De mensen van voorbij.
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij!
Alice Nahon (1883-


1 reactie op dit bericht
ALICE NAHON
Biografie
Alice Nahon (1896 - 1933)
Alice Nahon werd te Antwerpen geboren op 16 augustus 1896. Zij was derde in een gezin
van elf kinderen. Haar vader was een Nederlander met Franse roots. Haar moeder -Julia Gijsemans-
was afkomstig van Putte.
Vanaf 1911 studeerde zij aan de landbouwschool te Overijse. In 1914 ging zij aan de slag
als leerling-verpleegster in het Stuivenberg-ziekenhuis te Antwerpen.
Zij werd ziek en men concludeerde dat zij leed aan tuberculose. De hieropvolgende jaren
bracht zij door in diverse sanatoria. In 1917 werd zij opgenomen in het St. Jozefinstituut
te Tessenderlo waar zij zes jaar verbleef. Naast haar longziekte worstelde zij nu ook met depressies.
Toch slaagde zij er in om twee poëziebundels te schrijven, namelijk 'Vondelingskens' (1920)
en 'Op zachte vooizekens' (1921).
In 1923 liet ze zich opnieuw onderzoek in Luzern. De diagnose luidde, dat zij geen TBC had,
maar chronische bronchitis. Er viel een zware last van haar af.
Zij herstelde snel en verbleef achtereenvolgens een tijdje in Italië, de Landes en Parijs.
Vanaf 1927 was ze werkzaam in de stadsbibliotheek te Mechelen. Daarnaast genoot zij
met volle teugen van het (nacht)leven en behoorde tot de kennissenkring van Fernand Berckeleers,
Maurits Sabbe, Gerard Walschap e.a. kunstenaars.
In deze periode woonde zij in de kapelwoning van het kasteel Cantecroy in Oude-God.
Met haar bundel 'Schaduw' (1928) probeerde zij zich te ontdoen van haar ietwat tuttige imago.
Vooral Paul van Ostaijen bekritiseerde haar.
Desalniettemin heeft zij altijd veel trouwe bewonderaars gehad.
Tijdens haar laatste levensjaar verhuisde zij naar de Carnotstraat in Antwerpen en werd opnieuw
ernstig ziek. Zij overleed op 21mei 1933.
Haar bundel 'Maart-April' verscheen postuum in 1936.