Naar de inhoud

Levend_geloof

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

12/10 Pr Ripperger: Vasten als je voorouders is mogelijk - Sign of the Cross

12/10 Pr Ripperger: Vasten als je voorouders is mogelijk - Sign of the Cross

Het eerste onderwerp betreft de vastenregels van de Kerk. We zullen bespreken wat de regels waren vlak voor het concilie, en vervolgens kijken naar de verschillen tussen de toenmalige voorschriften en de huidige situatie, zodat men een goed beeld krijgt van de veranderingen. In die context zal ik ook ingaan op het belang van bepaalde zaken. Om te beginnen stelt de heilige Thomas van Aquino dat de natuurwet alle deugden voorschrijft; vasten en onthouding zijn daar twee voorbeelden van.

Vanuit het perspectief van de natuurwet hebben we dus de verplichting om af en toe te vasten en ons van bepaalde zaken te onthouden – niet enkel voor onze gezondheid, maar ook voor de ontwikkeling van de deugd die daarbij vereist is.

De natuurwet houdt ook in dat we naar volmaaktheid moeten streven – een principe dat Christus bovendien als gebod heeft geformuleerd: "Weest volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is." Zelfs op natuurlijk niveau dragen we een verlangen naar volmaaktheid in ons; we ervaren het immers als onprettig wanneer onze lagere vermogens uit de hand lopen of wanneer het innerlijk niet volledig in balans is.

Wat zei H. Thomas van Aquino over vasten en onthouding

In zijn hoofdwerk, de Summa Theologiae, wijdt Thomas van Aquino specifieke hoofdstukken aan vasten en onthouding. Hij benadert dit niet louter als biologische of wettelijke verplichtingen, maar als spirituele oefeningen die vallen onder de deugd van de gematigdheid.

Thomas maakt een duidelijk conceptueel onderscheid tussen beide begrippen en formuleert drie centrale redenen waarom een mens zou moeten vasten:

Verschil tussen onthouding en vasten

* Onthouding: Dit betreft de deugd die de juiste maat bewaart in de kwaliteit of het soort voedsel dat men tot zich neemt. Het gaat hierbij specifiek om het psychologisch reguleren van onze verlangens naar eten.

* Vasten: Dit is de daadwerkelijke, fysieke handeling waarbij men de kwantiteit van het voedsel en het aantal maaltijden beperkt (volgens de traditie destijds tot één maaltijd per dag). Vasten is een concrete uiting van de deugd van onthouding.

De drie doelen van het vasten

Volgens Thomas is vasten een deugdzame handeling omdat het direct gericht is op drie spirituele doelen:

* Beteugelen van de vleselijke lusten: Thomas stelt dat overmatig eten en drinken de biologische driften en passies aanwakkert. Vasten helpt om de rebellie van het lichaam te onderdrukken en de kuisheid te bewaren.

* Verheffen van de geest tot contemplatie: Door de geest te bevrijden van de zwaarte en de materiële beslommeringen van een volgelopen maag, kan het verstand zich helderder en vrijer richten op goddelijke waarheden en hogere zaken.

* Boetedoening voor zonden: Vasten dient als een vorm van genoegdoening (satisfactie). Door onszelf vrijwillig een fysiek genot te ontzeggen, straffen we onszelf op milde wijze voor de keren dat we door zondige keuzes onrechtmatig genot hebben nagejaagd.

Waarom specifiek vlees vermijden?

In zijn uitleg over de onthouding van vlees (met name tijdens de veertigdagentijd) beargumenteert Thomas dat vlees en dierlijke producten het meest voedzaam en smakelijk zijn voor het menselijk lichaam. Omdat ze het lichaam de meeste vitale energie geven, wekken ze volgens zijn psychologie ook de sterkste vleselijke verlangens en passies op. Het eten van vis was daarom wel toegestaan, omdat dit als minder 'verhittend' voor de driften werd beschouwd.

Gezond verstand en uitzonderingen

Als filosoof van de rede benadrukt Thomas dat vasten nooit mag doorslaan in zelfdestructie. Vasten verliest zijn status als deugd wanneer het de gezondheid permanent schaadt of iemand verhindert zijn plichten te vervullen. Daarom stelt hij dat bepaalde groepen automatisch zijn vrijgesteld van de plicht tot vasten:

Kinderen en ouderen (vanwege hun fysieke kwetsbaarheid of groei)

Arbeiders en pelgrims (die hun fysieke kracht nodig hebben voor zwaar werk of reizen)

Zieken en armen (die al aan fysieke tekorten blootstaan)

** Vaak focussen mensen zich te sterk op uiterlijke perfectie, terwijl de werkelijke aandacht uit zou moeten gaan naar het innerlijk. Die volmaaktheid vereist echter opbouw en een zekere mate van bekwaamheid. Als we kijken naar het ontstaan ​​in de vroege Kerk, zien we dat de regels aanvankelijk minder formeel waren, maar na verloop van tijd steeds strikter werden vastgelegd. In de loop van de kerkgeschiedenis is er vervolgens sprake geweest van een geleidelijke versoepeling; daar zullen we gaandeweg nog op terugkomen. Wat betreft de vastenregels in de vroege Kerk: het is belangrijk om te weten dat deze voortkomen uit de apostolische traditie. Het waren de apostelen die de vastentijd (de Veertigdagentijd) hebben ingesteld, waarvan vasten gedurende veertig dagen een essentieel onderdeel vormde.

Dus zij waren de eersten; de apostelen stelden, nog tijdens hun leven, de praktijk van de vastentijd in de vroege kerk in. Vasten – waarbij onthouding een onderdeel was – werd elke week op grote schaal nageleefd; in feite elke week op woensdagen en vrijdagen. Voor de vroege christenen duurde het vasten bovendien tot zonsondergang, in navolging van de eerdere Joodse traditie. In de geschriften van Dom Guéranger wordt bevestigd: "Het was bij de Joden onder de oude wet de gewoonte om de enige maaltijd die op vastendagen was toegestaan, pas na zonsondergang te nuttigen.". De christelijke Kerk nam deze gewoonte over en ze werd eeuwenlang uiterst nauwgezet nageleefd, ook in onze westerse landen.

Maar rond de 9e eeuw begon er enige versoepeling op te treden in de Latijnse kerk. Wat het vasten destijds inhield, lijkt enigszins op wat ik zelf doe: in weken waarin ik sessies geef, drink ik 's ochtends misschien een klein beetje koffie, maar daarna eet ik niets meer tot het avondeten. Het is niet precies tot zonsondergang, maar wel tot het avondeten; het gaat dus om slechts één maaltijd. Uiteraard is het niet de bedoeling dat je jezelf tijdens die ene maaltijd helemaal volpropt, maar het idee was dat je wachtte tot zonsondergang voordat je at. Overigens is dit de oorsprong van de praktijk bij moslims, die tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat. Het begon dus bij de Joden, en de christenen namen het over als onderdeel daarvan. Vasten hield onder meer in dat men geen vlees, vis of andere dierlijke producten – zoals zuivel en eieren – consumeerde.

Dit was met name gebruikelijk in de vroege Kerk en wordt tot op de dag van vandaag in bepaalde oosterse riten nog steeds in acht genomen. Zo beginnen ze bijvoorbeeld met de 'Septuagesima'-periode, waarin men stopt met het eten van vlees; daarna volgt de vastentijd, waarin helemaal geen dierlijke producten meer worden gegeten. Tijdens de 'passietijd' wordt dit regime zelfs nog strenger. In de oosterse tradities is er dus niet zo veel veranderd. In de vroege Kerk hield vasten bovendien in dat men ook geen wijn dronk – een terugkeer naar het dieet dat de mensheid volgde vóórdat God Noach toestond om vlees te eten en wijn te drinken. Om die reden is wijn tijdens sommige vastenperioden, zelfs in de vroege Kerk, verboden. In de apostolische tijd bestond de hoofdmaaltijd doorgaans uit een kleine portie, voornamelijk bestaande uit brood en groenten. Het was een lichte maaltijd.

Interessant genoeg was het pas na de zondvloed dat God de mens toestemming gaf om vlees te eten, omdat er minder voedsel beschikbaar was. Voedsel was schaarser, en daarom verleende Hij die toestemming. De adventvastentijd werd rond de 4e eeuw ingevoerd. In de vroege Kerk kende men in die periode ook wat wel de 'apostelvasten' wordt genoemd. Dit vond zijn oorsprong in het vasten tijdens de 'vigilie' – de vooravond van grote feestdagen. Voor zover ik heb gelezen, begon dit specifiek in de aanloop naar het feest van de heiligen Petrus en Paulus, waarna de praktijk zich verder uitbreidde. Er kwamen dus verschillende vormen van vasten bij: eerst de vastentijd (de veertigdagentijd), daarna de adventstijd, en vervolgens deze vigilievasten.

Zo begon de algemene structuur die ik eerder noemde, langzaam vorm te krijgen in de Kerk: vasten beperkte zich niet langer tot alleen de veertigdagentijd, maar vond op verschillende momenten gedurende het hele jaar plaats. Bovendien werd er vanaf de 4e eeuw, en tot in de middeleeuwen, ook op woensdagen en vrijdagen gevast en onthouding in acht genomen. Pas in de 9e eeuw werden er minder strikte kerkelijke vastenregels ingevoerd. Laten we even teruggaan: in die eerste vier eeuwen begonnen veel gemeenschappen ook op zaterdagen te vasten. In de 4e eeuw werd er dus op woensdagen, vrijdagen en zaterdagen gevast.

Pas in de 9e eeuw werden de vastenregels minder rigide. In 1817 kregen monniken van de benedictijnerorde – die zwaar fysiek werk verrichtten op het land en de boerderij – toestemming om 's avonds een kleine hoeveelheid drinken en een stukje brood te nuttigen. Dit is dus het concept van vasten tot zonsondergang. Ruim voor zonsondergang nuttigde men dan een kleine maaltijd. Uiteindelijk breidde de Kerk deze nieuwe regels ook uit naar de leken. Tegen het einde van de middeleeuwen waren ze een algemeen gebruik geworden. Iedereen nam naast de hoofdmaaltijd ook een kleine avondmaaltijd tot zich. In die tijd verschoof het tijdstip van de maaltijden; de hoofdmaaltijd werd verplaatst naar het middaguur.

Zo ontstond het gebruik van een hoofdmaaltijd, gevolgd door een kleinere maaltijd. Reeds in het jaar 604 kondigde paus Gregorius de Grote, in een brief aan Augustinus van Canterbury, aan welke vorm van onthouding er op vastendagen moest worden gehanteerd. Deze vorm zou bijna duizend jaar lang standhouden. Hij stelde het als volgt: we onthouden ons van vlees en van alle producten die daarvan afkomstig zijn, zoals melk, kaas en eieren. Wanneer men vastte, werd tevens deze onthouding in acht genomen. In die periode werd het dus duidelijk dat men zich in feite niet alleen van vlees onthield, maar van alles wat daarvan afkomstig was. Het vasten tijdens de veertigdagentijd, zoals beschreven door de heilige Thomas van Aquino, hield het volgende in: van maandag tot en met zaterdag – uiteraard gedurende de veertigdagentijd – waren vastendagen.

De maaltijd werd 's middags genuttigd en 's avonds was een kleine versnapering toegestaan, behalve op dagen waarop sprake was van wat men het 'zwarte vasten' noemde. 'Zwart vasten' houdt in dat men enkel brood en water consumeert, of soms zelfs alleen water – afhankelijk van de specifieke invulling. Tijdens de vastentijd waren vlees en alle dierlijke producten verboden. Deze onthouding gold ook op de zondagen in de vastentijd. Zondagen waren dus niet – zoals we dat tegenwoordig soms ervaren – dagen waarop de regels versoepeld werden; de onthouding bleef ook dan van kracht. Er werd op zondagen echter niet gevast. De onthouding gold dus wel, maar het vasten zelf niet. Op Aswoensdag en Goede Vrijdag mocht er helemaal niets gegeten worden. Op die twee dagen was er dus sprake van het 'zwarte vasten': men at helemaal niets. De Goede Week was een periode van intensiever vasten, waarbij men uitsluitend brood, water, zout en kruiden mocht nuttigen. Volgens mij doen ze dat in de oosterse tradities ook zo; daar zijn bepaalde soorten brood en kruiden toegestaan ​​tijdens de Lijdensweek. Al zal er vast wel iemand uit de oosterse traditie via YouTube reageren om me te corrigeren als ik het mis heb.

Ook de 'rogatiedagen' werden in deze periode geïntroduceerd, evenals de 'emberdagen'. Naast de gebruiken uit de vroege Kerk werden er later ook 'rogatiedagen' (smeekdagen) ingevoerd – die twee keer per jaar plaatsvonden – en 'emberdagen' (quatertemperdagen), die vier keer per jaar werden gehouden; ook dit waren vastendagen. Daarnaast bleven de vastenperiodes tijdens de adventstijd bestaan. Kortom: tegen het einde van de middeleeuwen was er een structuur ontstaan ​​waarbij er gedurende het hele jaar op vaste momenten of met bepaalde tussenpozen werd gevast. Zo was er de veertigdagentijd (de vastentijd), die zes weken duurde. Men zegt wel eens: het kost drie weken om een ​​gewoonte af te leren en drie weken om een ​​nieuwe gewoonte aan te leren. Tegen de tijd dat de veertigdagentijd voorbij was, had men de gewoonte – en daarmee de deugd – van het vasten eigen gemaakt.

Rogatiedagen en emberdagen

Rogatiedagen en emberdagen zijn traditionele, eeuwenoude periodes van gebed, vasten en onthouding binnen de westerse christelijke traditie. Beide reeksen dagen zijn nauw verbonden met de wisseling van de seizoenen, de landbouw (het zaaien en oogsten) en het afsmeken van Gods bescherming over de natuur en de menselijke arbeid.

Hoewel ze na de liturgische vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilies (1969) grotendeels van de officiële algemene kalender zijn verdwenen, worden ze lokaal en binnen traditionele gemeenschappen nog altijd onderhouden.

Rogatiedagen (Kruisdagen)

Het woord 'rogatie' stamt af van het Latijnse rogare, wat vragen of smeken betekent. In het Nederlands staan deze dagen vanouds bekend als de Kruisdagen. Ze werden in de 5e eeuw ingevoerd door bisschop Mamertus van Vienne na een reeks natuurrampen.

Wanneer vallen ze? Er zijn in totaal vier rogatiedagen. De belangrijkste (Major Rogation) valt vast op 25 april (de feestdag van de evangelist Marcus). De drie andere dagen (Minor Rogations) zijn variabel en vallen op de maandag, dinsdag en woensdag vlak voor Hemelvaartsdag.

Wat houdt het in? Tijdens deze dagen vraagt de kerkgemeenschap om een goede oogst, gunstig weer en bescherming tegen plagen en rampen. Traditioneel trokken gelovigen in processie (bidprocessies of kruisprocessies) door de velden onder het zingen van de Allerheiligenlitanie om Gods zegen over het zaaigoed en de akkers af te smeken.

Protestantse invloed: Na de Reformatie is dit gebruik in protestantse kerken getransformeerd tot de bekende Biddag voor Gewas en Arbeid.

Emberdagen (Quatertemperdagen)

'Emberdagen' is de Engelstalige term voor wat we in het Nederlands de Quatertemperdagen noemen. De naam is afgeleid van het Latijnse quattuor tempora, wat letterlijk 'vier seizoenen' of 'vier tijden' betekent. Dit gebruik stamt al uit de 4e eeuw in Rome en diende oorspronkelijk om heidense agrarische feesten te kerstenen.

Wanneer vallen ze? De Quatertemperdagen worden vier keer per jaar gehouden, telkens aan het begin van een nieuw seizoen. Het gaat telkens om een vaste driedaagse cyclus van woensdag, vrijdag en zaterdag in een specifieke week:

* Lente: In de eerste week van de veertigdagentijd (na de eerste zondag van de vasten).

* Zomer: In de week direct na Pinksteren.

* Herfst: In de week na het feest van Kruisverheffing (14 september).

* Winter: In de week na de derde zondag van de Advent.

Wat houdt het in? Het zijn dagen van boete, bezinning en matiging. Men gebruikt ze om God te danken voor de specifieke opbrengsten van dat seizoen (zoals graan, wijn en olijven) en om te bidden voor nieuwe priester- en geestelijke roepingen (traditioneel vonden priesterwijdingen vaak plaats op Quatertemper-zaterdag). Gelovigen hielden zich op deze dagen aan strikte regels voor vasten en onthouding

Wanneer wordt er dan gevast op deze Quatertemperdagen

Op de Quatertemperdagen (emberdagen) wordt er specifiek gevast op de woensdag, vrijdag en zaterdag van de vastgestelde weken. Hoewel de exacte data elk jaar verschuiven omdat ze gekoppeld zijn aan de kerkelijke kalender (zoals Pasen en Advent), vallen de vastendagen altijd in de volgende periodes van het jaar:

* In de lente (vastenweek): De woensdag, vrijdag en zaterdag direct na de eerste zondag van de veertigdagentijd (meestal in februari of begin maart).

* In de zomer (pinksterweek): De woensdag, vrijdag en zaterdag direct na Pinksteren (meestal in mei of juni).

* In de herfst (kruisweek): De woensdag, vrijdag en zaterdag direct na het feest van Kruisverheffing (14 september).

* In de winter (adventsweek): De woensdag, vrijdag en zaterdag direct na de derde zondag van de Advent (medio december).

De traditionele regels voor deze dagen

Tijdens deze specifieke woensdagen, vrijdagen en zaterdagen golden traditioneel twee strenge regels die de hele dag overlapten:

Strikt vasten: Men mocht slechts één volledige maaltijd per dag nuttigen (meestal rond het middaguur of 's avonds). Daarnaast waren twee zeer kleine, sobere versterkingen (collaties) toegestaan in de ochtend of avond om op de been te blijven.

Onthouding: Er mocht op deze dagen geen vlees of vleesjus worden gegeten.

Uitzondering: Op de woensdag en zaterdag stond de kerkelijke wetgeving soms toe dat er bij de hoofdmaaltijd wel wat vlees werd gegeten (afhankelijk van lokale dispensaties), maar de vrijdag bleef altijd een dag van absolute onthouding van vlees.

** Door het jaar heen werd er vervolgens bij gelegenheid opnieuw gevast. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens de adventstijd – wellicht wat minder streng, maar toch werd er gevast. Daarnaast waren er de emberdagen en de periodes voorafgaand aan grote feesten; zo was er bijvoorbeeld een 'vigilie' (wake) voor het feest van de 'H. Petrusstoel'. Op die specifieke dagen moest men vasten. Tegen 1962 waren veel van deze gebruiken – puur liturgisch gezien, nog los van de vastenpraktijk zelf – alweer verdwenen. Er bleven nog maar één of twee vigilies over, waaronder die van de heilige Petrus en Paulus. Veel andere vigilies waren inmiddels geschrapt. Tegen 1962 werd er dus in hoog tempo afscheid genomen van al deze tradities.

Het punt is echter dat deze gebruiken hielpen om de deugd van het vasten te onderhouden. Wie de vastenregels van de Kerk volgde, ontwikkelde op die manier daadwerkelijk deze specifieke deugden. Vanaf de tijd van de protestantse Reformatie tot in recentere tijden bleven de regels grotendeels ongewijzigd, totdat de protestanten het boetedoen begonnen aan te vallen. Zij zetten dus hun vraagtekens bij deze boetepraktijken. Er lijkt sprake te zijn geweest van een zekere inperking van de momenten waarop men verplicht was te vasten. Toch probeerde de heilige Carolus Borromeüs de traditionele vastendagen te blijven bevorderen. Hij zette zich hiervoor in, maar het werd duidelijk dat er op verschillende plaatsen een versoepeling van de vastenregels begon op te treden. Dit speelde zich af vanaf de tijd van de protestantse Reformatie tot ongeveer de 18e eeuw.

In 1741 vaardigde paus Benedictus XIV een document uit waarin toestemming werd gegeven om vlees te eten op vastendagen. Tegelijkertijd werd het echter uitdrukkelijk verboden om tijdens een en dezelfde maaltijd op vastendagen zowel vis als vlees te nuttigen. Naast de zondagen in de vastentijd (de veertigdagentijd) golden de veertig dagen zelf als dagen van volledige onthouding van vlees; men mocht dus helemaal geen vlees eten. Maar men hoefde niet gedurende de gehele periode te vasten, zoals dat in het verleden wel het geval was. Het concept van gedeeltelijke onthouding ontstond, ook al zou de term pas opduiken in het Wetboek van Canoniek Recht van 1917. Hoewel Benedictus de gelovigen aanspoorde om terug te keren naar de vroomheid van de vroege eeuwen, vond deze verandering toch plaats. Dat is een patroon dat je vaker in de Kerk ziet.

Men versoepelt de regels, maar moedigt mensen tegelijkertijd aan om de oude gebruiken toch te volgen. Men denkt: "Mensen zullen de wet wel gewoon opvolgen." Maar dat doen ze niet. Misschien zijn er enkelen die naar volmaaktheid streven en de oude regels blijven volgen, maar over het algemeen gebeurt dat niet. Leo XIII begon de regels nog verder te versoepelen. Na zijn pontificaat – tegen de tijd dat we bij het Derde Concilie van Baltimore aankomen – staat er in het gebedenboek dat in opdracht van dat concilie werd uitgegeven: dat er slechts één volledige maaltijd is toegestaan, rond het middaguur of later. Naast die volledige maaltijd is een kleine versnapering (collatie) van 8 ounce (ongeveer 225 gram) toegestaan. Die limiet van 8 ounce bleef eigenlijk gehandhaafd tot vlak voor het Tweede Vaticaans Concilie.

Mijn moeder had zelfs een weegschaaltje dat specifiek bedoeld was om die hoeveelheid voedsel af te wegen, zodat je niet boven die 225 gr uitkwam. Als de volledige maaltijd rond het midden van de dag werd genuttigd, dan werd de kleine versnapering logischerwijs 's avonds gegeten. Als de volledige maaltijd laat op de dag werd genuttigd, mag de 'collatio' (een lichte maaltijd) 's middags worden gegeten. Met andere woorden: men laat de keuze aan jou. Naast de volledige maaltijd was het volgens het algemene gebruik toegestaan ​​om 's ochtends tot 2 ounce (ca. 57 gram) brood – zonder boter – en een kop warme drank, zoals koffie of thee, te nuttigen. Hier begint dus het concept te ontstaan ​​van één volledige maaltijd aangevuld met twee kleinere porties die samen geen volledige maaltijd vormen. Dit stamt uit de tijd van paus Leo XIII.

Het is belangrijk om op te merken dat hierdoor veel mensen in staat werden gesteld – en daarmee ook verplicht waren – om te vasten, terwijl zij dat anders niet hadden gekund. Het idee was dus om de regels te versoepelen, zodat meer mensen in staat zouden zijn om daadwerkelijk te vasten. In het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht van 1917 werden de woensdagen en vrijdagen van de Advent geschrapt als vastendagen voor de gehele Kerk; die verplichting kwam dus te vervallen. In Amerika waren de woensdagen van de Advent al in 1837 als vastendagen afgeschaft. Ook de vrijdagen in de Advent waren niet langer verplichte vastendagen – niet alleen in Amerika, maar in de hele Kerk. Eveneens verdween de vigilie van de heiligen Petrus en Paulus van de universele kalender als vastendag. Bovendien werd het gebruik van eieren en melk overal toegestaan. Je ziet hier dus een duidelijke versoepeling.

Voordat we verdergaan: er is een consistent patroon zichtbaar. Ik zeg niet dat er sprake is van een absoluut causaal verband, maar telkens wanneer de Kerk haar vastenregels versoepelde, doken er andere problemen op. Er lijkt sprake te zijn van een soort 'terugtrekking van genade'. Misschien heb je wel eens gehoord dat er specifieke periodes zijn waarin een dergelijke terugtrekking van genade plaatsvindt; het einde van de 19e eeuw is daar een voorbeeld van. Wat betreft die terugtrekking van genade: die vindt eigenlijk plaats in de tweede helft van de 18e eeuw of in de 19e eeuw – de jaren 1800. Er is sprake van een terugtrekking van genade, omdat er zeer specifieke ontwikkelingen gaande zijn in het leven van de Kerk, waarop de Kerk probeert te reageren. En na 1917 zie je vervolgens opnieuw een soort terugtrekking van genade.

Er ontstaan ​​allerlei problemen – denk bijvoorbeeld aan de woelige 20ies – en er is bovendien sprake van oorlog. Maar naarmate we dichter bij het Tweede Vaticaans Concilie komen – we zullen dit nog zien – wordt het allemaal nog 'lichter'. Er is dus sprake van een terugtrekking van genade. Dit blijft zich voordoen, omdat we niet langer regelmatig vasten. Ik denk niet dat dit de enige reden is, maar wel een van de redenen. In 1941 stond paus Pius XII bisschoppen wereldwijd toe om volledig ontheffing te verlenen van de vasten- en onthoudingsplichten, met uitzondering van Aswoensdag en Goede Vrijdag. Wel bleef de verplichting bestaan ​​om elke vrijdag geen vlees te eten, en gold er een vasten- en onthoudingsplicht op die twee genoemde dagen, evenals op de vooravond van Maria-Tenhemelopneming en Kerstmis. Eieren en zuivelproducten waren toegestaan ​​bij het ontbijt en 's avonds. Zo zie je maar, het begint langzaam toe te groeien naar de situatie zoals die nu is.

Laten we kijken naar de periode vlak voor het concilie – we spreken hier over 1956. Dit waren de regels in 1956: iedereen ouder dan 7 jaar was verplicht zich aan de wet van onthouding te houden. Dat betekende dat je op bepaalde dagen geen vlees mocht eten. Volledige onthouding gold op vrijdagen, Aswoensdag, Stille Zaterdag, en de vooravonden van het feest van de Onbevlekte Ontvangenis en Kerstmis. Dus destijds waren de regels strenger dan nu, al waren er destijds al dagen met 'volledige onthouding'. Op die dagen mocht er in het geheel geen vlees, of soep of jus op basis van vlees, worden geconsumeerd. 'Gedeeltelijke onthouding' gold op de woensdagen en zaterdagen van de quatertemperdagen en op de vooravond van Pinksteren. Op dagen van gedeeltelijke onthouding mocht vlees – of soep of jus op basis van vlees – slechts één keer per dag worden gegeten, namelijk tijdens de hoofdmaaltijd. Je ziet hier dus een zekere versoepeling wat betreft vleesconsumptie.

En dan is er nog het vasten. We hebben het nog steeds over 1956. Iedereen ouder dan 21 en jonger dan 59 jaar was bovendien verplicht zich aan de vastenwet te houden. De vastendagen waren de doordeweekse dagen van de Veertigdagentijd. Je moest dus vasten tijdens de vastentijd, inclusief Stille Zaterdag, de quatertemperdagen en de vooravonden van Pinksteren, de Onbevlekte Ontvangenis en Kerstmis. Je moest dus in feite nog steeds vasten tijdens de doordeweekse dagen van de vastentijd, maar niet per se op zondag. We hebben het hier namelijk over de doordeweekse dagen. Op vastendagen is slechts één volledige maaltijd toegestaan. Daarnaast mogen er twee andere, vleesloze maaltijden worden genuttigd – voldoende om op krachten te blijven en naar eigen behoefte – maar samen mogen deze niet gelijkstaan ​​aan een volledige maaltijd. Dit was dus al vóór het concilie; je ziet dat de vastenvoorschriften toen al versoepeld waren.

Ik weet niet hoe je dit nog oprecht 'vasten' kunt noemen. Het komt er eigenlijk op neer dat je je maaltijden wat beperkt, maar je eet nog steeds drie keer per dag. Vlees mag worden gegeten tijdens de hoofdmaaltijd op een vastendag, behalve op vrijdagen, Aswoensdag en Stille Zaterdag. Eten tussen de maaltijden door is niet toegestaan, maar vloeistoffen – waaronder melk en vruchtensappen – zijn wel toegestaan. Wanneer de gezondheid of het vermogen om te werken ernstig in het gedrang zouden komen, geldt de verplichting niet. Als je bijvoorbeeld in de bouw werkt, werd er dus eigenlijk nauwelijks iets van je verlangd. Bij twijfel over het vasten kun je het beste overleggen met de pastoor of biechtvader. Er geldt geen verplichting tot vasten of onthouding op een verplichte feestdag, zelfs niet als deze op een vrijdag valt. In 1957 werden er vervolgens nog enkele wijzigingen doorgevoerd.

Je ziet hier een geleidelijke versoepeling – al vóór het concilie – tot het punt waarop er nauwelijks nog sprake is van echt vasten; het enige wat overbleef, was dat men tijdens de vastentijd op bepaalde dagen geen vlees mocht eten. Na het Tweede Vaticaans Concilie werden alle voorschriften bovendien aanzienlijk verder versoepeld. Volgens de huidige wetgeving is vasten alleen nog verplicht op Aswoensdag en Goede Vrijdag. Je kunt dus in feite één volledige maaltijd nuttigen, terwijl de twee andere maaltijden samen niet aan die eerste maaltijd gelijkstaan. Op die dagen mag je geen vlees eten; je moet op die twee dagen dus vasten en je onthouden van vlees. Maar ik vraag me af of twee kleine maaltijden en één volledige maaltijd nog wel echt als 'vasten' kunnen worden beschouwd. Maar goed, zo is de huidige regelgeving nu eenmaal. Daarnaast geldt er op alle vrijdagen van het jaar een onthoudingsplicht. Je wordt dus geacht om op elke vrijdag van het jaar geen vlees te eten.

Buiten de vastentijd is het echter toegestaan ​​om een ​​andere vorm van boetedoening te kiezen. Tijdens de vastentijd mag je op vrijdagen geen vlees (of andere zaken) eten, maar daarbuiten mag dat wel. De regels rond vasten en onthouding zijn niet langer toereikend om deugdzaamheid op te bouwen of te behouden. We zijn inmiddels op een punt beland waarop slechts twee keer per jaar vasten niet langer volstaat om deugdzaamheid te ontwikkelen of in stand te houden. Mensen moeten daarom zelf het initiatief nemen. En precies daarom is het belangrijk om mensen hierin aan te moedigen, begrijp je? Wat je dan zou kunnen doen, is kijken naar de vroegere vastenpraktijken die in de Kerk gebruikelijk waren, en proberen die te volgen – terugkeren naar de wijze waarop men in de beginperiode van de Kerk vastte, als dat voor jou haalbaar is.

Zelf doe ik dat in feite: hoewel het niet strikt bij zonsondergang is, eet ik doordeweeks slechts één maaltijd per dag. Ik volg dus grotendeels de oude vastenregels. Het interessante is dat, zodra je eenmaal in dat ritme zit, het juist moeilijker wordt om het vasten níét vol te houden. Je krijgt dan echt het gevoel: ik kan niet wachten om weer te gaan vasten. Dat laat zien dat mensen niet alleen verzuimen de betreffende deugd op te bouwen, maar ook de genaden mislopen die verbonden zijn aan het opvolgen van de kerkelijke voorschriften op dit gebied. Er gaat dus een schat aan genade verloren. Het toont ook aan dat men in de vroege Kerk heel goed begreep dat het noodzakelijk is om deze deugden te ontwikkelen – om zo de begeerte (concupiscentie) te overwinnen, de lagere vermogens te beheersen, discipline te bewaren en überhaupt enige vorm van deugdzaamheid te behouden.

Vasten en onthouding in de Middeleeuwen, in 1945, en 1962 en nu.

Middeleeuwen (Tijd van Thomas van Aquino)

* Algemene betekenis: Vasten ging om de hoeveelheid voedsel. Onthouding ging om het soort voedsel (de kwaliteit).

* Vastendagen (Hoeveelheid): Zeer streng. Men mocht slechts één maaltijd per dag nuttigen, traditioneel pas na de Vespers (einde van de middag). Pas later in de middeleeuwen werd een klein stukje brood in de ochtend of avond (een 'collatie') toegestaan.

* Onthoudingsdagen (Soort voedsel): Absolute onthouding van vlees, vetten en alle dierlijke producten (zoals eieren, melk, boter en kaas, ook wel lacticinia genoemd). Vis was wel toegestaan.

* Belangrijkste periodes: De gehele Veertigdagentijd (40 dagen voor Pasen, uitgezonderd de zondagen), de Quatertemperdagen (vier keer per jaar drie dagen), de Rogatiedagen en de avonden (vigilies) voor grote feestdagen. Ook elke vrijdag (en vaak zaterdag) was een onthoudingsdag.

Het jaar 1945 (Codex Iuris Canonici van 1917)

* Algemene betekenis: Vasten en onthouding waren strikt juridisch vastgelegd in het kerkelijk recht. De wet maakte een scherp onderscheid tussen de twee verplichtingen, die soms los van elkaar of tegelijk golden.

* Vastendagen: Maximaal één volledige maaltijd per dag. Daarnaast waren twee kleine, sobere versterkingen (zonder vlees) toegestaan om de krachten te behouden. De verplichting gold voor katholieken van 21 tot 59 jaar.

* Onthoudingsdagen (Soort voedsel): Verbod op het eten van vlees en vleessoep/jus. Producten zoals eieren, zuivel en dierlijke vetten (reuzel/boter) waren inmiddels wel gewoon toegestaan. De verplichting gold vanaf 7 jaar.

* Belangrijkste periodes:

Alleen onthouding: alle vrijdagen van het jaar.

Alleen vasten: de werkdagen van de Advent.

Vasten én onthouding samen: Aswoensdag, de vrijdagen en zaterdagen van de Veertigdagentijd, de Quatertemperdagen en enkele specifieke vigilie-avonden.

Het jaar 1962 (Tijdperk van Johannes XXIII / Vlak voor Vaticanum II)

* Algemene betekenis: De structuur van 1917 was nog steeds van kracht, maar er waren aanzienlijke lokale versoepelingen (dispensaties) ingevoerd om de regels aan te passen aan de moderne werkende mens.

* Vastendagen: Het basisprincipe bleef één volledige maaltijd met twee kleine collaties, maar de bisschoppen gaven veel vaker algemene dispensaties voor werkenden.

* Onthoudingsdagen (Soort voedsel): Geen vlees op de aangewezen dagen. Echter, op bepaalde zaterdagen of minder strenge vastendagen werd vlees bij de hoofdmaaltijd al vaker oogluikend toegestaan door bisschoppelijke verordeningen.

* Belangrijkste periodes: Aswoensdag en Goede Vrijdag bleven de absolute kerndagen voor de combinatie van vasten en onthouding. De Veertigdagentijd werd nog als vastenperiode beschouwd, maar de Quatertemperdagen verloren in de praktijk al veel van hun strikte naleving door de vele uitzonderingen.

De huidige tijd (Sinds de apostolische constitutie Paenitemini van 1966 en het Wetboek van 1983)

* Algemene betekenis: De nadruk is verschoven van extern juridische verplichtingen naar persoonlijke spirituele bekering, versobering en liefdadigheid.

* Vastendagen: Er zijn nog maar twee verplichte vastendagen per jaar: Aswoensdag en Goede Vrijdag. De regel is nog steeds maximaal één volledige maaltijd en twee kleinere beetjes, vanaf 18 tot 59 jaar.

* Onthoudingsdagen (Soort voedsel): In principe zijn alle vrijdagen van het jaar (tenzij het een hoogfeest is) dagen van onthouding van vlees voor iedereen vanaf 14 jaar.

* Belangrijkste periodes: De Veertigdagentijd is de algemene tijd van boetvaardigheid.

Belangrijke nuance voor Nederland en Vlaanderen: De bisschoppenconferenties hebben de verplichte onthouding van vlees op gewone vrijdagen omgezet in een vrije keuze. Gelovigen mogen het laten van vlees vervangen door een andere vorm van onthouding of een daad van naastenliefde (zoals vrijwilligerswerk, een gift of het laten van sociale media/alcohol). Enkel Aswoensdag en Goede Vrijdag blijven universeel verplicht voor vleesonthouding.

Vasten en onthouding volgens OLVrouw in Medjugorje gevraagd

In de verschijningen in Medjugorje (sinds 1981) is vasten een van de belangrijkste spirituele kernboodschappen. Het wordt door Onze Lieve Vrouw (de Koningin van de Vrede) genoemd als een van de "Vijf Stenen" waarmee gelovigen Satan en het kwaad kunnen overwinnen.

De specifieke richtlijnen en dagen die zij hiervoor heeft opgegeven zijn zeer concreet:

Specifieke vastendagen

De Maagd Maria vraagt in haar boodschappen nadrukkelijk om twee vaste dagen per week strikt te vasten:

Woensdag (traditioneel de dag waarop Judas Jezus verraadde)

Vrijdag (de dag van Jezus' kruisiging)

Dit vasten duurt de volledige dag, van middernacht tot middernacht (24 uur).

Wijze van vasten: Alleen brood en water

Volgens de boodschappen is dit geen kwestie van minder eten of het skippen van een maaltijd. De specifieke methode die zij vraagt is:

"Het beste vasten is op brood en water." (Boodschap van 21 juli 1982)

Men mag gedurende de dag wel voldoende brood eten om verzadigd te zijn (geen uithongering), maar er mag niets aan toegevoegd worden (geen boter, beleg of suiker). Er mag enkel plat water bij gedronken worden, dus geen koffie, thee, sappen of alcohol.

Spirituele betekenis en de kracht van het vasten

In haar boodschappen legt Onze Lieve Vrouw de nadruk op "vasten met het hart" (niet uit sleur of om op te scheppen). Zij schrijft hier buitengewone spirituele krachten aan toe:

* Oorlogen stoppen: "Alleen door gebed en vasten kunnen oorlogen worden gestopt." (Boodschap van 25 april 1992)

* Natuurwetten opschorten: Zij stelt dat oprecht vasten en bidden zelfs de wetten van de natuur kan opschorten en ziektes of rampen kan afwenden.

* Angst wegnemen: "Wie bidt is niet bang voor de toekomst, en wie vast is niet bang voor het kwaad." (Boodschap van 25 januari 2001)

Uitzonderingen en onthouding als alternatief

Maria benadrukt dat iedereen moet vasten, behalve de zieken. Voor mensen die om legitieme medische redenen (of fysieke kwetsbaarheid) niet op brood en water kunnen leven, geeft zij een alternatieve invulling van onthouding:

Zij vraagt hen om op die woensdagen en vrijdagen andere offers te brengen.

Dit kan bestaan uit het onthouden van een slechte eigenschap of zonde, of het opgeven van materiële zaken waar men aan gehecht is, zoals televisie, sociale media, koffie, alcohol of roken.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door claudia om 23:21 Reageer op dit bericht

Blauw boek 411 - OLVrouw aan Don Gobbi

15/9/1989 Feest van OLVrouw van Smarten - In Fatima:

Blauw boek 411 - OLVrouw aan Don Gobbi

Groot is mijn smart

Deel, geliefde zonen, in mijn smart. Ik ben jullie smartvolle Moeder. Mijn Onbevlekt Hart wordt door talloze en pijnlijke doornen doorboord. De heerschappij van mijn Tegenstander wordt met de dag groter, en zijn macht breidt zich uit in harten en zielen. Een diepe duisternis is nu over de wereld neergedaald. Het is de duisternis van de hardnekkige verwerping van God. Het is de duisternis van de zonde — zonden die worden begaan, gerechtvaardigd en niet langer beleden. Het is de duisternis van wellust en onzuiverheid. Het is de duisternis van ongebreideld egoïsme en haat, van verdeeldheid en oorlog.

Het is de duisternis van het verlies van het geloof en van afvalligheid. In de kelk van mijn Onbevlekt Hart verzamel ik, ook vandaag weer, al het lijden van mijn Zoon Jezus, die op mystieke wijze opnieuw de bloedige uren van zijn doodsstrijd doormaakt. Voor Jezus is het heden een nieuw Getsemane: Hij ziet zijn Kerk zo geschonden en verlaten, waarbij het merendeel van haar herders slaapt in onverschilligheid en lauwheid, terwijl anderen de daad van Judas herhalen en haar verraden uit dorst naar macht en geld. De Draak juicht om de omvang van zijn verovering — geholpen door het Zwarte Beest en het beest dat op een lam lijkt — in deze tijd waarin de duivel op jullie is losgelaten, in het besef dat hem nog maar weinig tijd rest. Daarom zijn ook de dagen van mijn grootste smart aangebroken.

Groot is mijn smart wanneer ik zie hoe mijn Zoon Jezus opnieuw wordt veracht en gegeseld in zijn woord; verworpen uit hoogmoed en verscheurd door menselijke en rationalistische interpretaties. Groot is mijn smart wanneer ik Jezus — die werkelijk aanwezig is in de Eucharistie — steeds meer vergeten, verlaten, beledigd en vertrapt zie worden. Groot is mijn smart wanneer ik mijn Kerk verdeeld, verraden, ontkleed en gekruisigd zie. Groot is mijn smart wanneer ik mijn Paus zie bezwijken onder het gewicht van een uiterst zwaar kruis, terwijl hij omringd wordt door volkomen onverschilligheid van de kant van bisschoppen, priesters en gelovigen.

Groot is mijn droefheid om een ​​steeds groter aantal van mijn arme kinderen, die voortsnellen op de weg van het kwaad en de zonde, van ondeugd en onzuiverheid, van egoïsme en haat, met het grote gevaar voor eeuwig verloren te gaan in de hel. Daarom vraag ik jullie vandaag, kinderen die aan mijn Onbevlekt Hart zijn toegewijd, hetzelfde als wat ik in mei 1917, op deze zelfde plek, vroeg aan mijn drie kleine kinderen – Lucia, Jacinta en Francisco – aan wie ik verscheen.

Willen ook jullie jezelf als offer aan de Heer aanbieden, op het altaar van mijn Onbevlekt Hart, voor het heil van al mijn arme, zondige kinderen? Als jullie op dit verzoek ingaan, moeten jullie doen wat ik nu van jullie vraag:

* Bid steeds meer, in het bijzonder de heilige rozenkrans.

* Besteed regelmatig tijd aan aanbidding en eerherstel voor het Allerheiligste Sacrament.

* Aanvaard met liefde al het lijden dat de Heer op jullie weg brengt.

* Verspreid zonder vrees de boodschap die ik jullie geef, als hemelse profetes voor deze laatste tijden.

Wisten jullie eens welke straf jullie te wachten staat als jullie de deur van jullie hart opnieuw sluiten voor de angstige stem van jullie hemelse Moeder! Want het goddelijk Hart van mijn Zoon Jezus heeft aan mijn Onbevlekt Hart de laatste en uiterste poging toevertrouwd om jullie allen naar het heil te leiden.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 21:57 Reageer op dit bericht

De Mariaverschijning in Remagen - Duitsland

De Mariaverschijning in Remagen

Bij de Mariaverschijning in Remagen (Duitsland) verscheen de H. Maagd Maria volgens de overlevering op 18 december 1950 aan een kleuterleidster en twintig kinderen.

Zij zagen Maria samen met haar goddelijke Zoon Jezus, gehuld in een stralend licht. Achter hen was een gloeiend kruis op een gouden wolk zichtbaar. De Madonna droeg een buitengewoon helderwitte mantel en spoorde de aanwezigen met gevouwen handen aan om te bidden. Toen de verschijning vervaagde, was er het luiden van een klok te horen. Deze specifieke gebeurtenis is historisch gezien niet officieel erkend door het Vaticaan.

De "Zwarte Madonna" van Remagen

Wanneer men in Remagen spreekt over "Onze-Lieve-Vrouw", linkt men dit lokaal echter vrijwel altijd aan de Zwarte Madonna van de Vredeskapel Remagen. Dit is geen bovennatuurlijke verschijning, maar een historisch en religieus symbool uit de Tweede Wereldoorlog:

geschiedenis: In het voorjaar van 1945 lag in Remagen het beruchte Amerikaanse krijgsgevangenenkamp Goldene Meile.

beeldje: Een Duitse gevangene, de bekende beeldhouwer Adolf Wamper, boetseerde destijds uit de modder en klei van het kamp een klein beeldje van de Maagd Maria met het kind Jezus.

kapel: Dit beeldje overleefde de oorlog en staat sinds 1987 centraal in de speciaal daarvoor gebouwde Vredeskapel, die herinnert aan het leed van de duizenden gevangenen.

De kernboodschap

De kernboodschap van de Mariaverschijning in Remagen was een dringende oproep tot gebed.

Tijdens deze specifieke visioenen, waarbij Maria verscheen aan een kleuterleidster en twintig kinderen, gaf zij geen uitgebreide profetieën of ingewikkelde geheimen door. De overlevering benadrukt de volgende elementen van haar boodschap en verschijning:

* Oproep tot gebed: Maria verscheen met gevouwen handen en spoorde de aanwezigen nadrukkelijk aan om te bidden.

* Focus op Christus: De verschijning droeg een diepe christelijke symboliek met zich mee om het geloof van de gemeenschap te versterken. Maria verscheen samen met Jezus te midden van een fel licht en een gloeiend kruis.

* Tijdsgeest (Koude Oorlog en trauma): Hoewel er destijds geen lange teksten zijn gedocumenteerd, pasten de visioenen in Remagen binnen een grotere golf van Duitse "gebedsheiligdommen" net na de Tweede Wereldoorlog. De onofficiële boodschap achter dit soort verschijningen in de regio was destijds steevast gericht op boetedoening, vrede en bescherming tegen het communisme tijdens de opkomende Koude Oorlog.

Mariaverschijningen na de Tweede Wereldoorlog in Duitsland

In de periode direct na de Tweede Wereldoorlog (1945–1954) vond er in West-Duitsland een opmerkelijke golf van vermeende Mariaverschijningen en religieuze wonderen plaats. Dit was een grassroots-reactie op het oorlogstrauma en de angst voor de Koude Oorlog.

Pfaffenhofen / Marienfried

* Begindatum: 25 april 1946

* Verschijning: Maria presenteerde zich nadrukkelijk als de "Grote Middelares van Genade" en "Moeder van de Kerk". Ze verscheen later in visioenen vergezeld door engelen. Vanaf 1947 traden er ook stigmata (bloedwonden) op bij de zieneres.

* Ziener: Bärbel Rueß (een jonge vrouw).

* Boodschappen: Oproep tot actieve wereldwijde gebedsvernieuwing en de rozenkrans. Maria waarschuwde voor de vernietigende krachten van de duivel en riep op om de mensheid te wijden aan haar Onbevlekt Hart om vrede af te dwingen.

Heroldsbach

* Begindatum: 9 oktober 1949

* Verschijning: Begon als een visioen van een "witte zuster". Maria verscheen vaak met het kindje Jezus op haar arm. De kinderen mochten haar mantel en kroon aanraken en Jezus vasthouden. In december 1949 vond er een grootschalig "zonnewonder" plaats, vergelijkbaar met dat in Fatima. Er waren in totaal zo'n 3000 visioenen tot herfst 1952.

* Zieners: Een vaste groep van 7 jonge meisjes (tussen 10 en 11 jaar) en één 19-jarige vrouw (onder wie Maria Heilmann, Gretel Gügel en Antonie Saam).

* Boodschappen: Maria vroeg om intense boetedoening en gebed (vooral de rozenkrans) om de wereld te redden van naderend onheil. Ze uitte diepe zorgen over het morele verval van de mensheid en de dreiging van een nieuwe oorlog.

Rodalben

* Begindatum: Begin 1948 (bloedwonderen intensiveerden rond 1950-1952)

* Verschijning: Visioenen van de Maagd Maria en Christus, gekenmerkt door mystieke verschijnselen zoals bloedmirakelen (stigmata) en het uitscheiden van bloedvloeistof.

* Ziener: Anneliese Wafzig.

* Boodschappen: Sterke nadruk op het lijdenselement, boetedoening voor de zonden van de wereld (en specifiek het Duitse oorlogsverleden), en de noodzaak tot spirituele ommekeer om goddelijke straf te voorkomen.

Remagen

* Begindatum: 18 december 1950

* Verschijning: Maria gehuld in een helderwitte mantel, staand op een gouden wolk voor een gloeiend kruis, vergezeld door haar Zoon Jezus Christus.

* Zieners: Een lokale kleuterleidster samen met een groep van twintig jonge kinderen.

* Boodschappen: Een zeer directe, visuele oproep tot bidden. De verschijning hield haar handen gevouwen om het belang van het gebed te demonstreren. Het diende als lokale troost en spirituele versterking in een zwaar door de oorlog getraumatiseerde regio.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 20:25 Reageer op dit bericht

12/10 Boete en gebed om de wereld te redden. - Marcos Tadeu Teixeira

12/10 Feestdag van OLVrouw van Aparecida - Boete en gebed om de wereld te redden. - Marcos Tadeu Teixeira

Maria: Lieve kinderen, Ik ben de Moeder en Koningin van Brazilië. Bid om Brazilië te redden. Doe boete en bidom de wereld te redden. Bekering is nodig om de goddelijke gave van vrede over de gehele wereld te doen neerdalen.

Alleen wanneer harten Mijn Liefdevlam bezitten en zich werkelijk tot de Heer wenden, zal de wereld vrede kennen. Harten zullen worden bevrijd van alle onrust en verwarring. En uiteindelijk zal deze rusteloze en verontruste wereld de ware vrede ervaren die uit de Hemel komt.

Alleen door de Rozenkrans kan de wereld worden gered; alleen dan kan vrede worden gewaarborgd.

Alleen door gebed kan de verspreiding van Mijn boodschappen worden verwezenlijkt. Vorm daarom de gebedsgroepen waar Ik om heb gevraagd, zodat elk obstakel dat Satan op het pad van Mijn boodschappen werpt, kan worden weggenomen, en Mijn boodschappen al Mijn kinderen kunnen bereiken die ze zo dringend nodig hebben om gered te worden.

Ik ben de Moeder en Koningin van Brazilië; Ik zal dit land redden. Niet omdat dit volk, dat ongehoorzaam is aan Mijn boodschappen, het verdient, maar vanwege de buitengewone inspanningen van Mijn zoon Marcos om Mij bekend en bemind te maken en om Mijn boodschappen over de gehele wereld te verspreiden.

Mijn zoon, Ik ben diep ontroerd door alles wat je aan Mijn kinderen hebt getoond, door alle boodschappen die je in deze films met hen hebt gedeeld tijdens de ‘Laatste Kansen’ van vandaag.

Deze ‘Laatste Kansen’ die je hebt gecreëerd, hebben Mijn Hart grote troost geschonken — in het bijzonder het gedeelte waarin je aan al Mijn kinderen Mijn verschijning in Remagen hebt getoond.

Velen die vandaag vanuit verre landen keken, hadden Remagen nog nooit gezien en hadden nog nooit gehoord van Mijn boodschappen uit Remagen. Nu zij Mijn boodschap kennen, zullen zij deze ook naleven, en zal Mijn Liefdevlam in staat zijn de plannen van Satan te doen instorten.

Meer zielen zullen zich bekeren en bidden, wat zal leiden tot nieuwe bekeringen, meer gebeden en voortdurende bekeringen, tot aan de Triomf van Mijn Onbevlekt Hart.

En dit alles dankzij jou, voor het zwaard van smart dat je vandaag uit Mijn Hart hebt weggenomen door dit te doen, en voor al het andere dat je aan Mijn kinderen hebt getoond — waarbij je niet alleen Mijn macht en Mijn glorie aan het begin van Mijn verschijningen hier hebt onthuld, maar ook Mijn immense liefde voor jou, voor de kinderen die Ik destijds uitkoos toen Ik hen riep, en de liefde die Ik koester voor al Mijn kinderen – want Ik bemin al Mijn kinderen, zonder uitzondering.

En Ik wil iedereen redden, net zoals Ik degenen wilde redden die Ik in het begin riep om jou te vergezellen. Jij hebt aan al Mijn kinderen de vasthoudendheid van een moederliefde getoond – waartoe een Moeder in staat is om haar kinderen te redden, om dicht bij hen te zijn, bij hen te blijven, hen te steunen, hen te redden en hen naar de Hemel te leiden.

Zij zullen begrijpen hoe vasthoudend Mijn liefde is, hoe groots Mijn liefde is, en waartoe Ik in staat ben wanneer Ik Mijn kinderen wil redden.

Zij hebben Mijn liefde nu gezien en gevoeld via de films die jij hebt gemaakt. Daarom moge jij vandaag, en voor de gehele eeuwigheid, duizendmaal gezegend zijn. Jij, die Mijn Hart zozeer hebt getroost en die de afgelopen dagen, door het maken van deze films, zoveel verdienstelijke kracht in Mijn handen hebt gelegd – Ik dank je en zeg: met deze verdienstelijke kracht, deze mystieke kracht die jij aan de Mijne hebt toegevoegd door Mij jouw persoonlijke verdiensten aan te bieden, zal Ik een deel van het plan van Satan ten val brengen. En dankzij dit alles zal Mijn Onbevlekt Hart de kracht van Mijn Liefdevlam loslaten over vele zielen en naties in de hele wereld.

Wees nogmaals duizendmaal gezegend, Mijn engel; jij op wie Ik altijd kan rekenen, op elk moment, elk uur, elke dag, 24 uur per dag. Mijn onophoudelijke Liefdevlam – jij die voor Mij hebt gekozen, die Mij meer hebt liefgehad dan wat dan ook of wie dan ook, die jezelf volledig aan Mij hebt gegeven; jij die Mij alles hebt geschonken. Daarom schenk ook Ik jou nu alles en geef Ik het aan jou.

Ik zegen je: vanuit Pontmain, vanuit Pellevoisin en vanuit Jacareí.

En ook aan alle anderen schenk Ik nu, met liefde, Mijn zegen.

Marcos Tadeu: Mijn Vrouwe, mijn Koningin, mijn enige en ware liefde, ik draag U hierbij plechtig al deze zes films op die ik heb gemaakt om U bekender en geliefder te maken, in het bijzonder Remagen. En ik vraag U om de verdienste van deze zes goede en heilige werken die ik heb vervaardigd, om te zetten in genaden van heil, in het bijzonder voor dit land, Brazilië.

Ik weet dat de mensen in dit land ongehoorzaam zijn aan Uw boodschappen; het ontbreekt hun aan geloof en zij volgen niet op wat U hier zegt. Ik weet dat zij het niet verdienen, maar ik vraag U: aanvaard dit nederige offer dat ik U breng. Red dit land, omwille van mij, omwille van de heiligen uit het verleden die U liefhadden, en omwille van degenen die vanaf het begin in Uw boodschappen geloofden – zij die inmiddels zijn heengegaan en zich nu in de Hemel bevinden, en die U zozeer hebben liefgehad.

Doe dit voor mij en voor deze plaats, opdat ik Uw woord van hieruit naar de gehele wereld kan blijven uitdragen. Moge het gebed hier altijd levend blijven; moge Uw Liefdevlam altijd blijven branden. En blijf vanuit dit oord Uw kinderen overal ter wereld redden van het kwaad en het gevaar dat hen thans bedreigt.

Ik draag U, o Koningin, deze zes heilige werken op. Laat ze veranderen in kracht, zodat zij – tezamen met de Liefdevlam uit Uw Hart – het land van Santa Cruz kunnen redden.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door claudia om 17:27 Reageer op dit bericht

13/10 De tijd is gekomen dat elke profetie in vervulling gaat! – Myriam Corsini

13/10 De tijd is gekomen dat elke profetie in vervulling gaat! – Myriam Corsini

H. Maagd Maria: De allerheiligste Maria is bij jullie, geliefde dochter. Mijn Onbevlekt Hart zal spoedig zegevieren, en Mijn trouwe kinderen zullen met Mij zegevieren. Mijn geliefden, jullie staan ​​op het punt jullie Heer Jezus Christus te ontmoeten; jullie zullen door Hem worden omhelsd en meegenomen naar een andere planeet. De tijd is gekomen dat elke profetie in vervulling gaat. De Heer heeft jullie opgedragen in stilte te wandelen, zonder enige pretentie; God is Degene die de geschiedenis leidt… alles zal geschieden volgens Zijn Woord.

God de Vader: Geliefde kinderen, o jullie die Mij niet zoeken, die Mij niet liefhebben, die ervoor gekozen hebben de god van oneindige ellende te volgen – zie, tot jullie roep Ik al Mijn verdriet uit; jullie lopen op gloeiende kolen zonder dat jullie het doorhebben.

O mensen, jullie zijn verstrikt geraakt in de verlokkingen van Mijn tegenstander – hij die jullie spoedig in zijn ketenen zal slaan en tot zijn slaven zal maken. Verlaat dit verdraaide pad en keer terug naar de weg van het heil; God heeft jullie lief, en als jullie Hem met oprecht berouw om vergeving vragen, zal Hij jullie vergeven. Heb jezelf lief; zoek het heil; zweer de zonde af. De Hemel waarschuwt jullie voor de naderende catastrofe die de aarde zal treffen. Wees niet dwaas! …Sla acht op Mijn oproepen, zodat jullie niet onvoorbereid worden getroffen door de dreigende rampen.

Mijn kinderen – en door jullie eigen vrije keuze niet langer de Mijne… als jullie je niet bekeren, zullen jullie zwaar lijden onder jullie eigen hoogmoed. Wees niet doof voor Mijn stem; Ik ben jullie enige ware goed. Kies ervoor om naar Mij terug te keren voordat het zand in de zandloper het einde van de tijd aangeeft. Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal de vervulling van de profetieën zien; zij zal het einde van een oude geschiedenis en het aanbreken van een nieuw tijdperk aanschouwen. Bereid je voor, o mensen; verlang ernaar binnen te gaan en te genieten van de wonderen die God voor jullie heeft bereid. Keer terug naar de Vader, o mensen; bekeer je! Bekeer je nu!

Dit zijn tijden van keuze, moeilijke tijden; Oorlog zal in elke natie woeden! …Satan krijgt de overhand over de mensheid en drijft haar ertoe de ene ramp na de andere te begaan. Dit is wat Ik, de God van de Liefde, aan jullie moet verkondigen, opdat er in jullie berouw mag ontstaan! De Verlossing roept jullie tot Zich; wees niet hoogmoedig, maar ontvang Zijn Woord met liefde en wees gehoorzaam aan Zijn wil, zodat deze wereld weer tot leven kan komen en opnieuw kan genieten van het Eden dat door jullie zonden verloren is gegaan.

Zuiver jezelf, o mensheid; belijd je zonden; bekeer je!!! Ik heb jullie lief, Ik verlang naar jullie, Ik zegen jullie. God van de Verlossing.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door claudia om 17:15 1 reactie Reageer op dit bericht

Mere Christianity van C.S. Lewis

Mere Christianity van C.S. Lewis

In het meesterwerk Mere Christianity (in het Nederlands vertaald als Onversneden Christendom) bouwt de Britse denker C.S. Lewis een stapsgewijze, logische verdediging op van het christelijk geloof. Als voormalig atheïst begint hij niet met dogma's of de Bijbel, maar met de menselijke ervaring.

De kernpunten die Lewis aanhaalt om rationeel tot geloof te komen, zijn op te delen in vier opeenvolgende stappen:

1. Het morele argument: De Wet van de Menselijke Natuur

Lewis begint met de observatie dat mensen overal ter wereld ruziën. Als mensen ruziën, doen ze een beroep op een universele standaard van wat 'fair' of 'juist' is (de natuurwet).

* De objectieve moraal: Net als de wetten van de wiskunde, hebben wij deze morele wet niet zelf bedacht; we ontdekken hem. Zelfs een relatievere denker raakt verontwaardigd als hem onrecht wordt aangedaan.

* Het menselijk falen: Hoewel iedereen het bestaan van deze wet erkent, houdt niemand zich er perfect aan. Dit besef van tekortkoming (of schuld) is volgens Lewis de noodzakelijke eerste stap om de behoefte aan een oplossing te begrijpen.

2. De bron achter de wet: Een Bewust Verstand

Er zijn volgens Lewis twee manieren om naar het universum te kijken: het materialistische beeld (alles is toeval) en het religieuze beeld (er zit een verstand achter).

De wetenschap kan alleen observeren wat het universum doet, niet waarom het bestaat.

De enige aanwijzing die we van 'binnenuit' hebben over het universum, is die innerlijke stem in ons geweten (de morele wet). Omdat die wet ons dwingt om het goede te doen, moet de bron erachter een persoonlijk, bewust en moreel Verstand zijn.

3. Het probleem van het kwaad en de Vrije Wil

Als God goed is, waarom is de wereld dan zo slecht? Lewis legt uit dat God de mens vrije wil heeft gegeven.

Zonder vrije wil zouden we robots zijn. Ware liefde, goedheid en vreugde kunnen alleen bestaan als er een vrije keuze is.

De keerzijde van die vrijheid is dat de mens er misbruik van kan maken. Het kwaad is volgens Lewis geen zelfstandige kracht, maar "bedorven goedheid" (een parasiet op het goede).

4. Het "Trilemma" rondom Jezus Christus (Liar, Lunatic, or Lord)

Dit is het beroemdste theologische kernpunt van Lewis. Hij pakt historici aan die beweren dat Jezus slechts een "groot moreel leraar" was. Jezus claimde namelijk zonden te vergeven en beweerde God zelf te zijn. Lewis stelt dat er logischerwijs maar drie opties zijn:

* Leugenaar: Hij wist dat Hij God niet was, maar bedroog doelbewust de boel. (Dit rijmt niet met zijn hoogstaande morele impact).

* Gek: Hij dacht oprecht dat Hij God was, maar was volkomen krankzinnig (vergelijkbaar met iemand die denkt dat hij een gekookt ei is).

* Heer: Hij sprak de waarheid en is inderdaad de Zoon van God.

Als de eerste twee opties psychologisch en historisch onwaarschijnlijk zijn, dwingt de logica ons om de derde optie te accepteren.

5. Kosmische metamorfose: Van "Maken" naar "Verwekken"

Tot slot legt Lewis uit wat het doel van het geloof is. God wil ons niet slechts een beetje 'beter' of 'aardiger' maken (zoals een paard dat beter leert springen). God wil ons transformeren tot iets totaal nieuws: wezens die delen in Zijn eeuwigheid. Het geloof is de bewuste overgave aan deze transformatie.

Het Trilemma (Leugenaar, Gek of Heer) is een van de meest besproken argumenten uit de christelijke apologetiek.

Hoe ziet C.S. Lewis de stappen om tot geloof te komen

In zijn boek Mere Christianity beschrijft C.S. Lewis de weg naar het geloof niet als een plotselinge emotionele opwelling, maar als een rationeel en logisch proces. Als voormalig atheïst begreep hij de intellectuele drempels als geen ander.

De stappen om tot geloof te komen bouwen volgens Lewis logisch op elkaar voort:

Stap 1: De ontdekking van de morele wet (Het fundament)

* Wat er gebeurt: De mens ontdekt dat er een universele maatstaf van goed en kwaad bestaat (de natuurwet).

Logica: Wanneer we ruziën, doen we een beroep op een standaard van 'fairness' die we niet zelf hebben bedacht, maar die we aantreffen in de realiteit. Deze wet is objectief, net als de wetten van de wiskunde.

Stap 2: De confrontatie met het eigen falen (Het morele tekort)

* Wat er gebeurt: De mens realiseert zich dat hij er niet in slaagt om zich aan deze morele wet te houden.

* Logica: Iedereen vraagt van anderen een bepaald moreel gedrag, maar schiet daar zelf vroeg of laat in tekort. Dit besef van tekortkoming creëert een gevoel van morele schuld en onbehagen. Zonder deze stap heeft het christendom volgens Lewis geen zin; je hebt pas behoefte aan een dokter als je weet dat je ziek bent.

Stap 3: De logische aanname van een 'Verstand' achter het universum

* Wat er gebeurt: De mens zoekt naar de oorsprong van die morele wet.

* Logica: De materiële wetenschap kan alleen observeren wat de natuur doet, niet waarom de natuur bestaat. De enige aanwijzing die we van binnenuit over het universum hebben, is onze innerlijke stem (het geweten). Omdat deze wet ons dwingt tot het goede, moet de bron achter het universum logischerwijs lijken op een bewust, moreel en persoonlijk Verstand (God).

Stap 4: De confrontatie met de historische Jezus (Het Trilemma)

* Wat er gebeurt: De zoekende mens stuit op de historische figuur Jezus Christus en moet een intellectuele keuze maken over Zijn identiteit.

* Logica: Jezus claimde de autoriteit te hebben om zonden te vergeven en beweerde God zelf te zijn. Lewis stelt dat je Hem hierom onmogelijk een "gewone, goede morele leraar" kunt noemen. Er zijn maar drie logische opties (het beroemde Trilemma):

Leugenaar: Hij wist dat Hij God niet was, maar bedroog de mensheid.

Krankzinnige: Hij dacht oprecht dat Hij God was, maar leed aan totale zelfbegoocheling.

Heer: Hij sprak de waarheid.

Als de eerste twee opties historisch en psychologisch onhoudbaar zijn, dwingt de rede de mens om de stap te zetten en te geloven dat Hij de Heer is.

Stap 5: De bewuste overgave (Het geloof in actie)

* Wat er gebeurt: Geloof verschuift van een intellectuele instemming naar een daad van de wil.

* Logica: Geloof is volgens Lewis de deugd die vasthoudt aan wat het verstand ooit als waarheid heeft geaccepteerd, zelfs als je emoties of omstandigheden plotseling iets anders roepen. De uiteindelijke stap is de bereidheid om je eigen ego op te geven, zodat God je kan transformeren van een louter biologisch wezen (Bios) naar een wezen met eeuwig, goddelijk leven (Zoe).

Hoe legt hij het verschil uit tussen menselijke emoties en het intellectuele geloof

In Onversneden Christendom legt C.S. Lewis uit dat het grootste gevaar voor het geloof niet het menselijke verstand is, maar de veranderlijkheid van onze menselijke emoties. Hij stelt dat veel mensen hun geloof niet verliezen door een intellectueel argument, maar simpelweg omdat hun emoties of humeur omslaan.

Lewis trekt een scherp grens tussen deze twee aspecten:

1. Het intellectuele geloof (Geloof als een wilsdaad)

Voor Lewis is geloof in de eerste plaats een intellectuele deugd. Het is de eigenschap van het verstand om vast te houden aan datgene wat je eerder, na kritisch en logisch nadenken, als waarheid hebt geaccepteerd.

* Werking: Als uw verstand eenmaal op basis van bewijzen en logica heeft geconcludeerd dat het christendom waar is, dan is die conclusie een vaststaand feit.

* De ratio: Het intellect verandert niet zomaar van mening, tenzij er gloednieuw, steekhoudend tegenbewijs wordt geleverd.

2. De menselijke emoties (De veranderlijke stoorzenders)

Menselijke emoties en stemmingen zijn daarentegen inherent onstabiel, grillig en afhankelijk van de omstandigheden.

* Werking: Emoties reageren op uw fysieke gesteldheid, het weer, vermoeidheid of de sfeer in een kamer.

* Sabotage: Lewis geeft het voorbeeld van een man die op basis van een goed gesprek of een diepe ervaring rationeel overtuigd raakt van God. Maar een paar dagen later krijgt hij slecht nieuws, of bevindt hij zich in een cynisch gezelschap. Plotseling voelt God heel ver weg. Zijn emoties komen in opstand tegen wat zijn verstand weet dat waar is.

De definitie van geloof volgens Lewis

Lewis definieert de christelijke deugd van het Geloof dan ook als: de kunst van het vasthouden aan dingen die je verstand ooit heeft geaccepteerd, ondanks je veranderende stemmingen.

Hij illustreert dit met een alledaags, praktisch voorbeeld:

Als je besluit om met de boot te reizen, heeft je verstand op basis van feiten geconcludeerd dat de boot veilig is. Maar zodra er een zware storm opsteekt en je zeeziek wordt, schieten je emoties in stress en schreeuwen ze dat je zult zinken. De deugd van het 'geloof' op dat moment is dat je je verstand laat regeren over je angst, en erop vertrouwt dat de boot standhoudt, ondanks wat je maag en emoties je willen doen geloven.

De strijd van een christen is volgens Lewis dus niet een strijd tussen geloof en verstand, maar een voortdurende strijd waarin het intellect (met de hulp van de wil) de rebellerende emoties onder controle moet houden.

Wat zijn de beste citaten uit zijn boek

In Mere Christianity gebruikt C.S. Lewis zijn kenmerkende heldere stijl en messcherpe logica om diepe theologische concepten compact te verwoorden.

Dit zijn de beste en meest invloedrijke citaten uit het boek, gecategoriseerd per thema:

Over het "Trilemma" en wie Jezus is

"Een man die louter een mens was en de dingen zei die Jezus zei, zou geen groot moreel leraar zijn. Hij zou ofwel een krankzinnige zijn — op hetzelfde niveau als de man die zegt dat hij een gepocheerd ei is — ofwel de duivel van de hel. Je moet je keuze maken."

"Laten we toch niet met die betuttelende onzin aankomen dat Hij een groot menselijk moreel leraar was. Die mogelijkheid heeft Hij niet voor ons opengelaten. Dat was ook niet Zijn bedoeling."

Over het menselijk verlangen en God

"Als ik in mezelf een verlangen ontdek dat door niets in deze wereld bevredigd kan worden, is de meest plausibele verklaring dat ik gemaakt ben voor een andere wereld."

"God kan ons niet een geluk en vrede geven los van Hemzelf, omdat zoiets niet bestaat. Er bestaat niet zoiets."

Over trots en het ego

"Er is één ondeugd waarvan geen mens ter wereld vrij is, die iedereen bij een ander verafschuwt, en waarvan vrijwel geen enkele mens beseft dat hij er zelf aan leidt... De ondeugd waar ik op doel is Trots of Zelfoverschatting."

"Trots is een spirituele kanker: het eet de pure mogelijkheid tot liefde, tevredenheid of zelfs gezond verstand weg."

"God is niet jaloers op onze trots omdat Hij zich in Zijn eigen waardigheid gekrenkt voelt; Hij wil simpelweg dat je Hem leert kennen. Hij wil zichzelf aan jou geven, en om dat te kunnen, moet je je eigen ego opgeven."

Over de realiteit van het geloof en moraliteit

"Christen worden betekent niet dat je nooit meer zult struikelen; het betekent dat je elke keer dat je valt, weer opstaat, je fouten belijdt en opnieuw begint."

"Iedereen zegt dat vergeving een prachtig idee is, totdat ze zelf iets te vergeven hebben."

"Geen mens weet hoe slecht hij werkelijk is, totdat hij heel hard heeft geprobeerd om goed te zijn."

Over het doel van de mens

"God is net als een man die een huis verbouwt. Eerst begrijp je misschien wat Hij doet... Maar al snel begint Hij op plekken te beuken die vreselijk pijn doen. Wat bezielt Hem? Het antwoord is dat Hij een heel ander huis aan het bouwen is dan jij dacht. Jij dacht dat je een klein, gezellig huisje werd, maar Hij bouwt een paleis. Hij is van plan om er zelf in te komen wonen.

Inzichten in zijn boek

Over de zin van het universum (De machine en de brandstof)

"God heeft de menselijke machine ontworpen om op Hemzelf te lopen. Hij is de brandstof die onze ziel moet verbranden, of het voedsel dat onze ziel moet eten. Er is geen andere. Dat is de reden waarom het geen zin heeft om God te vragen ons gelukkig te maken op onze eigen manier, zonder ons druk te maken over religie. God kan ons geen geluk en vrede geven los van Hemzelf, omdat zoiets niet bestaat."

Over evolutie en de moderne mens (Het ei en de vogel)

"Het heeft geen zin om gewoon een 'aardig mens' te blijven. We moeten muteren. Het is net als met een ei: het heeft geen zin om gewoon een braaf, fatsoenlijk ei te blijven. Je moet uitgebroed worden of rot worden. Een ei kan niet eeuwig een ei blijven; het moet een vogel worden, of het gaat stinken."

Over bekering en fouten herstellen (De verkeerde weg en de klok)

"We horen tegenwoordig vaak dat we de klok niet kunnen terugdraaien. Maar als de klok verkeerd staat, is het terugdraaien van de wijzers juist de enige manier om weer bij de juiste tijd te komen. Als ik op de verkeerde weg zit, brengt vooruitlopen mij niet dichter bij mijn bestemming. Als je de verkeerde afslag hebt genomen, is de man die het snelst omkeert en terugloopt de meest vooruitstrevende man."

Over bezit en trots (Het kind en de munt)

"Wanneer een kind naar zijn vader toe rent en vraagt: 'Papa, geef me eens een euro om een verjaardagscadeautje voor jou te kopen?', dan zal de vader dat geld natuurlijk met liefde geven. Hij is blij met de intentie van het kind. Maar alleen een volslagen idoot zou denken dat de vader hierdoor een euro rijker is geworden. Zo is het ook met onze goede daden voor God. We geven Hem slechts terug wat Hij ons eerst heeft gegeven."

Over de strijd tegen de verleiding (De soldaat in de storm)

"Mensen die nog nooit echt tegen de verleiding hebben gevochten, hebben geen flauw idee hoe sterk die is. Je ontdekt de kracht van het vijandelijke leger pas als je ertegen vecht, niet als je je overgeeft. Je ontdekt de kracht van de wind pas als je ertegenin loopt, niet als je gaat liggen. Een man die na vijf minuten al toegeeft aan de verleiding, weet simpelweg niet hoe die verleiding er na een uur had uitgezien."

Op pijnlijke plekken beuken?

Dit is inderdaad een van de meest confronterende en herkenbare metaforen uit het werk van C.S. Lewis. Met de woorden "plekken beuken die vreselijk pijn doen" verklaart hij waarom het leven van een gelovige vaak niet comfortabeler of gemakkelijker wordt, maar juist zwaarder lijkt te worden.

Lewis legt hiermee het cruciale verschil uit tussen humanitaire verbetering (gewoon een 'aardiger' mens willen worden) en christelijke transformatie (heiliging).

De betekenis achter het beuken

Wanneer je besluit je leven aan God toe te vertrouwen, heb je daar vaak zelf een bepaald beeld bij. Je hoopt dat God een paar 'lekkages' repareert: misschien wil je wat minder snel boos worden, van een slechte gewoonte afkomen, of wat meer rust ervaren. Je vraagt God om een klein onderhoud aan je 'huis'.

God begint echter aan een totale renovatie. Dat proces doet pijn om drie redenen:

* De fundamenten moeten blootgelegd worden: God pakt niet alleen de oppervlakkige symptomen aan (zoals je gedrag of een kleine irritatie), maar Hij slaat diep in op de wortels van je zonden: je diepste trots, egoïsme en verborgen motieven. Dat voelt als een aanval op wie je bent.

* Sloopwerk gaat voor opbouw: Voordat God iets nieuws kan bouwen, moet Hij oude, vertrouwde patronen en veilige muren die je om jezelf heen heeft gebouwd, slopen. Het verliezen van die (vaak ongezonde) controle en zekerheden is pijnlijk.

* Het doel is groter dan je comfort: Je dacht dat je een bescheiden, gezellige bungalow was. God is echter een paleis aan het bouwen, omdat Hij er zelf in wil komen wonen. Een paleis vereist diepere funderingen, grotere kamers en een veel ingrijpender bouwproces.

Pijn met een doel

Het grote verschil met zinloos lijden is dat dit "beuken" volgens Lewis altijd constructief is. Het is de pijn van de chirurg die snijdt om te genezen, of de beeldhouwer die overtollig steen weghakt om het standbeeld te bevrijden. God is niet wreed; Hij is grondig. Hij neemt geen genoegen met een gecamoufleerd, zondig mens. Hij wil een perfect, verheerlijkt wezen van je maken.

Ik heb gelezen ergens over een gevangenis en muren

Je doelt waarschijnlijk op een van de krachtigste analogieën uit het boek, waarin C.S. Lewis de wereld vergelijkt met een hotel of een gevangenis. Hij gebruikt de gevangenismuur om uit te leggen hoe onze verwachtingen van het leven bepalen hoeveel vrede of frustratie we ervaren.

Het bewuste citaat en de gedachte daarachter luiden als volgt:

Het citaat: Hotel of Gevangenis?

"Als je deze wereld ziet als een plek die simpelweg bedoeld is voor ons geluk, vind je haar onverdraaglijk. Zie haar als een plek voor correctie en verbetering, en het valt reuzemee.

Stel je een groep mensen voor die in hetzelfde gebouw wonen. De ene helft denkt dat het een hotel is, de andere helft denkt dat het een gevangenis is. De mensen die denken dat het een hotel is, zullen het gebouw volstrekt onverdraaglijk vinden (omdat de service slecht is, de muren kaal zijn en het eten tegenvalt). Maar de mensen die weten dat het een gevangenis is, zullen tot de conclusie komen dat het er eigenlijk verrassend comfortabel is."

De betekenis achter de gevangenismuur

Lewis legt hiermee uit dat de zin van ons aardse leven niet "maximaal comfort en geluk" is.

Wanneer we de wereld benaderen als een luxueus hotel, raken we constant gefrustreerd door de 'muren' waar we tegenaan lopen: ziekte, tegenslag, onrecht en de dood. We eisen immers een fijne vakantie.

Zodra we echter gaan inzien dat de wereld een plaats is van geestelijke revalidatie en correctie — een milde gevangenis waarin we gevormd worden voor de eeuwigheid — verandert onze blik volledig. De 'gevangenismuur' is er dan niet om ons te treiteren, maar herinnert ons eraan dat dit niet onze definitieve thuisbestemming is. Tegenslagen worden dan dragelijk, omdat ze deel uitmaken van het louteringsproces.

Had hij ook niet iets met de zon en het niet zien in gevangenschap

Ja, je combineert hier twee heel beroemde concepten van C.S. Lewis. Het gaat om zijn absolute topcitaat over de zon, in combinatie met zijn theorie over hoe de mens in spirituele gevangenschap (of blindheid) leeft.

Het citaat over de zon komt oorspronkelijk uit zijn essay Is Theology Poetry? (en wordt vaak in één adem genoemd met Onversneden Christendom):

"Ik geloof in het christendom zoals ik geloof dat de zon is opgekomen: niet alleen omdat ik het zie, maar omdat ik daardoor al het andere kan zien."

De link met de gevangenschap en het niet zien

Lewis legt dit 'niet-zien' uit aan de hand van een prachtige gelijkenis over een ondergrondse gevangenis. Hij gebruikt dit beeld om te laten zien hoe de moderne seculiere mens (de materialist) naar de wereld kijkt:

* gevangenis: Stel je voor dat iemand zijn hele leven is opgroeid in een donkere, ondergrondse kerker. Hij heeft nog nooit de buitenwereld gezien.

* ekening op de muur: De gevangene heeft op de vochtige gevangenismuur een paar ruwe krijttekeningen gemaakt van golven, bomen en een zon. Omdat hij niets anders kent, denkt hij dat die krijtstrepen op de muur de échte realiteit zijn.

* fout: Als er dan iemand van buiten de gevangenis naar binnen stapt en vertelt over de echte, schitterende oceaan en de echte, stralende zon, lacht de gevangene hem uit. De gevangene wijst naar de muur en zegt: "Dat is onzin, want een echte oceaan past helemaal niet op deze muur!"

Betekenis

Lewis zegt hiermee: de mens die weigert in God of het bovennatuurlijke te geloven, zit opgesloten in de "gevangenis" van zijn eigen beperkte, materiële verstand. Hij probeert de oneindige grootheid van God en de schepping te beoordelen aan de hand van de paar "krijtstrepen" die hij zelf op zijn gevangenismuur heeft getekend (zoals puur wetenschappelijke of materiële wetten).

Pas wanneer je de gevangenis verlaat en accepteert dat de zon buiten schijnt, ontdek je dat die zon niet iets is waar je de hele tijd blind naar moet staren. De zon is hetgeen dat ervoor zorgt dat je al het andere in de wereld pas écht scherp en in kleur kunt zien.

Lewis vindt dat het geloof onze blik op de alledaagse werkelijkheid verandert, hoe ziet hij dat

Voor C.S. Lewis is het christelijk geloof geen abstracte theorie voor de zondag, maar een praktische bril waarmee je op maandagochtend naar de wereld kijkt. Zodra je door de lens van het geloof kijkt, verandert de alledaagse, soms saaie of zware werkelijkheid in een kosmisch slagveld en een goddelijk avontuur.

Lewis legt deze transformatie van onze alledaagse blik uit aan de hand van vier concrete veranderingen:

1. Mensen veranderen in "onsterfelijke wezens"

In het seculiere leven kijken we vaak naar de mensen om ons heen op basis van hun nut, status of politieke kleur. Het geloof verandert die blik radicaal. Lewis schrijft hierover:

Er bestaan geen gewone mensen. De persoon met wie je praat — hoe saai, vervelend of onbelangrijk die op dit moment ook lijkt — is een onsterfelijk wezen dat op een dag zo schitterend kan zijn dat je de neiging zou hebben hem te aanbidden, of zo misvormd dat hij een wezen uit een nachtmerrie is.

Elke alledaagse ontmoeting, elk praatje bij het koffiezetapparaat, is een moment waarop je de ander een klein duwtje geeft richting de hemel of richting de hel. Dit geeft de meest banale sociale interactie een enorme, heilige verantwoordelijkheid.

2. De natuur en materiële dingen worden "wegwijzers" in plaats van eindstations

Voor een materialist is een mooie zonsondergang, een goed glas wijn of een fijne vakantie het hoogst haalbare: een biologisch genot. Lewis zegt dat het geloof je leert dat deze aardse vreugden slechts vage echo's en herinneringen zijn van ons ware thuis (de hemel).

Als je een prachtig landschap ziet, probeert het seculiere verstand dat geluk te 'bezitten' of vast te houden, wat altijd uitloopt op een teleurstelling.

Het geloof leert je om van het moment te genieten als een wegwijzer. De schoonheid zit niet in de vakantie of in de muziek; ze schijnt er doorheen. Aardse schoonheid herinnert je eraan dat je gemaakt bent voor iets groters.

3. Alledaags werk wordt een daad van aanbidding

Lewis verzet zich fel tegen het idee dat religieuze mensen alleen maar in de kerk moeten zitten of vrome boekjes moeten lezen. Het geloof verandert hoe je je werk invult:

Of je nu schoenen lapt, een bedrijf leidt, de straat veegt of een politiek debat voert; als je dit doet met de intentie om Gods waarheid en orde te weerspiegelen, wordt het een daad van aanbidding.

Het resultaat is niet langer gekoppeld aan je eigen trots of succes, maar aan je trouw aan de taak die God je op dat moment in de wereld heeft gegeven.

4. Tegenslag wordt training (Geen zinloos noodlot)

In het alledaagse leven zonder geloof is pijn een brute verstoorder van je geluk (het 'kapotte hotel'). Met de bril van het geloof op, verandert je blik op lijden:

Als je de dagelijkse ergernissen, een moeilijke collega of fysieke pijn benadert met het geloof, zie je het als de beeldhouwer die de overtollige stukken weghakt (zoals het eerdere citaat over het beuken).

Pijn is niet langer zinloos; het is een kans om de deugd van standvastigheid te oefenen. Je bent een soldaat in vijandelijk gebied die getraind wordt voor de overwinning.

Kortom: door het geloof houdt de wereld op een platte, materiële film te zijn. Het wordt een driedimensionale realiteit waarin achter elke deur, achter elk gesprek en achter elk moment van pijn of vreugde de aanwezigheid van God voelbaar is.

Natuurlijk krijgt je leven een doel

Inderdaad, dat is de absolute kern. Zodra je die stap zet, is het leven geen opeenvolging meer van losse, toevallige gebeurtenissen, maar krijgt alles een diepe, overkoepelende betekenis.

C.S. Lewis laat zien dat dit nieuwe doel je op twee manieren bevrijdt in het dagelijks leven:

* Je hoeft het geluk niet meer te 'forceren': Als deze wereld een hotel was, zou elke mislukte dag of elke tegenslag een ramp zijn, omdat je hier je ultieme geluk móét vinden. Nu het leven een hoger doel heeft, mag deze wereld onvolmaakt zijn. Dat geeft een enorme rust.

* Kleine dingen worden groot: Het vegen van de vloer, een vriendelijk woord tegen een lastige buurman of het kalm blijven in een frustrerend tv-debat zijn ineens geen verloren momenten meer. Het worden bouwstenen voor je karakter en daden die meetellen voor de eeuwigheid.

Het is alsof je van een toeschouwer in een chaotische film verandert in een soldaat met een heel duidelijke missie. De omstandigheden kunnen nog steeds zwaar zijn, en God zal soms nog flink moeten "beuken" om het huis te renoveren, maar je weet tenminste waarvoor je het doet.

Gaf hij nog praktische raad?

C.S. Lewis was een zeer nuchtere Brit, en in Onversneden Christendom geeft hij een aantal bijzonder praktische, psychologische adviezen om het geloof en het dagelijks leven leefbaar te houden. Hij begreep dat theorie mooi is, maar dat de uitvoering op maandagochtend plaatsvindt.

Dit is de belangrijkste praktische raad die hij meegeeft:

1. Begin met doen alsof

Een van zijn meest verrassende adviezen is: als je een bepaalde deugd (zoals liefde of geduld) niet voelt, doe dan alsof je het al hebt.

* praktijk: Loop niet te wachten tot je plotseling warme gevoelens krijgt voor een vervelende collega of buurman. Behandel hem simpelweg vanaf nu alsof je echt van hem houdt.

* psychologische effect: Lewis legt uit dat zodra we ons zo gedragen, we al snel ontdekken dat we die persoon gaandeweg echt aardiger gaan vinden. Goed gedrag trekt de emoties mee omhoog.

2. De vuistregel voor liefdadigheid (Geld uitgeven)

Mensen vroegen Lewis vaak: "Hoeveel moet ik nu concreet aan de armen of de Kerk geven?" Lewis weigert een vast percentage te noemen, maar geeft een heel scherpe praktische meetlat:

* praktijk: De enige veilige regel is dat we méér moeten geven dan we gemakkelijk kunnen missen.

* test: Als onze uitgaven voor goede doelen en naastenliefde ons comfort, onze vakanties of onze luxe hobby's niet beperken — als we er met andere woorden in ons dagelijks leven niets van merken — dan geven we te weinig.

3. Hoe om te gaan met 'storingen' in je humeur

Omdat Lewis wist hoe grillig onze emoties zijn, gaf hij een concrete handleiding voor de momenten waarop je humeur inzakt en je plotseling aan alles twijfelt:

* praktijk: Vecht op zo'n moment niet direct met ingewikkelde filosofische argumenten tegen je slechte humeur.

* raad: Zeg resoluut tegen jezelf: "Mijn verstand heeft de feiten al gecheckt toen ik helder nadacht. Dit is nu gewoon een dip in mijn humeur." Richt je vervolgens op je dagelijkse plichten en wacht rustig tot het emotionele weer opklaart.

4. Pak de 'Grote Zonde' als eerste aan

Lewis adviseert om in het morele leven niet te beginnen met details, maar direct de wortel van alle kwaad aan te pakken: Trots.

* praktijk (De spiegel-test): Als je wilt weten hoe trots je bent, stel jezelf dan de vraag: "Hoezeer baal ik ervan als andere mensen mij negeren, niet naar mij luisteren, de show stelen of de baas over mij spelen?"

Hoe bozer je daarvan wordt, hoe groter je eigen trots is. Door dit bij jezelf te signaleren, breek je de macht van het ego.

5. Neem jezelf niet te serieus, maar God wel

Tot slot waarschuwt hij voor een krampachtige, humorloze vorm van religie. Heiligen zijn volgens Lewis geen sombere zuurpruimen, maar juist de mensen met de meeste vreugde en zelfspot. Waarom? Omdat ze hun eigen ego hebben losgelaten. Ze maken zich niet meer druk om hun eigen status, waardoor ze alle ruimte hebben om werkelijk te genieten van God en de naaste.

De Kronieken van Narnia

De Kronieken van Narnia bestaat uit zeven opeenvolgende boeken. Om de theologische analogieën van C.S. Lewis echt te begrijpen, helpt het om de rode draad van de geschiedenis van Narnia te kennen — vanaf de schepping tot het einde van die wereld.

Hier is het hele verhaal, opgebouwd in chronologische volgorde (de volgorde van de geschiedenis van Narnia zelf):

1. Het neefje van de tovenaar (De Schepping)

* verhaal: Twee kinderen uit Londen, Digory en Polly, ontdekken via magische ringen een weg tussen verschillende werelden. Ze komen terecht in een lege, donkere, ongeboren wereld. In de duisternis horen ze plotseling een schitterend lied. Het is de leeuw Aslan die zingend de wereld Narnia schept: door zijn zang gaan de sterren branden, groeit het gras en worden de dieren sprekende, denkende wezens.

* theologische betekenis: Dit is Lewis' visie op Genesis en de schepping uit het niets door het Goddelijke Woord. Het kwaad glipt echter direct mee naar binnen in de vorm van de boze heks Jadis.

2. Het betoverde land achter de kleerkast (De Zondeval en Verlossing)

* verhaal: Eeuwen later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, worden vier kinderen (Peter, Susan, Edmund en Lucy) geëvacueerd naar een oud landhuis. Lucy ontdekt in een lege kamer een magische kleerkast die toegang geeft tot Narnia. Narnia is inmiddels overgroeid door een vloek van de Witte Heks Jadis: het is er altijd winter, maar nooit kerstmis.

* crisis: De broer Edmund bezwijkt voor de verleidingen van de heks (het Turkse fruit) en verraadt zijn broer en zussen. Volgens de 'Diepe Magie' van Narnia is het bloed van elke verrader het wettig eigendom van de Heks. Aslan keert echter terug en sluit een geheime deal: hij biedt zichzelf aan in de plaats van Edmund. Aslan wordt door de Heks bespot, gemarteld en gedood op de Stenen Tafel.

* overwinning: De volgende ochtend breekt de Stenen Tafel doormidden. Er blijkt een 'Nog Diepere Magie' te bestaan van vóór de tijd: als een onschuldig slachtoffer vrijwillig sterft in de plaats van een verrader, sterft de dood zelf en staat hij weer op. Aslan verrijst, verslaat de heks en de vier kinderen regeren jarenlang als rechtvaardige koningen en koninginnen over Narnia.

* theologische betekenis: Edmund is de mens die bezwijkt voor de zonde (zoals beschreven in Onversneden Christendom). Aslan die sterft en opstaat is de directe analogie van het kruis en de opstanding van Jezus Christus.

3. Het paard en de jongen (De Beproeving en de Gids)

* verhaal: Dit verhaal speelt zich af tijdens de gouden regeringsperiode van de vier kinderen. De jonge slaaf Shasta ontsnapt samen met een sprekend paard uit het wrede, seculiere buurland Calormen richting het vrije Narnia. Tijdens zijn barre reis door de woestijn heeft Shasta het gevoel dat hij door het noodlot wordt achtervolgd door een angstaanjagende, onzichtbare leeuw. Pas aan het einde ontdekt Shasta dat die leeuw Aslan was, die hem de hele reis in het duister subtiel heeft beschermd en gestuurd.

* theologische betekenis: Dit illustreert Lewis' gedachte dat God al in ons leven aan het werk is als gids en beschermer, zelfs wanneer we Hem nog niet kennen of Zijn aanwezigheid als bedreigend of pijnlijk ervaren.

4. Prins Caspian (De Geloofscrisis en de Kerk)

* verhaal: De vier kinderen worden vanuit een Engels treinstation plotseling teruggeroepen naar Narnia. Daar zijn inmiddels honderden jaren voorbij. Narnia is veroverd door de Telmarijnen, een wreed menselijk volk dat niet in pratende dieren gelooft. De oude verhalen over Aslan worden afgedaan als sprookjes. De rechtmatige jonge troonopvolger, Prins Caspian, gelooft wél in de oude verhalen en start een rebellie. De kinderen moeten hem helpen, maar de grote uitdaging is dat Aslan zich in het begin niet aan iedereen laat zien. Alleen Lucy (met het zuiverste geloof) ziet hem; de anderen moeten haar op haar woord geloven en haar blindelings volgen.

* theologische betekenis: Dit gaat over de 'Schaduwlanden' en spirituele blindheid. Het weerspiegelt de moderne seculiere wereld waarin het geloof in God is weggedrukt en we moeten leren wandelen in geloof, zelfs als we Hem niet direct 'zien'.

5. De reis van het drakenschip (De Transformatie en de Bekering)

* verhaal: Lucy en Edmund keren terug naar Narnia, samen met hun vreselijk irritante en egoïstische neefje Eustace. Ze belanden op het schip van koning Caspian, die op zoek is naar zeven vermiste edellieden.

* transformatie: Eustace haat de reis en denkt alleen aan zichzelf. Op een onbewoond eiland kruipt hij uit pure hebzucht op een drakenschat en valt in slaap. Door zijn hebzuchtige, monsterlijke gedachten wordt hij wakker als een echte, vuurspuwende draak. Pas in die eenzame, pijnlijke gedaante beseft hij wat een vreselijk karakter hij had.

* ontvelling: Aslan verschijnt aan hem in de nacht. De leeuw brengt hem naar een marmeren bad. Eustace probeert zijn eigen drakenschubben eraf te krabben, maar elke keer als er een laag afgaat, zit er weer een nieuwe laag onder. Aslan zegt dan: "Je moet mij het laten doen." Met zijn diepe klauwen snijdt Aslan dwars door de drakenhuid heen — wat Eustace omschrijft als de vreselijkste pijn die hij ooit voelde — en werpt hem in het water. Eustace komt eruit als een schone, vernieuwde jongen met een getransformeerd karakter.

* theologische betekenis: Dit is de exacte uitwerking van het citaat over de timmerman die "plekken beukt die vreselijk pijn doen". We kunnen onszelf niet redden van onze zonden; alleen God kan ons ego wegwassen, en die bekering is pijnlijk maar bevrijdend.

6. De zilveren stoel (Geestelijke Strijd en Standvastigheid)

* verhaal: Eustace keert terug met zijn schoolvriendinnetje Jill. Ze krijgen van Aslan de opdracht om de ontvoerde zoon van prins Caspian te vinden. Aslan geeft Jill vier duidelijke 'tekens' (regels) mee die ze uit haar hoofd moet leren en elke dag moet herhalen.

* strijd: Onderweg, door vermoeidheid en ruzie, vergeten de kinderen de tekens te controleren. Ze worden gevangengenomen in een ondergrondse wereld door een Groene Heks. De heks betovert hen met magisch rooksel en muziek, en probeert hen ervan te overtuigen dat de buitenwereld, de zon en Aslan helemaal niet bestaan: "De zon is maar een verzinsel, een grote lamp," zegt ze. Pas als de moerasganger Puddleglum zijn voet in het vuur trapt om de betovering door de pijn te verbreken, ontsnappen ze aan de mentale gevangenis en bevrijden ze de prins.

* theologische betekenis: Dit is een directe link met het citaat van de zon en de gevangenismuur. De Heks probeert de kinderen te hersenspoelen om te geloven dat de materiële, ondergrondse wereld de enige realiteit is. De tekens van Aslan weerspiegelen de dagelijkse discipline van het gebed en de Schrift om stand te houden tegen ideologische misleiding.

7. Het Laatste Gevecht (Het Oordeel en de Eeuwigheid)

* verhaal: Narnia is in verval geraakt door een valse list: een sluwe aap heeft een ezel een leeuwenhuid aangetrokken en beweert dat dit Aslan is. Dit zorgt voor totale spirituele en politieke verwarring. Het escaleert in een apocalyptische eindstrijd. De trouwe Narniërs verliezen het gevecht en worden door een staldeur gegooid, waarvan men denkt dat het de dood is.

* nieuwe wereld: Achter de staldeur ontdekken ze echter niet de dood of de duisternis, maar een adembenemend, oneindig landschap. De oude, fysieke wereld van Narnia wordt door Aslan definitief opgerold en geoordeeld. De personages realiseren zich dat het Narnia waar ze altijd voor hebben gevochten, slechts een zwakke 'krijttekening' of schaduw was. Het Echte Narnia ligt achter de staldeur. Aslan verandert daar voor hen in zijn ware, goddelijke gedaante (Jezus Christus). De Kronieken eindigen met de mededeling dat dit pas het begin is van het Echte Verhaal, waarin elk hoofdstuk beter is dan het vorige.

* theologische betekenis: Dit is Lewis' visie op het Laatste Oordeel, de Openbaring en de Hemel. Het herinnert de lezer eraan dat ons aardse leven slechts de 'Schaduwlanden' zijn en dat de dood voor een gelovige niet het einde is, maar de overstap naar de echte realiteit buiten de gevangenismuur.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 16:43 Reageer op dit bericht

Psalmen

Psalmen

Binnen de bijbelse exegese en de liturgie worden de 150 psalmen traditioneel ingedeeld in een aantal specifieke categorieën op basis van hun literaire vorm, inhoud en het doel waarmee ze geschreven zijn.

Dit zijn de belangrijkste categorieën van de psalmen, gegroepeerd naar hun aard:

1. Psalmen van Klaagzang

Dit is de grootste categorie in het boek van de Psalmen. Ze worden gekenmerkt door een eerlijke, rauwe kreet om hulp in tijden van lijden, ziekte, vervolging of nationale crisis. Meestal eindigen ze wel met een hernieuwd vertrouwen in God.

* Individuele klaagpsalmen: Een persoonlijk gebed om redding uit nood (bijv. Psalm 3, 13, 22).

* Gemeenschappelijke klaagpsalmen: Het hele volk roept God aan na een nationale ramp of nederlaag (bijv. Psalm 44, 74, 79).

2. Psalmen van Lofprijzing en Dankzegging

Deze psalmen focussen op de grootheid, de scheppingskracht en de goedheid van God, of danken Hem specifiek voor een verhoring van een gebed.

* Hymnen / Lofpsalmen: Algemene lofprijzing om wie God is en Zijn macht over de schepping (bijv. Psalm 8, 19, 100, 150).

* Dankpsalmen: Gezongen nadat een crisis is bezworen of redding is ervaren (bijv. Psalm 30, 34, 116).

3. Koninklijke Psalmen

Deze psalmen richten zich op de aardse koning van Israël (uit het huis van David). Ze werden vaak gebruikt bij koninklijke ceremonies zoals een troonsbestijging of een koninklijk huwelijk.

Kenmerken: Ze vieren de koning als Gods gezalfde en representant op aarde (bijv. Psalm 2, 21, 45, 72, 110).

4. Wijsheidspsalmen en Wetpsalmen (Torah-psalmen)

Deze psalmen hebben een educatief en meditatief karakter. Ze lijken qua stijl sterk op het boek Spreuken en contrasteren de levenswandel van de rechtvaardige met die van de goddeloze.

Kenmerken: Ze prijzen de wet (Torah) van God en geven praktische, morele levenslessen (bijv. Psalm 1, 19, 37, 119).

5. Vertrouwenspsalmen

In plaats van een expliciete smeekbede of lofzang, staat in deze psalmen een diepe, rustige vrede en het absolute vertrouwen in Gods bescherming centraal.

Kenmerken: God wordt vaak metaforisch beschreven als een herder, een rots of een burcht (bijv. Psalm 23, 27, 46, 91).

6. Liturgische Psalmen en Pelgrimsliederen

Deze psalmen werden specifiek gezongen tijdens de grote feesten in Jeruzalem of bij het betreden van de tempel.

* Bedevaartsliederen (Psalmen van de opgang): Gezongen door pelgrims die onderweg waren naar Jeruzalem (Psalm 120 t/m 134).

* Sionsliederen: Psalmen die de heilige stad Jeruzalem en de tempel bezingen (bijv. Psalm 48, 84, 87).

Specifieke subcategorieën (thematisch)

Binnen de bovenstaande hoofdgroepen worden er vaak nog drie specifieke theologische subcategorieën onderscheiden:

* Boetepsalmen: Zeven specifieke klaagpsalmen waarin de focus volledig ligt op diep berouw, zondebesef en de vraag om vergeving (Psalm 6, 32, 38, 51 [het Miserere], 102, 130 [het De Profundis], 143).

* Messiaanse Psalmen: Psalmen die (achteraf gezien in het christendom) profetisch verwijzen naar het leven, het lijden en de heerschappij van Jezus Christus (bijv. Psalm 22 [lijden aan het kruis], Psalm 110 [de eeuwige priester-koning]).

* Vloekpsalmen: Psalmen waarin de schrijver God vurig vraagt om rechtvaardigheid en de vernietiging of bestraffing van zijn gewelddadige vijanden (bijv. Psalm 35, 69, 109, 137).

Indeling van alle psalmen

Om een helder en gestructureerd overzicht te krijgen, vindt u hieronder de volledige indeling van alle 150 psalmen ondergebracht in hun specifieke categorieën en theologische subcategorieën.

Let op: Omdat sommige psalmen meerdere thema's combineren (bijvoorbeeld een klaagzang die tevens messiaanse profetieën bevat), zijn bepaalde psalmen in meer dan één categorie opgenomen.

Categorieën van Klaagzang en Smeekbeden

* Individuele klaagpsalmen (Persoonlijke nood)

Psalmen: 3, 4, 5, 7, 13, 17, 22, 25, 26, 28, 31, 35, 39, 41, 42, 43, 54, 55, 56, 57, 59, 61, 64, 69, 70, 71, 86, 88, 109, 120, 140, 141, 142

* Gemeenschappelijke klaagpsalmen (Nationale crisis)

Psalmen: 12, 44, 58, 60, 74, 77, 79, 80, 83, 85, 90, 94, 106, 123, 126, 137

Categorieën van Lofprijzing en Dankzegging

* Hymnen en Algemene lofpsalmen

Psalmen: 8, 19, 29, 33, 65, 67, 68, 93, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 103, 104, 105, 111, 113, 114, 117, 134, 135, 136, 145, 146, 147, 148, 149, 150

* Individuele dankpsalmen

Psalmen: 9, 18, 30, 32, 34, 40, 92, 116, 118, 138

* Gemeenschappelijke dankpsalmen

Psalmen: 66, 124, 129

Categorieën van Vertrouwen, Wijsheid en Koningschap

* Vertrouwenspsalmen

Psalmen: 11, 16, 23, 27, 46, 62, 63, 91, 121, 125, 131

* Wijsheids- en Wetpsalmen (Onderricht)

Psalmen: 1, 14, 15, 36, 37, 49, 50, 52, 53, 73, 78, 81, 82, 112, 115, 119, 127, 128, 133, 139

* Koninklijke Psalmen (Aardse koning / Troon)

Psalmen: 2, 20, 21, 45, 72, 89, 101, 110, 132, 144

Liturgische Psalmen en Pelgrimsliederen

* Bedevaartsliederen (Psalmen van de opgang)

Psalmen: 120, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134

* Sionsliederen (Jeruzalem en de Tempel)

Psalmen: 48, 76, 84, 87, 122

Specifieke theologische subcategorieën

Dit zijn thematische dwarsdoorsneden die verspreid liggen over de bovenstaande hoofdgroepen:

* De Zeven Boetepsalmen (Berouw en vergeving)

Psalmen: 6, 32, 38, 51 (Miserere), 102, 130 (De Profundis), 143

* Messiaanse Psalmen (Profetisch over Christus)

Psalmen: 2, 8, 16, 22, 40, 45, 68, 69, 72, 89, 102, 110, 118

* Vloekpsalmen / Imprecatoire psalmen (Vraag om Gods oordeel)

Psalmen: 5, 6, 11, 12, 35, 37, 40, 52, 54, 55, 58, 69, 79, 83, 109, 137, 139, 143

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 01:00 Reageer op dit bericht

14/10 Pr Ripperger: Goede communicatie - 2

Dus het gevolg van slechte communicatie is simpelweg verdeeldheid. Dat is het voornaamste. En daarnaast zijn er ook alle andere zaken die gepaard gaan met het hebben van een normale relatie met mensen. Zodra je bijvoorbeeld stopt met met elkaar te praten, ontstaan ​​problemen. Ik vind het interessant dat er verwezen wordt naar de gemeenschap van de Heilige Geest - communio Spiritus Sancti. Er is dus die gemeenschap. Wat die gemeenschap betekent, is één zijn in de Heilige Geest, want wat doet de Heilige Geest? Hij draagt ​​de mensen de gave overvan wijsheid, kennis en inzicht in de dingen die betrekking hebben op God en het geloof, zodat ze het daadwerkelijk eens zijn over die zaken endaadwerkelijk die eenheid kunnen hebben die daaruit voortkomt. Het is niet alleen Zijn inwoning in hen allen, maar ze vormen dan een soort eenheid. Dat wordt de gemeenschap der heiligen genoemd. Maar er is sprake van communicatie, al komt het er uiteindelijk op neer dat je het eens bent over iets dat buiten jullie zelf staat.

Daarom draait een huwelijk – hoewel het natuurlijk om de twee partners gaat – uiteindelijk ook om externe factoren; denk bijvoorbeeld aan kinderen. Daar is het op gericht. Ook de manier waarop we ons verhouden tot God – als externe factor in de relatie – speelt hierbij een rol. Het gevolg van goede communicatie is dus eenheid. Dat is het uiteindelijke doel. Natuurlijk zijn er ook goede gevoelens en dergelijke, maar die zijn van ondergeschikt belang. Het nadeel is dat als er geen communicatie is, de eenheid begint af te brokkelen. Er is dan immers geen extern punt waarover je structureel overeenstemming hebt. Als mensen zijn we toch merkwaardige wezens. Bij mensen is het zo – in tegenstelling tot bij engelen – dat wanneer ze eenmaal een bepaalde kennis of habitus (een vaste gewoonte of eigenschap) hebben ontvangen... In de oorspronkelijke staat, toen ze net geschapen waren, ontvingen ze geloof, hoop en liefde.

Nu bezitten ze alleen nog de liefde. Degenen in de Hemel en de Hel hebben daar niets meer van. Maar hun habitus is zodanig dat ze die, eenmaal verworven, voor altijd behouden totdat ze de zalige aanschouwing (van God) ervaren. En dan, zo zegt St Thomas, vervallen geloof en hoop; ze vervallen omdat je het object hebt gezien waarop ze betrekking hadden. Het is dus niet langer iets dat onzichtbaar is. Bij mensen en de morele deugden geldt daarentegen: als je ze niet gebruikt, verlies je ze. Datzelfde geldt hier voor communicatie. Als mensen in de loop der tijd niet tot op zekere hoogte communiceren, zal hun eenheid – hun psychologische eenheid – langzaam beginnen af ​​te brokkelen. Als er geen communicatie is, gebeurt dat nu eenmaal; dat ligt in de aard der zaak. Of als de communicatie vol strijd zit, of als er simpelweg geen verbinding is, dan begint die eenheid te vervallen, enzovoort. En daar komt communicatie dus om de hoek kijken. Goed. Ik wil het over twee dingen hebben. 

* Dit betekent dat de overheid – om legitiem te kunnen functioneren – niet alles hoeft prijs te geven, bijvoorbeeld als het gaat om terechte kwesties van nationale veiligheid. Maar het argument dat iets een kwestie van nationale veiligheid is, enkel en alleen omdat ze niet willen dat iedereen weet van de corruptie en het bederf waaraan ze zich schuldig hebben gemaakt, is dat niet voldoende. Het moet gaan om een gegronde reden om iets geheim te houden: dat het naar buiten brengen ervan onze vijanden in staat zou stellen ons schade toe te brengen. Dat is begrijpelijk. Maar ze moeten bereid zijn om te communiceren. Daarom blijven we hameren op transparantie, op een structurele en regelmatige basis. Dat moeten ze doen, en het moet eerlijk zijn – en die eerlijkheid moet een gewoonte zijn. Eén van de verschijnselen die we bij jongeren van tegenwoordig zien, is dat het begrip 'integriteit' totaal geen betekenis meer heeft. Iemand kan recht in hun gezicht liegen.

Maar als dat op zo'n manier gebeurt dat ze die persoon aardig vinden, luisteren ze de volgende keer gewoon weer naar hem. Er wordt recht in hun gezicht gelogen. Maar als het op een manier gebeurt die ze aanspreekt – of als ze het verhaal leuk vinden – luisteren ze toch. Ook al wordt er de volgende keer weer glashard tegen ze gelogen. En dit zie je keer op keer gebeuren. We zagen dit bij de verkiezingen. Leugen na leugen na leugen. En soms wisten ze zelfs dat er tegen ze gelogen werd, maar stemden ze toch op die persoon. Bij die generatie zie je dat een bepaald aspect van de natuurwet volledig is weggevallen – niet bij iedereen natuurlijk, maar wel bij de meerderheid. Het probleem is namelijk: wanneer mensen communiceren en er is één moment waarop ze iets onwaars zeggen, heb je vanaf dat moment geen enkele zekerheid meer dat wat ze verder zeggen ook daadwerkelijk de waarheid is.

Daarom werd iemands integriteit in de ogen van anderen als heilig beschouwd; men had de plicht die te beschermen en in stand te houden, zodat iemands woord daadwerkelijk waarde had en men erop kon vertrouwen. Toen ik opgroeide: als iemand loog, of als hij op zijn woord terugkwam, dan was het klaar. Niemand wilde nog iets met hem te maken hebben, omdat je hem in de toekomst niet meer kon vertrouwen. Het probleem is dat dit concept bij de jongere generatie van tegenwoordig volledig ontbreekt, en we moeten daar weer naartoe terug. Kijk: je hebt gelogen? Sorry, einde verhaal. De enige manier om die integriteit terug te winnen, is door er over een lange periode weer aan te werken. Ik moet jarenlang zien dat je je zaken op orde hebt en dat je voortdurend de waarheid hebt gesproken. Dan zeg ik op een gegeven moment: "Oké, ik kan je weer vertrouwen." Maar tot die tijd gebeurt dat niet.

* Precies hetzelfde geldt ook voor de Kerk. Het feit dat de bisschoppen de kwestie rond pedofilie hebben verzwegen en er vervolgens over tegen ons hebben gelogen. Velen van hen blijven erover liegen. Ze blijven zich erover verschuilen. Tijdens het hele communicatieproces hebben ze hun integriteit geschonden. En toch verwachten ze dat we hen nog steeds kunnen vertrouwen, omdat ze een gezagspositie bekleden. Nee, zo werkt het niet. Als je een gezagspositie hebt en je integriteit schendt, is dat nog erger dan bij iemand zonder gezagspositie; je hebt immers een grotere verplichting om ervoor te zorgen dat je woord waarde heeft en dat ik, wanneer ik het hoor, erop kan vertrouwen dat je een man van je woord bent.

Zodra je geen man van je woord meer kunt zijn, is het voorbij. Dit is iets wat we in gedachten moeten houden: in de Kerk zullen we hen pas weer echt gaan geloven als ze beginnen te prediken en daarbij consequent zijn. En ik zou zeggen – het zou interessant zijn om te zien of daar ooit onderzoek naar is gedaan, maar dit geeft wel een indicatie – dat we nu op een punt zijn beland waarop ik durf te stellen dat de statistieken voor leken die de bisschoppen (of de geestelijkheid in het algemeen) nog vertrouwen, waarschijnlijk ongeveer hetzelfde zijn – misschien ietsje beter. Dat komt doordat er sprake is van een gewoonte om te liegen; hun integriteit is aangetast. Hun taak is immers om de geloofsschat over te dragen, maar ze hebben systematisch daartegenin gehandeld, alles gedaan wat daarmee in strijd is, en ertegen gepredikt – of er helemaal niet over gepredikt.

Op een gegeven moment vertrouwen de mensen hen gewoon niet meer. De enige reden waarom ze nog naar de biecht gaan en de sacramenten van hen ontvangen, is voor hun eigen heiliging en redding. Buiten die context gaan ze niet naar deze mensen toe omdat ze denken dat ze liegen. De communicatie die ze voeren is eigenlijk al die tijd al slecht geweest; en je bent geen man van integriteit. En die communicatie is cruciaal. De enige manier waarop mensen vertrouwen gaan krijgen – sterker nog, de reden waarom mensen een priester vertrouwen die eerlijk is tegenover goede Katholieken, de reden waarom ze een priester vertrouwen, is omdat hij consequent het geloof duidelijk overbrengt. Dát is waarom ze hem vertrouwen. Als hij dat niet doet, vertrouwen ze hem niet. Als hij de boodschap afzwakt, vertrouwen ze hem niet. Als hij dingen weglaat uit zijn preken, vertrouwen ze hem niet. Dit maakt gewoon deel uit van hoe onze psychologie werkt. En ik denk dat de Kerk dat moet leren. Weet je, ze zijn op dat vlak geen goede communicatoren.

* Neem nou dit punt dat vaak naar voren komt: een vrouw heeft recht op haar eigen lichaam, toch? Dus ze kan een abortus laten plegen, toch? Maar het is niet haar lichaam, het is het lichaam van de baby. Dat is punt één. Punt twee: je hebt niet zomaar recht op je eigen lichaam, in de zin dat je het eigenlijk alleen maar huurt. Je hebt het niet zelf gemaakt. Je zult het ook weer verliezen. Het is van God. Het is je dus gegeven. Het zal worden afgenomen. Je lichaam gebruikt het alleen maar. Je bent dus eigenlijk een soort huurder, weet je wel. En er is dan een verhuurder die een soort controle over je lichaam uitoefent, en je moet op de een of andere manier doen wat hij zegt. Maar zodra je een discussie aangaat met iemand die 'links' georiënteerd is, dan schakelen ze volledig uit. Ze staan ​​erbij als een hert in de koplampen. Het is alsof hun vermogen tot redeneren bevriest. Ik weet niet of het komt door wat je zegt, of door al die dingen. Maar ze hebben het gevoel dat je hen iets ontneemt of dat je hun ideeën ondergraaft.

Er schieten allerlei gedachten door hun hoofd en dan blokkeert hun brein. Ik weet niet precies wat het is, maar het lukt gewoon niet. Het is onmogelijk om op een eenvoudig, logisch niveau met elkaar te communiceren. En dat heeft te maken met hoe ze zijn gevormd binnen onze cultuur en samenleving – door hun ouders, maar ook op school en door de nieuwsmedia. En het heeft hiermee te maken.

Wanneer het mogelijke intellect dus een oordeel velt – zo zegt St Thomas – kijkt het naar het concept dat erin besloten ligt; het keert vervolgens terug naar het beeld in de verbeelding. Wat betreft dat beeld zegt Thomas: als het beeld vervormd is, zal mijn oordeel ook onjuist zijn. Maar ik kan ook een juist beeld hebben en toch een fout oordeel vellen. Hoe dan ook: telkens wanneer ik een oordeel vel over een bepaald beeld – laten we zeggen, telkens als ik daarover oordeel – laat dat de eerste keer een zogenaamde 'beginnende gewoonte' achter in mijn intellect. Die beginnende gewoonte betekent dat mijn intellect de volgende keer dat ik erover oordeel, op zijn minst een beetje geneigd zal zijn om te oordelen zoals ik het aanvankelijk begreep. Uiteindelijk verandert die beginnende gewoonte in een vaste of diepgewortelde gewoonte. Ik heb dan dus een werkelijk vaste gewoonte om over dit specifieke ding te oordelen.

Telkens wanneer ik dat beeld in mijn verbeelding zie, zet die gewoonte me er dus toe aan om er op een bepaalde manier over te oordelen. Wat is dan het probleem? Het probleem komt in feite neer op het beeld. Wie het beeld beheerst, beheerst ook je oordeel. Als je je hele leven lang te horen hebt gekregen dat iets alleen waar is als je er een goed gevoel bij hebt – en hoewel ze het niet letterlijk zo formuleren, is dat wel wat er in onze cultuur gebeurt: dat is wat ze voortdurend doen wanneer ze willen dat je iets als waar aanneemt. Ze presenteren allerlei positieve dingen – weet je wel, "deze persoon is geweldig", "er is een fantastische..." enzovoort – en dan kom je bij 'de oranje man' en wordt het grimmig en negatief. Ze manipuleren de beelden voortdurend om je cognitieve vermogens zo te sturen dat je vanuit je eigen herinneringen een bepaald beeld vormt; ze proberen je de gewoonte aan te leren om alles altijd op dezelfde manier te beoordelen.

Nu dat zo is, zijn mensen er zo aan gewend geraakt om de waarheid van een stelling te beoordelen op basis van hun gevoel erbij. Als het niet goed voelt, vinden ze wat je zegt slecht of fout. Dit ligt eigenlijk ten grondslag aan waarom ze mensen wantrouwen die met een logisch argument komen dat uit meerdere stappen bestaat. Want wanneer je een logisch argument gebruikt, worden hun driften niet bevredigd. Als jij blijft praten over rede en logica, terwijl zij gewend zijn hun emoties te volgen, zullen ze zeggen: "Dit staat me niet aan." Ze gaan je dan wantrouwen – en dat is precies wat er nu gebeurt: ze wantrouwen iedereen die met een redelijk argument komt. Hun houding is: Als het goed voelt, weet ik dat het waar is.

We zijn nu op een punt beland waarop mensen zo gewend zijn geraakt aan een bepaalde denkwijze, dat als de juiste emotionele toon ontbreekt – en daarom reageren ze zo heftig als je met ze praat en een logisch argument aandraagt ​​of dingen zegt die ingaan tegen wat ze willen – dan hebben ze een instinctieve reactie en oordelen ze dat wat je zegt niet waar is. Daarom haken ze meteen af. Je kunt ze dingen vertellen, je kunt ze letterlijk een foto laten zien van hoe een kind eruitziet bij 12 weken in de baarmoeder. Ze kijken ernaar, maar omdat ze zo gewend zijn geraakt aan het idee dat een vrouw zeggenschap heeft over haar eigen lichaam en dat iedereen die daar anders over denkt slecht is, is hun eerste oordeel: dit klopt niet, of dit is allemaal verzonnen.

Ik heb mensen dat zien doen; omdat hun verstand vaak zo geconditioneerd is geraakt: negeer dat, negeer dat, negeer dat. Het eerste wat je moet doen, is dat idee uit je hoofd zetten; je moet het negeren en je op iets anders richten. En dus hebben we eigenlijk te maken met een cultuur waarin de intellectuele gewoonten disfunctioneel zijn – het zijn eigenlijk geen gewoonten. Het zijn ondeugden. Intellectuele ondeugden. Hoe doorbreek je dat? Hoe begin je met het corrigeren van zo'n intellectuele instelling? Tja, er zijn twee voorwaarden waaraan voldaan moet worden.

De eerste is dat er aan jouw kant sprake moet zijn van goede wil. We komen wel eens mensen tegen die zeggen: "Ik denk dit, ik denk dat..." Maar ze hebben goede wil, want zodra je hem de juiste argumenten voorlegt en voorbij die eerste emotionele reactie kunt komen – dankzij zijn goede wil – dan zal hij uiteindelijk tot het juiste oordeel komen. Hij zal het juiste inzicht krijgen en zeggen: "Oké, ja, ik zie het. Ik begrijp het." Of hij zal een proces van geleidelijke verandering in gang zetten. Want zo'n gewoonte kun je ombuigen en omdraaien. Je kunt op een bepaald vlak – zelfs in je intellect – van een ondeugd naar een deugd gaan. Daarom zie je mensen die bijvoorbeeld zeggen: "Toen ik voor het eerst over evolutie hoorde, was ik meteen overtuigd. Ik dacht dat het waar was, maar ik wil gewoon weten wat de waarheid is. Ik probeer tot de waarheid hierover te komen." En dan begin je met het aandragen van tegenbewijs. En na verloop van tijd begint zijn verstand te oordelen dat er iets niet klopt. Hij is dus verschoven van het idee dat evolutie waar is, naar het besef dat er iets mis is met evolutie – al weet hij niet precies wat.

En zodra hij op een gegeven moment inziet dat het onjuist is, kun je als vervolgargument de waarheid van de schepping naar voren brengen. Daarom kun je bij een overtuigd aanhanger van de evolutietheorie niet direct over de schepping beginnen. Zo werkt het niet. Je moet in stappen te werk gaan wanneer je met hen in discussie bent. Oké. Dat is dus wat je moet doen: stap voor stap werken.

Als ze geen goede wil hebben en kampen met intellectuele gebreken, is genade het enige dat hen kan corrigeren; genade verlicht het verstand en versterkt de wil. Het enige wat je dus kunt doen, is voor hen bidden. Dus eerst goede wil. Is er nog iets anders? Genade. Ze moeten dus goede wil en genade hebben, en vervolgens natuurlijk de juiste informatie ontvangen. Nou, ze moeten goede wil hebben. De juiste informatie ontvangen – en genade kan ook daarbij helpen. Maar als ze kwaadwillend zijn en vasthouden aan verkeerde opvattingen dan is genade het enige wat je kunt inzetten. Alleen God kan hun de genade schenken om dit in te zien. Je kunt het niet eens worden over externe zaken – wat de cultuur inhoudt, hoe we ons binnen die cultuur moeten gedragen en wat moreel juist of onjuist is. Over die specifieke punten kun je geen overeenstemming bereiken. En dus, wanneer je met hen te maken hebt, is er maar één ding dat ze begrijpen.

Slechts één ding: brute kracht. Dat is het enige wat ze begrijpen. En als je naar demonen kijkt: zo gedragen zij zich. Je kunt ze niet van gedachten doen veranderen. Je krijgt ze niet zover dat ze veranderen. Het enige wat je kunt doen, is ze op brute wijze onderdrukken. Hetzelfde geldt voor marxisten en communisten. Je gaat ze niet veranderen, want er is sprake van kwaadaardigheid en ze zitten in een bepaald patroon. Als ze wel enige goede wil hebben, belanden ze na verloop van tijd meestal buiten de partij. Maar het enige wat ze begrijpen is meedogenloze onderdrukking. Dat geldt ook voor linksen. Ze begrijpen alleen een hard pak slaag en zelfs dan is dat pak slaag niet genoeg. Je moet ze letterlijk verpletteren. En dat komt doordat er anders iets anders gaat gebeuren. Die marxisten en linksen zijn precies als demonen. Zodra je ze op de ene plek verplettert, gaan ze naar een andere plek en proberen ze daar weer binnen te komen.

De enige manier om ze te stoppen, is door ze zo meedogenloos te onderdrukken dat ze zich volledig terugtrekken. En dat is het enige wat je kunt doen met marxisten, communisten en linksen, extremistische linksen. Met de gematigden valt tot op zekere hoogte misschien wel te praten, maar het punt is: zo werken ze nu eenmaal. Zie communicatie als een soort spier. In de zin dat je het moet gebruiken – net als bij woordenschat – om het te onderhouden. En nu we digitaler zijn geworden en minder sociaal interactief, is er inderdaad sprake van een verschraling van de communicatie. Diegene beschikt over de intellectuele gewoonten om taal of beelden te structureren en heeft de juiste gewoonten en het denkvermogen nodig om associaties te leggen tussen al die verschillende woorden. Wanneer communicatie begint te haperen en vlak wordt – waarbij het slechts in flarden gebeurt, weet je wel, of via een ander medium in plaats van via het gehoor... maar dat we het in plaats daarvan via iets anders doen. ...dat onze intellectuele gewoonten – zowel wat betreft het cognitieve vermogen als het potentiële intellect – beginnen af ​​te nemen.

Ze beginnen daadwerkelijk af te nemen. Dit is gebaseerd op een komische sketch, maar ik denk dat het waarschijnlijk waar is. Shakespeare had een actieve woordenschat van 35.000 woorden. De gemiddelde Amerikaan heeft een actieve woordenschat van 5.000. En het grootste deel ervan is gewoon troep. Wat laat zien dat mensen niet alleen de aanleg moeten hebben om te kunnen communiceren maar ook intellectuele gewoonten moeten ontwikkelen; dat betekent dat je over de juiste intellectuele gewoonten moet beschikken om zaken te kunnen formuleren en helder te kunnen zien en je moet de juiste vorming hebben genoten om terug te kunnen vallen op die kennis, en dat het 'cogitatief vermogen' (het vermogen tot oordelend inzicht) vanuit mijn ervaring weet dat een persoon wordt gedefinieerd als een individuele substantie van rationele aard.

Maar wanneer mensen stoppen met nadenken over zaken of ermee bezig te zijn, begint hun woordenschat af te nemen. Daarom is het zo belangrijk om te lezen – goede werken te lezen. Je zult nooit een goede communicator worden als je niet veel leest. Daarom is het constant bekijken van YouTube-video's weliswaar nuttig, maar het is niet te vergelijken met lezen; lezen vereist namelijk een actievere inspanning van de geest. Door te lezen ontwikkel je intellectuele gewoonten op een betere manier.

* Een vraag over het huwelijk binnen de context van de Kerk. Eenheid is immers essentieel in een huwelijk. Is dat de reden waarom de Kerk zo lang terughoudend was wat betreft huwelijken tussen mensen met verschillende geloofsovertuigingen – vanwege het gebrek aan eenheid? Ja. Het grootste knelpunt heeft specifiek te maken met de opvoeding van de kinderen. Er waren in feite twee fundamentele redenen: ten eerste wordt het voor de Katholieke echtgenoot moeilijker om zijn of haar ziel te redden, omdat de partner niet dezelfde overtuiging deelt en dus niet op dezelfde manier bijdraagt ​​aan dat leven. Het wordt voor die persoon dus lastiger. Ten tweede bemoeilijkt het de opvoeding van de kinderen. In gevallen waarin de vader het geloof wel praktiseert, maar de moeder niet, zullen de kinderen het geloof verlaten. Maar het merendeel – zo’n 76 procent – ​​keert uiteindelijk weer terug. Als de moeder het geloof wel praktiseert, maar de vader niet, dan is de verhouding precies omgekeerd: in dat geval keert ongeveer 24 procent van de kinderen terug.

Het is dus een soort omkering. Maar wanneer beide ouders het geloof praktiseren, keert 80 tot 90 procent van de kinderen – zelfs als ze het geloof tijdelijk hebben verlaten – uiteindelijk altijd weer terug naar hun geloof. Dit moet natuurlijk gebeuren in de periode waarin de kinderen opgroeien. Maar dat is eigenlijk de werkelijke reden: het was voor hen moeilijker om hun ziel te redden en een gemeenschappelijk leven te leiden binnen een huwelijk, en ook wat betreft de opvoeding van de kinderen. Maar er was nog iets anders, en dat had te maken met wat men 'verschil in geloof' noemt. De Kerk heeft altijd geleerd dat er geen sprake mag zijn van communicatio in sacris (gemeenschappelijk deelnemen aan heilige zaken) met niet-katholieken. Ik besef dat dit de afgelopen 50 tot 60 jaar volledig is veranderd. Maar het uitwisselen van huwelijksgeloften is een vorm van communicatio in sacris – een gezamenlijke deelname aan iets heiligs. Daarom stond de Kerk dit in het verleden slechts bij wijze van uitzondering toe. Daarom was er een dispensatie van de bisschop nodig, wat vóór het Tweede Vaticaans Concilie erg lastig te verkrijgen was. Daarna is dat alles volledig weggevallen.

Dat komt doordat de hele kwestie rond communicatio in sacris tijdens het Tweede Vaticaans Concilie volledig is komen te vervallen. Dat is dus nog een reden: in feite wissel je huwelijksgeloften uit met iemand met wie je volgens de leer geen communicatio in sacris zou mogen hebben. Dat was, zo zou je kunnen zeggen, de oorspronkelijke, voornaamste reden. En ook naarmate mensen groeien in hun geestelijk leven groeien ze in een huwelijk niet in hetzelfde tempo. Er is altijd wel een verschil. Wat kan een echtgenoot doen om de eenheid te bewaren en de ander te helpen verder te groeien? Tja, er blijft altijd die fundamentele eenheid in het geloof. Als ze allebei groeien, doen ze dat gewoon op verschillende manieren. Er blijft altijd dat kern-geloof en die fundamentele overtuiging en enkele essentiële geloofspraktijken.

Het betekent alleen dat de gave van begrip, waarmee iemand intuïtief aanvoelt waar dit geloof om draait bij de ene echtgenoot dieper aanwezig zal zijn dan bij de andere. En dat betekent dat zij meer van datgene waarnaar ze zich kunnen richten, in zich hebben dan de andere echtgenoot. Maar dat betekent niet dat de ander het mist; ze zien alleen niet hetzelfde als jij. Wat je dus moet doen – en dat is wat de Kerk altijd heeft gezegd – is je echtgenoot naar jouw niveau tillen, of zelfs hoger. Tegenwoordig trouwen Katholieken met Katholieken, maar zijn ze eigenlijk niet Katholiek. En dan kan een van hen ontdekken wat het Katholicisme werkelijk inhoudt en zich erin gaan verdiepen. In dat geval is het jouw plicht om te bidden, offers te brengen en goede werken te verrichten, om de genade van de bekering van je echtgenoot te verdienen. Dat is je plicht. En natuurlijk moet je erover praten wanneer ze daarvoor openstaan. Niet door het ze door de strot te duwen, niet door te forceren of allerlei andere dingen te doen, maar gewoon door te bidden. En je zult zien dat het gebeurt.

Dit is ook een van de redenen waarom ik aanraad dat echtgenoten een gebed van binding uitspreken tegen elke demon die de persoon ervan weerhoudt te groeien in het geloof of het Katholieke leven serieus te nemen; want vaak zorgt dat voor een aanzienlijke verschuiving of verandering, omdat jij kunt bidden terwijl de ander daadwerkelijk genaden ontvangt. God schenkt die persoon wellicht de daadwerkelijke genaden omdat jouw gebeden dat verdienen. Hij biedt ze aan, maar de persoon wijst ze af. De reden dat ze het afwijzen, is dat demonen inspelen op een soort subtiele angst, of wat de situatie ook is. "Als je je bekeert, gebeurt dit of dat; het wordt moeilijk; dat betekent dat je moet gaan bidden," enzovoort. En wat ze dan doen, is die gedachten aanwakkeren. Als je op dat moment kunt bidden en de demonen kunt binden, zodat ze niet langer de reactie van de persoon op de genade blokkeren. Vaak zie je dan dat de persoon begint te veranderen.

Het helpt enorm als je specifiek weet wat de demonen bij de partner aanwakkeren: is het angst? Is het niet willen teleurstellen van de ouders – bijvoorbeeld omdat de vader dit of dat was, of een predikant, en jij je bekeert tot het Katholicisme. Het probleem van C.S. Lewis. Hij bekeerde zich niet, omdat hij zoiets had van: tja, al mijn vrienden en collega's zullen me afwijzen. De reden dat wij als mensen over koetjes en kalfjes spreken, is dat we geen engelen zijn. Engelen kijken naar – of denken aan – een andere engel en weten onmiddellijk alles wat er over diegene te weten valt. Ze weten precies wat er met hem aan de hand is. Bij ons ligt dat anders. Omdat er na de zondeval mensen zijn die slecht zijn en mensen die gek zijn, moeten we eerst even de kat uit de boom kijken, want anders loop je het risico dat je een klap op je kop krijgt, neergestoken wordt of wat dan ook. Het punt is dus dat we precies daarom zo te werk moeten gaan. Je moet het opbouwen. Je moet in de loop van de tijd vertrouwen opbouwen bij mensen.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 00:50 Reageer op dit bericht

14/10 Pr Ripperger: Goede communicatie kan huwelijken, de samenleving en de Kerk redden. - Sign of the Cross

14/10 Pr Ripperger: Goede communicatie kan huwelijken, de samenleving en de Kerk redden. - Sign of the Cross

Deze conferentie gaat dus over communicatie: de aard ervan, waarom het belangrijk is en hoe je je communicatie kunt verbeteren. Ik heb vandaag namelijk gemerkt dat, naarmate mensen meer losraken van de werkelijkheid, hun vermogen om goed te communiceren steeds meer onder druk komt te staan. Ik zal een voorbeeld geven: ik ging ooit naar een McDonald's. Ik zei: "Ik neem menu nummer twee." "Oké, dus u wilt nummer drie?" "Nee, ik wil nummer twee." "Oké, nummer één?" "Nee, nummer twee." Om de een of andere reden was die man niet in staat te horen wat ik zei. Wat hier eigenlijk aan de hand is, is dat aandacht neerkomt op het richten van de wil – vanuit onze lagere vermogens – op iets dat buiten ons ligt. Dat is waar het uiteindelijk om draait. Maar we willen het hier vooral hebben over wat communicatie nu eigenlijk is.

In het kort: De stappen van het overbrengen van een gedachte:

1 Conceptie (De zender): Wat er gebeurt: In uw verstand (het intellect) vormt zich een concept of waarheid. Uw cogitatief vermogen (het oordelend vermogen op zintuiglijk niveau) koppelt dit abstracte idee aan een specifiek mentaal beeld (een fantasme) en verbindt dit vervolgens met de juiste woorden en klanken uit uw geheugen.

2 Spraak/Expressie (De verzending): Wat er gebeurt: Uw spraakorganen zetten deze associatie om in fysieke klanken of geschreven woorden. Volgens de natuurwet is deze stap exclusief bedoeld om de werkelijkheid zoals die is (de waarheid) te openbaren.

3 Perceptie (De ontvanger): Wat er gebeurt: De ander hoort de klanken. De fysieke zintuigen sturen dit door naar het gemeenschappelijk zintuig (sensus communis), dat de klanken samenvoegt tot een mentaal beeld in de verbeelding van de luisteraar.

4 Assimilatie en Oordeel (Het begrip): Wat er gebeurt: Het cogitatief vermogen van de ontvanger analyseert dit beeld en duikt in het eigen geheugen om te begrijpen wat de woorden betekenen. Tot slot trekt het intellect van de luisteraar hier een abstract concept uit en velt een oordeel: "Klopt dit met de realiteit?"

Waar het fundamenteel verkeerd kan lopen

Pr Ripperger legt uit dat dit zuivere proces op drie specifieke punten gecorrumpeerd kan worden, wat leidt tot de breuken in huwelijken en de samenleving:

* Slechte definities en vaag taalgebruik: Als de zender onnauwkeurige woorden gebruikt of als de ontvanger een heel andere betekenis aan een woord geeft, ontstaat er intellectuele mist. Men praat letterlijk langs elkaar heen omdat de mentale beelden niet overeenstemmen.

* Emotionele verstoringen en de verbeelding: Dit is de meest voorkomende valkuil in huwelijken. Ripperger geeft vaak het voorbeeld van een vrouw die haar man op zijn verjaardag liefdevol vraagt: "Wanneer sta je op?" (haar intentie is een fijn ontbijt). Als de man echter kampt met onzekerheid of frustratie, vervormen zijn emoties en verbeelding de boodschap tot: "Zij vindt dat ik lui ben". De emotie saboteert het objectieve oordelend vermogen.

* Infiltratie door negatieve psychologische gewoonten: Wanneer iemand gewend is geraakt aan een negatieve of achterdochtige bril, filtert het cogitatief vermogen elke binnenkomende boodschap op een destructieve manier. Men zoekt naar verborgen motieven in plaats van te luisteren naar de feitelijke waarheid.

* Het schenden van de waarheid (Leugens en ideologie): Zodra spraak bewust wordt losgekoppeld van de objectieve realiteit (bijvoorbeeld door manipulatie of ideologische taal), stort het fundament van communicatie in. Dit vernietigt het onderlinge vertrouwen, wat de basis is van elke gezonde relatie en samenleving.

Echte communicatie vereist volgens deze filosofie dat we onze emoties onder controle houden, exacte definities gebruiken en ons intellect filteren van valse subjectieve invullingen, zodat we elkaar kunnen ontmoeten in de objectieve waarheid.

**Sint-Thomas van Aquino spreekt er niet heel uitgebreid over; hij richt zich vooral op het spreken van de waarheid. Hij stelt dat onze menselijke vermogens – gebaseerd op de natuurwet – zo zijn geordend en gestructureerd dat ze gericht zijn op het vertellen van de waarheid. Dat betekent in feite dat ze bedoeld zijn om ons conceptuele begrip – de waarheid die wij kennen – over te dragen aan anderen. Buiten die context gaat hij er niet diep op in, al zijn er hier en daar wel wat losse opmerkingen te vinden. Maar we kunnen wel specifiek bespreken wat er gebeurt wanneer iemand iets wil communiceren – iets wat in zijn gedachten leeft – aan een ander persoon. Er zijn daarvoor een aantal stappen nodig.

Ten eerste heeft persoon A een concept in gedachten dat hij wil overbrengen aan persoon B. Maar we kunnen concepten niet rechtstreeks communiceren. We moeten daarvoor een middel gebruiken. Engelen kunnen ze wel rechtstreeks overbrengen, maar wij niet. Wat we dus moeten doen, is vanuit het concept – via een oordeel of een wilsdaad – onze verbeelding inzetten om een ​​beeld te vormen dat bij dat concept past. Stel bijvoorbeeld dat ik iemand het concept 'hond-zijn' wil overbrengen; dan moet ik me een viervoeter voorstellen en vervolgens mijn cognitieve vermogen gebruiken om associaties te leggen met de specifieke termen die horen bij dat beeld. En dan kan ik mijn spraakvermogen inzetten om die specifieke woorden over te brengen. Het beeld en de verbeelding zijn dus gekoppeld aan een reeks woorden en die specifieke woorden spreek ik vervolgens uit. 

En die woorden volgen natuurlijk een grammaticale structuur; ze vormen een specifiek geheel. Die grammaticale structuur is technisch gezien slechts een weerspiegeling van hoe we bepaalde zaken conceptueel en in onze verbeelding begrijpen. Bij dat communicatieproces kunnen er echter allerlei dingen misgaan. We hebben het nog niet eens gehad over hoe persoon B überhaupt moet begrijpen wat we zeggen.

Ten eerste: wanneer we van onze conceptuele gedachte overgaan naar het beeld en de verbeelding – dus aan de kant van de wil: als ik besluit om iemand iets onwaars te vertellen, dan beïnvloedt dat mijn beeldvorming en spreek ik feitelijk onwaarheid. Maar als ik de intentie heb om de waarheid te spreken over mijn oordeel over wat ik weet – bijvoorbeeld dat alle honden viervoeters zijn – dan moet dat beeld in mijn verbeelding worden gevormd. Sommige mensen zijn daar beter in dan anderen. En soms, wanneer we iets proberen over te brengen, ligt het wat ingewikkelder. Het beeld dat we moeten formuleren, moet complexer of subtieler zijn, enzovoort. En sommige mensen zijn daar nu eenmaal niet zo goed in. Dus bij de overgang van een oordeel en de wil die de lagere vermogens aanstuurt, kan er een beeld ontstaan ​​dat conceptueel niet helemaal klopt.

Sommigen van ons hebben dit zelf ook ervaren: wanneer je iets heel complex of moeilijks probeert uit te leggen, of iets heel subtiels, of wanneer je op zoek bent naar een specifiek woord om conceptueel weer te geven wat je oordeel precies inhoudt. Soms hangt het woord dat het cognitieve vermogen (het oordelend vermogen) eraan koppelt, volledig af van het beeld dat je in je verbeelding vormt; dat beeld bepaalt welk woord het vermogen ermee associeert en hoe je vervolgens daadwerkelijk verwoordt wat je wilt zeggen. Dat is dus één aspect. Dat is het eerste punt waarop het mis kan gaan.

Een tweede punt waarop het mis kan gaan, ligt bij het cognitieve vermogen zelf. Je hebt me vast al vaker horen vertellen dat dit vermogen in staat is om naar het beeld in de verbeelding te kijken, terug te grijpen op het geheugen en associaties te leggen: wat is dit precies? Waarmee wordt dit specifieke ding geassocieerd? Stel, mijn moeder komt de kamer binnen. Ik heb een beeld van mijn moeder; dat beeld bevindt zich in mijn verbeelding. Het cogitatieve vermogen bekijkt het, grijpt terug op het geheugen, haalt de informatie over mijn moeder naar boven, en zo herken ik onmiddellijk: dit is mijn moeder. Dat is dus het proces dat zich afspeelt. Het kan echter zo zijn dat er in het cogitatieve vermogen gewoontes zijn ontstaan ​​die haaks staan ​​op de werkelijkheid, of op de manier waarop dat beeld eigenlijk begrepen of geassocieerd zou moeten worden. Dit kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op wat onze ouders – weet je, tijdens onze opvoeding – steeds tegen ons zeiden. Stel dat we nu 18 zijn en dat ze ons al die tijd hebben voorgehouden: "die oranje man is slecht, die oranje man is slecht" (je hebt me dat eerder horen zeggen).

Wat er dan gebeurt, is dat wanneer ik over die specifieke "oranje man" spreek, er een beeld in mijn verbeelding opkomt en ik ga associëren dat hij daadwerkelijk slecht is. Als ik dat vervolgens aan anderen overbreng –dat hij in dit opzicht slecht is – terwijl de ander iets heel anders ziet dan wat ik zeg, dan is dat een indicatie dat óf mijn oordeelsvermogen vertroebeld is, óf de associaties in mijn cognitieve vermogen feitelijk onjuist zijn. Dus, hoe verfijnder dat cognitieve vermogen is – oftewel: hoe intelligenter we zijn – des te beter het in staat is om verfijnde associaties te maken en des te beter de woordenschat is. Hoe breder de woordenschat, des te nauwkeuriger die kan zijn. En dus, naarmate we intelligenter zijn, kunnen we gebruikmaken van zeer specifieke vormen van woordenschat om zaken over te brengen die subtieler of nauwkeuriger zijn.

We gaan van concept naar beeld, en vervolgens wordt dat beeld uitgesproken. Het wordt dus omgezet in geluid. Het geluid bereikt dan natuurlijk de oren van persoon B, die het hoort, en wat doet zijn brein vervolgens? In feite zorgt het denkvermogen voor een associatie. Er vindt een heel proces plaats in de hersenen. Er wordt in de hersenen van persoon B een associatie gelegd met de specifieke woorden die ik uitspreek. Als die woorden dus niet precies overbrengen wat ik werkelijk denk – en dan heb ik het niet per se over iemand die liegt –, dan hoort de ander niet het concept dat jij in gedachten hebt. Hij hoort wat je daadwerkelijk zegt. En vaak zeggen we dingen, en wat de ander hoort, is precies wat we uiteindelijk hebben gezegd. Een deel van het probleem is dat, omdat bepaalde woorden onnauwkeurig kunnen zijn – of door de manier waarop we iets formuleren –, het beeld dat uiteindelijk uit al die woorden voortkomt, daar gaat het bewustzijn mee aan de slag en begint een beeld op te bouwen op basis van wat we horen.

En dat beeld kan uiteindelijk natuurlijk overeenkomen met het beeld in zijn verbeelding. Aristoteles stelt zelfs dat perfectie in het onderwijzen erin bestaat de juiste fantasmata – oftewel beelden – voor de leerling te creëren, zodat wanneer hij het hoort, hij het conceptueel begrijpt. Hij vormt zich dus een beeld in zijn geest, abstraheert dat en velt er een oordeel over in zijn potentiële intellect; daar ontwikkelt hij een conceptueel begrip, zodat hij uiteindelijk tot hetzelfde concept komt als jij. Dat is dus het algemene proces.

Het probleem is dat er verschillende punten zijn waarop het mis kan gaan. Als je woorden niet precies overbrengen wat het concept inhoudt, vormt de luisteraar zich een beeld; dat beeld komt niet overeen met het concept dat jij bedoelde. Bovendien, als je woorden niet duidelijk zijn of meerdere betekenissen hebben, kan het menselijk denkvermogen bepaalde associaties leggen op basis van de context of andere factoren. Daardoor ontstaat er een ander beeld dan wanneer het concept in een andere context zou zijn geplaatst; en uiteraard leidt dit tot een ander conceptueel begrip en een ander oordeel. Dit zijn dus de manieren waarop menselijke communicatie kan falen. Bij engelachtige communicatie werkt het anders: men heeft een concept in de geest en geeft aan de ander te kennen dat men over dat concept wil spreken. Men draagt ​​dat conceptuele begrip over; binnen dat concept kunnen specifieke inzichten bestaan ​​die eveneens aan andere engelen kunnen worden overgedragen. Hierdoor bevat hun onderlinge communicatie uiteindelijk geen onwaarheden – tenzij er natuurlijk sprake is van opzet.

Stel bijvoorbeeld – puur hypothetisch – dat een hogere engel in de hel iets communiceert aan een lagere engel en daarbij een deel van de inhoud achterhoudt, of aangeeft dat het concept vanuit een bepaald gezichtspunt bekeken moet worden (terwijl hij dat deel weglaat). Zo kan hij de zaak vervalsen, waardoor de andere engel een onjuist beeld krijgt van de werkelijkheid. Je moet echter goed beseffen dat, wanneer dit gebeurt, de fout niet zit in het proces zelf – de overdracht van het concept van de ene naar de andere engel. De fout ligt in de oorspronkelijke conceptuele onwaarheid en in het feit dat de ander het concept bekijkt vanuit het gezichtspunt dat hem wordt voorgeschoteld. Het is dus een heel andere situatie. Goed. Om even terug te komen op mensen: hier is het punt waar communicatie kan vastlopen.

Daarom is er dat uitstekende boek van Josef Pieper, Misbruik van taal, misbruik van macht.

"Misbruik van taal, misbruik van macht" (oorspronkelijke Duitse titel: Missbrauch der Sprache, Missbrauch der Macht, 1974) van de bekende katholieke thomistische filosoof Josef Pieper gaat over de manier waarop taal gecorrumpeerd wordt om mensen te manipuleren en macht uit te oefenen. Net als pater Ripperger bouwt Pieper direct voort op de klassieke thomistische en platoonse filosofie.

Het kernidee van dit korte maar invloedrijke essay is simpel: zodra taal niet meer gebruikt wordt om de objectieve werkelijkheid (de waarheid) over te brengen, verandert het onherroepelijk in een instrument van dwingende macht en controle.

Pieper verdeelt zijn analyse in een aantal centrale thema's:

1. Tweeledige doel van taal

Volgens Pieper heeft taal van nature twee unieke eigenschappen:

* Het overbrengen van de realiteit: Taal dient om te benoemen wat écht is.

* Het intermenselijke karakter: Taal is bedoeld om die realiteit met een ander persoon te delen (communicatie).

Zodra je een van deze twee loskoppelt, vernietig je de essentie van taal. Wie liegt of de waarheid verdraait, stopt met communiceren en begint tegen de ander te praten als een object in plaats van als een persoon.

2. Strijd tegen de sofisten

Pieper trekt een parallel met het klassieke Griekenland, waar Plato streed tegen de sofisten. Sofisten waren meesters in de retorica: zij gaven niet om de inhoud of de objectieve waarheid, maar puur om de vorm en het effect. Hun doel was vleien, overtuigen en winnen. Pieper stelt dat deze "sofisterij" een tijdloos gevaar is dat in elke samenleving de kop opsteekt.

3. Propaganda, massamedia en dictatuur

Het boek legt bloot hoe totalitaire regimes, moderne bureaucratieën en massamedia taal misbruiken. Ze creëren een schijnwerkelijkheid door woorden een andere of vage betekenis te geven (zoals het herdefiniëren van termen als 'vrijheid', 'liefde' of 'gerechtigheid').

Wanneer de gedeelde objectieve waarheid verdwijnt, is er geen basis meer voor een open debat.

Als oprechte discussie onmogelijk is geworden, is de enige overgebleven manier om de ander te overtuigen het gebruik van macht, manipulatie of psychologische dwang.

4. Oplossing

De conclusie van Pieper is even radicaal als hoopgevend: de enige manier om je te verzetten tegen de destructie van taal en maatschappij, is door dingen strikt te blijven zien zoals ze werkelijk zijn en te weigeren mee te gaan in ideologische herdefinities. Het spreken van de pure waarheid is de ultieme daad van verzet tegen machtsmisbruik.

Het boek sluit naadloos aan bij wat we zojuist bespraken over pater Rippergers visie op misgelopen communicatie

** Hij herhaalt eigenlijk wat diverse filosofen al zeiden: wie de controle heeft over de betekenis van woorden – of anders gezegd: wie de definitie van woorden kan bepalen – kan ook beïnvloeden wat mensen over die zaken denken. Dat is ook de reden waarom je ziet dat mensen die een machtspositie verwerven en kwaadaardig zijn als een van de eerste dingen de betekenis van bepaalde termen gaan veranderen zodat ze mensen kunnen manipuleren en controleren. Waarom doen ze dat? Neem bijvoorbeeld een politicus. die zegt: "De opwarming van de aarde wordt door mensen veroorzaakt, en dat leidt tot allerlei schade en problemen." Wat ze dan doen is een bepaald woord introduceren of gebruiken. Als je bijvoorbeeld tegen het homohuwelijk bent, zeggen ze "je bent een onverdraagzaam persoon". Maar dat is geen onverdraagzaamheid; onverdraagzaamheid is immers een vooroordeel waarbij je automatisch op een bepaalde groep mensen neerkijkt. Dat is hier niet per se aan de orde.

Ik zeg alleen dat het homohuwelijk iets anders is. Vaak gebruiken ze woorden verkeerd; het woord 'homofobie' betekent angst voor homoseksuelen, terwijl ze eigenlijk willen zeggen dat homofobie inhoudt dat je een hekel aan ze hebt. Tja, dat is een heel ander woord. Ze spelen dus vaak gewoon wat met woorden. Een priester zegt bijvoorbeeld: "Ja, ik heb inderdaad homofobie." En dan reageren mensen met: "Wat?" Waarop hij zegt: "Ja, ik ben bang dat ze veel schade zullen aanrichten als ze bepaalde posities bekleden." En iedereen heeft daar dan eigenlijk wel vrede mee. Als we jonger zijn, tussen de leeftijd van 10 maanden en 5 jaar, woorden worden gekoppeld aan bepaalde zaken; de basiswoorden en de basiswoordenschat die we hebben, en de bijbehorende associaties, worden gevormd in relatie tot de ouders.

Er wordt een cognitief vermogen opgebouwd rond de manier waarop deze specifieke woorden zich verhouden tot die zaken en hoe ze daarmee samenhangen, enzovoort. Neem bijvoorbeeld het fornuis: je kunt kinderen uitleggen dat het fornuis heet is en dat je je eraan kunt branden. Zo leg je dat verband, zodat ze begrijpen dat er een risico op verbranding bestaat. Op die manier bouwen we dat gaandeweg op. Dit is ook een reden waarom degene die in de vroege jaren de educatie van kinderen bepaalt, de basis legt voor hun woordenschat en begrippenkader voor de toekomst. Ook de middelbare schooltijd is een cruciale periode. Het komt er eigenlijk op neer wie bepaalt hoe termen en woorden gedefinieerd worden. Daarom klagen mensen soms als ik een lezing geef: ik ben voortdurend bezig met definities.

Dat is nodig, ten eerste omdat de definitie de basis vormt voor alle latere filosofische discussies. Maar daarnaast moet je duidelijkheid scheppen over hoe je een term gebruikt, zodat anderen er niet zomaar hun eigen betekenis aan kunnen opdringen. Neem bijvoorbeeld de term 'recht': die heeft een heel specifieke filosofische definitie. Het wordt gedefinieerd als een morele aanspraak van de ene persoon op de andere, met betrekking tot iets waartoe de ander verplicht is. Dat is in essentie de definitie van een recht. Tegenwoordig is de term 'recht' echter zo algemeen geworden dat mensen denken dat ze recht hebben op alles wat ze maar willen, maar dat is simpelweg niet zo. Ik ben niet verplicht om jou iets te geven waar jij meent recht op te hebben, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. En precies daar wringt de schoen.

Daarom blijf ik iedereen vertellen: we zullen de argumenten in het abortusdebat niet winnen zolang we geen duidelijke definitie hebben van wat een recht is – en dus dat het recht van een vrouw begrensd wordt door de natuurwet. Pas dan kunnen we die discussie voeren. Maar zolang we het daar niet over eens zijn, lopen we vast; iedereen behandelt een recht namelijk alsof het absoluut is, terwijl dat niet zo is. Het is begrensd. Goed. Wie de woorden bepaalt, bepaalt dus ook hoe mensen die woorden daadwerkelijk begrijpen.

Wat betreft persoon B, die de informatie ontvangt, spelen er een paar dingen mee. Laten we nog even één stap terug doen. Als ik me in een emotionele staat bevind terwijl ik spreek, kan het gebeuren dat de woorden die aan het beeld en het 'cognitieve vermogen' worden gekoppeld, niet in verhouding staan ​​tot of niet precies overeenkomen met wat ik zeg. Ze kunnen onnauwkeurig zijn, want als ik emotioneel word over iets. Stel, ik denk: "Oké, dit moet ik die persoon vertellen." Als ik emotioneel ben, zal dat cognitieve vermogen naar die emotie kijken. In zekere zin is dat vermogen nogal simpel: het ziet gewoon 'X'. Het kijkt niet per se naar de hele emotionele context; het ziet alleen 'X'. Het legt een verband met 'X' en haalt dat naar boven. Als 'X' ook 'Y' en een hoop emotie bevat, ziet het vermogen een bepaalde mate van extremiteit.

Vervolgens zoekt het de woorden erbij die bij die mate van extremiteit passen, haalt die naar boven, plaatst ze in de gedachte, en uiteindelijk spreekt de persoon ze uit. En zo kan die communicatie feitelijk vervormd raken. Het cognitieve vermogen doet gewoon waarvoor het bedoeld is. En dus kunnen onze emotionele toestanden niet alleen invloed hebben op de fijnzinnigheid van het cognitieve vermogen om zinnen goed te formuleren of om goed te verwoorden wat we willen zeggen. Maar het kan ook invloed hebben op de specifieke woorden die in de toespraak worden gekozen, doordat er sprake kan zijn van een teveel of een tekort – want dat is wat emoties doen. Ze sturen ons oordeel richting een teveel of een tekort. Begrijp je? En ze kunnen het beeld vertroebelen bij degene die het hoort.

Stel nu dat er geen probleem is tussen de mond van de spreker en de persoon die luistert – ervan uitgaande dat diegene de woorden daadwerkelijk kan horen: zodra iemand ze hoort, wordt dat woord – dat geluid – gekoppeld aan een specifieke reeks beelden. Die beelden worden erbij gehaald en legt het cognitieve vermogen een reeks associaties en bouwt zo dat beeld in mijn verbeelding op. Twee dingen kunnen daar invloed op hebben: * Het eerste geval is wanneer iemand helemaal overstuur en geagiteerd is, en vol emotie zit. Wat er dan gebeurt, is dat het denkvermogen die binnenkomende informatie en de emotie waarneemt, en vervolgens associaties begint te leggen die niet kloppen of niet waar zijn. Het vermogen gaat associaties leggen die er in werkelijkheid niet eens zijn. We zien dit voortdurend gebeuren bij mensen.

Ik noem een ​​voorbeeld: de vrouw komt binnen en vraagt ​​aan haar man: "Hoe laat sta je op?" Als ze de avond daarvoor bijvoorbeeld een enorme ruzie hebben gehad, zal zijn denkvermogen – afhankelijk van de situatie – bepaalde associaties leggen. Stel dat de relatie juist heel goed is en alles prima verloopt; dan zal hij waarschijnlijk associëren dat, wanneer ze op die toon spreekt en ze allebei in een goed humeur zijn, dit meestal een teken is dat ze iets leuks voor hem in petto heeft – zoals ontbijt op bed brengen. Maar als hij boos is – ook al is zij dat misschien niet – en hij hoort die vraag, dan grijpt zijn geest terug op eerdere ervaringen: "Elke keer als ik in deze toestand verkeerde, betekende het dat ze me de huid vol ging schelden of iets vervelends ging zeggen."

En zo worden er allerlei associaties gevormd op basis van onze emotionele toestand, ongeacht of dat ook daadwerkelijk haar bedoeling is. Daarom is de eerste stap — als we echt naar mensen willen luisteren en goed willen begrijpen wat ze daadwerkelijk zeggen — dat we ons in een toestand bevinden waarin onze emoties volledig tot rust zijn gekomen. We moeten vrij zijn van emotionele bagage die ons oordeel zou kunnen beïnvloeden. 

Laten we kijken naar persoon B. Bij persoon B zal zijn cognitieve vermogen — wanneer hij deze informatie ziet en afhankelijk van zijn emotionele toestand — bepalen hoe hij associaties legt en zich een beeld vormt. Wanneer hij vervolgens een oordeel velt over de conceptuele inhoud van wat je zegt, zal dat oordeel doorslaan naar een uiterste (te veel of te weinig) of zelfs onjuist zijn. En zo komen we weer terug bij het voorbeeld van de man en de vrouw. Ze zegt bijvoorbeeld dat ze ontbijt op bed voor hem gaat maken. Maar als ze vraagt: "Hoe laat sta je op?", en hij is boos, dan hoort hij eigenlijk: "Je bent lui, je bent dit, je bent dat." Dat is wat er zich in zijn hoofd afspeelt. Oké. En dat betekent natuurlijk dat we bij het communiceren als eerste moeten letten op persoon B: in welke staat verkeert diegene? Is die persoon echt in staat om te horen wat ik zeg? En de manier waarop hij reageert, laat zien hoe hij jouw woorden interpreteert.

Want je hebt vast wel eens meegemaakt dat je iets tegen iemand zei en dat diegene – door zijn emotionele toestand of eerdere negatieve associaties – automatisch een ander oordeel velde over wat je zei omdat zijn beeldvorming en verbeelding op een andere manier zijn ingesteld. Dit is een van de redenen waarom jullie beiden de emoties onder controle moeten krijgen. Maar tegelijkertijd moet je je er tijdens het communiceren van bewust zijn dat je bij die specifieke persoon bepaalde termen niet kunt gebruiken omdat zijn cognitieve vermogen bij die woorden direct negatieve associaties oproept; de persoon maakt verkeerde koppelingen, er komen emoties los of er ontstaat een verkeerd oordeel, en dan krijg je al die emotionele ballast die naar boven komt. Ze zullen het niet helder kunnen zien.

We moeten dus soms voorzichtig zijn met hoe we het precies zien. Aan de andere kant: soms helpt het om gewoon duidelijke taal te gebruiken om door de emotionele mist heen te breken. Dit is een situatie waarin je goed moet letten op de persoon met wie je communiceert. Het gaat niet alleen om het kiezen van de juiste woorden; communicatie is gebaseerd op het principe van ontvangst: alles wat wordt ontvangen, wordt ontvangen op de manier waarop de ontvanger het opvat. Het gaat dus om hoe je het zegt; je kunt het perfect verwoorden. Je kunt het keer op keer perfect herhalen.

Maar als er bij de ander sprake is van kortsluiting, maakt het niet uit hoe vaak je het zegt: ze zullen het niet begrijpen. Je moet het anders formuleren, zodat die persoon daadwerkelijk begrijpt wat er aan de hand is. Dit alles gaat ervan uit dat er aan beide kanten goede wil is. Een van de dingen die me enorm frustreert bij het tv-kijken, is het zien van linkse mensen die gevormd zijn door volgelingen van Saulinsky. Wat er vaak gebeurt, is dat conservatieven proberen een intellectuele discussie te voeren. Maar als de conservatief het argument van de linkse persoon onderuit haalt of aantoont dat het niet klopt, probeert die linkse persoon niet om het anders te formuleren of het debat aan te gaan; in plaats daarvan gaan ze gewoon door de ander heen praten. Ze blijven er dwars doorheen praten. Want Saulinsky leerde hen: als ze je duidelijk tegenspreken en je dreigt de discussie te verliezen, praat er dan gewoon overheen, want dan win je alsnog. Nee, dat doe je niet. Uiteindelijk irriteer je alleen maar iedereen.

Dit is een patroon dat zeer herkenbaar is binnen de politieke analyse van het moderne debat. Deze dynamiek — waarbij een intellectueel argument niet inhoudelijk wordt weerlegd, maar overstemd of genegeerd — sluit direct aan bij de tactieken van de radicale activist Saul Alinsky (de auteur van het invloedrijke boek Rules for Radicals, 1971).

Wanneer een gesprekspartner stopt met argumenteren en simpelweg door de ander heen begint te praten, is dat vanuit de politieke filosofie van Alinsky en Josef Pieper als volgt te verklaren:

1. Het doel is niet de waarheid, maar de overwinning

Voor een klassieke conservatief (en in de traditie van denkers als Pieper of Thomas van Aquino) is een debat een zoektocht naar de objectieve waarheid. Je brengt argumenten in, toetst ze aan de realiteit en als een argument niet klopt, pas je je standpunt aan.

Bij volgelingen van de Alinsky-school werkt dit fundamenteel anders. Voor hen is politiek een nulsomspel van macht. Het doel van het debat is niet om samen tot een intellectuele consensus te komen, maar om de ideologische tegenstander te neutraliseren en te verslaan voor het oog van de camera. Het toegeven van een intellectuele fout wordt gezien als zwakte en terreinverlies.

2. Toegepaste Alinsky-tactieken in de praktijk

Het gedrag dat u op televisie ziet, is vaak een directe vertaling van specifieke regels uit Rules for Radicals:

* "Belachelijk maken is het machtigste wapen van de mens" (Regel 5): Als een conservatief met een waterdicht feitelijk argument komt dat niet te weerleggen valt, switcht de activist naar een emotionele of spottende toon. Door erdoorheen te praten, wordt de rustige opbouw van het intellectuele argument van de tegenstander gesaboteerd.

* "Houd de druk erop" (Regel 8): De tactiek schrijft voor dat je nooit in de verdediging moet schieten. Als jouw argument onderuit wordt gehaald, mag je de tegenstander geen ruimte geven om dat te vieren. Door te blijven praten, te herhalen of de stem te verheffen, behoudt de activist het initiatief op het scherm, ongeacht de inhoudelijke claims.

* "Personaliseer de vijand en isoleer hem" (Regel 13): In plaats van te reageren op wat er wordt gezegd (het argument), verschuift de focus naar wie het zegt. Door de discussie te verstoren, wordt de conservatief gedwongen om te reageren op de verstoring zelf, in plaats van op de inhoud.

3. De overgang van communicatie naar macht (Pieper)

Dit is exact het punt waar de waarschuwing van Josef Pieper werkelijkheid wordt. Pieper stelde dat wanneer taal losgekoppeld wordt van de waarheid, het verandert in een instrument van pure macht.

Het "door de ander heen praten" is de fysieke en verbale uiting van die macht. Het is een vorm van akoestische dominantie: wie het hardste praat of de ander de microfoontijd ontneemt, controleert de ruimte. Het intellectuele debat (het cognitieve proces) wordt zo doorbroken en vervangen door een psychologisch machtsspel (een sofisterij in de woorden van Pieper) dat puur gericht is op het beïnvloeden van de toeschouwer thuis.

Het kan inderdaad erg frustrerend zijn om te zien dat de regels van een eerlijk debat worden genegeerd.

** En dus betekent dit eigenlijk – als we kijken naar de structuur van het spreken en hoe onze vermogens zijn ingericht – dat het intellect ervoor gemaakt is om de waarheid te kennen, en dat het spraakvermogen bedoeld is om die waarheid met de juiste woorden over te brengen op persoon B – zodat zij daadwerkelijk horen wat we proberen over te brengen. Dit betekent uiteraard dat we door middel van goede communicatie daadwerkelijk een intellectuele eenheid tussen ons tot stand brengen. Bijvoorbeeld binnen de Kerk – is dat één van de grootste problemen waar we nu mee kampen, voortkomt uit het feit dat men niet langer gelooft in de geloofsschat. En omdat veel bisschoppen het niet eens onderwijzen – en zelfs dingen leren die in strijd zijn met de geloofsschat – nemen ze deze houding aan; want de basis van de waarheid is verlegd van de objectieve inhoud van de geloofsschat – iets dat buiten ons staat en ons wordt onderwezen door een andere instantie buiten ons, namelijk het leergezag.

In plaats daarvan verleggen ze de focus naar onze gevoelens. Voor hen bestaat eenheid uit een eenheid van gevoelens. Weet je wel: kunnen we niet gewoon allemaal door één deur? Je moet gewoon je naaste liefhebben, enzovoort. Het getuigt van een totaal en beschamend onbegrip van het feit dat onze fundamentele vorm van eenheid als mens vrijwel niets te maken heeft met onze emoties of onze subjectieve gemoedstoestand. Het draait om het bestaan ​​van een object buiten ons, waaraan wij ons beiden conformeren. Dat noemen we de waarheid: de overeenstemming van het verstand met het object waarmee we beiden geconfronteerd worden, en vervolgens vormt dat object de basis voor de intellectuele eenheid tussen ons beiden; doorgaans noemen we dat de werkelijkheid. De realiteit vormt het uitgangspunt: zodra mensen de werkelijkheid niet meer accepteren en deze willen veranderen, ontstaat de eerste breuk in hun vermogen om te communiceren, en daarmee de eerste breuk in cultuur en samenleving. Maar dit betekent ook dat er een breuk kan ontstaan ​​binnen een huwelijk of welke relatie dan ook.

Er moet sprake zijn van iets externs waarover beide partijen het eens zijn en waaraan ze zich houden; als dat niet lukt, betekent dit in feite dat alle verdere communicatie zal vastlopen, omdat wij als mensen een natuurlijke neiging hebben om in gemeenschap te leven. Sint-Thomas stelt dat dit deel uitmaakt van de derde categorie van natuurlijke neigingen binnen de natuurwet. Dit houdt in dat wij als mensen een natuurlijke neiging hebben tot een leven van wezenlijke communicatie. We moeten in staat zijn tot een zekere mate van onderlinge communicatie. Mensen zeggen wel eens: "Ach, weet je, sommige oudere mensen komen op een punt waarop ze nauwelijks nog met elkaar praten." Dat komt doordat ze al zoveel hebben gedeeld dat ze het eens zijn en weten wat hen verbindt in hun huwelijk of relatie. Dit is cruciaal, want kijk bijvoorbeeld naar de Kerk: men probeert voortdurend de discussie over eenheid aan te wakkeren, maar spreekt nooit over het principe van die eenheid, namelijk het pausdom. En wat is de fundamentele functie van het pausdom?

Onze Heer zei tegen Petrus: "Versterk je broeders. Leer hun alles wat Ik jullie heb opgedragen." De taak van de paus is dus om de geloofsschat te nemen en deze helder aan ons over te dragen, en ons te bevestigen in ons vermogen om de waarheid daarin te zien. En daardoor hebben we die eenheid binnen de Kerk. De reden dat we geen eenheid in de Kerk hebben, is dat mensen niet langer hetzelfde geloven. Kijk, uiteindelijk is dit het fundamentele probleem. We blijven maar zeggen: "Oh, hij is Katholiek, hij is Katholiek..." maar wacht eens even. Als iemand niet gelooft dat Christus daadwerkelijk is opgestaan ​​in hetzelfde fysieke lichaam, of niet gelooft dat er slechts één heilige, Katholieke en apostolische Kerk is... tja, dan behoren we uiteindelijk niet eens meer tot dezelfde religie. We maken misschien deel uit van dezelfde zichtbare structuur, maar in werkelijkheid geloven we niet eens meer in dezelfde dingen.

En dat is het fundamentele probleem dat hier speelt. Daarom is communicatie zo cruciaal. Je kunt niet eens een gemeenschappelijk leven leiden zonder communicatie. Zelfs doven hebben manieren om met elkaar te communiceren. En als je in een situatie zit waarin niemand communiceert, dan eindig je uiteindelijk met een breuk. Zelfs in kloosters waar men een zwijgplicht heeft, zijn er momenten waarop communicatie noodzakelijk is. Bovendien is er al vooraf gecommuniceerd en overeenstemming bereikt over de leefregel en de praktische gang van zaken. Ze delen dus die gemeenschappelijke, uiterlijke regel dankzij eerdere communicatie. Een gemeenschappelijk leven is dus onmogelijk zonder goede communicatie. Maar dat betekent ook dat er bij communicatie sprake moet zijn van goede wil aan beide kanten en van het verlangen om tot de waarheid te komen met betrekking tot het onderwerp waarover men communiceert.

Het is dus belangrijk dat er communicatie is, maar ook dat er sprake is van de juiste soort communicatie. Daarom, als je kijkt naar de tijd waarin de Kerk op haar sterkst was, dan was dat in de periode waarin er absolute overeenstemming bestond over de betekenis van het geloofsgoed en de termen die werden gebruikt om dat te beschrijven, en waarin degenen die de leiding hadden daarop toezagen, enzovoort. Als je dat hele traject volgt: dat is het moment waarop er sprake is van eenheid.

Eenheid is niet slechts een prettig gevoel dat we voor elkaar hebben. Het moet beginnen met een intellectueel fundament. En zolang we dat niet op orde hebben in de Kerk, komen we nergens. Daarom zei ik dat de problemen in de Kerk nooit opgelost zullen worden zolang de paus niet toeziet op de leerstellige integriteit van de kerk. Integriteit – niet zoals hij wil dat het is, niet zoals hij denkt dat het is, maar integriteit gebaseerd op het geloofsgoed en op wat de Kerk altijd heeft onderwezen via de traditie. Want de traditie is de norm. Iedereen blijft dat specifieke aspect ervan negeren.

Het gebrek aan communicatie leidt ertoe dat mensen niet beschikken over de elementen die hun verbondenheid versterken. Uiteindelijk ontstaan ​​er daardoor barsten in de relatie. Ik besprak dit eigenlijk in de context van geestelijke strijd, maar het geldt in algemene zin. De eerste problemen ontstaan ​​wanneer de perceptie van persoon B – bij het horen van wat persoon A zegt – niet overeenkomt met wat persoon A daadwerkelijk bedoelde. Demonen proberen voortdurend in te haken op die perceptie door een negatieve blik of andere verstorende gedachten te introduceren. Ze proberen allereerst het oordeel dat men over de ander heeft – gebaseerd op het beeld dat men van diegene heeft – te beïnvloeden. Demonen kunnen dat beeld vertekenen, maar het hangt allemaal af van de kwaliteit van de communicatie. Hoe beter de communicatie verloopt – en soms zelfs: hoe méér er gecommuniceerd wordt, omdat men zo tot een beter begrip en overeenstemming kan komen over wat er innerlijk speelt bij elkaar, bij de kinderen, enzovoort... – des te sterker de relatie is.

Het eerste wat demonen doen, is de perceptie beïnvloeden; vervolgens ondermijnen ze de communicatie rondom de woorden die worden uitgewisseld. Wanneer mensen niet goed met elkaar praten – niet op een juiste manier communiceren of geen goede wil tonen in hun communicatie – veranderen de percepties die men van de ander heeft. Zo begint het uiteenvallen van een huwelijk: er is pas sprake van een scheiding nadat de wederzijdse percepties uit elkaar zijn gegroeid. Daarop wordt voortgebouwd, totdat het vermogen om elkaar op de juiste manier te beoordelen zozeer is aangetast dat men meent dat de problemen 'onoverkomelijk' zijn. En dat is dus wat je moet doen. Je moet dat in de loop van de tijd opbouwen. Dat is wat de demonen doen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 23:31 Reageer op dit bericht

Boodschappen aan Pedro Regis (12-13/10)

12/10 OLVrouw, Koningin van de vrede: Lieve kinderen, Ik ben de Moeder en Koningin van Brazilië. Ik ben uit de hemel gekomen om jullie te zegenen en op te roepen tot bekering. Luister naar Mij. Jullie hebben vrijheid, maar de beste weg is het doen van Gods wil. Jullie natie heeft zich van God afgekeerd en zal de bittere beker van het lijden drinken. Bid. Alleen door de kracht van het gebed kunnen jullie de overwinning behalen. Laat je vrijheid je er niet van weerhouden God op de eerste plaats in je hart te stellen.

Jullie zijn belangrijk voor de Heer. Hij wil jullie redden, maar Hij dwingt jullie niet. Stel niet uit tot morgen wat je vandaag moet doen. Ik houd van jullie en wil jullie helpen, maar wat Ik doe, hangt van jullie af. Jullie gaan een toekomst van grote geestelijke duisternis tegemoet. Zoek de Heer en je zult Zijn licht vinden. Wie in het licht van de Heer wandelt, zal bescherming vinden. Ga verder zonder angst! Ik zal bij Mijn Jezus voor jullie pleiten.

13/10 OLVrouw, Koningin van de vrede: Lieve kinderen, zoek Gods schatten opdat jullie groot mogen zijn in het geloof. Alles in dit leven gaat voorbij, maar Gods wonderen zullen eeuwig zijn voor de rechtvaardigen. Dit is het gunstige moment voor jullie terugkeer. Blijf niet werkeloos toekijken. De mensheid bewandelt de wegen van zelfvernietiging die mensen met eigen handen hebben voorbereid. Behoor toe aan de Heer. Jullie zijn in de wereld, maar jullie behoren niet tot de wereld. Hij die zich tegen Christus verzet, zal in de wereld handelen, en Mijn arme kinderen zullen een zwaar kruis dragen.

Zij die ver van de Heer leven, zullen er spijt van krijgen, maar dan zal het te laat zijn. Eeuwenlang ben Ik vanuit de hemel naar de aarde gekomen om jullie te roepen en de weg naar de hemel te wijzen, maar de mensen hebben Mijn oproepen afgewezen. Ik ben jullie Moeder van Smarten en Ik weet wat jullie te wachten staat. Bid. Leef niet zonder gebed. Zij die tot het einde trouw blijven, zullen gered worden. Moed! Mijn Heer houdt van jullie en wacht op jullie met open armen. Vergeet niet: jullie overwinning ligt in de Eucharistie.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door claudia om 22:01 Reageer op dit bericht

Meer van Levend_geloof

↑ Terug naar de berichten