Boek: Hemelse Openbaringen - H. Brigitta van Zweden
Woorden van de Schepper meegedeeld aan de bruid, over hoe Hij vijf mansfiguren aanklaagt, maar vooreerst de opperherder van de Kerk.
BOEK 1 - HOOFDSTUK 41
Ik ben de schepper aller dingen. Ik ben nog vóór de morgenster door de Vader verwekt en vertoef onafscheidelijk in de Vader zoals de Vader in Mij, en we zijn in beiden één Geest. Daarom zijn de Vader, de Zoon en de Geest één God, niet drie goden. Ik ben het die Abraham een eeuwige heerschappij heeft beloofd en mijn volk onder Mozes' leiding uit Egypte heeft geleid. Ik ben dezelfde die door de profeten sprak. De Vader heeft Mij in de schoot van de Maagd gezonden, maar heeft zich niet van Mij gescheiden want Hij is onlosmakelijk met Mij verbonden, opdat de van God afgedwaalde mens dankzij mijn liefde naar God zou kunnen terugkeren. Maar nu, ten aanschouwen van de aanwezige heerscharen,die natuurlijk alles in Mij zien en weten, richt Ik mij voor kennis en onderricht tot de hier aanwezige bruid, die het geestelijke alleen via het lichamelijke kan begrijpen.
Ik klaag in uw bijzijn vijf mansfiguren aan die hier voor ons staan, want ze beledigen Mij bovenmatig. Zoals Ik ooit in de tijd van het oude verbond met de term Israël heel het volk aanduidde, zo duid Ik met deze vijf mannen de mensen over de gehele wereld aan. De eerste van deze vijf vertegenwoordigt de opperherder van mijn Kerk en zijn priesters. De tweede figuur betreft de slechte leken, de derde de Joden, de vierde de heidenen en tenslotte de vijfde, mijn vrienden. Van u, o Jood, neem Ik niets kwalijk als u heimelijk Christen zijt en Mij in oprechte liefde, in het ware geloof en met volmaakte werken heimelijk dient. Van u, heiden, neem Ik niets kwalijk als u graag op de wegen van mijn geboden had gewandeld indien u had geweten hoe en wanneer ze gevolgd moeten worden. Maar binnen de beperkingen van wat u kunt doen en weten heeft u toch ook goede werken verricht. Deze veroordelingen zijn dus niet voor dat deel van de heidenen bestemd.
Nu klaag Ik u aan, opperherder van mijn Kerk, u die op mijn stoel zit die Ik aan Petrus en zijn opvolgers heb gegeven om daarop in drievoudige waardigheid en aanzien plaats te nemen (in de drievoudige vertegenwoor- diging van Christus in het triregnum van priester, vorst en profeet). U is de macht gegeven zielen te binden en van zonde te bevrijden. Aldus opent u voor de boetvaardigen de Hemel maar voor de vervloekten en verachters sluit u die.
(Blijkbaar betreft deze opperherder een bepaalde paus, niet zomaar een paus maar de zogenaamde 'eindtijdpaus' gekend als de Valse Profeet, zo genoemd in Openbaring 19:20. Hoe anders zou een paus zich zo ernstig kunnen misdragen als dit niet op de drempel van het Vrederijk was? Over wie anders dan de Valse Profeet zou de Apostel Petrus dit oordeel vellen: 'Het is rechtvaardig dat de eerste man, degene die op uw troon zit terwijl hij Lucifers werk doet, smadelijk afstand neemt van de troon waar hij aanspraak op dacht te maken en dat hij deelt in Lucifers straf.')
* U die de zielen moest verlossen en Mij schenken, u bent waarlijk een doder van zielen. Ik heb Petrus als herder en hoeder over al mijn schapen aangesteld (om die tot rechtschapenheid te leiden). U echter bent een vernieler en verscheurder van zielen.
* U bent erger dan Lucifer, want hij was jaloers op Mij en wilde Mij alleen doden om in mijn plaats te heersen. U bent veel erger want het is niet alleen dat u Mij door uw boze werken doodt en Mij van zich afstoot, maar door uw slechte voorbeeld vermoordt u zielen. Ik heb de zielen met mijn Bloed vrijgekocht en ze u als mijn trouwe vrienden toevertrouwd. Maar u heeft ze gewoon aan de vijanden teruggegeven van wie Ik ze eerst had vrijgekocht.
* U bent onrechtvaardiger dan Pilatus die buiten Mij niemand ter dood veroordeelde Niet alleen word Ik door u veroordeeld als zijnde iemand zonder heerschappij, als een onwaardige, maar u veroordeelt tevens onschuldige zielen terwijl u de schuldigen vrijspreekt (door goed kwaad te noemen en kwaad goed).
* U bent wreder dan Judas die Mij slechts verkocht heeft. U verkoopt niet alleen Mij voor een smerige winst en onbetekenende naam, maar doet dat ook met de zielen van mijn uitverkorenen.
* U bent verachtelijker dan de Joden. Die kruisigden slechts mijn lichaam, maar u kruisigt en straft de zielen van mijn uitverkorenen (het uitverkoren volk). Tegen hen komen uw boosheid en overtreding bitterder aan dan om het even welk zwaard.
Het is daarom - omdat u op Lucifer gelijkt, onrechtvaardiger bent dan Pilatus, wreder dan Judas en gruwelijker dan de Jode - dat Ik u terecht aanklaag.
(De Heer sprak over de tweede mansfiguur, dat wil zeggen, de slechte leken.) Ik heb alle dingen geschapen voor jullie gebruik. Wij waren het onderling met elkaar eens. Jullie beloofden Mij trouw en legden een eed af om Mij te dienen. Nu echter hebben jullie je van Mij verwijderd als mensen die God niet kennen. Jullie zien mijn woorden als leugens en vatten mijn werken op als doelloos. Jullie beweren dat mijn wil en mijn geboden te zwaar zijn. Jullie hebben de gelofte van trouw geschonden. Jullie hebben je eed verbroken en mijn Naam verbannen. Jullie hebben je van het gezelschap van mijn heiligen gedistancieerd en je bij het gezelschap van duivels gevoegd en zijn hun metgezellen geworden.
Jullie menen dat niemand dan jezelf lof en eer verdient. Jullie hebben moeite met alles wat met Mij te maken heeft en voor Mij moet worden gedaan, terwijl de dingen waar je van houdt gemakkelijk bevonden worden. Daarom is mijn beklag over jullie gerechtvaardigd. Hebben jullie niet het vertrouwen vebroken dat jullie Mij hebben toegezegd zowel in de doop als later? Bovendien wordt Ik van leugens beschuldigd over de liefde die Ik jullie in woord en daad heb betoond en beweren jullie dat mijn lijden dwaas was.
(Hij richtte zich nu tot de derde man, de Joden dus.) 'Met jullie begon Ik mijn liefdesrelatie. Ik koos jullie uit als mijn volk, Ik leidde je uit de slavernij, Ik gaf je mijn wet (de thora), Ik bracht je naar het land dat Ik jullie vaders had beloofd en stuurde profeten om je te troosten. Toen koos Ik een maagd uit jullie volk en nam van haar de menselijke natuur aan. Mijn beklag is dat jullie nog steeds weigeren om in Mij te geloven, zeggend: 'De Messias is nog niet gekomen, maar Hij moet nog komen.'
(De Heer zei tot de vierde man, dat wil zeggen de heidenen.) Ik heb jullie geschapen en kocht jullie vrij net als de Christenen. Ik heb je alle goeds gedaan. Maar jullie gebruiken je zintuigen niet, want je weet niet waar je mee bezig bent. Jullie zijn als een blinde omdat je niet weet waar je naartoe gaat. Je eert de schepping in plaats van de schepper, het foute in plaats van de waarheid. Je knielt neer voor dingen die minder zijn dan jezelf. Dat is de reden waarom Ik mij over jullie beklaag.
Tegen de vijfde mansfiguur zei de Heer: 'Kom naderbij mijn vriend.' Vervolgens zei Hij tegen de hemelse legerscharen: 'Beste vrienden, deze man staat symbool voor vele vrienden. Hij is iemand die tussen de heide- nen is ingesloten en in wrede gevangenschap zit. Wanneer hij de waarheid spreekt gooien ze stenen naar zijn mond. Als hij iets goeds doet steken ze een speer in zijn borst. Ach, mijn vrienden en heiligen, hoe zal Ik zulke haters verdragen en hoe lang nog zal Ik hun minachting moeten uitstaan?
De Heilige Johannes de Doper sprak tegen de Heer aangaande het oordeel over deze vijf mansfiguren: U bent als een vlekkeloze spiegel. Als in een spiegel zien en weten we alle dingen in U en daar zijn geen woor- den voor nodig. U bent de ongeëvenaarde zoetheid waarin we alle goeds proeven. U bent als het scherpste zwaard en een eerlijk rechter.'
De Heer antwoordde: 'Mijn vriend, wat jij zojuist heb gezegd was waar. Mijn uitverkorenen zien alle goedheid en rechtvaardigheid in Mij. Zelfs de boze geesten doen dat alhoewel niet in het licht maar in hun eigen geweten. Net als een man in de gevangenis die zijn teksten vroeger uit het hoofd heeft geleerd en ze nog steeds kent, al zit hij in het duister en ziet hij ze niet. Ook al zien de demonen mijn rechtvaardigheid niet in het licht van mijn zuiverheid, weten en zien zij het toch in hun geweten. Ik ben als een zwaard dat in tweeën splijt. Ik geef eenieder wat hem of haar toekomt.'
Toen voegde de Heer hieraan toe sprekend tot de gelukzalige Petrus: 'Jij bent de oprichter en verdediger van het geloof en van mijn Kerk. Vel het oordeel over deze vijf mannen terwijl mijn hemelse legerschaar toe- hoort.' Petrus antwoordde: 'Alle lof en eer aan U, Heer, voor de liefde die U aan uw aarde betoont! Moge heel de legerschaar U zegenen, want U zorgt ervoor dat wij alle dingen die geweest zijn en zullen zijn in U zien en horen. We zien en weten alle dingen in U. Het is rechtvaardig dat de eerste man (de opperherder), degeen die schaamteloos op uw troon zit terwijl hij Lucifers werk doet, smadelijk afstand neemt van de troon waar hij aanspraak op dacht te maken en dat hij deelgenoot wordt aan Lucifers straf.
Het oordeel over de tweede man is dat hij, die geen vertrouwen meer in U heeft, ter helle dient neer te dalen met zijn hoofd naar beneden en de voeten omhoog omdat hij U, die in zijn hoofd moest zetelen, verachtte en zichzelf liefhad boven alles. Het oordeel over de derde is dat hij uw aangezicht niet zal aanschouwen en voor zijn verdorvenheid en hebzucht worden gestraft, want het betaamt ongelovigen niet uw aangezicht te aanschouwen. Het oordeel over de vierde is dat hij in het donker moet worden opgesloten en op die wijze als zonder zintuigen wordt. Het oordeel over de vijfde mens is dat hem hulp moet worden gestuurd.'
Toen de Here Jezus dit had gehoord antwoordde Hij: 'Ik zweer bij God de Vader, wiens stem Johannes de Doper bij de Jordaan heeft gehoord, Ik zweer bij het lichaam dat Johannes in de Jordaan heeft gedoopt, gezien en aangeraakt, Ik zweer bij de Heilige Geest die aan de Jordaan als een duif verscheen, dat Ik deze vijf zal veroordelen.'
Waarop de Heer aan de eerste der vijf zei (de opperherder): 'Het zwaard van mijn geduchte straf zal jouw lichaam binnengaan, er bij de kruin van je hoofd ingaan en het zo diep en stevig doordringen dat het er nooit meer uit kan worden getrokken. Je (pauselijke) zetel zal als een zware steen zinken en niet stoppen totdat het laagste punt van de diepte is bereikt. Je vingers, Ik bedoel hiermee je adviseurs (van de vrijmetselaarsloge die pas in 1717 is opgericht), zullen in een onuitblusbaar zwavelhoudend vuur branden. Je armen, Ik heb het hier over je dienstknechten (de bisschoppen), die zich hadden moeten inspannen voor het algemeen zieleheil maar zich juist inspanden voor werelds gewin en eer, zullen tot de straf worden veroordeeld waarover David spreekt: 'Moge zijn kinderen vaderloos zijn en zijn vrouw een weduwe en mogen vreemden zijn bezit overnemen.'
Wat betekent zijn vrouw zo niet de ziel die buiten de hemel- se glorie wordt geplaatst en voor God als een weduwe zal zijn? Met ’zijn kinderen' doel Ik op de deugden die kenmerkend zijn voor de eenvoudigen van geest en daarom zullen ze van hen gescheiden worden. Hun ve heven positie en bezittingen zullen anderen ten deel vallen en ze zullen voor eeuwig schaamte erven in plaats van eer en glorie. Met hun hoofddeksel zullen ze in de modderpoel van de hel wegzinken en er nooit meer uit kunnen geraken. Zoals ze hier op aarde door eer en trots boven anderen uitstegen, zullen ze des te dieper in de hel wegzinken. Ze zullen er onmogelijk aan kunnen ontsnappen.
Hun ledematen, Ik heb het over alle geestelijken die hen in het kwaad volgden, zullen van hen worden afgesneden en verspreid als bij een verbrijzelde muur waarvan geen steen nog op de ander staat en het cement niet langer bindt. Genade komt hen niet toe zodat mijn liefde hen nooit zal verwarmen en genezen, noch zal Ik ze een woonoord in mijn eeuwig hemels tehuis toekennen. Integendeel, ontdaan van al het goede zullen ze in eeuwigheid samen met hun aanvoerder en zijn dienstknechten worden gepijnigd.'
Tegen de tweede man, die de slechte leken voorstelt, zeg Ik: 'Omdat je jouw belofte van trouw aan Mij niet wilt houden of Mij geen liefde betoont, stuur Ik een dier dat uit de onstuimige stroom komt om je te overweldigen. Zoals een wilde stroom altijd omlaag trekt, zo zal dit dier je naar de laagste delen van de Hel omlaag trekken. Zoals het onmogelijk is om tegen een onstuimige stroom in omhoog te klimmen, zul je ook nooit uit de Hel omhoog kunnen klimmen.'
Tegen de derde man zeg Ik: 'Omdat jij, Jood, niet wilt geloven dat Ik op aarde ben gekomen, zul je Mij als Ik voor het tweede oordeel kom, mijn heerlijkheid niet met je aardse ogen zien, maar het in je geweten waarnemen. Zo zul je vaststellen dat alle dingen die Ik destijds op aarde heb verkondigd waar zijn. Vervolgens krijg je straf naar werken.'
Ik zeg tegen de vierde, de heidenen: 'Omdat jij niks om het geloof geeft en er niks van wilt weten, zal je eigen duisternis je licht zijn. Jouw hart zal verlicht worden om in te zien dat mijn oordelen waar zijn. Maar zult niet naar het licht kunnen komen.'
Ik zeg tegen de vijfde man, het beeld van mijn vrienden: 'Ik zal drie dingen voor je doen. Ten eerste zal Ik je innerlijk vullen met mijn warmte. Ten tweede zal Ik je mond harder en steviger maken dan elke steen zodat de stenen die ze naar je gooien zullen terugketsen. Ten derde zal Ik je met mijn wapens uitrusten zodat geen speer je zal beschadigen, maar alles zal aan je toegeven zoals was in vuur. Wees daarom sterk en sta sterk als een man, als een soldaat die vecht en op hulp van zijn heer wacht en net zolang blijft vechten als er levenskracht in hem zit. Wat jou betreft, houd voet bij stuk en vecht. De Heer jouw God, waar niemand zich tegen kan verzetten, zal je te hulp schieten. En omdat jullie gering in aantal bent, zal Ik jullie eren en met geschenken overladen. Ziezo mijn vrienden, jullie zien en herkennen al deze dingen in Mij en zo staan de zaken er bij Mij voor.'
De woorden die Ik thans heb gesproken zullen uitkomen. Die vier anderen zullen nooit mijn koninkrijk binnengaan zo waar Ik koning ben, tenzij ze hun leven beteren. Want de Hemel wordt uitsluitend toegekend aan hen die zich nederig gedragen en boetvaardig zijn. Toen antwoordde de ganse hemelschaar: ’Alle lof komt U toe, Heer God, die zonder begin of einde zijt.'