PDD-NOS
|
| |
|
Wat is pdd-nos?
| |
PDD-NOS|
| |
|
Wat is pdd-nos?
| |
Ik vermoed dat mijn dochter ADHD heeftIk vermoed dat mijn dochter ADHD heeft
We vermoeden dat mijn dochter (4) een gedragsstoornis heeft. We zijn naar een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen geweest, maar staan op een wachtlijst van anderhalf jaar. Ik denk zelf aan ADHD of een variant ervan, maar op den duur denk je van alles. Wat zijn haar toekomstperspectieven? Kan ze naar een normale school? Kan ze hogere studies aan?
Niet voor niets spreken we over 'uitdagend gedrag' van kinderen. Uitdagen staat hier niet alleen voor het aandachtszoekende van het kind, maar ook voor de letterlijke uitdaging die het inhoudt voor ouders: het steeds weer op zoek gaan naar het goede in het kind, naar inspiratie om gepast en ongepast gedrag van elkaar te onderscheiden. Heel wat normale kleuters vertonen gedrag dat aan ADHD doet denken, omdat het de leeftijd is waarop zij nog volop leren controle te krijgen over hun gedrag.
6 op 10 Nederlandse ouders zoekt hulp bij opvoeding
Zorgmap voor ouders van kinderen en jongeren met ADHDADHD is een stoornis met veel dimensies die vraagt om een veelzijdige aanpak. Opvoeders, hulpverleners, therapeuten, kind en ouders hebben allemaal iets bij te dragen. Het is belangrijk dat ze dat samen doen, in onderlinge verstandhouding en met begrip. Het zorgboek brengt informatie uit diverse disciplines en invalhoeken samen en is daardoor een kruispunt van gebundelde kennis.
Het boekje bestaat uit 4 delen. Een luik rond diagnostiek, medische zorg, niet-medische zorg en zorg op school. In het boekje staan tips en aandachtspunten bij het installeren en opvolgen van de zorg voor het kind met ADHD. Tegelijk kan het boek gebruikt worden als een persoonlijk dossier én centraal referentiepunt waarin de zorg vanaf diagnose tot de leeftijd van ongeveer 18 jaar kan worden geregistreerd Het is een persoonlijk logboek waarin de vele stappen van het groeiproces vanaf de diagnose tot de volwassenheid van het kind kunnen worden bijgehouden.
Bovendien start centrum ZitStil vanaf januari met een opleiding ‘zorgtrajectbegeleider’ voor professionele diagnostici en hulpverleners. De bedoeling is om in Vlaanderen een netwerk op te bouwen van professionelen, die ouders kort na de diagnose, kunnen verder helpen bij het organiseren van een kwaliteitsvolle hulpverlening. Hierdoor wordt tijd gewonnen én wordt een kwaliteitsgarantie ingebouwd. Via dit traject wordt geen nieuwe hulp geïnstalleerd, wel een persoonlijke wegwijzer aangeboden die snel en flexibel kan inspelen op de meest dringende zorgnoden van ouders.
http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=5877
Info: www.zitstil.be
http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=artperrub&c=205
'Dommerik heeft soms vwo-verstand'door Olger Koopman. vrijdag 07 november 2008 | 05:56
Sociaal onhandig: aangeboren of (niet) geleerdartikel uit Mobiel 6, december 2000/januari 2001
Sociaal onhandig: aangeboren of (niet) geleerd
rubriek: Vreemd gedrag!?
Door: Pim Steerneman, hoofd Centraal Coördinatiepunt Autisme Zuid-Limburg
MENNO IS ACHT. HIJ WIL GRAAG EEN VRIENDJE HEBBEN, MAAR HET LUKT
NIET. OP SCHOOL WORDT HIJ GEPEST. ALS IEMAND IN DE KLAS EEN
GRAPJE MAAKT, BEGRIJPT HIJ NIET WAAROM ER GELACHEN WORDT. HIJ
MAAKT GRAPJES WAAR NIEMAND OM LACHT EN HIJ LACHT OM DINGEN
DIE NIEMAND GRAPPIG VINDT. MENNO ZIT ER STEEDS NAAST. HIJ
BEGRIJPT NIET WAT ER IN ANDEREN OMGAAT EN HOE HIJ MET ANDEREN
MOET OMGAAN.
Problemen in de sociale omgang komen vaak voor bij kinderen. Meestal zijn het verstoringen
die spontaan of met enige hulp verbeteren. Soms zijn het aangeboren
ontwikkelingsstoornissen. We hebben het dan over contactstoornissen. Er is een aantal
stoornissen dat samen het autisme spectrum vormt. De belangrijkste zijn autisme, het
syndroom van Asperger en de aan autisme verwante stoornis PDD NOS. Bij kinderen met een
autistische stoornis verloopt, naast een aantal andere kenmerken, het sociale denken niet
normaal. Maar ook kinderen met hechtingsproblematiek kunnen problemen in sociaal denken
vertonen. De kwaliteit van de opvoedingsrelatie is belangrijk voor de kwaliteit van het sociale
denken.
Autisme spectrum stoornissen
In een recente studie beschrijft Lorna Wing(1) de hoofdkenmerken van autistische stoornissen
als volgt: ernstige tekorten in contact, in communicatie en een beperkte interesse in
activiteiten. Ze beschrijft ook drie vormen van autisten: het teruggetrokken autistische kind,
het passieve kind en het actieve maar vreemde kind.
Het teruggetrokken autistische kind is extreem in zichzelf gekeerd, leeft als het ware in een
schelp. Er is geen sprake van wederkerigheid en de cognitieve mogelijkheden, de intelligentie,
is laag. Passieve autistische kinderen zoeken niet actief contact, maar ondergaan contact wel.
Ook zij hebben een gebrek aan wederkerigheid en zij kampen met duidelijke communicatieve
problemen. De derde groep, actief maar vreemd, heeft de beste cognitieve mogelijkheden, de
hoogste intelligentie van normaal tot soms hoger dan gemiddeld. De autistische kinderen uit
deze groep kunnen heel claimend zijn in aandacht vragen. Ook bij deze groep kinderen
bestaan problemen in de wederkerigheid.
Dé autist bestaat niet, er zijn grote verschillen in problematiek en in intelligentie. Daarnaast
heeft ieder kind een eigen karakter en groeit ieder kind op in een unieke opvoedingssituatie.
Nóg moeilijker om het beeld autisme scherp te herkennen, is dat er vaak sprake is van
meerdere problemen dan alleen autisme, bijvoorbeeld een combinatie met ADHD, met
hyperactiviteit, met concentratiestoornissen.
De aan autisme verwante contactstoornissen is een vage groep stoornissen waarbij de
hoofdkenmerken van autisme wel aanwezig zijn, maar in mindere mate. Deze groep heeft
vaak een redelijke intelligentie, maar in sociaal opzicht valt ze net als het autistische kind
uit. Ze zijn vaak (sociaal) angstig, ze hebben moeite met het onderscheid tussen fantasie en
realiteit, moeite met het begrijpen van humor en ze hebben net als het autistische kind en het
kind met het syndroom van Asperger weinig invoelend vermogen.
Het verschil tussen autisme en het syndroom van Asperger is de aanvang van de stoornis: bij
autisme vóór het derde levensjaar en bij het syndroom van Asperger is dat vaak veel later.
Daarnaast zijn zowel de taal, als de intelligentie bij kinderen met het syndroom van Asperger
goed ontwikkeld, in tegenstelling tot het beeld autisme. Kinderen met het syndroom van
Asperger zijn vaak eenzijdig - zeer intelligent. Maar hun sociale intelligentie is zeer zwak
met alle gevolgen van dien. Ze willen wel contact met anderen, maar het lukt niet. Ze spreken
niet dezelfde taal, ze gedragen zich anders, ze begrijpen andere mensen vaak niet. Meestal
hebben ze een eenzijdige en beperkte belangstellingssfeer en kunnen ze zich niet op
empathische, invoelende wijze, in de ander verplaatsen.
Het sociale denken
Vanaf hun vroegste jeugd vormen mensen zich een idee van wat anderen denken en voelen.
Ze maken zo een 'theorie' over hoe anderen zijn. Om deze theorie te kunnen vormen is het
nodig zich te verplaatsen in een ander. Op grond daarvan ontstaat 'invoelen' en 'aanvoelen' van
wat er in een ander gebeurt. Zo kan men voorspellen wat een ander zal doen of denken en kan
men zijn eigen gedrag daarop afstemmen. Deze theorie over hoe anderen denken en voelen
wordt de Theory-of-mind genoemd, kortweg de TOM (2).
De meeste kinderen kunnen normaliter rond hun derde levensjaar op basis van gedrag van
anderen bepaalde gedachten, gevoelens en bedoelingen van anderen afleiden. Ze geven zo
betekenis aan het gedrag van die ander. Hiermee hebben kinderen met autisme spectrum
stoornissen echter grote moeite. Een voorbeeld: Er staan twee schreeuwende jongens
tegenover elkaar en er omheen staat een groep kinderen die ook schreeuwen. Als ik betekenis
geef aan wat ik zie en me probeer te verplaatsen in de situatie, maar ook in de gedachten,
gevoelens en bedoelingen van deze kinderen zou ik kunnen zeggen dat die twee jongens ruzie
hebben en dat de ene boos en de ander bijvoorbeeld bang is, met daar omheen een groepje
over en weer roepende kinderen. Als ik alleen maar beschrijf wat ik zie, dan zeg ik dat ik twee
jongens tegenover elkaar zie staan schreeuwen, en ik ook nog acht andere kinderen in een
kring er omheen zie staan. In plaats van de ruzie en het kijken te benoemen, zou ik kunnen
melden dat vier kinderen een blauwe broek aan hebben.
Deze laatste beschrijving zou de beschrijving door een autistisch kind kunnen zijn, die geen
betekenis verleent aan wat hij of zij ziet.
De kern van autisme spectrum stoornissen is in feite moeite met de goede betekenis te
verlenen aan sociale situaties. De basis hiervoor is lichamelijk van aard. We weten nog niet
veel over de oorzaken van autisme spectrum stoornissen. Wat we in ieder geval wel weten is
dat het een aangeboren stoornis is, waarschijnlijk met een erfelijke basis, waarbij de hersenen
niet normaal functioneren, onder andere op het gebied van informatieverwerking van sociale
situaties. Het is een prikkelverwerkings stoornis waardoor de kinderen inkomende zintuiglijke
prikkels (zien, horen, voelen) niet goed kunnen verwerken: ze zien anders, horen anders,
voelen anders en dus reageren ze anders, ook in sociaal opzicht.
Sociaal denken en TOM
Een onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling is de sociaal-cognitieve ontwikkeling
waarbij het denken over sociale gebeurtenissen centraal staat. Andere begrippen die verband
houden met sociaal-emotionele ontwikkeling zijn empathie, invoelend vermogen, emotionele
intelligentie of sociale intelligentie. De basis van dit alles wordt gevormd door de theorie die
ieder mens maakt over hoe anderen denken en voelen, de Theory-of-mind, de TOM.
De TOM wordt van baby af aan opgebouwd door waarnemen en imitatie (gericht kijken,
luisteren en gericht nadoen), emotieherkenning (bijvoorbeeld: wie is boos, bang, blij,
verdrietig en waarom?) en het 'doen-alsof vermogen (bijvoorbeeld doen alsof je heel erg boos
bent). Kinderen met een autistische stoornis hebben een gebrekkige TOM, hun idee van wat
er in anderen omgaat is erg gebrekkig.
Met behulp van een test, de zgn. TOM-test (2), kan onderzocht worden of de TOM voldoende
is ontwikkeld. Deze test maakt een sterkte-zwakte analyse op het gebied van zich verplaatsen
in een ander. De uitkomst geeft aan waar het kind extra hulp nodig heeft om een goed beeld te
vormen van sociale situaties, en waar het reeds voldoende is ontwikkeld. Vervolgens kan het
kind op grond hiervan worden getraind (3).
Het uitgangspunt van hulp op basis van de TOM is, dat als je sociaal gedrag wilt veranderen,
je eerst sociaal inzicht moet oefenen, stimuleren en ontwikkelen. Als je sociale inzichten
versterkt, zullen sociale vaardigheden daar logisch uit voortvloeien en misschien niet eens
getraind hoeven worden. Het probleem bij kinderen met contactstoornissen zit niet zozeer in
hun sociale vaardigheden alswel in hun gebrek aan sociaal inzicht waardoor ze zich niet
vaardig gedragen.
Uit onderzoek blijkt dat werken aan sociaal inzicht mogelijk is, tot op zekere hoogte ook bij
autisme spectrum stoornissen. Dit laatste is wel afhankelijk van de ernst van de problematiek
en de intelligentie.
Een gebrekkige TOM alleen bij autisme spectrum stoornissen?
Problemen met sociaal inzicht komen niet alleen bij autisme spectrum stoornissen voor. Laten
we met een voorbeeld uit onderzoek(4) duidelijk maken hoe dit wordt onderzocht.
In het onderzoek wordt het kind een smartierol getoond, waarbij de vraag wordt gesteld: 'wat
denk je dat hier in zit?' Kinderen kennen dit snoepgoed en antwoorden zonder uitzondering:
'smarties' of 'snoepjes'. Vervolgens maakt het de rol open en er blijkt een pen in te zitten. Dan
wordt het kind verteld dat er straks een ander kind komt die ook gevraagd wordt wat er in de
gesloten rol zit. Het kind moet dus voorspellen wat het andere kind zal antwoorden. Om dat te
kunnen moet het kind zich in het andere kind verplaatsen. Als het kind rekening houdt met
wat het andere kind daadwerkelijk weet, zal het antwoord luiden: 'smarties'. Het kind
onderkent dan dat de misleide persoon een ander idee heeft van de situatie dan hijzelf en dat
dit leidt tot een andere reactie. Uit het onderzoek blijkt dat veel kinderen met sociaal onhandig
gedrag, maar ook kinderen met sociaal-emotionele problemen, zoals pesten of gepest worden,
moeite hebben met deze gevolgtrekking. Ook kinderen met contact- en
communicatieproblemen die niet binnen het spectrum autisme vallen hebben vaak een
gebrekkige TOM. Een gebrekkige TOM is kenmerkend voor sociaal- emotionele onrijpheid in
het algemeen.
De TOM bij kinderen met hechtingsproblemen
Hechtingsproblemen hebben hun wortels in een onveilige gehechtheidsrelatie met de
opvoeders. Gehechtheid is een duurzame emotionele band tussen kind en verzorger. De
kwaliteit van de hechtingsrelatie is niet voor ieder kind gelijk en is afhankelijk van de
kwaliteit van de interactie opvoeder opvoedeling. De gevolgen van hechtingsproblemen die
we vaak in meerdere of mindere mate zien bij kinderen in pleeggezinnen variëren onder
andere van rusteloosheid, afleidbaarheid, tot prikkelbaar en agressief gedrag, problemen in
relatie met leeftijdgenoten en moeite om nauwe contacten aan te gaan.
Deze kinderen, die vaak in het verleden weinig invoelend op hun behoeften benaderd zijn,
reageren vaak ook weinig invoelend op de behoeften van anderen, met alle sociale problemen
dientengevolge. Door een falende hechting krijgen ze nauwelijks hulp in het goed
ontwikkelen van een correcte TOM. Ze kunnen geen goed beeld vormen van het denken en
voelen van andere mensen. Deze kinderen kunnen baat hebben bij een training die niet zozeer
gericht is op sociale vaardigheden, maar op het sociale denken, op de TOM.
Aan de buitenkant gezien bestaat er overeenkomst tussen het sociale gedrag van kinderen met
hechtingsproblemen en sommige kinderen met autisme spectrum stoornissen. Belangrijkste
verschil is dat kinderen met hechtingsproblemen in principe over een normaal vermogen tot
sociale wederkerigheid en invoelende reactie op anderen beschikken.
Hechting ontwikkelt zich binnen een constante interactie tussen kind en zijn of haar
omgeving. Het denkkader dat het kind opbouwt op basis van hechtingservaring bepaalt
weliswaar in hoge mate het gedrag van het kind, maar wordt ook door de verzorger op een
bepaalde manier geïnterpreteerd. Deze betekenisverlening door de verzorger wordt op zijn
beurt beïnvloed door eerdere ervaringen van de verzorger en op deze wijze is er dus sprake
van een constante interactie tussen de TOM van het kind en de TOM van de opvoeder. Er
wordt steeds aan hechting gebouwd en er wordt steeds aan ieders persoonlijke TOM
gebouwd.
TOM en opvoeders
TOM heeft betrekking op sociaal begrip, sociaal inzicht en sociale gevoeligheid. Kinderen die
over deze vaardigheden beschikken, hebben een kloppend invoelend vermogen. De meeste
volwassenen hebben een goed ontwikkeld invoelend vermogen. Alle volwassenen zijn kind
geweest. Maar hoe goed kunnen volwassenen zich inleven in de gedachten en gevoelens van
een kind? Voor veel volwassenen en dus ook opvoeders is het vaak heel moeilijk zich te
verplaatsen in de belevingswereld van kinderen. Als opvoeders zich verplaatsen in het
perspectief van het kind, voelt het kind zich geaccepteerd. Bij kinderen met
ontwikkelingsstoornissen, evenals bij kinderen met hechtingsproblemen, is het niet altijd
gemakkelijk om invoelend te reageren. Ten eerste moet het gedrag van het kind begrepen
worden. Als je niet weet dat een kind slecht hoort, hou je daar geen rekening mee en dit geldt
ook voor kinderen met autisme spectrum stoornissen en hechtingsproblemen: als je niet weet
dat het kind je niet aanvoelt en begrijpt, kijk je anders naar zijn of haar gedrag. Soms betekent
het dat je het kind gedrag kwalijk neemt waar het niets aan kan doen.
Optimale afstemming tussen kind en opvoeder vindt plaats in een veilig, stimulerend en
accepterend (opvoedings) klimaat. Een belangrijke voorwaarde is dat de opvoeder inzicht
heeft in het eigen handelen, waarbij een goede inschatting gemaakt wordt van de gevoelens
van de ander. Sensitiviteit(gevoeligheid) en responsiviteit(invoelend reageren) als bouwstenen
van een goed ontwikkelde TOM, zijn hierbij sleutelbegrippen.
Onderkennen en vervolgens begrijpen van contact- en communicatieproblemen is belangrijk.
Een goed ontwikkelde TOM is daarbij een instrument voor zowel het kind als de opvoeder om
betekenis te verlenen aan (sociale) gebeurtenissen.
Pim Steerneman
GZ Psycholoog / hoofd Centraal Coördinatiepunt (CCA) Autisme Zuid-Limburg en hoofd afdeling
Jeugdzorg RIAGG OZL.
Literatuur/noten
(1) Wing, L. Leven met uw autistische kind. Een gids voor ouders en begeleiders. Lisse, Swets & Zeitlinger, 2000.
(2) Steerneman, P., C. Meesters, & P. Muris. TOM test. Leuven/Apeldoorn, Garant, 2000.
(3) Steerneman, P. Leren denken over denken en leren begrijpen van emoties. Groepsbehandeling van kinderen. Leuven/ Apeldoorn, Garant,
1997.
(4) Steerneman, P. & P. Muris. Gebrekkig begrip van 'false belief': specifiek voor autisme en aan verwante contactstoornissen? In: Gedrag en
gezondheid, 1997, 25, p. 258 263.
(bron: http://web.archive.org/web/20010421041105/http://www.mobiel-
pleegzorg.nl/archief/2000/mo00616.htm )
This document was created with Win2PDF available at http://www.win2pdf.com.
The unregistered version of Win2PDF is for evaluation or non-commercial use only.
This page will not be added after purchasing Win2PDF.
Vereniging van ouders van normaalbegaafde kinderen

Na de start van het nieuwe schooljaar worden sommige ouders al snel geconfronteerd met leerproblemen van hun nochtans normaalbegaafde kind(eren). Sprankel is een oudervereniging die deze ouders een helpende hand wil reiken en informeren. Meer dan een kwart van de kinderen zou immers na verloop van tijd geconfronteerd worden met
leerproblemen. Dat kan zowel gaan om leesproblemen als taal- en rekenproblemen. Een kennismaking met deze vereniging.
Hoewel ze dus normaalbegaafd zijn krijgen heel wat kinderen in het lager onderwijs te kampen met leermoeilijkheden. Bij sommige kinderen kan dit zich al manifesteren in de kleuterschool, anderen krijgen er pas mee af te rekenen op de middelbare school. Meestal gaat het dus om lees-, taal- en rekenproblemen, vaak in combinatie met gedragsstoornissen. De scholen spelen hier maar al te vaak te weinig op in en er ontstaan problemen op school, met de omgeving en thuis in het gezin. Vaak ligt faalangst aan de basis van de problemen.
De oudervereniging Sprankel wil de ouders en kinderen een helpende hand reiken en informeren bij hun zoektocht naar de juiste hulp. Men kan daarom zowel telefonisch als schriftelijk informatie aanvragen over deze problematiek. De vereniging geeft ook een kwartaalblad en brochures rond de problematiek uit en organiseert voorlichtingsavonden, gespreksavonden,... De vereniging wil daarnaast de belangen behartigen van deze ouders en hun kinderen. Daartoe onderhoudt men contacten met deskundigen en ook met de overheid en wil men wetenschappelijk onderzoek promoten.
In alle Vlaamse provincies zijn er afdelingen met een eigen bestuur en secretariaat, die zelf activiteiten ontplooien. De werking steunt volledig op vrijwilligers. Iedere ouder van een normaalbegaafd kind met leerproblemen kan eenvoudig lid worden. Het gewoon lidgeld bedraagt 16 euro per kalenderjaar, maar men kan ook steunend lid worden voor een bedrag van 30 euro. Alle leden krijgen gratis een abonnement op het kwartaalblad. Wie geen lid wil worden, maar wel dit kwartaalblad wil ontvangen betaalt 14 euro.
Praktische informatie
Nationaal Secretariaat Sprankel
Ullenshofstraat 11 bus 2
2170 Merksem
Tel/Fax: 03/289 78 58 (ma, di en do van 12u tot 16u en woe en vrij van 9u30 tot 12u30)
e-mail: secretariaat@sprankel.be
Website : www.sprankel.be
Paul Willems
Gehechtheid als basis voor goei
De invloed van depressieve moeders met en zonder antisociaal gedrag
Angst bij zwangerschap beïnvloedt hersenen( keer bekeken)
Categorie: Vrouw & Gezondheid
Stress, angst of nervositeit tijdens de zwangerschap kan effect hebben op de ontwikkeling van de hersenen van het kind, ook wanneer het 20 jaar is. Dat blijkt uit onderzoek van de KU Leuven. Volgens de psycholoog Maarten Mennes kunnen deze kinderen mogelijk sneller afgeleid zijn. Of ze kunnen meer moeite hebben met taken waarbij de opdracht niet eenduidig is. Dramatisch noemt hij de situatie zeker niet. 'Maar toch is waakzaamheid geboden, zeker in drukke tijden waarin iedereen hard werkt en ook aanstaande moeders almaar langer werken.'
Meer dan twintig jaar geleden vulden zwangere vrouwen een vragenlijst in over de mate waarin ze zich nerveus, angstig of gestrest voelden. Bea Van den Bergh, psychologe aan de universiteiten van Tilburg en Leuven en verbonden aan de Vlaamse overheid, onderzocht daarna de peuters die uit die zwangerschappen waren geboren en stelde vast dat de kinderen van angstige moeders zelf ook onrustiger waren.
Het effect blijkt zich ook na bijna twee decennia nog voor te doen. Maarten Mennes stelde gisteren aan de KU Leuven zijn doctoraat voor, waarin hij concludeert dat deze kinderen als tieners en adolescenten anders functioneren bij het uitvoeren van bepaalde taken. Met name die taken waarbij ze zelf moeten beslissen welke strategie ze zullen volgen.
Hij testte dat uit in meerdere fasen. Om te beginnen schotelde hij 15-jarigen uit de onderzochte groep een taak voor waarbij de impuls om te handelen in de opdracht zelf vervat zat. Elke keer als de jongeren een vierkantje op een computerscherm zagen, moesten ze op een knop drukken. Verscheen er een cirkel, dan mochten ze niet drukken. De vierkanten waren in de meerderheid, waardoor ze in de verleiding kwamen om altijd te drukken.
'Kinderen uit de hoogangstige groep deden het hier niet beter of slechter dan kinderen van laagangstige moeders', zegt Mennes. Maar taken waarbij de impuls om te handelen vanuit henzelf moest komen, gaven wel verschil. Mennes: 'We gaven ze opdrachten waarbij ze meerdere dingen tegelijk moesten doen: bepaalde voorwerpen zoeken op een groot blad, onderwijl geluidjes tellend. Ze moesten hierbij zelf bepalen hoe ze best te werk gingen. Kinderen van hoogangstige moeders deden dit slechter: ze deden het trager, of maakten meer fouten, of vonden minder voorwerpen.'
In een volgende fase, op de leeftijd van 17, kregen de tieners opdrachten terwijl ze elektroden op hun hoofd geplaatst kregen, die de hersengolven in beeld brachten.
De jonge proefpersonen kregen een gokspel voorgeschoteld waarbij ze hun kansen moesten inschatten en in het geval van twijfel mochten passen. In dit spel moesten de jongeren zelf de beste strategie bepalen. Mennes: 'Waar de meeste mensen en de kinderen van laagangstige moeders passen, omdat ze hun kans laag inschatten, gokken de kinderen van de hoogangstige moeders toch. En omgekeerd: waar de meerderheid gokt, passen zij.'
Betekent dit dat ze het slechter doen? 'Dat is een beetje kort door de bocht, al zou je dat wel kunnen concluderen. Het geeft aan dat ze niet de optimale strategieën gebruiken om tot een beslissing te komen en tot actie over te gaan', zegt Mennes.
'Bovendien waren er bij deze taak ook verschillen in de hersengolven. Maar als we hen de taak met de vierkantjes en de cirkels opnieuw gaven, bleek er geen verschil. Deze fase bevestigde dus dat er wel degelijk een verband is tussen stress tijdens de zwangerschap en het functioneren van de hersenen. En dat we dit kunnen zien bij bepaalde opdrachten, die veronderstellen dat de betrokkene zelf keuzes maakt en strategieën bepaalt. Angst tijdens de zwangerschap heeft blijkbaar een specifieke invloed gehad op de ontwikkeling van de hersenen die zich onder meer laat zien bij het uitvoeren van bepaalde denkverrichtingen.'
Dat effect werd nog eens bevestigd in een derde fase, bij de jongeren die intussen 20 waren geworden. Mennes maakte hersenscans, die de specifieke hersenactiviteit in bepaalde zones in beeld brengt. 'We hadden verwacht om bij bepaalde complexere taken verschillen te zien in één specifieke zone, maar dat was niet het geval. Het gaat blijkbaar om een netwerk van zones.'
Kan dit ook tot leermoeilijkheden leiden? Mennes: 'Mogelijk wel. Deze kinderen kunnen mogelijk sneller afgeleid zijn. Of ze kunnen meer moeite hebben met taken waarbij de opdracht niet eenduidig is. Het gevolg is echter niet zo dramatisch dat je de kinderen er met het blote oog in een klas op kunt selecteren. Ik zeg wel eens: het is een proces dat voor variatie zorgt onder onze bevolking.'
'Maar toch is waakzaamheid geboden. Zeker in drukke tijden waarin iedereen hard werkt en ook aanstaande moeders almaar langer werken. Want het gaat misschien om minieme schade, maar ze doet zich bij de kinderen op zo'n jonge leeftijd voor dat ze de hele ontwikkeling beïnvloedt, ook op lange termijn. Dat proces is vermoedelijk onherstelbaar. Dus je kunt het maar beter proberen te voorkomen.'
Mennes verdedigde zijn doctoraat in de psychologie gisteren aan de Leuvense universiteit. Van den Bergh zet het onderzoek voort in Tilburg. Onderzoeksteams in Tilburg, Leuven en Londen zullen samen nagaan hoe prenatale stress en genetische kwetsbaarheid leiden tot gedrags- en gezondheidsproblemen later in het leven.