Naar de inhoud

Maarkedal in beeld

Potloodtekeningen
seniorennet.beseniorennet.be

4 - Hof te Cattebeek

Het  "Hof te Cattebeek" gelegen langs de Bossenaarstraat te Etikhove. Dit Hof zou gebouwd  zijn vóór  1517 door ene Willem van Cattebeke. Het gebouw onderging grote veranderingen In 1771  en  in 1885. Sinds 1792  is het domein in het bezit van de familie Thienpont. In 1842 richtte harles-Franciscus Thienpont,  toenmalige eigenaar en tevens burgemeester van de gemeente Etikhove er een wijnhuis op dat in oorsprong lekkere Franse wijnen aanvoerde.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

3 - Vroeger spoorwegstation te Etikhove

 Station van Etikhove.
Op 1 september 1861 werd  de spoorweg van St -Ghislain naar  Gent  geopend. Deze rechtstreekse verbinding met  het Henegouwse kolenbekken  zorgde voor  de ontwikkeling van de  Vlaamse katoennijverheid . De verbinding met Ronse loopt door  een tunnel  (ca 450m ) ter hoogte van de Spichtenberg . Deze tunnel is één der zeldzame tunnels op onze Vlaamse bodem. Sinds de jaren 80 is het station buiten gebruik.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

6 - Oude dorpskom van Nukerke

Onderpastorie en gemeentehuis te Nukerke

Gemeentehuis  met pui, onderpastorie en pastorie te Nukerke.De eerste twee  gebouwen werden in de beginjaren 70 jammerlijk gesloopt om plaats te maken voor  een parking. Sindsdien is het dorpsplein een kale plaats. Velen zullen met heimwee terugdenken aan de tijd toen onze geüniformeerde veldwachter, Kamiel Verdonckt,  iedere zondag na de hoogmis, de trappen van de pui  besteeg , met een armbeweging de aandacht van de menigte vroeg en vervolgens op een statige wijze de  “berichten aan de bevolking” kond maakte terwijl groot en klein, opkijkend in de richting van de veldwachter, met aandacht en respect voor het gezag in stilte luisterden. Nadat  “en ieder zegge het voort “ weerklonk verbrak het geroezemoes de stilte van de “plaatse”

Over dit gemeentehuis met pui wist   Pol Hoffmann, die gemeentesecretaris was tijdens en na de oorlogsjaren , met zekerheid te vertellen dat dit gebouw reeds in 1772 bestond. De beschrijving komt immers voor op het eerste perkament van het “Landboeck der Prochie van Nukerke Lande van Aelst”. Men weet echter niet wanneer het gebouwd is aangezien het “Landboeck” (1772) het oudste document is dat  vroeger in Nukerke berustte. Het gebouw was vroeger, dus minstens vanaf 1772, de pastorie. Naast het gemeentehuis met pui stond het huis van de onderpastoor. Het klein, muftig kantoortje van de secretaris zou de vroeger slaapkamer geweest zijn. Het gemeentehuis zelf was van 1770 ondergebracht in de herberg “In ’t oud gemeentehuis” (zie beschrijving bij nr 6) , schuin tegenover  de pastorie. Later heeft men het secretariaat verplaatst naar het huis waar nadien de koster Deriemaeker  woonde (nu drukkerij). Eerst rond 1903 of 1904 is de pastorie gemeentehuis geworden, terwijl iets verderop een nieuwe pastorie werd gebouwd  (zie gebouw links). Aan de oude pastorie bracht men enkele veranderingen aan zoals  de ingang en de toegangstrap. Rond 1905 plaatste men in de hoek van de voorgevel en de westelijke zijgevel een O-L-Vrouwbeeld. Dit beeld was een geschenk  van de toenmalige dorpsonderwijzer “meester Jan” aan zijn gemeente. Meester Jan woonde op het dorpsplein in de woning waar nu de familie Georges Aelvoet-Restiaens woont. Jarenlang gaf meester Jan aan zijn oud-leerlingen ‘s zondag  na de mis les in de “zondagschool”.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

60. Het Schaliënhof

Een "Ministerieel besluit houdende bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht" besluit als volgt:

Artikel 1. Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij decreten van 18 december 1992, 22 februari 1995, 8 december 1998, 18 mei 1999, 7 december 2001 en 21 november 2003:

Wegens de artistieke en historische waarde: als monument "Schaliënhof" gelegen te Maarkeal (Maarke-Kerkem) Hasselstraat 18-20.

Over de artistieke en historische waarde van het "Schaliënhof":

De hoeve werd gebouwd in 1840 op een site die merkelijk ouder is. Het is een representatief voorbeeld van een typisch rijke vierkantshoeve met herenhuis, bediendewoning, nutsruimten, schuur en stallingen uit het midden van de 19de eeuw. Het erf werd gekasseid. De volledige hoeve bleef bijna intact bewaard zowel naar exterieur (neoclassicistisch) als naar interieur en is daarom representatief voor de landelijke architectuur in de eerste helft van de 19de eeuw en voor het zuiden van de provincie.

Brussel 14-07-2004

Zo omschrijft "De inventaris van het cultuur bezit in België" het Schaliënhof. Imposante voormalige herenhoeve van het gesloten type. Door haar opmerkelijk volume en geïsoleerde ligging sterk gemarkeerd in het omgevend akker- en weiland. Opgericht in 1840 door burgemeester J. Roman ter vervanging van en rondom een bestaande kleine gesloten hoeve, thans ingenomen door het merendeels gekasseide ruime rechthoekig erf, even als het achterin gelegen hooghuis in tweeën verdeeld. .. Originele harstenen deuromlijsting met pilastervormige rechtstanden op hoge neuten; wigvormige sluitsteen met opschrift:J. ROMAN/BOURGEMESTRE/ 1840.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

56. Genot op den Berg in Maarke-Kerkem


Maarke-Kerkem. Het fraaie woonhuis dateert uit het begin van de 17de eeuw. Sinds 1980 is het domein prachtig gerestaureerd. Genot op den Berg langs de Bovenstraat 4 te Maarke-Kerkem. Tekening van het voormalig boerenhuis dat sinds 1995 werd gerestaureerd. Op de deurlatei van de vroegere voordeur en binnenshuis op de balk ziet men dezelfde insciptie; Mariamonogram “AMR” en “ANNO 1783. Dit jaartal verwijst wellicht naar het bouwjaar van de woning. Op een van de versierde moerbalken staat een Christusmonogram “IHS” in cirkelmotief. Deze woning had oorspronkelijk lemen muren en strodak. De renovatie werd aangevat in 1977 met behoud van de originele vakwerkbouw en van de dakspanten. De leemvullingen werden vervangen door kunststeen.(Inventaris van het cultuurbezit in België deel 15)
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

62. Werkmanshuisje in Brakel

Tekening van oude woning bestaande uit woonhuis, werkhuis van schrijnwerker, schaapstal, vertrek en een remise die diende als bergplaats voor o.a. kolen.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

61. De hut van Sylvie

Dit kan je lezen in de nieuwe hut.

"De hut van Sylvie"

"In 1902 zagen we hier een vrouw Sylvie aankomen, 54 jaar, mager, grijs, zonder geld noch bagage. Na heel vele reizen had ze genoeg van den de wereld en de mensen. Ze wilde leven alleen in harmonie met de aarde zoals St-Antonius.

De bekwame (habiles) gebroeders Dendauw bouwden voor haar een hut uit sparhout op een stukje bos dat mijnheer Gilliot haar gaf. Sterk vreesde ze niets. In haar lange grijze jurk kweekte ze kippen en groenten. Daarnaast verkocht ze aan de bezoekers, die eerder zeldzaam waren, taartjes, koffie en postkaarten.

De hut werd genoemd "La Maison des Fleurs" naar de talrijke bloemen. Sylvie verzorgde de bloemen met heel veel liefde onder het vriendelijk  oog van haar zwarte hond Bofke die altijd aan haar zijde te vinden was.

Op een dag ontdekte Sylvie onder een steen een waterbron waarmee ze haar tuin bevloeide. Voor drinkwater moest ze 10 minuten wandelen naar de waterput van Jules Ponchaut. Op 28 februari 1925 om 3.30 uur kreeg Sylvie een hartaanval en stierf. De eenzame en charmante Sylvie leeft nog altijd in de herinneringen van de bevolking van Vloesbergen zodat de gemeente die hut bouwde in 1988 als mooie kopie van de originele."

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

58. Veldkapel te Ronse

Potloodtekening
 Dit veldkruis aan een zeer oude linde , in de volksmond "gekruiste God" genoemd,  zou dateren van 1876. Dit monument kan je vinden op het kruispunt van de Ninovestraat met de Oscar Delghuststraat. Dit mooi symbool van onze Westeuropese christelijke beschaving staat in Ronse onder zware druk. Gelukkig in 2010 gerestaureerd door het Wittentakcomité. Volgens een krantenbericht waren verschillende mensen een tijdje ongerust omdat het kruis een tijdje verdwenen was. Het kruis was echter in veilige handen voor restauratie. De Vlaamse Ardennen zijn rijk aan veldkapellen onder een vredige en lieflijke linde.
De lindeboom werd in 2009 door Minister voor Onroerend Erfgoed Geert Bourgois als een beschermd monument erkend wegens zijn historische waarde. In de streek kregen platanen in Ename en de dikste boom van het Kluisbos dezelfde erkenning.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Over Sylvie, de kluizenaarster.

Deel van een houtskooltekening volgens een oude foto.
Het leven van Sylvie, de kluizenaarster van de Moodrodde, volgens een artikel van Victor Morre dat we letterlijk weergeven.

«Moodrodde is het Brakelse dialect voor “Mont de Rhodes” 152,5m hoog, gelegen op het grondgebied van Vloesberg.

Midden  in de sparrenbossen op de oosterflank van de top der Moodrodde stond eens een hut  door de bewoners van Opbrakel “Meetsies Huizeke” genoemd en door deze van Vloesberg la Cabane Sylvie. Daar woonde sedert 1902 Sylvie Baudry, afkomstig uit Etikhove. Ze kwam totaal ontgoocheld te Vloesberg-Bos aan om daar in de bossen in eenzaamheid te komen leven.

Sylvie Baudry werd op 21januari 1851 te Etikhove geboren als dochter van François Baudry, klompenmaker, geboren te Velaines op 6 april 1789 en van Melanie Vandereecken, spinster, geboren te Etikhove op 12 oktober 1820. Ze woonde op het nummer 8 aan de Kleystraat te Etikhove.

Maar zij zelf verklaarde dat ze genoeg had van de wereld  en van de mensen en wenste nu weg van iedereen, alleen te leven zoals Sint-Antonius met de kruiden der aarde. Van bij haar aankomst had Sylvie haar intrek genomen in het “Café Rimeur” gehouden door Eudoxie Rimeur en haar broer Firmin die tevens een specerijwinkel uitbaatten gelegen op de hoek  aan het  kruispunt van Vloesberg-Bos (Firmin Rimeur was jarenlang steltenloper in de processie te Vloesberg en verbeeldde als dusdanig de H.-Kristoffel. Hij was tevens een waar kunstenaar in het schoteldraaien).

De toenmalige eigenaar der bossen van de Moodrodde, de heer Giliot uit Antwerpen, stelde kosteloos een stukje grond te hare beschikking om een huisje te bouwen. Ze mocht zelf de plaats aanduiden in het bos waar ze liefst zou wonen. Aanvankelijk bood men haar een plaats aan op de rand van het bos, wat meer in de nabijheid van anderen woningen, doch zij verkoos de top van de Moodrodde waar haar huisje dan ook werd opgetrokken. Het nodige hout kreeg ze gratis van voormelde eigenaar en ze mocht het ter plaatse nemen. De gebroeders Dendauw van de Boostraat (thans Brakelbosstraat) te Brakel die allerlei stielen kenden, belastten er zich mee om het huisje op te richten (de gebroeders Dendauw oefende volgende stielen uit: metser, strodekker, steenputtenmaker, stoelenmaker, slachter, regenschemhersteller en noem maar op). Het huisje, als men het zo mag noemen, was een soort afdak dat lichtjes afhelde van oost naar west en werd helemaal opgetrokken met dennen. De wanden ervan bestonden uit ijzeren platen waarop zware en grote ijzerzandstenen waren neergelegd om het wegwaaien der platen te voorkomen. De achterkant van het dak, de westerkant dus, kwam ongeveer op gelijke hoogte met de top der Moodrodde. Het huisje stond als in een put met een opening aan de bosweg van Vloesberg-Bos naar D’Hoppe, die diende als ingang. Om haar tuin te betreden, die aan de oostkant vóór het huisje was gelegen, moest ze telkens enkele trappen doen. Meetje Sylvie of “Meetje”, zoals men haar hier in de omgang noemde, ging bijna dagelijks naar de mis in de kerk der Paters Montfortanen te D’Hoppe; zelfs in de duisternis bij winterdag trok ze door het donkere bos een half uur ver om er de mis te gaan bijwonen.’s Zondags woonde ze er de hoogmis bij. Ze was altijd deftig en net aangedaan met haar lange zwarte kapmantel waarvan de kap gevoerd was met bleekgrijze zijde, met een prachtige muts met gaas verwerkt op het hoofd en waarvan het tweekleurig breed lint (aan de ene kant wit en aan de andere zwart) onder de kin samenkwam in de vorm van een mooie strik. Aldus had ze steeds een voornaam voorkomen.

Bij uitzondering ging ze na de eerste wereldoorlog ook wel eens naar een zondagsmis te Nederbrakel. Ze vertrok per trein om 8u30 uit het station van Flobecq-Bois (Vloesberg-Bos). Dan nam ze meestal haar zwarte “eierpaander” met twee lange oren en met deksel met zich aan de arm mee. Terwijl ze op de trein wachtte, sloeg ze gewoonlijk een praatje met stationschef Petit. Na de mis deed ze haar boodschappen en keerde dan telkens te voet naar huis terug, een afstand van zeker zes km en in die tijd was ze al zeventig jaar oud.

Op zekere dag kwam ze wenend de woning van boswachter Ponchaut binnengelopen. Men had haar wijsgemaakt dat de nieuwe eigenaar Henri Jouret van Vloesberg die in 1903 in het bezit was gekomen der gronden en bossen van de Moodrodde, een vrijdenker was en dat hij haar zou doen verhuizen. De boswachter stelde haar gerust  en verzekerde haar dat dit alles uit de lucht gegrepen was Dat kwam ter ore van de heer Jouret die in plaats van haar te doen verhuizen en om haar gerust te stellen, onmiddellijk een levenlange pacht maakte tegen vijf frank per jaar! Het is wel te verstaan dat ze niets hoefde te betalen, wel in tegendeel.

Wie was Jules Ponchaut.? Hij was boswachter der bossen van de Moodroode en de Heyne en woonde aan het kruispunt van Vloesberg -Bos in de herberg “Au repos des Chasseurs” en baatte er tevens een boerderij uit. De dochter Lucie Ponchaut, wed. Edmond Bruwier (Delterne, Bruwier is een bijnaam), woont nog steeds in die landelijke herberg (toch nog in 1986) met de typische halve deur die vroegere jaren de huizen van Vloesberg-Bos kenmerkte. Hier hadden tot na W.O.-II houtverkopingen plaats van de bossen van de familie Jouret uit Vloesberg. Nu wordt die druk bezochte herberg verder uitgebaat door zoon Paul Bruwier (Deltenre) waar men tevens allerlei drank, ’s zomers ook mattentaarten der streek kan bekomen. In de gelagzaal zijn er allerhande oude handwerktuigen uit de landbouw te bezichtigen. Thans heet de herberg “Café Ponchaut”.

Daar ze geen noemenswaardige inkomsten had, moest Sylvie zeer zuinig leven en dat deed ze dan ook. In haar tuin voor het huisje kweekte ze allerlei groenten en ook aardappelen, doch daar het dorre zandgrond was en weinig of niet bemest werd, was de opbrengst eerder gering. Haar tuin was tijdens de zomer steeds  van veel bloemen voorzien. Ze hield ook altijd een aantal legkippen die vrij rondliepen in het bos en waardoor ze zich voorzag van eieren. Eens de velden geschoren, ging ze tarwe en haver oogsten om de hennen ’s winters eten te geven en in die periode gaf zij ze steeds warm gekookte haver en naar het schijnt had ze altijd in de winter ononderbroken eieren. Mussents Marie van de Bosstraat te Opbrakel had daar dichtbij het bos een “streepke” rogge gezaaid en de hennen van Sylvie hadden alles uitgekrabd. Marie verzocht haar de hennen binnen te houden, maar dat was niet goed bevallen, het zat er tegen! Wadde, zei Sylvie, ze zou mij komen verbieden mijn hennen vrij in het bos te laten rondlopen! Wie zou dat zeggen van dat “mussenwijf”.

Kolen stookte ze weinig als vuurmaaksel en brandde meestal hout dat ze ging rapen en verzamelen in het bos rondom haar hut. Ze bakte ook brood in de oven van haar stoof. Op zekere dag had Sylvie beneden haar huisje een grote steen uit de grond weten los te krijgen en op die plaats kwam er water te voorschijn.  Ziet ge wel dat het een toveresse is, werd er toen verteld, ze heeft water gevonden op de Moodrodde. Het is algemeen bekend dat men rond de Moodrodde zeer diep moet delven om water te vinden. Daar zijn immers de diepste steenputten uit de omgeving. Het nodige water ging ze steeds halen op tien minuten van haar huisje nl. bij de reeds vermelde Jules Ponchaut bij wie ze altijd haar toevlucht nam en die haar in alle omstandigheden veel heeft geholpen.

‘s Zomers kwamen er veel bezoekers en nieuwsgierigen “Meetsies Huizeke” bezichtigen waaraan zij dan “potsies” (kopjes) koffie en zichtkaarten verkocht. Bezoekers met een opvallende mooie kledij van wie ze een flinke fooi kon verwachten, mochten steeds binnen. Zo ben ik in de zomer van 1919 met een kozijn in “officierenuniform” en zijn familie vriendelijk bij “Meetje” binnen geraakt, want vergeet niet, ze was zeer wantrouwig. Haar woonvertrek was met papier behangen en de vloer geplaveid met afgezaagde ronde bollen van dennen waartussen cement gegoten was.

Vóór de oorlog van 1914 verkochten bewoners uit de omgeving op een zondag zakjes friet (10centiem ’t zakje) ten voordele van Sylvie. Ze werden gebakken op een houtvuur in de nabijheid van haar huisje in de iets lager gelegen verlaten zavelput. Dat kende veel bijval. Ze werd ook nog geholpen door begoede families die haar diskreet en regelmatig giften en gelden en natura bezorgden.

In de winter van 1917-1918 werden al de  sparren van de Moodrodde afgezaagd onder leiding van de Duitsers van de Baudirektion 4. Achter het huisje van Sylvie lieten ze echter een troepje van een twintigtal sparren onaangeroerd staan om het huisje tegen regen en felle westenwinden te beschutten. De oorlog was voor velen een harde tijd en Sylvie moet gedurende die jaren ook moeilijke perioden hebben gekend, want in 1918 heeft ze circa twee aren bosgrond gerooid en er aardappelen op geplant. In 1919 teelde ze er zelfs nog eens op dezelfde grond met als resultaat een zeer magere opbrengst. Die grond lag op een 50-tal meter voorbij haar huisje langs de weg naar D’Hoppe, waar tot in W.O.-II die houten toren stond. Dit was het geodetischteken van het I.C.M.(Institut Cartographique Militaire) waaraan thans nog een dikke arduinen paal herinnert.

Sylvie zag er meestal ontevreden uit en was ook niet al te vriendelijk. Ze maakte zich steeds kwaad wanneer er te veel nieuwsgierigen aan de afsluiting van haar huis naar haar huisje kwamen zien. Dan vloog ze er soms op af en vroeg:” Wat komde gulder hier doen? Kom ik ook zo staan gapen bij u?” Voorbijgangers moesten ook wel  opletten dat ze haar niet al te veel bekeken, want ze draaide zich soms plots om en dan was het: ”Wat moede gulder hebbende van mij? Hebben gulder mij dan nog niet gezien?”

Ze had weinig omgang met de mensen rondom haar. Slechts met een paar gezinnen onderhield  ze betrekkingen, niettegenstaande ze zich behoorlijk in de Franse taal kon uitdrukken met de bewoners van Vloesberg-Bos.

Schrik kende ze niet, doch zoals reeds gemeld, was ze zeer wantrouwig en betrouwde zelfs niemand. Toen men haar vroeg of ze op een zo afgelegen plaats, midden in de bossen ’s nachts soms geen schrik had, antwoordde ze spottend: “Wat zouden ze hier komen doen bij mij? Ik bezit immers niets!” Wel had ze een hoorn om op te blazen als ze in nood verkeerde. Haar naaste buren waren daarvan wel op de hoogte. Haar beste vriend was haar klein zwart hondje “Bufke” dat zeer waakzaam was en waarvan ze bijzonder veel hield. Er werd ook wel eens beweerd dat ze wapens bezat, doch dat was onwaar. Sommigen verwarden Meetse Sylvie met “Meetje Schiel”de boswachtster van het Pottelbergbos die steeds gewapend in het bos rondliep met een karabijn en twee honden. Ze verjoeg de mensen die in het geniep kozijntjes kwamen plukken.

 

Haar vader François Baudry, die 31 jaar ouder was dan zijn echtgenote, is in 1859 overleden toen Sylvie 5 jaar oud was, terwijl haar moeder Melanie Vandereecken stierf in 1888. In de volkstelling van 1870-1880 treft men Sylvie aan als spoelbewerkster, terwijl haar broeder Ivo als timmerman is aangetekend. Vanaf 1880 tot 1902 is Sylvie als naaister bekend, terwijl Ivo na 1880 in Etikhove zoek is geraakt, doch men vindt hem nadien als schrijnwerker, ebenist, in een voorstad van Parijs. Welke perikels Sylvie zoal heeft beleefd die aanleiding hebben gegeven tot haar besluit om zich in een hut af te zonderen en zich terug te trekken in de bossen om er een armtierig leven te komen leiden, weten we niet met zekerheid. Wel is ons bekend dat ze hier op 4 april 1902 op Vloesberg-Bos is komen wonen zonder geld of goed en dat het huis waar ze in Etikhove woonde, ook nog in 1902 werd gesloopt.

De Vlaamse schrijver Omer Wattez die kort na W.O.-I bij een zijner wandelingen in de Vlaamse Ardennen aan Sylvie een bezoek bracht, verhaalt hierover het volgende in zijn boek “De Vlaamse Ardennen”, 2de deel, uitgave 1926 op blz 59:”Als ge daar in de week gaat heeft zij vrijen tijd en zij vertelt u dat dan van hare geschiedenis die een zeer bewogen leven verraadt. Zij heeft veel gereisd toen zij jong was, zegt ze; Parijs bewoond en in verre landen geweest en nu is zij daar alleen komen wonen in dat sombere bosch ver van alle nabuurschap of gewoel.”

Dat ze Omer Wattez ook niet veel zal wijsgemaakt hebben over haar wedervaren, betwijfelt niemand van wie haar van dichtbij hebben gekend. Veel geruchten over Sylvie hebben hier de ronde gedaan onder andere dat ze gans haar bezit verproduceerd heeft voor los (weg) en dat ze ginder in Etikhove met bijna de helft der inwoners overhoop lag. Het is misschien om die reden dat ze haar dorp heeft verlaten. Bezoek uit Etikhove had ze weinig. Wel verbleef er eens tijdelijk een nichtje uit Etikhove bij haar dat te Vloesberg school liep om wat Frans te leren. Er kwam ook ooit een Etikhovenaar bij haar thuis de groeten overbrengen van de burgemeester, maar die mocht zich spoedig uit de voeten maken! Er werd ook wel eens beweerd dat ze in onmin leefde met haar broer Ivo die in Parijs verbleef omwille van hun verdeling, doch dit bleek onwaar te zijn want ze wisselden steeds brieven met elkaar. Zelfs wanneer Sylvie in moeilijkheden of geldnood verkeerde, stuurde hij haar de nodige fondsen om haar te helpen, doch op bezoek kwam hij bij haar in die tijd niet. Toen zijn echtgenote in Parijs ziek werd, is Sylvie haar ginds gaan bezoeken en is ze er zelfs enkele weken gebleven. Na de dood van zijn echtgenote kwam Ivo zich in Ronse vestigen. Later werd hij zelf ziek en verbleef toen enige tijd bij Sylvie op de Moodrodde. Vele hebben hem daar nog zien rondwandelen in het bos, doch hij kon het niet in haar huisje gewoon worden, wat toch niet te verwonderen was. Bij zijn overlijden heeft hij Sylvie een flink erfdeel nagelaten, wat haar later wel van pas is gekomen. Hij schonk haar ook nog een prachtig mobilair. Daar Sylvie niet over voldoende ruimte beschikte om die meubelen te plaatsen, was ze verplicht ze elders te deponeren. Achteraf liet ze zich beetnemen en geraakte op een niet al te hoffelijke manier die schone meubelen kwijt.

Haar broer moest een bekwaam vakman geweest zijn, want een paar prominenten uit de streek, die zijn werk hadden gezien, waren erin gelukt een door hem vervaardigd pronkstukje in hun bezit te krijgen. In oktober 1924, toen ze niet meer kon, is ze naar het hospitaal van Opbrakel vertrokken na ongeveer 22 jaar in haar hut op de Moodrodde te hebben gewoond en dat in armoede en zonder enig komfort. Bij haar vertrek naar het hospitaal ging ze nog even afscheid nemen van Henriette, de echtgenote van boswachter Jules Ponchaut die toen ziek te bed lag. Met weemoed drukte ze haar spijt uit dat ze nu haar huisje moest verlaten, waar ze zo gelukkig was geweest en waar het toch goed was om te leven. In het hospitaal verbleef ze als betalende kostgangster en had een kamer voor haar alleen. Op het einde van haar leven, toen ze in het hospitaal verbleef, ontbood ze notaris Jouret uit Vloesberg, doch daar Opbrakel buiten zijn ambtsgebied was gelegen, ontbood deze notaris Léonce Van Damme uit Nederbrakel die haar  nalatenschap regelde en waarbij een nicht uit Ronse en een inwoonster van Vloesberg-Bos, door wie ze veel geholpen werd, na haar overlijden elk een gelijke som van enkele duizenden frank naliet. Ze overleed in het hospitaal te Opbrakel op 28 februari 1928 om 3u30 ‘s morgens.

Van het huisje is er niets meer overgebleven. Er is alleen nog een kuil te zien waar “Meetsies Huizeke” stond en een struik klimop die eens de ingang van de hut aan de weg versierde.”

We kunnen niet nalaten u volgende mooie beschrijvingen in het Frans te laten lezen. Un dimanche d’octobre 1924,”après none”, deux promeneurs trouvèrent Sylvie étendue au pied d’un arbre où gémissait le vent, sur le petit chemin qui relie la Chapelle au Mont-de Rhodes. Son chien hurlait à mort à côté d’elle.

“Aujourd’hui  encore, le souvenir à la fois charmant, sauvage et familier de la bonne Sylvie hante l’esprit des gens qui l’ont connue. Bien plus, il habite la mémoire collective des Flobecquois, à tel point qu’ils ont senti le besoin de le matérialiser en construisant une cabane Sylvie dans les bois de la Houppe, en bordure du Centre touristique.

Vers 1920, Sylvie partit quelques fois à la messe dominicale de Nederbrakel. Elle s’en allait par le train de 8h30 à Flobecq-Bois. La plupart du temps elle prenait au bras son panier à œufs. En attendant le train elle faisait ses commissions et retournait à pied à sa cabane distance de 6 kilomètres.

Avec les premiers froids, les corbeaux venaient tournoyer au-dessus du Mont-de-Rhodes, accentuant ainsi l’atmosphère de solitude et d’abandon qui enveloppait mystérieusement la cabana. Des journées entières s’écoulaient sans que la recluse vit passer âme qui vive. Elle ne sortait guère non plus de son ermitage.

Parfois le chien se mettait à aboyer rageusement dans le lourd silence. Elle entendait alors à travers le mur de rondins, un bruit confus de voix assourdies et de pas étouffés. Des coups de feu claquaient. Etait-ce une bande de braconniers qui s’amusaient à battre le bois, en beau plain jour, pour braver gardes et gendarmes ? L’ombre et la brume envahissaient de bonne heure la sapinière… A quoi pensait la bonne Sylvie quand la tempête faisait rage sur le Mont-de-Rhodes ? La nuit, à quoi pensait-elle quand le vent s’infiltrait dans la bicoque et soufflait la flamme de la vieille lampe à pétrole ? De-ci , de là , le vent fou arrachait des branches et culbutait des arbres. La clarté blafarde de la lune donnait au paysage un air fantomatique qui hallucinait. La fuite échevelée des blancs nuages allait-elle emporter la pauvre bicoque dans la déroute universelle ? »

Dit kan je lezen in de nieuwe hut.

“De hut van Sylvie. In 1902 zagen we hier een vrouw Sylvie aankomen, 54 jaar, mager, grijs, zonder geld noch bagage. Na heel vele reizen had ze genoeg van den de wereld en de mensen. Ze wilde leven alleen in harmonie met de aarde zoals St-Antonius.De bekwame (habiles) gebroeders Dendauw bouwden voor haar een hut uit sparhout op een stukje bos dat mijnheer Gilliot haar gaf. Sterk vreesde ze niets. In haar lange grijze jurk kweekte ze kippen en groenten. Daarnaast verkocht ze aan de bezoekers, die eerder zeldzaam waren, taartjes, koffie en postkaarten.De hut werd genoemd “La Maison des Fleurs” naar de talrijke bloemen. Sylvie verzorgde de bloemen met heel veel liefde onder het vriendelijk  oog van haar zwarte hond Bofke die altijd aan haar zijde te vinden was.Op een dag ontdekte Sylvie onder een steen een waterbron waarmee ze haar tuin bevloeide. Voor drinkwater moest ze 10 minuten wandelen naar de waterput van Jules Ponchaut. Op 28 februari 1925 om 3.30 uur kreeg Sylvie een hartaanval en stierf. De eenzame en charmante Sylvie leeft nog altijd in de herinneringen van de bevolking van Vloesbergen zodat de gemeente die hut bouwde in 1988 als mooie kopie van de originele.”

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Rudy Van Den Eeckhout

Mijn leven na Nukerke.

“Na vier jaar verhuisde ik naar de jongensafdeling in Michelbeke van Stella Matutina. Daar bleef ik tot mijn twaalfde en vertrok dan naar Sint-Lievens in Gent en volgde lessen aan het conservatorium in Gent.”

Rond zijn 17de jaar volgde Rudy les aan het Lemmensinstituut en kaapte prijzen weg in de notenleer en de piano. Dan volgde een jaar in Parijs waar ik de eer had Claude François en Liliane Saint-Pierre te begeleiden. Verblijven in die wereldstad was duur en na een jaar hield ik het voor bekeken. Na een jaar legerdienst werd ik opgenomen in het Orkest van de Belgische spoorwegen tot die ophield te bestaan. Mijn eerste optreden als pianist ging door in Ierland.

Zo heb je gelezen hoe onze kleine Rudy is uitgegroeid tot een muzikaal virtuoos.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

66. Eligius in Maarke-Kerkem

Potloodtekening  40/50

Sint-Eligius in Maarke-Kerkem.

De beeltenis toont een houten sculptuur van Eligius op de kuip van de preekstoel in de Sint-Eligiuskerk (nu Marca) in Maarke-Kerkem.

Sint-Eligius is immers de patroonheilige van de ondertussen ontwijde kerk. Eligius van Noyon werd geboren in 588 in Chaptelat ( de streek van Limoges).  Zijn feestdag valt op 1 december. Meestal wordt Eligius of Elooi afgebeeld met kelk, hamer, aambeeld, tang …. Hij kon dus beschermheilige zijn van verscheidene beroepen. Zelf zou hij edelsmid en muntmeester zijn geweest aan het hof van de Frankische koning. Hij werd nadien bisschop van Noyon en Doornik.

De barokke preekstoel zou dateren van eind 17de eeuw, nl. 1680 zoals op de sculptuur te merken.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

65. Schoorisse rond 1900

Dorpskern van "Schoorisse  1900". Rechts de woning waar Omer Wattez verbleef. In het centrum de parochiekerk Sint-Petrus. 

Een klein klooster met hospitaal van eerder lokaal belang, werd omstreeks 1416 door de Heer  van Schorisse en zijn echtgenote gesticht tussen de parochiekerk en hun kasteel te Schorisse. Dit zogenaamde Margriethospitaal verdween echter na de openbare verkoop in 1798. In de huizenrij aan de Zottegemstraat is een huidige tweegezinswoning nr. 8-10 dat ondanks verbouwingen nog herkenbaar is als gebouw uit de 18de eeuw met wellicht oudere kern, vroeger behorend tot de kloostersite.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

64. Watermolen Ladeuze in Etikhove

Watermolen Ladeuze zoals hij in oorsprong moet geweest zijn.

Deze imposante watermolen behoorde tot het domein van de baronie van de heren van Etikhove. De baronie werd reeds in de vroege middeleeuwen in geschriften vermeld. Van de heerlijkheid blijven nu nog de watermolen en de kunstgalerij (nu restaurant Ladeuze) over. In de molenschuur  heeft de familie Delobelle in de 19de eeuw een stemmige woning ingericht. Deze molensite ligt op een hoogte van 21m boven de zeespiegel en onttrekt het water uit de Maarkebeek. Deze Maarkebeek vangt het water op van de Molenbeek en de Krombeek die op hun beurt het water  uit de heuvels in Schorisse ( het Langeveld, de Steenberg De Ganzenberg en Foreest) afvoeren.

Links van het molenhuis is het rad en het schof. Een kanaaltje met bakstenen wanden voert het water naar het rad.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

63. Lemen huisje

   
Oud boerenhuisje uit leem en stro uit de 17de eeuw waar kunstschilder De Saedeleer geruime tijd verbleef. De eigenaar, de h; Thienpont schonk het aan het Openluchtmuseum van Bokrijk: een stukje Etikhove staat er vereeuwigd. (uit Maarkedal een vierklaver door A. Van Nieuwenhuyze)

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Burgemeester André Hubeau

 

Joseph, André Hubeau geboren te Nukerke op 21 maart 1910 en godvruchtig overleden te Ronse op 19 februari 1995.

André had het voorrecht dat hij van zijn ouders mocht verder studeren ook al was hij de enige zoon op het erf naast een zus. Hij was zo’n flinke student dat hij volgende academische graden behaalde: Licentiaat in handelswetenschappen, financiële, consulaire en koloniale wetenschappen. Licentiaat in politieke- en sociale wetenschappen. Enkele graden behaalde hij vlot mits toevoeging van enkele examenvakken.  Hij ging prat op zijn vorming maar liet dat niet openlijk blijken. Ook relativeerde hij zijn resem academisch graden. Hij vertelde dat in zijn tijd sommige van die graden werden bekomen mits het slagen in een paar examens. In de jaren 60 tot 80 hadden zijn vrienden uit de studententijd in Leuven belangrijke ministeriële posten in de toenmalige Belgische regeringen.

Burgemeester van Nukerke van 1953 tot en met 1976

Burgemeester van Maarkedal van 1977 tot en met 1983

    Oud-strijder en krijgsgevangene tijdens de oorlog 1940-1945


Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Een hoekje van Zuid-Vlaanderen

Hieronder volgt een uittreksel uit

 

Een hoekje van Zuid-Vlaanderen

Oudenaarde, Ronse en omstreken

door Omer Wattez

met teekeningen van Arm. Heins

en eene landkaart

Gent  1890

 

Een werkje van 63 bladzijden

 

Voorwoord

De streek, welke wij, in dit werkje, den lezer schetsen, ligt in het zuiderdeel van Oost-Vlaanderen. Zij verschilt, door hare grondgesteldheid, volkomen van het overige deel van Vlaanderen, dat onder de vlakke landen gerekend wordt. Onze boekjes over aardrijkskunde, bij het onderwijs gebruikt, doen over het algemeen te weinig de schilderachtigheid van dit oord uitkomen. Zij spreken wel van eenige heuvelen aan de grenzen van Henegouwen, die den overgang van ons platteland tot de bergachtige gronden uitmaken. Dit is niet juist. Eens het Zuiden van Vlaanderen voorbij, trekt men door het Doorniksche, ja, tot verre in Frankrijk, zonder eenige grondverhevenheden van belang te ontmoeten, tenzij de Drievuldigheidsberg, bij Doornik, die daar oprijst en aangeene merkbare heuvelreeks is verbonden..

Bijna geheel het noorderdeel der provincie Henegouwen en het gansche Noorderdepartement van Frankrijk zijn, op verre na, zoo schilderachtig niet als de omgeving van Oudenaarde en Ronse, die grotendeels de aandacht van den toerist verdient.

Het heuvelachtige gedeelte van Oost-Vlaanderen is dus geen overgang tot de hooglanden. Hij vormt wel metterdaad een afzonderlijk hoekje, dat wij anderen navolgende, de Vlaamschs Ardennen genoemd hebben. De streek is door talrijke gemeenschapwegen doorsneden. Onder dezen bemerkt men verscheidene spoorbanen: het zijn die van Gent naar Ronse, van Kortrijk naar Brussel, van Gent naar Geraardsbergen, van Ronse naar Sottegem en van Oudenaarde naar Orroir en Frankrijk.

De grond van Zuid-Vlaaanderen is kleiachtig en verschilt dus van de zandige vlakte van Vlaanderen. Hij brengt tarwe, rogge, gerst, aardappelen, beetwortels, bitterpeeën, vlas, klaver, rapen en wortelen voor.

Zuid-Vlaanderen is eene landbouwstreek. Ronse en zijne omgeving bezitten echter eene bloeiende katoennijverheid. De weverij en ververij doen er een aanzienlijk getal inwoners leven.

Berchem en zijne omstreken kweeken veel bitterpeeën, die, gedroogd en gebrand, naar den vreemden, vooral naar Duitschland, vervoerd worden.

In de vallei der Schelde levert de vlasopbrengst goede winsten op. De bosschen, die een deel van Zuid-Vlaanderen bedekken, bevatten veel wild, als hazen, konijnen  patrijzen, lijsters enz.

Achter de voornaamste heuvelreeks in Zuid-Vlaanderen ligt de taalgrens. Het Vlaamsche spraakgebied is er dus, als door een hoogen dijk, afgesloten. In de provincie Oost-Vlaanderen treft men de volgende Waalsche dorpen aan: orroir, Rozenaken (Russeignies) en Amougies.

Weinige wijzigingen hebben de eeuwen aan de taalgrens toegebracht, en ons land biedt, in dat opzicht, het tegenovergestelde van Bohemen en andere landen aan, waar de rassen geene palen rond hun gebied meer kunnen zetten. Zoolang wij in Vlaanderen dien toestand kunnen behouden, hoeft men de verdwijning van taal en zeden niet te vrezen en met wilskracht kan Vlaanderen zijn uitsluitelijk Vlaamsch karakter terugbekomen.

Deze algemeen dingen gezegd, bieden wij den lezer ons op een tochtje door Zuid-Vlaanderen te willen volgen. Wij beginnen met de hoofdplaats der streek, het grijze Oudenaarde, zetel eener rechtbank van eersten aanleg, van een arrondissements-commissariaat, en garnizoenstad, door ruiterij bezet. Zij telt heden rond de zes duizend inwoners.

…

Schoorisse.

Wij bevinden ons aan den wegwijzer, op een hoogte van ongeveer honderd meters. Nauwelijks zijn wij hem eene boogscheut voorbij, of een uitgestrekt ringvormig dal ontvouwt zich voor onze oogen. In die vallei liggen de dorpen Schoorisse en Maarke; op de hoogte ten zuiden, de kerktoren van Louise-Marie, in eene boschrijke streek en meer westwaarts Nukerke; in het zuidoosten de wouden van Vloesbergen en Opbrakel en het buitengoed van den baron Lefebvre van Doornik.

Een half uur lang hebben wij, onder het dalen, dit landschap, vol afwisseling, te aanschouwen.

Eindelijk bereiken wij het dorp Schoorisse.

Een bewijs van de aantrekkelijkheid van de streek is, dat de heeren Tyman, Rombaut en Scibe uit Gent hier en Louise-Marie buitengoederen hebben gebouwd.

In de kerk van Schoorisse bemerken wij eenen grafzerk, twee namen bevattende: Arnold van Gaver, heer van Schoorisse, en Isabelle Van Ghistel. De kerk heeft ook eene fondatie voor een eeuwigdurend jaargetijde ter gedachtenis van Jan van Luxemburg, heer van Schoorisse.

Op vijf minuten afstand bezuiden de kerk, links van den steenweg , stond het slot der heeren van Schoorisse. Recht over de gemeenteschool, de dreef afgaande, bemerkt men eene weide en te midden daarin eene opgevoerde aardmassa, reeds grotendeels weggeruimd. Daar was de burcht, welke opvolgenlijk aan de edele geslachten van Schoorisse,  Gaver, Lalaing, Berlaimont en Egmond heeft toebehoord.

Zooals  Sanderus het in zijne Flandria Illustrata geeft, bestond het ten tijde, dat de edelvrouw Margaretha de Lalaing het bewoonde.

De tegenwoordige weide vormde vroeger den breeden vijver rond het kasteel, dat vierhoekig was, doch uit een groot aantal gebouwen bestond, waarboven zich, hier en daar, een torentje met windwijzer verhief. De brug was aan de noorderzijde. Sanderus laat, op de afbeelding van dit slot, ook de torens en huizen van Ronse in de verte zien. Onmogelijk kan men deze van Schoorisse ontwaren: de boschrijke heuvels van Louise-Marie verheffen zich tusschen de twee plaatsen. Doch dat werd in die tijden door de teekenaars meer gedaan om de ligging der naburige stad aan te wijzen.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

59. Valerius De Saedeleer

Tekening in houtskool en potlood
Wie was Valerius de Saedeleer ? Hij werd in Aalst geboren op 4 augustus 1867, volgde cursussen aan de tekenacademie te Gent en ging  "te leer" bij Frans Courtens te Brussel. Als kunstenaar was hij nogal wispelturig van aard; een rusteloze natuur die zich nergens kon aanpassen. Hij verhuist dan ook meer dan vijftig maal in verschillende gemeenten van het land. In Sint-Maartens-Latem vond hij eindelijk zijn vaste stek. Daar vormde hij samen met de beeldhouwer- tekenaar en boetseerder George Minne, de dichter Karel van de Woestijne en zijn broer schilder Gustaaf, de Praetere, D'Acosta, Servaes, Permeke, De Smet en Albijn van den Abeele de kunstenaarskolonie: de Latemse school.

WO I drijft menigeen op de vlucht. Ook de familie de Saedeleer trekt er van onder. Stijn Streuvels beschreef die periode als volgt:

Op 1 augustus 1914 treffen Stijn Streuvels en een groep schilders bestaande uit de Saedeleer, Van de Woestijne en d’Haye mekaar in Tiegem en in plaats van over kunst te praten “ loopt het gesprek over de oorlog, maar we weten geen van allen wat er aan de hand is en de lustigheid blijft erin. We zitten    bijeen tot laat in de nacht.”

Op 10 augustus schrijft Steuvels: “Thuis vind ik de schilders De Saedeleer en Van de Woestijne, die hun berg zijn afgedaald om nieuws te vernemen over LuiK.”

21 augustus.

Streuvels gaat op verkenning. “In Tiegem staan de mensen op straat en zien uit in de richting van Kerckhove en Kaster. Ik breng een bezoek aan onze schilders en vind de twee familiën bij De Saedeleer vergaderd op het terras. Zij zijn een plan aan ’t beramen om ’t land  te verlaten! Ik praat het hen uit de kop en doe mijn best er de moed weer in te brengen, waarop zij dan ook verklaren te zullen thuisblijven.”   

1 september

“Onze vrienden de schilders van Tiegem zijn er zo vanonder getrokken, daags na mijn bezoek, als zij stellig beloofd hadden niet te vertrekken. Zonder afscheid, zonder adres na te laten of reden op te geven- weggevlucht en alles in de brand gelaten.” 

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft hij met zijn gezin in Wales. Heel wat artiesten voelden zich tijdens de oorlogsjaren veiliger in het buitenland want ook  George Minne verbleef in Wales terwijl Permeke in Engeland verbleef en De Smet en Van den Berghe in Nederland onderdak hadden genomen. Na de oorlog verbleef de Saedeleer in Etikhove. Daar woonde hij in een kleine hoeve uit de 17de eeuw gebouwd van leem en stro. Deze woning werd later door de eigenaar Thienpont aan het openluchtmuseum van Bokrijk geschonken waar het als een stukje Etikhove zal vereeuwigd blijven. De kunstenaar was ondertussen verhuisd naar de Bossenaerheuvel. Hier had hij een prachtig en wijds uitzicht over de scheldevallei. Zijn mooie winterlandschappen zijn er het  bewijs van. Hij overleed te Leupegem in de wijk Ten Berghe op 26 september 1941.

 

 

Valerius de Saedeleer als kunstenaar.

De kunststroming waartoe de Saedeleer behoort is het symbolisme. De fundamentele veranderingen in de Europese kunst  vanaf het begin van de 20ste eeuw hadden ook gevolgen voor de kunst in ons land. Kunstenaars uit ons land hielden contact met kunstcentra in het buitenland. Jonge kustenaars gingen groep vormen en veranderden wat graag van stijl. Het symbolisme bleef echter een actieve rol spelen tot vóór de Eerste Wereldoorlog. Zo gingen te Sint-Martens-Latem kunstenaar bij elkaar wonen. Ze waren toen nog doordrongen van de invloeden uit vorige eeuw maar begonnen te reageren tegen het luminisne dat wat al te oppervlakkig was; de kunst moest inhoudrijker worden. Zoals reeds vermeld schilderde Valerius de Saedeleer onder invloed van Franz Courtens tot hij in Sint-Martens-Latem een persoonlijke en artistieke crisis doormaakte; hij bleef een wat simpele figuur tussen kunstenaars als Gustaaf van de Woestyne en een George Minne, kunstenaars met een complexe persoonlijkheid. Het werk van Valerius de Saedeleer bestaat uit eenvoudige landschappen  die rust uitstralen. Dezelfde elementen komen echter vaak voort in de verschillende landschappen. (Vlaamse Kunst  Mercatorfonds)

Hoe Etikhove zijn titel "kunstenaarsdorp" verkwanselde is mooi beschreven in de "Historiek van Etikhove" door A.V.N. Muurschilderingen gemaakt door o.a. Valerius de Saedeleer  in de herberg "Bij Sjuule" werden bij de afbraak volledig vernietigd.

 

Dochter Elisabeth de Saedeleer en het Kunstcentrum op de Bossenaer Te Etikhove in 1969.

We laten even Elisabeth de Saedeleer aan het woord. In haar boek vertelt ze over haar vader.

"Hij leefde er in alle eenvoud, op den buiten, op het platteland in Vlaanderen, tussen de Vlamingen. Hij was niet geleerd, geen wetenschapper; maar zijn geest was gezond. Hij ging om met de eenvoudige mensen van het platteland en werkte met hen. Hij waardeerde hun wijze manier waarop ze tegen hun bestaan aankeken. Hij had hun wijze manier van leven overgenomen. Hij was een artiest, oprecht en echt, de kunst was het doel van zijn leven. Hij wisselde van gedachten met de andere mensen, met zijn geloof in de hogere waarden van het bestaan, zijn begrip voor de schoonheid van de dingen. Zijn voorbeeld bewees dat iedere taak een nauwgezette eerlijkheid vereiste en niet kan slagen zonder een prijs van lang geduld en veel inspanning. Mijn zussen en ik waren zeer jong wanneer hij ons inleidde in de eerste stappen van de kunst. Hij nam ons mee naar den buiten en wij tekenden onder zijn leiding.

Gedurende de oorlog 1914-1918 moest hij met zijn gezin emigreren naar Engeland. 't Is daar dat wij voor het eerst de weefkunst hebben gezien met als gelukkig gevolg kwamen wij in contact met Miss Morris, de dochter van de schrijver en kunstenaar William Morris, die een harde voorstander was van het handwerk. Ons vader wilde ons juist vertrouwd maken met het handwerk. Wij benaderden dus de omgeving die nog onder invloed stond van Ruskin, van Burne Jones en van de aanhangers van het preraphaelisme, de aanhangers van de 19de eeuwse schilderschool,  omgeving doordrongen van poëzie en verschillende kunstopvattingen, eerlijk en levend. De opgedane ideeën lieten ons niet meer los en wanneer we in Vlaanderen terugkeerden zetten we dat ongeveinsd in de praktijk om. Het dorp waar we ons vestigden heette Etikhove. 't Is daar waar de eerste proeven werden gedaan. De eenvoudige en oudere wevers, die trouw gebleven waren aan de traditie van hun voorouders, waren onze eerste handwerkers. Het was voor hen een echte revelatie te zien wat er kon bereikt worden met hun oude ambachten."(Le tissage à la main)

      Elisabeth  de Saedeleer had later haar "Atelier d'art" te Brussel. In oktober 1968 gaf het gemeentebestuur van Etikhove  haar een vergunning tot het bouwen van een kunstmuseum en openluchttheater op de Bossenaar, een 200-tal meter van de villa Tynlon. Op 23 mei 1970 werd op de Bossenaar, in de omgeving van villa Tynlon een kunst-en ambachtencentrum geopend ter nagedachtenis van de kunstenares. Heden is dit een woonhuis.

 De kunstenares stierf te Brussel in 1972 met als gevolg dat het centrum inactief bleef en verlaten. Het centrum hield op te bestaan toen het werd verkocht.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Lemen hoevetje in de Donderije te Etikhove

Potloodtekening 30/40

Oud hoevetje in Etikhove.

Dit oude hoevetje stond tot de jaren 1950 langs de Donderije aan huisnummer 1 en behoorde tot de familie De Keyzer. Lange tijd werd de hoeve uitgebaat door Ivo De Keyser en vrouw Silvie Bourgeois. Broer Emiel woonde toen in ’t Oud Gemeentehuis op het dorp te Nukerke. Ivo werd geboren in Etikhove op 1 juni 1856 en overleed op 13 maart 1934. Nadien werd het hoevetje bewoond door Nestot De keyser en Madeleine De Zitter. Ivo was de grootvader van Lucie Verdonckt.

Het grootste deel van de gebouwen waren opgetrokken uit leem en hout. Links van de pomp stond een aanbouw in steen. De daken waren met stro bedekt. De deur (zwart) links gaf toegang tot de achterkeuken met de Leuvense stoof en een tafel met een lange zitbank tegen de muur. Een deur gaf toegang tot het schotelhuis. Langs een houten trap naar boven kwam je in de twee kleine slaapkamers onder het dak.  In de aanbouw , links van de pomp, werd er gekarnd. Daar was destijds ook een kruidenierswinkeltje én staminee. De zwarte deuropening op het verdiep was de ingang van den “delten” waar het stro werd bewaard. Daarnaast was de koestal en er naast het vertrek. De buis naar boven was de aalpomp. Die werd met de hand bediend om de aal naar ‘t aalstuk te pompen. Achter de volgende deur was het varkenskot met 2 of 3 varkens. Eén varken alleen in een hok “dat dijt niet” – dat dier jont zich niet. Tegen de muur hangen 2 garelen voor de koeien. Rechts er van is nog een varkenskot met er voor een uitgemetselde bak voor het varkensvoer. De grote deuropening met een tweedelige deur (met boven en onderdeel) was de schuur waar het graan met dorsvlegels werd gedorst op de harde lemen dorsvloer. Op de delten werd het stro gestapeld. Om niet in de mestplas te belanden werd een kleine houten schutting geplaatst. Rechts is het “karrekot” met daarboven een zoldertje waar de zitbank ligt. ’s Zomers werd die bank naar beneden gehaald om bij mooi weer te genieten van het neerhof.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Langs de Gansbeekstraat te Etikhove

Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Jean-Baptist De Schampheleire te Etikhove in zijn boerderij langs de Gansbeekstraat daar waar de Maarkebeek onder de straat duikt. Baptist werd geboren in 1900 en was afkomstig uit de Varent. Tijdens zijn jonge jaren had hij meermaals deelgenomen aan de bietencampagne in het noorden van Frankrijk. En je weet hoe dat gaat. De jonge man maakte daar kennis met een meisje uit de streek. Ze trouwden en kwamen wonen langs de Gansbeekstraat. De jonge vrouw werkte samen met Jean-Baptist en leerde ook wat Nederlands. De periode tussen de twee oorlogen was een harde tijd en Jean-Baptist oefende zoals zovele meerdere beroepen uit. Zijn hoofdbezigheid was echter fruit kweken. Hij schafte zich een paard aan en reed wekelijks met paard en kar naar de markten in de omgeving om het lekkere fruit aan de man te brengen. Op een dag heeft het gezin "alle chance van de wereld" gehad. Het was in 1945. De streek was reeds maanden bevrijd maar de Duitsers gaven niet op en bestookten Antwerpen met de fameuze V-2 raketten. Er werden zo maar eventjes 2000 raketten op de haven afgestuurd. Niet allen bereikten het beoogde doel. Sommige "vliegende bommen" misten hun doel, weken af of raakten tijdens de vlucht defect. Zo hoorden ze op een mooie dag in Etikhove het gefluit van een aanstormende V-2. Men wist dat eens het motorgeluid ophield de bom binnen de kortste stonden zou vallen. Wat ook geschiedde. Gelukkig stond in de weide aan het erf van De Schampheleire een rij hoge populieren. Deze bomenrij werkte als vangnet voor de raket die in de toppen terecht kwam en met een geweldige slag ontplofte. Bladeren, twijgen, takken, metalen stukken, vuur, rook, pannen en stenen het vloog al in het rond. Het dak van de woning was volledig ontmanteld maar niemand werd gekwetst. De buurt kwam er gelukkig met de schrik vanaf. De zoon van Baptist had later naast het woonhuis een smidse.

Tegen de zomer van 1944 was het Duitse leger volop bezig de aftocht te blazen. De soldaten werden wat nerveuzer en ze probeerden alles wat wielen had  van de burgers af te pakken. De fietsen spraken wel aan. Maar de meeste burgers hadden daar iets op gevonden. Ze verwijderden de rubberen banden want alles wat op rubber leek werd door de bezetter verzameld om te hersmelten tot nieuwe grondstof. De burgers wisten dat en zegden met een foefje dat de banden waren versleten. Toch namen sommige Duitsers zo'n rijwiel in beslag. Mensen die die situaties meemaakten lachen nog als ze vertellen hoe de Duitsers de kasseikoppen trotseerden op de ijzeren zanten. Al hotsend en al botsend denderden ze de helling af richting heimat.  

Deschampeleire woonde in Etikhove, maar was afkomstig van de Varent in Mater. Hij werd gemobiliseerd voor de oorlog van 14-18. Jarenlang verbleef hij in de loopgrachten achter de IJzer. Tijdens een van de vele korte aanvallen werd de beste vriend van Jean-Baptiste ernstig gekwetst en lag daar ergens buiten de loopgrachten te kermen en steeds te roepen: "Tiste, kom mij toch helpen!"  Maar Jean-Baptiste kon hem niet halen. Hij moest immers wachten tot ze zeker waren dat de Duitsers zich volledig hadden teruggetrokken. De nacht ging voorbij en het werd heel stil. Hét moment om de gekwetste vriend te gaan ophalen?  Kruipend op de buik bereikte hij de man. Denkend dat de kust veilig was richtten ze zich op. Te laat. Een machinegeweer ratelde en de beide soldaten werden getroffen door een kogelregen. Ze vielen neer. De gekwetste soldaat  was op slag dood en Tiste bleef gewond voor dood liggen. Op zijn beurt bleef hij achter tot hij zou gered worden. En gelukkig! Zo gebeurde het. Hij bleek getroffen te zijn door een gloeiende brandkogel die langs de rug was binnen gekomen en langs de buik het lichaam had verlaten. De plaats waar de kogel de buik had verlaten was dichtgeschroeid. Dat was wellicht zijn redding. Voor zijn genezing werd Jean-Baptiste naar Frankrijk overgebracht waar hij in een lazaret aan een volledige herstelling begon. Wat ook lukte want kort nadien werd  Tiste weer goed bevonden om naar het front te trekken. Hij vertelde nadien dat hij een Belgische soldaat had gezien met een houten been. Die man werd door de keuringsdienst goed bevonden om zijn compagnie aan het front te vervoegen. Het schijnt dat hij zijn houten been afnam en naar de medische staf gooide met de vraag:" Wat kan ik met zo'n been gaan vechten!"

Hoe vind je dit bericht? 11 stemmen
Geschreven door Hedwig om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Maarkedal in beeld

↑ Terug naar de berichten