5/9 De Heilige Stoel legitimeert panentheïsme: een ketterij tegen de Schepper - The Remnant Newspaper - Met dank aan Martine
Door Gaetano Masciullo
Een nieuw Vaticaans document prijst het panentheïsme, een ketterij die het essentiële onderscheid tussen Schepper en schepping vervaagt. Deze ogenschijnlijk subtiele theologische verschuiving tast in feite de fundamenten van de schepping, de erfzonde, de verlossing en de noodzaak van Christus' kruis aan.
Panentheïsme: Wanneer God en de schepping niet langer van elkaar te onderscheiden zijn.
Op 21 augustus publiceerde de Internationale Theologische Commissie een document getiteld "Zorg dragen voor ons gemeenschappelijke huis: een verantwoordelijke en broederlijke reactie op de Drie-eenheid".
Dit document schetst de context waarin theologische teksten, althans in de afgelopen maanden, zijn geproduceerd. Daarin worden echter talrijke uiterst problematische aspecten belicht. Het meest problematische aspect is ongetwijfeld de ruimte voor acceptatie van pantheïsme in zijn afgezwakte variant, namelijk panentheïsme.
Wat is het verschil tussen panentheisme en pantheisme
Het belangrijkste verschil tussen pantheïsme en panentheïsme zit in de verhouding tussen God (of het goddelijke) en het universum. Waar het pantheïsme stelt dat God en de kosmos exact hetzelfde zijn, stelt het panentheïsme dat de kosmos deel uitmaakt van God, maar dat God ook nog groter is dan de kosmos.
Hieronder vindt u de directe verschillen in tabelvorm:
|
Kenmerk
|
Pantheïsme (Alles is God)
|
Panentheïsme (Alles is in God)
|
|
Kerndefinitie
|
De natuur/het universum en God zijn identiek aan elkaar. Er is geen God buiten de materiële wereld.
|
Het universum zit ingebed in het goddelijke. God omvat de kosmos, maar overstijgt deze ook.
|
|
Griekse etymologie
|
Pan (alles) + theos (god).
|
Pan (alles) + en (in) + theos (god).
|
|
Transcendentie (bovennatuurlijkheid)
|
Geen. God is puur immanent (volledig aanwezig ín de materiële werkelijkheid).
|
Wel. God is zowel immanent (aanwezig in de wereld) als transcendent (stijgt boven de wereld uit).
|
|
Formule
|
God = Universum
|
Het universum is een deelverzameling van God.
|
|
Persoonlijkheid van God
|
God is een onpersoonlijke kracht, de natuurwetten of de kosmische orde zelf.
|
God kan zowel een onpersoonlijke kracht als een bewuste, dynamische realiteit zijn.
|
|
Verandering
|
Als het universum verandert, verandert God (omdat ze hetzelfde zijn).
|
Het universum verandert, maar een deel van God blijft onveranderlijk en eeuwig buiten de tijd.
|
|
Bekende denkers
|
Baruch Spinoza, Giordano Bruno.
|
Karl Krause (bedacht de term), Alfred North Whitehead (Procesfilosofie).
|
Het einddoel is alles in God op te nemen? Wat is dan het verschil?
Het concept dat het einddoel van de schepping is om "alles in God op te nemen" raakt aan een van de diepste mysteries in de theologie en filosofie. Dit idee staat bekend als de apokatastasis of de uiteindelijke kosmo-theïstische verzoening (in de Bijbel verwoord als God die "alles in allen" zal zijn, 1 Korintiërs 15:28).
Het cruciale verschil zit in hoe die eenwording plaatsvindt. Het panentheïsme en de traditionele christelijke theologie (het theïsme) hebben hier een totaal verschillende visie op.
Hieronder wordt uitgelegd waarom dit als einddoel wordt gezien en wat het fundamentele verschil is:
Waarom is dit het einddoel?
Zowel in de mystiek, het panentheïsme als het christendom is de aanname dat alles wat bestaat, uit God is voortgekomen (de Alpha). Omdat God de bron is van alle leven, liefde en zijnde, streeft de hele schepping er inherent naar om terug te keren naar die bron (de Omega). De materiële wereld met al haar lijden, afscheiding en fragmentatie wordt gezien als een tijdelijke toestand. Het einddoel is het opheffen van die afscheiding, zodat er volmaakte harmonie en eenheid ontstaat.
Het grote verschil: Hoe word je opgenomen in God?
Het verschil tussen het panentheïsme en het klassieke katholieke/christelijke geloof (theïsme) bij deze eindtijd-eenwording is radicaal:
1. In het Panentheïsme: Oplossen van de grens (Fusie)
In het pure panentheïsme is de eenwording vaak een kwestie van substantie en essentie.
* concept: Het universum keert terug in God zoals een druppel water terugvalt in de oceaan.
* resultaat: De individuele identiteit van de mens en de schepping lost uiteindelijk op. Alles wordt substantieel één met God. De schepping was immers altijd al een 'deel' van Gods wezen, en aan het einde wordt die cirkel gewoon gesloten.
* gevaar volgens het katholicisme: Dit neigt naar het opheffen van de vrije wil en de eigenheid van de mens. Als alles God is of wordt, verdwijnt het concept van een persoonlijke relatie.
2. In het Katholieke Geloof: Communie in Liefde (Relatie)
De Katholieke Kerk gelooft ook dat het einddoel is dat God "alles in allen" is, maar zij noemt dit vergoddelijking (theosis) of de Gemeenschap van de Heiligen, niet te verwarren met panentheïsme.
* concept: Als God alles in zich opneemt, gebeurt dat niet door de schepping op te slokken of te vernietigen, maar door haar te vervullen met Zijn goddelijke genade en liefde.
* resultaat: De mens behoudt zijn volledige individuele identiteit en vrije wil. Je wordt geen God in substantie, maar je deelt in Gods leven.
* analogie: Het is te vergelijken met een ijzeren staaf die in het vuur wordt gelegd. De staaf wordt gloeiend heet, straalt licht en warmte uit, en neemt alle eigenschappen van het vuur aan. Toch blijft het ijzer ijzer, en het vuur blijft vuur. Ze versmelten niet tot één nieuwe substantie, maar zijn perfect verenigd in een liefdesrelatie.
Samengevat
Het verschil is het verschil tussen absorptie en communie:
Bij het panentheïsme is het einddoel dat de schepping weer volledig opgaat in de goddelijke substantie waar het uit voortkwam (identiteitsverlies).
Bij het katholieke geloof is het einddoel dat de mens en de kosmos door God worden getransformeerd om in perfecte, eeuwige liefde met Hem verbonden te zijn, waarbij de unieke identiteit van de mens als schepsel juist tot haar volmaakte bloei komt.
Het concept van vergoddelijking
Het concept van vergoddelijking (in het Grieks theosis genoemd, en in de Latijnse traditie divinisatie of deïficatie) is de absolute kern van de klassieke christelijke verlossingsleer. Het is de basis van de theologie van de vroege Kerk en is zelfs opgenomen in de officiële Katechismus van de Katholieke Kerk (paragraaf 460).
Wanneer de Bijbel en de Kerkvaders spreken over "vergoddelijking", bedoelen zij niet dat de mens biologisch of substantieel verandert in de Schepper zelf (zoals in het pantheïsme). Zij bedoelen dat de mens door de goddelijke genade zo intens met God verenigd wordt, dat hij deelgenoot wordt van de goddelijke natuur en de eigenschappen van God (zoals onsterfelijkheid en volmaakte liefde) weerspiegelt.
De Bijbelse fundamenten en de concrete uitwerking door de Kerkvaders laten zich als volgt in punten uitleggen:
1. De Bijbelse Fundamenten
Hoewel het Griekse woord theosis niet letterlijk in de grondtekst staat, is de betekenis ervan door het hele Nieuwe Testament verweven:
* Deelgenoten van de Goddelijke Natuur (2 Petrus 1:4): Dit is de belangrijkste ankertekst. Petrus schrijft dat God ons beloften heeft gegeven, zodat wij "deelgenoten zouden worden van de goddelijke natuur en zouden ontkomen aan het bederf dat door de begeerte in de wereld heerst."
* Kinderen van God (1 Johannes 3:2): Johannes schrijft over de transformatie die gelovigen zullen ondergaan: "Nu al zijn wij kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij verschijnt."
* De analogie van de adoptie (Galaten 4:4-7): Paulus legt uit dat Jezus de Zoon van God is door natuur, maar dat wij door de Heilige Geest worden aangenomen als zonen en dochters van God door adoptie. Wij worden mede-erfgenamen van Christus en delen in Zijn glorie.
2. De formule van de Kerkvaders: De Ruil
De Kerkvaders vingen de kern van de Incarnatie (de menswording van Jezus) altijd samen in een beroemd geworden theologische 'ruilformule'.
* St Irenaeus van Lyon (ca. 130–202): Hij was een van de eersten die dit kernachtig formuleerde: "De Zoon van God is door Zijn grenzeloze liefde geworden wat wij zijn, opdat Hij ons zou kunnen maken tot wat Hij Zelf is."
* St Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373): In zijn beroemde werk Over de Incarnatie schreef hij de ultieme samenvatting van de theosis: "De Zoon van God werd mens, opdat wij God zouden kunnen worden."
3. Hoe werkt Theosis concreet volgens de Kerkvaders?
Om te voorkomen dat dit idee als godslasterlijk of arrogant werd gezien, maakten de Kerkvaders een scherp theologisch onderscheid in hoe deze eenheid vormkrijgt:
Genade versus Natuur: God is God door Zijn eigen natuur en essentie. De mens wordt goddelijk gemaakt door genade en participatie. De grens tussen Schepper en schepsel vervaagt nooit ontologisch: de mens blijft een mens, maar wordt volledig 'doordrenkt' met God.
* De analogie van het vuur: De Kerkvaders (en latere mystici) gebruikten steevast het beeld van een ijzeren staaf in het vuur. Wanneer het ijzer in het vuur ligt, neemt het de eigenschappen van het vuur aan: het gloeit, straalt licht uit en geeft warmte. Het ijzer wordt vuur in zijn werking, maar het blijft in zijn essentie nog altijd ijzer. Zo is ook de vergoddelijkte mens in de glorie van God.
* Rol van de Sacramenten: Theosis is geen abstracte filosofie, maar een geleidelijk proces dat begint in dit leven via de sacramenten binnen de Kerk (vooral het Doopsel en de Eucharistie). Door het ontvangen van het Lichaam van Christus in de Communie, wordt de gelovige mystiek getransformeerd om steeds meer op Christus te lijken.
* De Drie Stappen van de Spirituele Weg: De Kerkvaders (met name de Cappadocische Vaders en later Maximus de Belijder) verdeelden de weg naar de theosis in drie fasen:
Katharsis (Zuivering): Het bestrijden van de passies en zonden via ascese en berouw.
Theoria (Verlichting): Het aanschouwen van God in gebed en het begrijpen van Zijn wil.
Theosis (Vereniging): De uiteindelijke staat waarin de ziel en het lichaam volledig delen in de goddelijke liefde en onsterfelijkheid.
Samenvatting
Voor de Bijbel en de vroege Kerkvaders is verlossing dus veel meer dan alleen het "vergeven van zonden" of een juridische vrijspraak voor de hemelpoort. Het einddoel van de mens is een radicale, liefdevolle transformatie waarin de menselijke natuur wordt verheven om te delen in het eeuwige, ongeschapen leven van de Heilige Drie-eenheid.
Wat is het gevaar voor het Katholieke geloof?
Wanneer we de door u genoemde elementen — de theologische discussies rond Gaudium et spes, de kritieken van traditionele bisschoppen zoals Schneider en Gherardini, en de herleving van het heidendom (paganisme) — samenbrengen, ontstaat er een duidelijk beeld van wat critici en theologen zien als de fundamentele gevaren voor het Katholieke geloof.
Vanuit een strikt dogmatisch en traditioneel-katholiek perspectief worden de grootste spirituele en institutionele bedreigingen als volgt in punten samengevat:
De ketterij van het Modernisme (Secularisatie van binnenuit): Dit wordt door traditionele pausen (zoals Pius X) gezien als het gevaarlijkste gif. Het risico is dat de Kerk, in haar drang om met de moderne wereld te dialogeren (Gaudium et spes), haar dogma's aanpast aan de heersende tijdgeest. Het geloof verwatert dan tot een louter menselijk humanisme, waarbij bovennatuurlijke concepten zoals de zonde, de hel en de noodzaak van Jezus Christus voor redding worden doodgezwegen.
Het verlies van het transcendente (Naturalisme en Immanentisme): Als God en de sacramenten puur symbolisch worden, of als de focus verschuift naar aardse doelen (zoals klimaatverandering, sociale rechtvaardigheid en politiek activisme), transformeert de Kerk in de praktijk in een soort seculiere NGO of welzijnsorganisatie. Het gevaar is dat het verticale geloof (de relatie tussen de ziel en God) volledig wordt opgeslokt door het horizontale (de relatie tussen mensen onderling).
De opkomst van Pantheïstische en "New Age" dwalingen: De vervaging tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke opent de deur voor New Age-achtige ideeën. In plaats van het klassieke theïsme (God als de soevereine Schepper die losstaat van Zijn schepping) sluipt er een vorm van pantheïsme of panentheïsme binnen: het idee dat de natuur zelf goddelijk is. Dit leidt direct tot een herleving van natuuraanbidding en het neopaganisme, omdat de grens tussen de Schepper en het geschapene verdwijnt.
Klerikalisme versus het gevaar van overmatige Synodaliteit: Aan de ene kant waarschuwen critici voor misbruik van kerkelijke macht (klerikalisme). Aan de andere kant zien conservatieven in het huidige synodale proces het gevaar van democratisering van de waarheid. Als morele en dogmatische wetten (zoals het huwelijk of de priesterwijding) afhankelijk worden van de consensus van de gelovigen, verliest de Kerk haar goddelijke autoriteit en versplintert ze in moreel relativisme.
Spirituele blindheid en het vacuüm van de ziel: Wanneer de Kerk stopt met haar primaire missie — de verkondiging van het Evangelie en het redden van zielen uit de duisternis — ontstaat er een enorm spiritueel vacuüm. De mens is van nature een religieus wezen. Als het katholicisme een lauw, maatschappelijk verhaal wordt, zullen mensen hun dorst naar het mystieke en het bovennatuurlijke elders lessen: in het occultisme, de heidense goden, of destructieve esoterische stromingen.
Samenvatting
Het ultieme gevaar voor het Katholieke geloof is volgens deze theologische analyse zelf-opheffing. Het gevaar komt niet primair van buitenaf (vervolging), maar van binnenuit: een Kerk die haar unieke, heilige en bovennatuurlijke identiteit inruilt om geaccepteerd te worden door een geseculariseerde wereld.
** Voordat we dieper ingaan op dit specifieke probleem, laten we eerst kort de andere problematische punten van het document opnoemen.
Een zeer gevaarlijk document
Allereerst stelt het document een theologische structurering voor van de categorie 'zonde tegen de schepping en tegen de Schepper', en definieert deze als ongehoorzaamheid aan het goddelijke gebod om voor de aarde te zorgen.
In werkelijkheid beschouwt de klassieke katholieke moraal zinloze wreedheid jegens de niet-menselijke wereld (planten, dieren) al als een zware zonde die verschillende vormen kan aannemen en verschillende soorten zonden kan omvatten: als een brandstichter bijvoorbeeld een bos in brand steekt, begaat hij een reeks doodzonden tegen de matigheid en tegen de rechtvaardigheid: godslastering jegens God de Schepper (vgl. S.Th. II-II, q. 64-66), beschadiging van andermans privébezit, schande door minachting voor de wet. En wellicht nog meer.
Het voorstel voor een nieuwe zonde moet daarom anders worden begrepen, binnen dat grote project dat Bergoglio is begonnen om de katholieke moraal te politiseren en te seculariseren, waarbij het zwaartepunt verschuift van persoonlijke zonde en eeuwige zaligheid naar steeds meer sociaal-politieke kwesties.
De bespreking van deze "nieuwe" zonde door de Commissie gaat dan ook gepaard met voortdurende verwijzingen naar wetenschappelijke gegevens over het klimaat, vervuiling door microplastics en – bovenal – de ecologische doelstellingen van de VN.
Ten tweede lezen we in paragraaf 107: “De mens biedt de schepping aan God in Christus en smeekt in ruil daarvoor Gods zegen in Christus af voor alle dingen. Christus is dus de as van de rijping van de wereld.” In noot 184 aan het einde van deze tekst onthult het document de sleutel waarmee deze woorden moeten worden geïnterpreteerd. Daar staat: “In dit perspectief is de bijdrage van P. Teilhard de Chardin te verwelkomen.”
Het gaat hier met name om de bijdrage van een van de meest consequente neomodernistische ketters van de vorige eeuw. Teilhards idee van de rijping en recapitulatie van de wereld in Christus is juist een van de meest ketterse stellingen van deze jezuïtische theoloog.
Teilhard de Chardin (1881-1955) probeerde de katholieke leer te verzoenen met de moderne wetenschap, in de overtuiging dat de kloof tussen beide inmiddels onoverbrugbaar was geworden. De auteurs van de Commissie delen deze mening: "Deze ontdekkingen hebben de begrippen materie, energie, deeltjes en antimaterie radicaal hergedefinieerd. Ze trekken veel van de aannames in twijfel waarop zowel het religieuze als het materialistische begrip van het universum was gebaseerd" (p. 46).
Als de kosmos als intrinsiek goddelijk wordt beschouwd en de mensheid zichzelf verlost door het "worden van collectieve evolutie", verliest het kruis zijn tragische noodzaak.
Teilhard de Chardin herformuleerde (en verwierp) fundamentele dogma's zoals schepping uit het niets , monogenisme, de oorspronkelijke volmaaktheid van de voorouders en de historiciteit van de erfzonde. In plaats daarvan stelde hij een immanentistische en pantheïstische kosmologie voor waarin God hetzelfde universum is in evolutie , gericht op een totale, collectieve en zelfbewuste eenheid van alles wat bestaat. Deze eenheid wordt door de jezuïet het 'Omega-punt' genoemd.
De wederkomst van Christus wordt door Teilhard de Chardin dan ook geïnterpreteerd als het bereiken van dit hoogste collectieve zelfbewustzijn dat de mens zal transformeren tot een 'ultramenselijk' wezen.
Door deze directe verwijzing naar de neomodernistische jezuïet wilden de auteurs van de Internationale Theologische Commissie duidelijk twee specifieke concepten legitimeren.
Ten eerste , het idee ondersteunen dat de mens, door middel van arbeid en technologie in te werken op de materiële wereld, deze transformeert tot "iets dat meer is dan zijn natuurlijke staat, en haar vervolmaakt door Gods scheppingswerk voort te zetten". Menselijke arbeid wordt aldus verheven tot een immanente voortzetting van de kosmische evolutie.
Ten tweede beschrijft het document, door Teilhard aan te halen, de schepping als een evolutionair proces dat openstaat voor de toekomst. Dit dient ter rechtvaardiging van een 'relationele ontologie' waarin 'alles met elkaar verbonden is' en waarin het universum wordt opgevat als een immanente 'verweving van relaties' en als een 'Eucharistie', dat wil zeggen een grote daad van dankbaarheid. Deze normalisering van Teilhards theologie is duidelijk functioneel om een 'ecologische bekering' van de gehele Kerk te ondersteunen die volledig horizontaal en gepolitiseerd is.
Deze concepten
De concepten die u beschrijft, zijn sterk beïnvloed door de theologie van de jeziëti-filosoof en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955). Hoewel zijn ideeën vandaag de dag door progressieve theologen en documenten (zoals de encycliek Laudato si') positief worden aangehaald om een 'ecologische bekering' te stimuleren, botsen ze op fundamentele punten met het klassieke, dogmatische Katholieke geloof.
Vanuit traditionalistisch en dogmatisch-katholiek oogpunt gaan deze twee stellingen op de volgende manieren lijnrecht in tegen de geopenbaarde geloofsleer:
1. Het probleem met de "vervolmaking" van de schepping door menselijke arbeid
De eerste stelling beweert dat de mens door arbeid en technologie de materiële wereld "vervolmaakt" en Gods scheppingswerk voortzet als een "immanente voortzetting van de kosmische evolutie". Dit botst met het katholieke geloof op drie punten:
* Ontkenning van de volmaaktheid van de oorspronkelijke schepping: Volgens de katholieke doctrine schiep God de wereld "goed" en in een staat van relatieve volmaaktheid die paste bij Zijn plan. God heeft de schepping niet 'onaf' achtergelaten zodat de menselijke technologie haar moet voltooien.
* Verkeerd begrip van de Zondeval: De materiële wereld is momenteel niet onvolmaakt omdat de evolutie nog niet klaar is, maar omdat de schepping zucht onder de gevolgen van de erfzonde (de breuk tussen mens en God). De schepping kan niet door menselijke technologie of arbeid worden verlost of vervolmaakt, maar uitsluitend door de bovennatuurlijke genade en verlossing van Jezus Christus.
* Pelagianisme (Ketterij van eigenredzaamheid): Door te stellen dat menselijke arbeid de kosmos naar een hoger spiritueel niveau tilt, vervalt men in een vorm van sociaal-economisch Pelagianisme. Het wekt de illusie dat de mens door eigen kracht, cultuur en techniek het Rijk Gods op aarde kan realiseren, in plaats van te vertrouwen op Gods transcendente ingrijpen.
2. Het probleem met Teilhards evolutiebiologie, relationele ontologie en de 'kosmische Eucharistie'
De tweede stelling introduceert een 'relationele ontologie' waarin alles met elkaar verbonden is, de schepping een immanent evolutieproces is en het universum zélf wordt gezien als een 'Eucharistie'. Dit is theologisch gezien nog problematischer voor de katholieke orthodoxie:
* Gevaar voor Pantheïsme en Panentheïsme: Het idee dat de schepping een immanent evolutionair proces is dat naar een spiritueel hoogtepunt groeit (Teilhards Omegapunt), doet de grens tussen de Schepper en het geschapene vervagen. Als het universum wordt gezien als een "verweving van relaties" die inherent goddelijk is, nadert men het pantheïsme (alles is God) of het panentheïsme (alles is een substantieel deel van God). Het katholieke geloof handhaaft echter strikt dat God radicaal transcendent is en volledig losstaat van Zijn schepping.
* Profanering en uitholling van de Eucharistie: Het bestempelen van het universum of de natuur als een "grote Eucharistie" tast het centrale dogma van de Transsubstantiatie aan. De Eucharistie is in de katholieke leer niet louter "een grote daad van dankbaarheid" of een kosmische verbondenheid. Het is het werkelijke, substantiële Lichaam, Bloed, de Ziel en de Godheid van Jezus Christus, die uitsluitend door een gewijd priester op het altaar present wordt gesteld onder de gedaanten van brood en wijn. Het universum 'eucharistisch' noemen, reduceert dit allerheiligste sacrament tot een vage, poëtische natuurmystiek.
* Immanentisme en secularisatie (De 'horizontale' Kerk): Zoals de tekst zelf al opmerkt, is deze theologie functioneel voor een "volledig horizontale en gepolitiseerde ecologische bekering". Het verschuift de missie van de Kerk van het redden van zielen voor het eeuwige leven naar het beschermen van het aardse ecosysteem. Het geloof wordt hiermee geïmmanenteerd: het doel is niet langer de hemel, maar het behoud van de aarde.
Samenvatting van het conflict
Kort samengevat veranderen deze Teilhardiaanse concepten het katholicisme van een transcendente, bovennatuurlijke verlossingsreligie (waarin een soevereine God de zondaar redt door het Kruis van Christus) in een immanente, naturalistische evolutiefilosofie (waarin de mens en de natuur samen evolueren naar een kosmische eenheid). Voor critici binnen de Kerk is dit geen legitieme ontwikkeling, maar een radicale breuk met de apostolische Traditie.
** Pantheïsme of Pan(en)theïsme?
Het hoogtepunt van het document wordt echter bereikt op het punt waar het pantheïsme openlijk goedkeurt voor acceptatie in een specifieke variant die panentheïsme wordt genoemd .
Het verschil tussen de twee visies op God kan eenvoudig worden samengevat. Volgens het pantheïsme vallen God en het universum samen. Volgens het panentheïsme is het universum een deel van God, maar God wordt niet volledig door het universum omvat. Bijgevolg stellen zowel pantheïsten als panentheïsten dat het universum een goddelijke natuur bezit, of, zo men wil, dat God geen pure geest is – en dus ook geen pure daad, zoals de klassieke theologie beweert.
Volgens de auteurs van het document biedt het panentheïsme "een interpretatief kader om te begrijpen hoe God intiem aanwezig kan zijn in elk aspect van de werkelijkheid zonder deze op dwingende wijze te bepalen" (p. 52). Alsof dat nog niet genoeg is, erkent het document zelf expliciet dat deze benadering "in contrast staat met het klassieke theïsme, dat vaak de nadruk legt op het onderscheid tussen God en de schepping."
Een strategie om ketterij te normaliseren
Het Eerste Vaticaans Concilie veroordeelde onfeilbaar het pantheïsme en de daarvan afgeleide vormen. In de dogmatische Constitutie Dei Filius wordt geleerd dat God “eeuwig is… oneindig in intellect, wil en alle volmaaktheid… een absoluut eenvoudige en onveranderlijke geestelijke substantie… onderscheiden van de wereld… onuitsprekelijk verheven boven alle dingen die zijn en die buiten Hem kunnen worden bedacht… [H]et is door Zijn vrije wil, vanaf het begin der tijden, dat Hij uit het niets zowel de geestelijke als de lichamelijke schepselen, dat wil zeggen de engelachtige en de aardse, tegelijkertijd heeft voortgebracht.”
In de leerstellige canons die aan de bovengenoemde grondwet zijn verbonden, lezen we: "Wie beweert dat de substantie of essentie van God en van alle dingen één en dezelfde is, die zij vervloekt"; en verder: "Wie beweert dat... de goddelijke essentie door haar manifestatie en evolutie alle dingen wordt, die zij vervloekt"; en verder: "Wie beweert dat... God een universeel of onbepaald wezen is, dat door zichzelf te bepalen het universum der dingen vormt, die zij vervloekt."
De legitimering van het panentheïsme door de Heilige Stoel heeft tot doel de Verlossing te laten opgaan in het gnostische pantheïsme en de Genade in de pelagiaanse zelfgenoegzaamheid.
Bijgevolg worden zowel pantheïsme als varianten daarvan, zoals panentheïsme, veroordeeld als onjuiste denkbeelden. Voor de katholieke theologie is het klassieke theïsme het enige aanvaardbare theologische model. Het presenteren van panentheïsme in een positief licht als een geldig alternatief dat de beperkingen van het klassieke theïsme corrigeert of aanvult, is een regelrechte capitulatie van de leer.
Op dit punt is het echter nodig om na te denken over de strategie die de neomodernisten hebben gehanteerd. Het onderscheid tussen pantheïsme en panentheïsme is een kunstmatige constructie, op zichzelf logisch onjuist, bedacht om aanvaardbaar te maken wat de katholieke leer al heeft veroordeeld.
Men stelt dat pantheïsme God gelijkstelt aan de wereld, terwijl panentheïsme de wereld omvat zonder erdoor uitgeput te worden. Maar dit verschil is slechts terminologisch: op ontologisch niveau ontkennen beide visies Gods absolute transcendentie en lossen ze de schepping ex nihilo op in een immanent evolutionair proces. Panentheïsme corrigeert het pantheïsme in feite niet, maar verfijnt het juist.
Het behoudt zijn kern: het idee dat het universum een goddelijke substantie bezit. De toevoeging van een formele "transcendentie" redt de doctrine niet, simpelweg omdat authentieke transcendentie niet verenigbaar is met substantiële immanentie.
De toegepaste strategie is dezelfde als die Bergoglio en zijn medewerkers gebruikten om het socialisme te normaliseren binnen de katholieke sociale leer na de veroordeling van de bevrijdingstheologie. In plaats van deze laatste openlijk te accepteren, kozen ze ervoor om de volkstheologie te omarmen, die variant van de bevrijdingstheologie die de ideologische wortels ervan behoudt, maar de extreme politieke consequenties ervan verwerpt.
Het panentheïsme behoudt dus de pantheïstische premisse – de goddelijkheid van de kosmos – en voegt daar een relationele taal aan toe die de illusie wekt dat het onderscheid tussen Schepper en schepsel behouden blijft. In beide gevallen wordt de fout niet gecorrigeerd: ze wordt geabsorbeerd en geherformuleerd om haar verenigbaar te maken met de hedendaagse gevoeligheden.
De samenhangende link tussen pantheïsme, socialisme en milieubeweging
Pantheïsme is de theologische premisse die het meest overeenkomt met het milieubewustzijn en het socialisme dat wordt verdedigd door de nieuwe sociale leer van de Kerk, zoals die door Bergoglio is vormgegeven. Op hun beurt vormen pantheïsme en socialisme twee hoekstenen van het gnostische gedachtegoed dat in de moderne tijd dominant is. Gnosis is immers gebaseerd op de bewering dat de mens zichzelf kan redden door kennis, waarbij de "beperkingen" van zijn eigen natuur en de Openbaring worden verworpen.
De gnostische mens gelooft niet in de erfzonde en in Gods absolute transcendentie, reduceert de wetenschap tot het ultieme doel van het bestaan en identificeert uiteindelijk het goddelijke met de kosmos zelf, waardoor hij onvermijdelijk in het pantheïsme vervalt. Het hele universum wordt aldus vergoddelijkt en beschouwd als één groot, evoluerend organisme, waarin de materie zelf deelneemt aan de goddelijke substantie en waarin elk reëel onderscheid tussen Schepper en schepsel is opgeheven.
Socialisme is de directe politieke vertaling van deze theologische visie. Als het universum een goddelijk en ondefinieerbaar 'geheel' is, verliest het individu alle centraliteit en ontologische waardigheid en wordt het opgeofferd ten gunste van de absolute suprematie van het collectief.
De staat verheft zich tot de status van een aardse godheid en de enige bron van moraliteit, en legt van bovenaf een gedwongen gelijkheid op die erop gericht is de drie grote natuurlijke obstakels voor de verwezenlijking ervan te verzwakken of te vernietigen: privébezit, het natuurlijke gezin en de katholieke kerk, die van oudsher de hoeders zijn geweest van de vrijheid en de werkelijke waardigheid van de mens.
Dit moet duidelijk zijn: de legitimering van het panentheïsme door de Heilige Stoel is geen onschuldige pastorale modernisering, maar veeleer de coherente bekroning van die eeuwenoude modernistische tendens die erop gericht is de Verlossing te laten opgaan in gnostisch pantheïsme en de Genade in pelagiaanse zelfgenoegzaamheid.
Ten slotte bekroont het hedendaagse milieudenken dit immanentistische systeem, waarmee de materiële natuur als geheel, als systeem (precies: een ecosysteem ), wordt vergoddelijkt en gepresenteerd als een absolute waarde waaraan de mens zich volledig moet onderwerpen. De tekst van de Commissie stelt in feite "de mens als... de dienaar van de schepping" voor, waarmee de traditionele opvatting, volgens welke de mens de top en heer van het geschapen universum is, wordt omvergeworpen.
Verder definieert de tekst de traditionele interpretatie van het gebod in Genesis 1:26-28 als "overdreven en verdraaid", en beweert op een volledig ideologische manier dat een dergelijke interpretatie "mensen ertoe zou hebben gebracht te geloven dat de mens despotische en onbeperkte heerschappij over de hele schepping had gekregen. We kunnen met schaamte en berouw niet negeren welke impact deze verdraaiing van de diepe betekenis van de bijbelse tekst heeft gehad op de uitbuiting en mishandeling van de schepping."
De samenhangende link tussen pan(en)theïsme en pelagianisme
Volgens het document van de commissie verklaart het panentheïsme dat “de wereld in God bestaat , terwijl God haar tegelijkertijd overstijgt.” Men moet goed op de woordkeuze letten. Volgens deze theologen heeft de uitdrukking “in God” daarom niet langer de betekenis van de klassieke theologie. Voor die laatste duidt deze uitdrukking immers op een relatie van afhankelijkheid en participatie.
Wanneer Paulus verklaart: "In Hem leven wij, bewegen wij ons en bestaan wij" ( Handelingen 17:28), zegt hij niet dat de mensheid een goddelijke substantie bezit, maar dat God elk schepsel voortdurend in stand houdt. Het menselijk leven is afhankelijk van deze voortdurende goddelijke instandhouding, maar het schepsel blijft ontologisch onderscheiden van de Schepper. In dit vers bevestigt de apostel de afhankelijkheid van alle dingen van God, terwijl hij het pantheïstische idee – dat in bepaalde Griekse filosofieën voorkwam – verwerpt dat de wereld en God één en hetzelfde zijn.
Zoals echter duidelijk blijkt uit dit document van de commissie, bedoelen deze machthebbers met de uitdrukking "in God" niet de klassieke betekenis van de uitdrukking, maar de pantheïstische betekenis ervan.
Het is interessant dat juist aan het begin van de encycliek Magnifica Humanitas van Leo XIV een theologisch gezien ernstige fout staat: " In Jezus Christus wordt deze mensheid in al haar grootsheid de Weg, de Waarheid en het Leven, die voor ieder van ons de weg opent naar volheid."
Afgezien van het ernstige probleem dat de mensheid – begrepen als een collectief van mensen, en niet als de menselijke natuur en zeker niet als de menselijke natuur van Christus – niet de Weg, de Waarheid en het Leven voor ieder van ons kan zijn, is het volkomen duidelijk dat de uitdrukking "in Jezus Christus" ook in een pantheïstische zin wordt gebruikt. Dit document van de Commissie heeft nu duidelijk gemaakt dat dit de authentieke interpretatie is.
Nergens in de encycliek wordt de realiteit van de erfzonde aan de orde gesteld (wat gezien het onderwerp wel centraal zou moeten staan) of de noodzaak van genade voor het heil.
Genade is veeleer een externe hulp die God ons zendt om onszelf te verbeteren, precies zoals Pelagius leerde: "Wanneer we de mogelijkheid om onszelf te overstijgen door Gods genade omarmen, verloochenen we onze natuur niet, noch worden we minder menselijk" (p. 128); en verderop lezen we: "De herinnering aan de heiligen, rechtvaardige mensen en de vaak vergeten vredestichters laat ons zien dat genade conflicten niet op magische wijze elimineert, maar juist actief verzet tegen het kwaad en een verbazingwekkende creativiteit in het doen van het goede inspireert" (p. 211).
Het was onvermijdelijk dat de Heilige Stoel vroeg of laat het pantheïsme theologisch zou legitimeren, maar ik had niet gedacht dat het zo expliciet zou gebeuren. Dit bevestigt helaas definitief wat ik destijds zei over de neopelagiaanse structuur van Magnifica Humanitas , die onder andere expliciet (en coherent) een radicale visie op staatsisme verdedigt.
Als er een direct verband bestaat tussen gnosis, pantheïsme, milieubeweging en socialisme, dan is er ook een diepgaand logisch verband – zij het een indirect verband – tussen pantheïsme en pelagianisme. Ze zijn duidelijk niet hetzelfde, maar ze delen een antropologische en theologische basis die ze compatibel maakt en vaak tot overeenkomsten leidt in hedendaagse leerstellige afwijkingen.
Als het universum inderdaad ontologisch goddelijk is, dan is het universum reeds heilig en behoeft het geen verdere heiliging. Daarmee verdwijnt de leer van de erfzonde, heeft de mens geen verlossing nodig en wordt Christus gereduceerd tot een morele leraar, het voorbeeld bij uitstek. Het doel van de Kerk moet dan ook heroverwogen worden, want er valt niets meer te redden, aangezien alles van nature al geheiligd is. Dit alles strookt ook met het culturele project dat door bepaalde sectoren van het Vaticaan wordt nagestreefd, gericht op het 'ontmythologiseren' van het Bijbelse verhaal van de erfzonde.
Dit moet dus duidelijk zijn: de legitimering van het panentheïsme door de Heilige Stoel is geen onschuldige pastorale modernisering, maar veeleer de coherente bekroning van die eeuwenoude modernistische tendens die erop gericht is de Verlossing te laten opgaan in gnostisch pantheïsme en de Genade in pelagiaanse zelfgenoegzaamheid.
Als de kosmos als intrinsiek goddelijk wordt beschouwd en de mensheid zichzelf verlost door het proces van collectieve evolutie, verliest het kruis zijn tragische noodzaak en wordt de Kerk gereduceerd tot een courtisane van de geschiedenis, een nutteloze sociale dienst die zich wijdt aan de agenda's van de wereld.
Tegen deze subtiele gnostische parodie op het geloof, die de materie vergoddelijkt om de wond van de erfzonde te verbergen en de goddelijke majesteit te verkleinen, worden katholieken vandaag de dag meer dan ooit opgeroepen tot verzet.
Het is noodzakelijk zichzelf te onderwijzen en de absolute transcendentie van de Schepper, de dramatische realiteit van de zondeval en de volmaakte toereikendheid van Christus' offer vastberaden te bevestigen. Op deze manier kan ieder gelovige bijdragen aan het overwinnen van de ernstige crisis van het Petrusgezag die de Kerk vandaag de dag doormaakt, met de onwrikbare zekerheid dat, ondanks het tijdelijke verraad van haar hiërarchieën, de poorten van de hel niet zullen zegevieren.