magisch-religieus

Voorhistorische grotschildering (Lascaux)
Men neemt algemeen aan dat de kunst van magisch-religieuze oorsprong is. Dat wil zeggen dat de oudste kunstzinnige vormgeving de beïnvloeding van hogere machten tot doel had (grotschilderingen, afgodsbeelden, bezweringsmaskers, dodencultus etc.). Eerst in tweede instantie zou de menselijke behoefte aan verfraaiing zijn gaan meespreken. Het zou echter nog vele eeuwen duren voor de kunst als culturele uiting een eigen leven ging leiden. Nog tot na de middeleeuwen werd wat wij kunst noemen gezien als een product van ambachtelijke bekwaamheid.
De middeleeuwse estheticus Thomas van Aquino (1225-1274) bracht onder woorden wat heel West-Europa in die tijd van de kunstenaar verwachtte: zijn werk moest getuigen van "claritas" (duidelijkheid in de verbeelding van het verhevene), "integritas" (gaafheid, kenmerk van al het goddelijke) en "consonantia"(samenwerking van alle kunsten tot het gemeenschappelijk ideaal). Eerst toen schoonheid tot een zelfstandige "luxe" werd verheven, ontstond de splitsing tussen dienende kust (beantwoordend aan een bepaald doel) en vrije kunst (die zijn waarde aan zichzelf ontleent).













