GEDICHT VAN DE WEEK
WIEG
Geur van honing
en jonge melk,
van een nestdiertje
dat slaapt.
Een ademhalen van dons.
En speurbaar aan de neusvleugels
de geur van wat gebeurd is:
geboorte,
geheim.
(Ida Gerhardt)
GEDICHT VAN DE WEEKWIEG
Geur van honing
en jonge melk,
van een nestdiertje
dat slaapt.
Een ademhalen van dons.
En speurbaar aan de neusvleugels
de geur van wat gebeurd is:
geboorte,
geheim.
(Ida Gerhardt)
ZONDAG 29 JANUARI4de ZONDAG A – 29 JANUARI 2017
GELUKKIG ZIJN ZIJ …
Geluk is een toverwoord dat ons sterk aanspreekt. Maar wat we eronder verstaan kan nogal verschillen. Ook als onze materiële noden bevredigd zijn, blijft er nog steeds dat verlangen naar méér en naar dieper. Een onrust, die vraagt om een meer dan materiële voldoening.
Jezus reikt ons vandaag enkele zalige woorden aan op de weg naar diepmenselijk geluk. Hij noemt een aantal zaligheden die in Zijn Koninkrijk gelden. En die staan nogal haaks op wat wij veelal onmiddellijk betrachten.
Vandaag is het ook de 'Werelddag voor de Melaatsen'. Het geheim van de heilige pater Damiaan is precies dat hij die woorden van Jezus zeer ernstig nam. Laten we in deze viering in eenheid verbonden zijn en bidden. Tot geluk en vreugde. Tot zaligheid van velen.
Zoek de Heer,
u, dienaars van het land,
die zijn geboden naleven.
Zoek de gerechtigheid,
zoek de bescheidenheid.
(Sefanja 2,3)
`Gelukkig die arm van geest zijn …
Gelukkig die verdriet hebben …
Gelukkig die zachtmoedig zijn …
Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid …
Gelukkig die barmhartig zijn …
Gelukkig die zuiver van hart zijn …
Gelukkig die vrede brengen …
Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid …
Gelukkig zijn jullie,
als ze jullie uitschelden en vervolgen
en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij.
(Matteüs 5,3-12)
ZOALS TOEN GEBEURDE OP MOLOKAÏ
Het gebeurde in Kalawao op het eiland Molokaï, op een nacht in 1881. Pater Damiaan schrok op uit zijn slaap. Hij hoorde luid hulpgeroep: ‘Makua Kamiano, vadertje Damiaan, doe open, ik ben zo bang.’
Pater Damiaan keek naar buiten, daar voor het hek stond een jonge vrouw, mooi, maar wel melaats. ‘Ik heet Lilu'ai en ik ben niet van uw kerk. Maar mijn man is gestorven en nu komt mijn buurman en hij dringt mijn huis binnen en hij valt me lastig. Asjeblieft Kamiano, laat me schuilen bij jou. Ik ben zo bang.’
Pater Damiaan legde een dekentje op haar schouders en improviseerde een bed voor Lilu'ai in zijn huisje. En Lilu'ai bleef bij hem wonen en zorgde voor hem en ook voor Kialu, het jongetje van een andere melaatse vrouw die pas gestorven was.
Enige tijd later zei Lilu'ai tot een overste die Molokaï bezocht: ‘Kamiano is als een vader voor ons allemaal.
Er was hier eens een dokter, die zette de pot met zalf aan de deur en met zijn wandelstok hief hij de lompen van de melaatsen op om hun lichaam te onderzoeken.
Maar Kamiano strijkt de zalf zelf op de wonden. Kamiano spreekt niet over liefde:
KAMIANO IS LIEFDE!’
(uit 'Kamiano', verteltheater)
Zulke verhalen zijn als visioenen en zulke visioenen hebben we nodig. Het is er nog niet, dat koninkrijk van God, van waarheid, heiligheid, liefde, gerechtigheid en vrede. Maar het wenkt aan de horizon en het sluimert in onze diepste dromen.
Het is er nog niet, dat visioen, maar: ‘Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk’, schreef de grote theologe Dorothée Sölle.
Het visioen komt dichterbij als wij werken aan dat koninkrijk van zaligheid voor vele, vele mensen.
'Wie zal zeggen, of datgene wat wij hopen ook bestaat?
Het is ermee als met de wegen op aarde.
Eerst waren er geen wegen, maar ze ontstonden,
toen vele mensen in dezelfde richting gingen'
(Lee Sjuun)
VREUGDE
Uw woorden, Jezus,
zijn niet bedoeld om onvruchtbaar
in onze boeken te blijven sluimeren,
maar om ons hart te doordringen
en de wereld te doorlopen.
Geef dat dit vuur van vreugde,
eens door U op een berg aangestoken,
ons eigen hart verwarmt
en dat deze vonken van geluk
ons leven tot een licht maken.
Geef dat wij, bewoond door die woorden,
door alle straten van onze stad lopen,
in de massa concrete mensen ontmoeten.
Laat ons,
zelf besmet door de zaligsprekingen,
voor allen besmettelijk van vreugde zijn.
Madeleine Delbrel
DOORDENKEN OP DONDERDAGVASIEL HAD EEN DROOM
In het najaar had Vasiel een droom. Een onweerstaanbaar verlangen naar politieke vrijheid deed hem zijn land ontvluchten. Maar die droom heeft hij duur betaald. Zeer duur!
Hij moest weg van de vrouw met wie hij zijn leven deelde, hij maakte zich los van de liefde die leven mogelijk maakt. Hij zei vaarwel aan zijn dorp en zijn land, waarmee hij tot in zijn ziel verbonden was.
Zijn autootje van 350 euro bracht hem met zijn geschiedenis, zijn twijfels en ook zijn hoop naar Brussel. Hij geloofde in Brussel, de stad die hem echter geen brood en geen enkele kans op leven gaf. Hij dwaalde er even rond, vond niemand en verzeilde ten slotte in de havenstad Antwerpen.
In het huis van de daklozen ontmoette hij Willy, die hem een beetje wegwijs maakte in die onbekende wereld. Toen kwam Jos, de wijkagent, die Pierre van de vreemdelingenpolitie aansprak in verband met een erkenning als politiek vluchteling. Liesbeth nam de rol van tolk op zich. Maria heette hem welkom en de mensen van MIN zochten werk voor hem.
Vasiel sprak alleen Pools, Roemeens en een mondje Duits. Toch vonden wij een werkgever die bereid was hem in dienst te nemen. Eindelijk verdiende hij wat geld om een
ruimte voor zichzelf te huren, een eigen thuis. In de avond van 10 januari trokken Jaak, Eugène en Annemarieke met een bestelwagen vol meubeltjes naar de Grote Kauwenberg. Het werd een onvergetelijke avond!
Een smalle trap leidde hen naar de derde verdieping. Op twee kleine kamertjes, leeg en zonder verwarming, troffen ze de Roemeen aan met ogen die ondanks alles toch nog hoop uitstraalden. De buurvrouw snelde toe met een: 'Wat kan ik voor jullie doen?' En het studentenpaar dat een verdieping lager woonde hielp mee om de kast en het gasfornuis via de moeilijke trap naar boven te zeulen.
Ondertussen kwam nog een andere studente aanzetten met een uurwerk, een zetel en een paar posters. En in een paar uur tijd schiepen mensenhanden een gezellige thuis voor de vreemdeling in de havenstad!
Het was een heerlijke dag, omdat een vluchteling een stukje thuis en warmte vond en welkom werd geheten in een vreemd land. 'Ik was vreemdeling en jij hebt Me opgenomen,' hoor ik Jezus zeggen.
Zo zijn er nog heel wat andere mooie verhalen van 'engelen' in de grootstad. Over hen wordt in de kranten nooit geschreven.
Phil Bosmans: ‘Kleine mensen, grote mensen’
GEDICHT VAN DE WEEKLIEFDELEED
Hoe moeilijk is ‘t oprecht te zijn
bij u, die ik bemin.
De dromen die mij dierbaar waren
ontvingen vorm en kregen zin,
omdat zij eens uw aangezicht verwierven.
Gij kwaamt bij mij, ik was bij u,
en ‘t gaf mij niets,
dat al mijn dromen stierven.
Maar ook de liefde is zo vlug ontluisterd,
zoals een wolkje rook zo snel verijld.
Lang voor de avond van ons leven duistert,
is er geen ander licht dan ‘t dagelicht,
dat buiten ons over de wereld ligt,
geen licht dat in onszelf nog wijlt.
Gewoon wordt alles, zonder gloed,
en droog als oudgebakken brood:
het hart der anderen, ons eigen hart
is, als ‘t zijn kloppen staken moet,
slechts waardig voor de dood.
Het is dan lang alleen geweest
en moederziel verlaten.
Ik ben zo gans alleen
terwijl gij bij mij zijt.
Zoekt gij ook vruchteloos
in uw ommuurde eenzaamheid
niet naar mijn hand, niet naar mijn geest,
wel naar de kern van mijn persoon,
de ziel van mijn aanwezigheid?
Zo weet ik niet waartoe ‘k dit leed
in mij bewaar,
waarom ik u bemin
en altijd van u houden zal.
Gij denkt als ik: het heeft geen zin
en toch, wij dulden maar
die wanhoop om elkaar,
die liefde heet.
André Demedts
ZONDAG 22 JANUARI 2016
3de ZONDAG A – 22 JANUARI 2017
‘KOM … EN VOLG MIJ’
Vorige week lazen we in het evangelie over het doopsel van Jezus door Johannes de Doper … en de opvallende ‘naamgeving’ daarbij: ‘Zie, het Lam Gods’: ‘kijk, daar gaat die mens, die in zijn liefde zover gaat, dat Hij zichzelf ten einde toe wegschenkt, opdat anderen tot leven zouden komen’.
Meteen daarna begint Jezus aan de opdracht, die Hem is toevertrouwd: het rijk der hemelen, het Rijk Gods, verkondigen én gestalte geven. Hij ziet dit evenwel niet als een werk, dat Hij helemaal alleen zal tot stand brengen. Van bij het begin vraagt Hij medewerkers, gewone mensen, vissers, om samen met Hem mensen op te vissen uit elke vorm van duisternis: kwaad, zonde, eenzaamheid…
Eeuwen geleden ging Jezus zo te werk: Hij sprak mensen aan, die Hij ontmoette en vroeg hen om mee met Hem op weg te gaan, een nieuwe horizon tegemoet. Vandaag blijft die oproep onverminderd en onveranderd klinken … maar we moeten deze ‘roeping’ zien als een uitnodiging voor ons allen – allemaal heel gewone mensen – en niet alleen bestemd voor enkelingen, die beroepshalve in zijn dienst staan.
Het volk dat ronddwaalt in het donker,
ziet een helder licht.
Over hen die wonen in een land vol duisternis
gaat een stralend licht op.
(Jesaja 9,1)
Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep,
zag Hij twee broers – Simon, die Petrus genoemd wordt,
en zijn broer Andreas – het net uitwerpen in het meer;
want het waren vissers.
Hij sprak hen aan: `Kom achter Mij aan,
en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.'
Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
Verderop zag Hij nog twee broers,
Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes;
ze waren in de boot met hun vader Zebedeüs
hun netten aan het klaren.
Hij riep hen.
Meteen lieten ze de boot en hun vader achter en volgden Hem.
(Matteüs 4,18-22)
BLIJFT DIE STEM NOG ROEPEN?
Een Man aan het meer en enkele vissers die hun job laten staan en Hem volgen. Een kleine anekdote, maar dat feit heeft de wereld veranderd.
Het Jezus-verschijnsel heeft een wending gegeven aan de geschiedenis. Het heeft het westen en een stuk van de wereld tot een leefbaar huis gemaakt. Ondanks de ontsporingen, de afwijkingen, de wreedheden zelfs … die in Zijn naam bedreven zijn.
Het bezorgde ons een wereld waarin niet alleen kathedralen en kunstwerken tot stand kwamen maar waar vooral een moreel aanvoelen kon groeien met aandacht en voorkeur voor de lijdende medemens, en een moraal die gegrondvest was op heilige fundamenten.
Is dat alles nu voorbij, weggevaagd door een nooit geziene golf van ontkerstening? Worden de kathedralen musea en de liturgie folklore? Is de moraal van morgen een menselijk bouwsel, gefundeerd op de grootste gemene deler van de publieke opinie. Is het Jezus-verschijnsel een voorbijgaande episode en stappen we nu een post-christelijk tijdvak binnen?
Voelen we dat niet tot in ons eigen leven toe? Wat schiet er over van ons geloof? Wat restanten van een opvoeding, van vroegere gewoonten? Met nu en dan een stuk religieuze ontroering op zondag, een eilandje in onze oppervlakkige televisiecultuur maar zonder dat dit ons leven verandert.
Inderdaad, een tijdperk is voorbij. Maar het einde van iets betekent ook altijd een nieuw begin. Veel is verdwenen. Dat betekent ook dat veel bijkomstigheden zijn weggevallen en dat we terechtgekomen zijn bij de kern van de zaak.
Als we tot op de kern willen gaan, dan komen we tot de vaststelling dat het enige dat Hij de wereld is komen zeggen is: dat wij, mensen, door God worden bemind. God laat ons niet los, en dat we daarom ook elkander moeten omringen met respect en met liefde. Dat is zijn blijde boodschap. Dat is het licht voor een volk dat in de duisternis wandelt.
Vandaag staan we terug aan de oever van het meer, staan we terug voor dezelfde verscheurende keuze. Kiezen tussen een leven in banaliteit of leven vanuit Jezus’ blijde boodschap. We staan terug voor de eenvoudige uitnodiging van een Man zonder macht of invloed maar met de aandrang van een minnaar: Kom, volg mij.
De christen is diegene die zich daarvan laat doordringen en met dat besef, met die innerlijke rijkdom door het leven gaat.
Geen wonder dat een christen op een andere manier naar de toekomst kijkt. Wie zich gedragen weet door Gods liefde kan niet anders dan met optimisme naar de toekomst kijken, en met een onvoorwaardelijk geloof in de mens, aan die toekomst werken.
De droom van het Rijk Gods is niet voorbij ook niet in dit rijke westen. Daarvoor zijn er te veel geestelijk daklozen: zoekende mensen. Alleen zal die droom van het Rijk Gods anders ingevuld worden met minder autoriteit van bovenaf en meer ruimte voor persoonlijke inbreng, meer aandacht voor een gemeenschap waar mensen elkander mogen dragen.
(Manu Verhulst)
Mijn naaste
die in nood verkeert
benaderen met mooie plannen
is ijdel en schijnheilig
wanneer mijn hand niet opengaat,
want ieder mens heeft recht
op 'werkelijke goederen'
van de aarde.
Verantwoordelijkheid
opnemen voor die ander
is zeggen met mijn lichaam:
'hier ben ik'!
Niet op mijn woord
maar op mijn handel
en mijn wandel
wordt Gods Rijk gebouwd.
Op zichtbaar en tastbaar
werk van handen, op
'Handelingen van apostelen'
die zonder medialawaai
metterdaad verkondigen:
'Ik wil voor je zorgen,
ook als jij me zorgen vraagt.'
(De Graankorrel)



DOORDENKEN OP DONDERDAGHET OPEN HEK
Elk bos heeft zijn geheimen. Ook een bos dat je door en door kent, maar 's avonds is dat anders. Of 's nachts als je droomt. En juist het bos waarvan je droomt, dat zul je nooit vergeten, zoals Mozes dat bos op een berg.
'Vertel ons van dat bos, vertel ons van dat droombos', vroegen de luisterende kinderen. De nacht was anders dan andere nachten. Er was geen licht van maan en van sterren en toch kon je zien waar je liep. Het pad was afgesleten, kronkelend als een slang tussen de bomen, maar de latere wandelaars zagen het niet. Ze hadden veel te bespreken ...
Ineens liep hij daar, een witte man, met een last op zijn schouders. Hij leek wel een boom met honderd vragende armen. Hij ging voorbij ... nog een keer keek hij om ... het was geen bevel. Het was een vraag, zoals nog nooit iemand gevraagd had.
Die een die was blijven staan ging naar binnen. Het was maar een stap ... Wie die stap heeft gezet en de zoetheid van deze wonderlijke verleider heeft gesmaakt, kan niet meer terug. Een groot avontuur lokt hem verder en verder. Hij kan er niet meer buiten. Hij is buitenste-binnen gekeerd, voor eeuwig uit de droom geholpen.
De luisterende kinderen keken met grote ogen en gingen heen. Ze vingen een vlinder en lieten hem los toen zijn trillende vleugels smeekten als hoog gevouwen handen. Ze volgden hem zover ze konden ...
Omer Gielliet
GEDICHT VAN DE WEEKvader,die mij leven liet
in een onbegrensd gebied
en het schelpje dat ik vond
noemde een versteende vis
is wat nooit een ander is
is een warme arm die rond
mijn vermoeide schouders ligt
is een hart tot mij gericht
neeltje maria min
ZONDAG 15 JANUARI 2016
2de ZONDAG A – 15 JANUARI 2017
‘ZIE HET LAM GODS’
Na de kersttijd keren we nu terug naar de gewone zondagen. Week na week overwegen we wie Jezus is, en wat Hij voor ons betekent tot op vandaag. We hebben gezongen over vrede en toch lijkt dat weer allemaal zo ver weg. Het nieuws gaat weer over onrecht en oorlog, en we kennen ook de kleine twisten in de eigen kring.
Johannes de Doper zegt in het evangelie dat Jezus de zonden van de wereld wegneemt. Maar we zien daar niet veel van, denken we.
Inderdaad, dat kan niet gebeuren zonder onze bijdrage. Laten we dan ook de kant kiezen van dat ‘Lam van God, dat de zonden uit de wereld wegneemt.
De volgende dag zag Johannes de Doper Jezus,
terwijl die naar hem toe kwam.
‘Daar is het lam van God,’ zei hij,
‘diegene die de zonde van de wereld wegneemt.’
(Johannes 1, 29)
‘DE WEG VAN HET LAM’
‘In wat voor een wereld leven wij nu eigenlijk?’ Die vraag bekruipt ons zo dikwijls als het wereldnieuws ons bereikt. Er is geen nieuwsbulletin zonder dat er sprake is van waanzinnige vernielingen, van corruptie, vergelding en verdrukking. En telkens zijn het de minste der mensen die er het slachtoffer van zijn.
Niet alleen in het wereldnieuws het kwaad zit dicht bij ons. En als we eerlijk zijn: het kwaad zit in ons eigen leven. In elke mens zit iets menselijks maar ook iets onmenselijks. Wijsheid en waanzin, liefde en haat liggen in mekaar verstrengeld.
Dat is geen reden tot schuldgevoelens, wel een aansporing tot zelfkennis. En het is spijtig dat in de huidige opvoedingssystemen zo weinig sprake is van zelfkennis. Gewetensonderzoek is helemaal verdwenen. Het komt slechts ter sprake bij de psychiater maar dan heeft het een andere naam, en dan is het ook te laat.
Trouwens ook op het grote wereldforum is er geen ruimte meer voor een gewetensonderzoek. 11 september was geen aanleiding om kritisch de rol van het kapitalisme en van de Wereldhandelsorganisatie te bevragen. Het was wel een aanleiding om de B52 bommenwerpers van stal te halen.
Waar komt het kwaad vandaan? Hoe komt het dat mensen zo zijn? Zit het in onze genen? We kunnen ons verliezen in allerlei beschouwingen. Maar als de vraag heel persoonlijk op u afkomt, vanop een ziekbed of vanuit een totale ontreddering: ‘Waarom moet ik zo afzien?’ dan staat ge daar met uwe mond vol tanden. Er is geen antwoord, of liever: er is maar dat ene antwoord: ‘Ik blijf bij u.’.
Ook Boeddha zei het reeds in een beeld: Als je bij een gekwetste komt, moet je niet gaan zoeken vanwaar de pijl werd afgeschoten. Dan moet je de wonde verzorgen.
500 jaar later zou Christus in dezelfde zin antwoorden op de vraag over de blindgeborene: ‘Wie hebben hier gezondigd, hijzelf of zijn ouders?’ ‘Noch hij, noch zijn ouders hebben hier gezondigd. Hier moet Gods wil verwezenlijkt worden’ antwoordt Jezus. Dat wil zeggen: help hem.
‘Ik blijf bij u’. In die laatste en enige troost aan de lijdende mens zal Christus zo ver gaan dat hij zich helemaal zal vereenzelvigen met de lijdende mens. De gekruisigde Christus is het laatste en enige antwoord op de levensvraag naar het kwaad in de wereld en het lijden van de mens. Daarom noemde Johannes hem: het lam Gods, verwijzend naar het offerlam dat op paasavond werd geslacht als een herinnering aan de bevrijding uit de verdrukking.
Als we straks voor de communie de woorden zullen horen: ‘Dit is het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt’ is dat niet louter herinnering aan een evangelietekst. Te communie gaan is een programma onderschrijven naar de toekomst toe. Het is de gesloten cirkel van het kwaad mee willen doorbreken door de ontwapenende goedheid van het lam, ook als dit ter slachtbank wordt geleid.
Naarmate wij maar één vaderland meer hebben, onze planeet. Naarmate de wereld die ene globe wordt, wordt de weg van het lam de enige uitweg om deze planeet leefbaar te houden.
(Manu Verhulst)
Ik bid voor het geschenk van de Liefde,
want als ik de Liefde niet heb, ben ik niets.
Leer me de Liefde, opdat ik geduldig en vriendelijk word,
niet jaloers, aanstellerig of hooghartig.
Laat me niet hard, zelfzuchtig of vlug op mijn tenen getrapt zijn.
Laat me niet bijhouden wat me allemaal misdaan werd.
Laat me nooit plezier vinden in de fouten van anderen,
laat me verlangen naar de waarheid.
Dan zal er niets zijn dat mijn Liefde niet aankan,
dan zullen er geen grenzen zijn aan haar hoop,
haar geloof, haar volharding.
Mijn Liefde zal zonder eind zijn.
(Iny Driessen: ‘God, die ’t grassprietje bedacht’)

DOORDENKEN OP DONDERDAGGEBED VAN EEN SCHOENLAPPER
Een schoenlapper vroeg de rabbijn Isaac van Ger: 'Wat moet ik met het ochtendgebed aanvangen? Mijn klanten zijn arme mensen die het met één paar schoenen moeten stellen. ‘s Avonds laat brengen ze hun schoenen en de hele avond en een stuk van de nacht ben ik ermee in de weer. Vaak ben ik ‘s ochtends nog aan het repareren om zeker nog klaar te zijn voor ze gaan werken. Hoe moet dat nu met mijn ochtendgebed?'
'Hoe heb je dat probleem al die tijd opgelost?' vroeg de rabbijn. 'Soms hol ik op een drafje door mijn gebed heen, maar dat geeft wroeging. En soms laat ik het gebedsuur gewoon voorbijgaan, maar ook dan voel ik me niet op mijn gemak. Iedere keer als ik dan mijn hamer op een schoen laat neerkomen, hoor ik mijn hart zuchten: wat voor sukkel ben ik toch dat ik niet eens mijn ochtendgebed kan bidden.'
‘Als ik God was’, zei de rabbijn, 'dan zou ik die zucht hoger aanslaan dan een gebed.'
Anthony de Mello
GEDICHT VAN DE WEEKMOEDER
We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als 't avond werd. Dan zong ze naast de zee –
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.
Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen
En steeds bewegend, steeds bewegend hart –
Wij wisten dat in haar geleden werd,
Dat zij het leven kende, en 't voelde branden.
Ze ligt in 't graf met het gelaat naar boven.
Donkere moeder, wieg haar lichaam warm,
Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot –
Zachter dan 't leven zij haar de eeuw'ge dood,
Die menschen eenzaam maakt en stil en arm –
Maar die het witte zonlicht niet kan dooven.
Martinus Nijhoff
DRIEKONINGEN
DE DRIE KONINGEN
Het sneeuwde over de karavaan
en over drie gouden kronen.
De ster ging al maar uit en aan
boven hun rode konen.
Zij treuzelden wat, zij aarzelden wat,
zij waren al half verblind
door de sneeuw die tussen de ster in zat
en de ijskoude wind.
Van mirre, van wierook, van klinkklaar goud
stonden hun mantels bol.
Maar de wind was tegen, de sneeuw was koud
en de wereld was daarvan vol.
En achter hen slonk hun koninkrijk
en voor hen zwol de nacht,
en een ster, die eerbiedig gehoorzaamd werd,
was het overschot van hun macht.
Toen, plotseling, waaide de sneeuwvlaag om
en sneeuwde terug naar de hemel;
en de ster, die nu op een afdak glom,
wenkte hen af van de kemel.
Daar lag op inderhaast wat stro
– een trog als wankele troon,
maar ach, want het ontroerde zo –
iets lieflijks: Gods Zoon.
En dit was dus des werelds heer?
En dit was zijn paleis?
Zij deden voorzichtig hun kronen neer
en baden het Kyrie Eleis.
Bertus Aafjes


NIEUWJAARSWENSNIEUWJAARSDRONK
Ik drink op de mensen
Die bergen verzetten
Die door blijven gaan met hun kop in de wind
Ik drink op de mensen
Die met vallen en opstaan
Blijven geloven
Met het geloof van een kind.
Ik drink op de mensen
Die dingen beginnen
Waar niemand van weet wat de afloop zal zijn
Ik drink op de mensen
Van wagen en winnen
Die niet willen weten van water in wijn.
Ik drink op de mensen
Die blijven vertrouwen
Die van te voren niet vragen
‘Voor hoeveel’ en ‘waarom’
Ik drink op de mensen
Die dóór blijven douwen
Van doe het maar wél
En kijk maar niet om.
Ik drink op de mensen
Die alles verloren
Die weg zijn gezakt
En zijn ondergegaan.
Ik drink op de mensen
Die terug bleven vechten
En daarna herboren
Weer op zijn gestaan.
Ik drink op het béste
Van vandaag en van morgen
Ik drink op het mooíste waar ik van hou
Ik drink op het maximum
Wat er nog in zit
In vandaag en in morgen
In mij en in jou!
(Paul Van Vliet)
NIEUWJAARSWENSNIEUWJAARSBEZINNING 2017
Bij de geboorte van Jezus
hebben we de menslievendheid erkend
van Hem die zich noemt:
‘Ik zal er zijn voor u ‘.
Zoals Hij ons heeft voorgeleefd
pogen wij:
zacht te zijn
voor wie door hardheid van mensen is verwond
medelevend te luisteren
naar het verhaal van wie vereenzaamd leeft
waardering te laten aanvoelen
aan wie alle zelfvertrouwen mist
trouw nabij te blijven
bij wie niet meer in de goedheid van het leven gelooft
in iedere ontmoeting
telkens weer het beste te leggen van onszelf.
Zo hopen we hier en nu
Jezus’ zegen voor elkaar te zijn.
(Valeer Deschacht)
FIGUREN VAN DE KERSTSTALMARIA
Ik zou het zo graag
met heel mijn hart
en met al mijn adem
willen uitschreeuwen, God,
maar vaak is mijn hart
heel klein
en is mijn adem snel op.
Wil Jij dan Jouw hart
in mijn hart leggen.
Wil Jíj dan in mij
in- en uitademen.
Wil Jij dan van mij houden
zoals een moeder van haar kind.
Wil Jij mij troosten dan?
En mij jouw hand reiken
als ik zelf geen uitweg zie.
Dank je wel, God,
dat ik Je op de moeilijkste
momenten van mijn leven
‘Jahwe’ mag noemen:
‘Jij-die-er-voor-mij-wilt zijn’
Dank Je wel dat Je me steeds opnieuw
in mijn oor fluistert:
‘Vrees niet! Ik ben bij je!’
(Bron: Welzijnszorg)
FIGUREN VAN DE KERSTSTALHET KIND
Eigenlijk bevreemdend
hoe God
voor zijn Zoon
twee doodgewone mensen
uitgezocht heeft.
Hij heeft niet
aan de rijken gedacht,
niet aan koningen
of ministers,
niet aan generaals
of bankiers,
niet aan politiekers
of fabrieksbazen
maar gewoon
aan twee doodeenvoudige mensen,
een timmerman
en een huisvrouw.
En de eersten
die Jezus bezochten
waren herders,
het uitschot van het volk,
de armen,
zij die niet meetellen.
Wat zoeken wij het
vandaag soms zo ver?
Misschien
vinden we Hem opnieuw
bij de eenvoudigen
en bij hen
die niet meetellen,
bij hen
die nog gewoon kunnen ont-moeten
omdat zij niets te verliezen hebben?
(Bron: Welzijnszorg)
FIGUREN VAN DE KERSTSTALHET VERLOREN SCHAAP
Mijn dossier was zoekgeraakt.
Ik wist mijn nummer niet meer.
Ik moest mijn nummer zeggen.
Mijn naam was niet genoeg.
Aan een naam hebben we niets,
zei het loket.
Uw nummer hebben we nodig.
Dan kunnen we zoeken in het bestand.
U zit onder een code.
Ik heb toch een naam, zei ik.
Wij kunnen u alleen op nummer vinden, mijnheer.
Ik vergeet soms, zei ik.
Ik ben suikerpatiënt.
Ik ben soms ontregeld.
Daar hebben we niets mee te maken.
Dat zijn dokterszaken.
Wij willen alleen uw nummer.
Een lange rij stond achter mij.
Er klonk steeds meer gemompel.
Wie vergeet nu zijn nummer.
Dan moet je wel stom zijn.
We hebben hier allemaal een nummer.
Je moet van goeden huize komen
als je hier komt zonder je nummer.
Toen ging er een deur open.
Komt u maar even hier rustig zitten,
Zei een vriendelijke stem.
Ik haal wat koffie voor u.
Toen ze terugkwam met haar koffie,
Wist ik mijn nummer weer.
Hoe is uw naam, zei het jonge meisje.
Ik noemde mijn naam.
Zo heet mijn vriend ook, zei ze.
Ik vind het zo een mooie naam.
Marinus van den Berg
FIGUREN VAN DE KERSTSTALDE STER
Eeuwig heimwee
drijft ons voort
en houdt ons gaande
in goede en kwade dagen.
Heimwee naar geborgenheid,
hunker naar een warme thuis
en naar de veilige plek
waar een mens aanvaard,
bemind mag zijn zoals hij is.
Onvoorwaardelijk,
de eenzaamheid voorbij.
Nood aan ruzieloos samenleven.
Droom van vrede,
van een wereld
waar eenieder
tot zijn recht kan komen
en waar alles wordt gedeeld
met allen.
Diep verlangen naar geluk:
zien en voelen
en van harte weten:
het is goed te mogen leven.
Tijd om op adem te komen;
grond onder de voeten te voelen:
Iemand die ons draagt.
Eeuwig heimwee drijft ons voort.
Sterk is het zoeken van de mens
naar een ster van hoop.
Carlos Desoete
FIGUREN VAN DE KERSTSTALDE MENSEN VAN DE STAL
De mensen van de stal
zijn daar terechtgekomen
omdat de herberg
al ‘volzet’ was.
Armoede van velen
ontstaan uit de opgepotte
rijkdom van enkelen.
Eenzaamheid
is het bittere resultaat
van de gesloten kring,
van mensen die genoeg hebben
aan elkaar.
Dan is er geen plaats
voor een kind,
de vreemdeling,
de werkzoekende,
de ongehuwde man of vrouw,
de echtgescheidene …
Alleen in de stal
is er altijd plaats.
Carlos Desoete
FIGUREN VAN DE KERSTSTALDE OS EN DE EZEL
‘Ossen en ezels’
klinkt in het Hebreeuws als
‘sjorrimachorim’
– schorriemorrie –
het kleine, simpele volk …
De os is het beeld van hen die dienen,
die stil en verborgen de grond klaarmaken
voor het zaad …
De os draagt het juk en werkt samen,
trekt in een tweespan of driespan.
Zo’n trekkers zijn er nodig in elke groep.
Mensen die bereid zijn samen te werken.
Die in ploeg kunnen werken
en mét de ploeg aan de slag willen gaan …
De ezel is vanouds
het lastdier van de armen.
Een ezel is een dier,
dat één en al oor is
om heel veel te kunnen luisteren,
het verhaal van mensen te aanhoren
en ermee op stap te gaan,
een dier dat geweldig veel kan dragen,
verdragen en vér dragen.
En alles wat die os en die ezel te doen hebben,
daar in de kerststal:
dat is terzijde staan,
heel bescheiden,
en wat warmte geven,
een beetje adem,
wat levenskansen …
Want zij weten:
alles van waarde is weerloos en kwetsbaar.
Zeker een mensenkind!
Wat een os en een ezel kunnen,
dat kunnen wij toch ook?
(Bron: Welzijnszorg)
FIGUREN VAN DE KERSTSTALDE HERDERS
Er is een grote nood aan
een kerk van herders
waar iedereen zorg wil dragen
voor de ander.
Waar niemand in verlorenheid
dreigt ten onder te gaan.
Herders,
die hun volle aandacht richten
op wie verloren lijkt
voor de samenleving,
die ze gaan zoeken en bezoeken,
die ze in hun kwetsbaarheid
op de schouders dragen
en weer midden de kudde brengen.
Een kerk van herders
die plaatsen van ‘LEVEN’ aanwijzen,
ruimte scheppen waar het ‘GOED’ toeven is,
waar iedereen ten volle kan leven.
Verantwoordelijke herders
die durven voorgaan
maar ook achteraan
de kudde willen stappen,
op het tempo van de zwakste
van de groep.
(Bron: Welzijnszorg)
1 reactie op dit bericht
Kom even op bezoek