Genadeleer
Soorten van genade
Binnen de katholieke theologie — die zijn systematische vorm kreeg door het werk van St-Thomas van Aquino, St-Augustinus en de latere decreten van het Concilie van Trente — is genade (gratia) in essentie één goddelijk geschenk: de onverdiende liefde en hulp van God.
Om te begrijpen hoe, wanneer en bij wie deze genade werkt, wordt zij in de theologie onderverdeeld in verschillende categorieën.
Hieronder vindt u het volledige, systematische overzicht van alle soorten genade.
1. Het Hoofdonderscheid: Doel van de genade
Thomas van Aquino splitst genade allereerst op basis van het uiteindelijke doelwit: is de genade bedoeld om de ontvanger zelf te heiligen, of om de ontvanger te helpen ánderen te heiligen?
* Heiligmakende genade (Gratia gratum faciens): Dit is de genade die de ontvanger zelf rechtvaardigt, reinigt van zonde en aangenaam maakt voor God. Zij verbindt de ziel rechtstreeks met God.
* Gratis geschonken genade (Gratia gratis data / Charisma's): Deze genade wordt aan een persoon gegeven ten bate van anderen, niet primair voor de eigen heiliging. Voorbeelden hiervan zijn de gave van profetie, het spreken in tongen, de gave van genezing, of de specifieke ambtelijke genade die een priester ontvangt tijdens zijn wijding om de sacramenten geldig toe te dienen (zelfs als de priester zelf in zonde leeft).
2. De verschijningsvormen van de Heiligmakende Genade
Binnen de genade die ons zélf heiligt (gratia gratum faciens), maken theologen een scherp onderscheid tussen een permanente toestand en een tijdelijke impuls:
* Habituele genade (of de Toestand van Genade): Een bovennatuurlijke, permanente hoedanigheid (habitus) die in de ziel wordt gegoten. Zij vernietigt de erfzonde, maakt ons tot kinderen van God en blijft in de ziel aanwezig totdat men een doodzonde begaat.
* Actuele genade: Een tijdelijke goddelijke impuls, verlichting of 'duwtje in de rug'. God schenkt dit van moment tot moment om ons te helpen een goede daad te doen, een verleiding te weerstaan, of tot inzicht te komen. Ook zondaars die niet in de 'toestand van genade' verkeren, ontvangen actuele genade (zoals plotseling berouw) om hen terug naar God te leiden.
3. De werking in de menselijke wil (Augustinus & Aquino)
Wanneer actuele of habituele genade de menselijke ziel raakt, onderscheidt men de genade op basis van de interactie met onze vrije wil:
* Voorkomende genade (Gratia praeveniens / Operatieve genade): De genade die volledig buiten onze wil omgaat en het initiatief neemt. God werkt hierin alleen (monergistisch). Zij activeert, wekt en geneest de door zonde verlamde menselijke wil, nog voordat de mens zelf aan God denkt.
* Meewerkende genade (Gratia cooperans / Coöperatieve genade): De genade die intreedt nadat de wil is gewekt. Hier werken God en de mens samen (synergistisch). De menselijke wil stemt in en voert onder begeleiding van deze genade goede werken uit.
4. De effectiviteit van de genade (Post-Tridentijnse theologie)
In de theologische debatten na de Reformatie (tussen jezuïeten en dominicanen) werd gezocht naar de precieze definitie van hoe de menselijke wil reageert op Gods aanbod:
* Voldoende genade: De genade die God aan iedereen schenkt en die voldoende kracht in zich draagt om de mens tot het goede te bewegen of te redden. De mens heeft echter de vrijheid om deze genade te weigeren of te negeren, waardoor ze geen vrucht draagt.
* Doeltreffende genade: De genade die niet alleen voldoende kracht heeft, maar die door Gods voorzienigheid ook daadwerkelijk het beoogde effect bereikt in de mens. De menselijke wil stemt er in volledige vrijheid, maar onfeilbaar mee in.
5. Sacramentele en Standgenade
Tot slot kent de Kerk twee vormen van genade die gekoppeld zijn aan de concrete praktijk van het christelijke leven:
* Sacramentele genade: De specifieke genade die uniek is voor elk van de zeven sacramenten. Het Doopsel geeft de genade van wedergeboorte; het Vormsel geeft de genade van spirituele kracht; de Biecht geeft de genade van herstel; het Huwelijk geeft de genade om als echtgenoten in heilige liefde samen te leven.
* Standgenade (of Statusgenade): De bovennatuurlijke hulp die God schenkt aan iemand om te voldoen aan de plichten van zijn of haar specifieke levensstaat. Een moeder krijgt standgenade om haar kinderen op te voeden; een priester krijgt standgenade om zijn parochie te leiden; een gezagsdrager krijgt standgenade om rechtvaardig te regeren.
Samenvattend overzicht
|
Categorie |
Soort genade |
Wat doet het? |
|
Doel |
Heiligmakende genade |
Heiligt de ontvanger zelf. |
|
|
Gratis geschonken genade |
Schenkt gaven (charisma's) om anderen te helpen. |
|
Duur/Aard |
Habituele genade |
Permanente bovennatuurlijke staat van de ziel. |
|
|
Actuele genade |
Tijdelijke goddelijke impuls voor een specifieke daad. |
|
Wilsinteractie |
Voorkomende genade |
God handelt alleen; wekt en geneest de wil. |
|
|
Meewerkende genade |
God en mens werken samen aan goede daden. |
|
Resultaat |
Voldoende genade |
Geeft de kracht, maar kan door de mens geweigerd worden. |
|
|
Doeltreffende genade |
Bereikt onfeilbaar en in vrijheid haar doel. |
|
Praktijk |
Sacramentele genade |
Specifieke hulp gekoppeld aan de 7 sacramenten. |
|
|
Standgenade |
Hulp om de plichten van je levensrol te vervullen. |
In de katholieke theologie wordt de gratis geschonken genade (gratia gratis data) ook wel omschreven als charismatische genade. Het cruciale kenmerk hiervan is dat God deze gaven niet schenkt om de ontvanger zelf heiliger te maken, maar als instrumenten om anderen te helpen, te onderwijzen of tot geloof te brengen.
Heiligmakende genade en actuele genade
St-Thomas van Aquino maakt in zijn genadeleer een fundamenteel onderscheid tussen heiligmakende genade (gratia gratum faciens of habituele genade) en actuele genade.
In zijn Summa Theologiae legt hij uit dat dit onderscheid gebaseerd is op aristotelische principes van zijn (substantie/habitus) versus doen (actie/beweging). Heiligmakende genade verandert wie u bent, terwijl actuele genade u helpt bij wat u doet.
1. Heiligmakende Genade (Gratia Gratum Faciens / Habituele genade)
Het Latijnse gratum faciens betekent letterlijk "genadig makend" of "aangenaam makend". Het is een genade die de ziel wezenlijk verandert en haar aangenaam maakt voor God.
* Aard: Het is een habitus (een permanente spirituele hoedanigheid of bovennatuurlijke toestand). Het is geen losse actie, maar een constante spirituele realiteit die in de essentie van de ziel wordt gegoten.
* Werking: Deze genade wist de erfzonde (en eventuele doodzonden) uit. Ze herstelt de vriendschap met God en maakt van de mens een 'nieuwe schepping' en een kind van God.
* Verblijf: Ze blijft permanent in de ziel aanwezig, tenzij ze bewust wordt vernietigd door het begaan van een doodzonde. Men bevindt zich door deze genade in de zogeheten staat van genade.
* Metafoor: Vergelijk het met het gezond zijn van een lichaam. Gezondheid is een permanente toestand van het lichaam, niet een eenmalige actie.
2. Actuele Genade (Gratia Actualis)
Het woord actualis komt van het Latijnse actus, wat "daad" of "handeling" betekent. Het is een tijdelijke goddelijke impuls.
* Aard: Het is een goddelijke motie of impuls (een voorbijgaande hulp of 'duwtje in de rug'). Het is geen permanente toestand van de ziel.
* Werking: God verlicht hiermee tijdelijk het menselijk verstand of versterkt de wil om een specifieke goede daad te stellen, een verleiding te weerstaan, of tot inzicht te komen.
* Voor iedereen: In tegenstelling tot heiligmakende genade kan actuele genade ook geschonken worden aan mensen die niet in staat van genade zijn (zondaars). Een zondaar heeft immers actuele genade nodig (zoals een plotseling gevoel van berouw of angst voor het oordeel) om bewogen te worden naar de biechtstoel, waar hij vervolgens de heiligmakende genade weer terugkrijgt.
* Metafoor: Vergelijk het met een medicijn of een energetische impuls. Het is een specifieke ingreep die u op een specifiek moment helpt om te handelen.
Het verschil in één oogopslag
Aquino laat deze twee vormen van genade perfect samenwerken in het christelijke leven:
|
Kenmerk |
Heiligmakende Genade (Gratia gratum faciens) |
Actuele Genade (Gratia actualis) |
|
Categorie |
Een habitus (permanente toestand van de ziel). |
Een actie (tijdelijke goddelijke impuls). |
|
Doel |
De ziel heilig en goddelijk maken (zijn). |
De mens helpen het goede te doen (handelen). |
|
Duur |
Permanent (totdat men een doodzonde begaat). |
Tijdelijk (komt en gaat per situatie). |
|
Ontvangers |
Alleen diegenen die in staat van genade verkeren. |
Iedereen, inclusief zondaars en ongelovigen. |
|
Sacrament |
Wordt primair geschonken in het Doopsel en hersteld in de Biecht. |
Kan op elk moment via gebed, inspiratie of gebeurtenissen komen. |
De samenwerking volgens Aquino
Volgens Thomas van Aquino heeft een christen beide nodig om de hemel te bereiken. De heiligmakende genade geeft de ziel de 'bovennatuurlijke spieren' (het vermogen om als kind van God te leven), maar de ziel is nog steeds zwak. God moet daarom via actuele genade voortdurend die spieren activeren en aansturen, zodat de mens daadwerkelijk de juiste stappen zet op de weg naar de redding.
Habituele en actuele genade volgens Aquino
Sint-Thomas van Aquino beschrijft het onderscheid tussen habituele genade en actuele genade in zijn Summa Theologiae (met name in I-II, q. 109 en q. 111) als de twee fundamentele manieren waarop God de menselijke ziel ondersteunt. Hij gebruikt hiervoor de filosofische principes van Aristoteles: het verschil tussen het zijn (een permanente toestand of hoedanigheid) en het doen (een tijdelijke actie of beweging).
Hieronder staat hoe Aquino beide vormen van genade definieert en hoe ze in zijn theologie samenwerken.
1. Habituele Genade (De permanente toestand van het 'Zijn')
Het woord habituele komt van het Latijnse habitus, wat "bovennatuurlijke hoedanigheid", "gesteldheid" of "spirituele eigenschap" betekent. In de volksmond wordt dit ook wel de heiligmakende genade (gratia gratum faciens) genoemd.
* Aard: Het is een blijvend en permanent geschenk dat God in de essentie van de menselijke ziel giet (infusie). Het is geen losse handeling, maar een constante spirituele realiteit.
* Werking: Deze genade vernietigt de erfzonde (en eventuele doodzonden), rechtvaardigt de mens en herstelt de vriendschap met God. Ze verandert de ziel fundamenteel en maakt de mens tot een geadopteerd kind van God en een deelgenoot van de goddelijke natuur.
* Verblijf: Habituele genade blijft altijd in de ziel aanwezig, tenzij de mens deze toestand bewust kapotmaakt door het begaan van een doodzonde. Wie deze genade bezit, bevindt zich in de zogeheten staat van genade.
* Metafoor van Aquino: Aquino vergelijkt habituele genade met het gezond zijn van een lichaam. Gezondheid is een permanente toestand van het lichaam, waardoor alle organen basaal kunnen functioneren. Het is niet één specifieke beweging, maar de fundamentele conditie.
2. Actuele Genade (De tijdelijke impuls tot 'Doen')
Het woord actuele komt van het Latijnse actus, wat "daad", "actie" of "beweging" betekent.
* Aard: Het is een tijdelijke, voorbygaande goddelijke impuls of verlichting. Het is geen blijvende eigenschap van de ziel, maar een bovennatuurlijk 'duwtje in de rug' van God op een specifiek moment.
* Werking: God verlicht hiermee tijdelijk het menselijk verstand of versterkt de wil om een specifieke goede daad te stellen, een specifieke verleiding te weerstaan, of tot een geestelijk inzicht te komen. Zodra de handeling is voltooid, is de actuele genade voorbij.
* Voor iedereen toegankelijk: In tegenstelling tot de habituele genade kan actuele genade ook geschonken worden aan mensen die niet in staat van genade verkeren (zondaars of ongelovigen). Een zondaar heeft immers een actuele genade nodig — zoals een plotselinge ingeving van berouw of angst voor het oordeel — om zijn wil te bewegen naar de biechtstoel, waar hij vervolgens de habituele genade weer terugkrijgt.
* Metafoor van Aquino: Aquino vergelijkt actuele genade met een medicijn of een energetische impuls. Zelfs als een lichaam fundamenteel gezond is (habituele genade), heeft het externe prikkels, voedsel of een medicijn (actuele genade) nodig om daadwerkelijk in beweging te komen of een specifieke zware taak uit te voeren.
Hoe ze samenwerken in het christelijke leven
Volgens Thomas van Aquino heeft een mens beide vormen van genade onvoorwaardelijk nodig om de hemel te bereiken:
De habituele genade geeft de ziel de 'bovennatuurlijke spieren' en de basissubstantie om als kind van God te kunnen leven. Samen met de habituele genade worden ook de theologische deugden (geloof, hoop en liefde) in de ziel gegoten.
De actuele genade is de hand van God die deze spieren activeert. Omdat de menselijke natuur zelfs in staat van genade nog gewond en zwak is, kan de mens zijn habituele gaven niet correct gebruiken zonder dat God de wil voortdurend de juiste richting uitstuurt via actuele genaden.
|
Kenmerk |
Habituele Genade |
Actuele Genade |
|
Filosofische categorie |
Habitus (permanente toestand). |
Actus (voorbijgaande goddelijke motie). |
|
Focus |
Het zijn: maakt de ziel heilig en goddelijk. |
Het doen: helpt bij een specifieke daad. |
|
Duur |
Permanent (totdat men een doodzonde begaat). |
Tijdelijk (komt en gaat per situatie). |
|
Doelgroep |
Alleen diegenen die in staat van genade verkeren. |
Universeel (ook voor zondaars ter bekering). |
|
Sacramentele band |
Ontvangen in het Doopsel en hersteld in de Biecht. |
Kan op elk moment via gebed, Schriftlezing of inspiratie komen. |
Voorkomende genade en meewerkende genade
St-Augustinus introduceerde in zijn latere geschriften (met name in De gratia et libero arbitrio) het cruciale theologische onderscheid tussen voorkomende genade (gratia praeveniens) en meewerkende genade (gratia cooperans).
Dit onderscheid was zijn antwoord op de vraag hoe de menselijke vrije wil samenwerkt met Gods almachtige genade zonder dat de mens de eer voor zijn eigen redding kan opeisen.
Hieronder staat het verschil volgens zijn leringen uitgelegd.
1. Voorkomende Genade (Gratia Praeveniens)
Het Latijnse woord praevenire betekent letterlijk "vóórkomen" of "vóóruitlopen". Dit is de genade die actief is nog voordat de mens er überhaupt aan denkt om zich tot God te keren.
* Werking: Deze genade werkt buiten de menselijke wil om. Omdat de menselijke wil door de erfzonde geestelijk verlamd en op het aardse gericht is, kan de mens uit zichzelf niet de eerste stap naar God zetten.
* Doel: God gebruikt de voorkomende genade om de menselijke wil te wekken, te genezen en voor te bereiden. Het zaait het allereerste verlangen naar het goede, het geloof of berouw in het menselijk hart.
* Monergistisch: Op dit niveau is God de enige Acteur. De mens ondergaat deze genade passief; het overkomt hem als een goddelijke uitnodiging of een innerlijk licht.
Augustinus' samenvatting: "God bereidt de wil voor, zodat deze door Zijn hulp gewild wordt."
2. Meewerkende Genade (Gratia Cooperans)
Het woord cooperari betekent letterlijk "samenwerken" (co-operatie). Dit is de genade die intreedt zodra de menselijke wil door de voorkomende genade is gewekt.
* Werking: Deze genade werkt samen mét de menselijke wil. Nu de wil is genezen en vrijgemaakt, is de mens in staat om bewust "ja" te zeggen tegen God.
* Doel: De meewerkende genade helpt de mens om het goede voornemen ook daadwerkelijk uit te voeren in concrete daden (goede werken) en om stand te houden tijdens verleidingen. Zonder deze voortdurende steun zou de mens direct weer terugvallen in zonde.
* Synergistisch: Hier is sprake van een actieve samenwerking tussen God en mens. God dwingt de mens niet, maar sterkt de menselijke wil zodat deze uit vrije liefde kiest voor het goede.
Augustinus' samenvatting: "Hij werkt in ons zonder ons om ons te laten willen; maar als we eenmaal willen en zo willen dat we handelen, werkt Hij met ons mee."
Het verschil in één oogopslag
|
Aspect |
Voorkomende genade (Gratia praeveniens) |
Meewerkende genade (Gratia cooperans) |
|
Chronologie |
Komt eerst (vóór de menselijke keuze). |
Komt daarna (tijdens en na de menselijke keuze). |
|
Rol van de wil |
De wil wordt passief bewogen en genezen door God. |
De wil werkt actief samen met Gods kracht. |
|
Effect |
Het creëert het verlangen of het geloof in het hart. |
Het brengt het verlangen tot uitvoering in daden en volharding. |
|
Metafoor |
Een arts die een bewusteloze patiënt reanimeert. |
De arts die de herstellende patiënt ondersteunt bij het lopen. |
Met dit model wist Augustinus te bewijzen dat hoewel de mens een vrije wil heeft (meewerkende genade), de eerste aanzet tot redding en heiligheid altijd voor 100% een onverdiend geschenk van God is (voorkomende genade).
Operatieve en coöperatieve genade
St-Thomas van Aquino nam de leringen van St-Augustinus over genade als fundament, maar bracht er zijn kenmerkende aristotelische en systematische structuur in aan. In zijn Summa Theologiae (Prima Secundae, Quaestio 111, Artikel 2) verfijnde hij Augustinus' concepten van voorkomende en meewerkende genade door ze te koppelen aan operatieve genade (gratia operans) en coöperatieve genade (gratia cooperans).
Aquino legde uit dat het hierbij niet om twee verschillende soorten 'substanties' genade gaat, maar om twee verschillende manieren waarop dezelfde goddelijke genade in de menselijke ziel werkt.
Hij onderscheidt dit op basis van de innerlijke werking van de ziel (de geest) en de uiterlijke handeling (het gedrag).
1. Operatieve Genade (Gratia Operans)
Operatieve genade is de genade waarbij God de enige Actor is. De menselijke ziel is hierin de ontvanger; de wil wordt bewogen zonder dat de wil zelf de oorzaak is van die beweging.
* Filosofische verfijning: Aquino gebruikt hier de aristotelische termen van beweger en bewogene. De ziel is in dit stadium puur passief-ontvankelijk.
* Werking in de ziel (Innerlijk): Dit komt exact overeen met wat Augustinus de voorkomende genade noemde. Het is het moment waarop God de ziel rechtvaardigt, de zonde wegneemt en de wil van het kwade naar het goede keert. De mens kiest hier niet zelf voor; God grijpt in en herstelt de ziel.
* Werking in de daad (Uiterlijk): Het effect is louter een innerlijke verandering (de rechtvaardiging).
Aquino's definitie: "Wanneer het effect zodanig is dat God alleen het teweegbrengt en de ziel het slechts ondergaat, dan wordt de genade 'operatief' genoemd."
2. Coöperatieve Genade (Gratia Cooperans)
Coöperatieve genade is de genade waarbij God én de menselijke wil samenwerken. God steunt de wil, en de wil stemt actief in en handelt.
* Filosofische verfijning: Hier is de menselijke wil niet langer louter een bewogene, but een instrumentele oorzaak geworden. De wil is door de operatieve genade genezen en kan nu zelfstandig de keuze maken om met Gods kracht mee te bewegen.
* Werking in de ziel (Innerlijk): Dit sluit aan bij Augustinus' meewerkende genade. Nadat de wil door de operatieve genade is gerechtvaardigd, helpt de coöperatieve genade de wil om die rechtvaardigheid te bewaren en te verlangen naar heiligheid.
* Werking in de daad (Uiterlijk): Dit uit zich in concrete goede werken en moreel handelen op aarde. De mens verdient hiermee (onder invloed van de genade) bovennatuurlijke verdiensten voor de hemel.
Aquino's definitie: "Wanneer het effect zodanig is dat niet alleen God het bewerkt, maar ook de ziel de handeling uitvoert, dan wordt de genade 'coöperatief' genoemd."
De dynamische cirkel: Hoe ze in elkaar overlopen
Aquino verfijnde het concept door aan te tonen dat deze twee vormen van genade elkaar voortdurend opvolgen in het leven van een gelovige. Wat in de ene fase 'coöperatief' is, bereidt de ziel voor op een nieuwe instroming van 'operatieve' genade.
Hij vlecht de termen van Augustinus en zichzelf als volgt samen:
* Fase 1 (Innerlijke wending): Gods genade werkt operatief in op de ziel om haar te rechtvaardigen. Ten opzichte van de daaropvolgende uiterlijke daad werkt deze genade voorkomend (praeveniens).
* Fase 2 (Uiterlijke daad): De ziel is gerechtvaardigd en werkt nu coöperatief samen met God om een goede daad te stellen. Ten opzichte van de eerdere innerlijke wending werkt deze genade meewerkend (subsequens / cooperans).
|
Vorm van Genade (Aquino) |
Hoofdrolspeler |
Overeenkomstige term (Augustinus) |
Primair Effect |
|
Operatieve genade |
Alleen God |
Voorkomende genade |
Rechtvaardiging en genezing van de innerlijke wil. |
|
Coöperatieve genade |
God + Mens |
Meewerkende genade |
Uitvoering van goede werken en volharding in deugd. |
Dankzij deze verfijning van Aquino kon de katholieke theologie helder formuleren dat goede werken daadwerkelijk een vrije keuze van de mens zijn (tegenover het latere protestantse idee van predestinatie), maar dat die vrije keuze vanaf de allereerste seconde volledig gedragen en mogelijk gemaakt wordt door Gods soevereine genade.
Voldoende genade en doeltreffende genade volgens Aquino
Het onderscheid tussen voldoende genade (gratia sufficiens) en doeltreffende genade (gratia efficax) behoort tot de meest complexe en diepzinnige thema's uit de katholieke genadeleer. Hoewel deze specifieke termen pas na zijn dood (tijdens de felle theologische debatten in de 16e eeuw) expliciet werden gecodificeerd, liggen de mechanismen ervan volledig verankerd in de leringen van St-Thomas van Aquino.
Aquino loste hiermee het theologische mysterie op van hoe Gods absolute almacht (alles wat gebeurt, komt door God) samenwerkt met de menselijke vrije wil (de mens kiest in volledige vrijheid om te zondigen of God te gehoorzamen).
1. Voldoende Genade (Gratia Sufficiens)
Voldoende genade is de hulp die God aan iedere mens schenkt om gered te worden en het goede te doen. Het is de uiting van Gods universele heilswil (God wil dat alle mensen gered worden).
* Aard: Het geeft de ziel de reële mogelijkheid en de morele capaciteit om Gods geboden te onderhouden en een heilzame daad te verrichten.
* De menselijke reactie: De mens bezit de volledige vrijheid om deze genade te weigeren, te negeren of te weerstaan.
Het resultaat bij weigering: Als een mens weigert mee te werken, blijft de genade 'voldoende' in theorie, maar ze draagt geen vrucht in de praktijk. De schuld van de zonde of het ongeloof ligt dan voor de volle 100% bij de menselijke defectiviteit, niet bij God.
* De metafoor van Aquino: Aquino vergelijkt voldoende genade met het zonlicht. De zon schijnt universeel op de hele wereld en is voor iedereen voldoende om bij te kunnen zien. Als iemand echter bewust zijn ogen sluit of de gordijnen dichttrekt (de genade weerstaat), blijft hij in het donker zitten door zijn eigen toedoen.
2. Doeltreffende Genade (Gratia Efficax)
Doeltreffende (of werkdadige) genade is de hulp die onfeilbaar haar doel bereikt. Zij schenkt niet alleen de mogelijkheid om het goede te doen, maar bewerkt ook de daadwerkelijke uitvoering ervan.
* Aard: Wanneer God besluit om een ziel doeltreffende genade te schenken, beweegt Hij de menselijke wil zó krachtig en zachtzinnig dat de mens in volledige vrijheid "ja" zegt tegen God.
* Geen dwang, maar vervulling: Een belangrijk misverstand is dat doeltreffende genade de vrije wil zou dwingen of uitschakelen. Aquino stelt dat God, als de Eerste Beweger, de menselijke wil beweegt overeenkomstig haar eigen natuur. Omdat de wil van nature naar het goede streeft, dwingt God de wil niet, maar vervult en bevrijdt Hij deze juist. De mens stemt onfeilbaar, maar volkomen vrijwillig in.
* Het resultaat: Er volgt altijd een goede daad, berouw of volharding. De eer voor deze daad gaat voor de volle 100% naar Gods genade.
De relatie tussen beide volgens het Thomisme
Volgens de thomistische traditie (later uitgewerkt door theologen zoals de dominicaan Domingo Báñez en gesteund door de visie van pater Chad Ripperger) is het verschil tussen voldoende en doeltreffende genade intrinsiek. Dat betekent dat doeltreffende genade een grotere, kwalitatief diepere instroming van hulp is dan louter voldoende genade.
Zij leggen de dynamiek als volgt uit:
In voldoende genade zit de doeltreffende genade verborgen, zoals een vrucht besloten ligt in een bloem.
Als God voldoende genade schenkt en de mens weerstaat deze niet, dan schenkt God onfeilbaar de doeltreffende genade om de daad te voltooien.
Als de mens de voldoende genade wel weerstaat, blokkeert hij de doeltreffende genade en verdient hij het niet om deze grotere hulp te ontvangen.
|
Kenmerk |
Voldoende Genade (Gratia sufficiens) |
Doeltreffende Genade (Gratia efficax) |
|
Omvang |
Universeel; wordt aan alle mensen geschonken. |
Specifiek; gekoppeld aan daadwerkelijke redding en goede daden. |
|
Effect op de wil |
Geeft de potentie/mogelijkheid om te handelen. |
Actualiseert de wil; brengt de daad feitelijk voort. |
|
Menselijke vrijheid |
Kan door de mens effectief misbruikt of geweigerd worden. |
Beweegt de wil onfeilbaar, maar in absolute, liefdevolle vrijheid. |
|
Resultaat |
Laat de mens zonder excuus voor God als hij faalt. |
Zorgt ervoor dat de mens niet in hoogmoed op zichzelf roemt als hij slaagt. |




