar ze hun laatste groet brachten, die het einde van hun militaire dienst betekende. Ondertussen zijn wij, reservisten, bijgezet bij de actieven om een nieuwe lichting op te leiden. Het zijn geen rekruten meer, want, hun Leeuw is reeds plechtig ingeruild voor een ‘Brabo’. Nu zijn we pas terug van een tiendaags kamp in Vogelsang. Meestal hadden we schietoefeningen met Fal, Falo en Energa. Er zijn ook vele namiddagen besteed aan ‘close combat’ of ‘lijf aan lijf gevecht’, hindernisbaan en granaatwerpen. Natuurlijk zijn de droppings ook te vernoemen. De eerste keer, bij nacht, dropten ze mijn sectie zo maar 5 km van het juiste vertrekpunt. Onmiddellijk ondervond ik dat we van het juiste pad waren en rond twee uur pikten ze ons op om naar de blok Sint Joris te voeren. Heb ik dan gepanikeerd zeg ! Gelukkig lag het verwijt niet bij mij, wel bij hem die ons verkeerd dropte. Zo waren ook nog drie andere secties het slachtoffer van dit gebeuren. Een paar van hen hebben ze ergens op enkele km van Monchau weergevonden. Gelukkig is de dropping van zaterdag, over ongeveer 30 km volledig gelukt. Na tien dagen zijn w’er midden in een sneeuwlandschap vertrokken naar onze heimat in Antwerpen, waar de dagelijkse bezigheden voor mij nog honderd dagen verder gaan. Ik dank allen voor de post die ik ontving en stuur tevens mijn beste groeten.”
-Jan Teughels vanuit Antwerpen, 1965 : “Twaalf maanden is een lange tijd ; niet voor u als buitenstaanders, maar wel voor ons, de drommels gekleed met het kakigoed. Gelukkig zijn er voor mij reeds meer dan elf voorbijgevlogen en vertoef ik hier slechts voor enkele dagen meer als super-ancien in het bataljon. Ook al zijn wij nu anciens, toch denken de lichtingen die na ons zijn binnen gegaan hetzelfde. Waren we trouwens ook zo niet een paar maanden geleden ? Het is een geluk voor ons dat we reeds lang dat optimistisch gevoel bezaten, al was het maar om te denken dat de tijd niet zo lang duurt dan in werkelijkheid wel duurt. Wel, de laatste maanden heb ik het in mijn soldatenleven zeer goed gehad : op het schietkamp in Leopoldsburg bracht ik mijn tijd door met administratieve werkjes op het bureel van de Commandant. De tijd was ook meerdere malen gevuld met wacht te kloppen. De drie laatste binnen de veertien dagen. Deze week hadden we nog een nachtdropping, enkele km voorbij de Citadel te Namen. Waarschijnlijk de laatste maal dat ik in de maneschijn een dropping gekregen heb. Nat kwamen we in het kamp en de vermoeienis gaf ons vlug een diepe slaap in de tentjes. Volgende week wacht ons nog een laatste schietkamp dat weer in Leopoldsburg plaats heeft. Ongeveer een maand geleden ben ik, samen met vijf andere onderofficieren, miliciens, naar Vogelsang geweest om er deel te nemen, als scheidsrechter, aan een schietwedstrijd van Koning Albert. Vermoeid dat we terugkwamen, zeg. Om het uur moesten we twintig minuten een schutter vergezellen om gedane fouten aan te tekenen. Volgens de Kolonel was het zo zwaar dat we er nog een rustdag op de woensdag bij kregen. Hiervan maakten we natuurlijk gebruik om de mooie streek van het heuvelachtige Rhurlandschap te bewonderen. Met autostop deden we enkele kleine dorpjes aan. Het was een omgeving van toeristische aantrekkingskracht. Mag ik nu in deze brief, die wellicht de laatste zal zijn, Milac nogmaals danken voor de lectuur me tijdens dat ganse jaar trouw en regelmatig toegezonden, vooral tijdens de Ronde van Frankrijk wanneer me iedere dag het dagblad werd toegezonden. Op een paar maal te na gesproken, heb ik iedere maand voor De Band een brief geschreven. Ik ben er zeker van, als alle kaki mannen het zo deden dat de Band, nu reeds een voorbeeld voor velen, nog meer succes zou mogen boeken. Hoe vaak stonden er slechts een paar brieven in ? En waren we niet met 10 of meer soldaten ? Mannen, kom eens buiten, en steek eens de handen uit de mouwen, en dank aan het, uw soldatenblad, de schakel tussen kazerne en thuis. Nogmaals, hartelijk dank, de beste groeten en wens aan ieder milicien een spoedig afzwaaien toe.”
Jan Teughels is een zoon van Louis (“Lowieke van Dore”) en van Tille Absillis uit de Blaasveldstraat. Hij huwde op 12 juli 1969 met Erna Verhaegen, enige dochter van Jan Verhaegen-Cleynhens uit Hever-Schiplaken, die hem twee zonen schonk : Johan en Noël. Jan gaf les in de gemeenteschool en was zoals de meeste mannen van zijn familie een handige Harry, zo bouwde hij na zijn huwelijk eigenhandig en haast helemaal alleen zijn villawoning in de Pastoor de Heuckstraat.
Foto’s :
-Jan Teughels na zijn legertijd.
-Meester Jan met één van de vele klasjes die bij hem gepasseerd zijn.
-Met zijn gezin : zoontjes Noël en Johan en echtgenote Erna.
-Zijn woning die hij eigenhandig heeft gebouwd.






















































