Verwondering

Verwondering
Poème - witte sierwitte sier
sneeuwwitte zwanen glijden over baren
op de zilveren kasteelvijver
ze weerspiegelen hun contouren op de golfjes
herfstig weer, neergevleide blaren tussen eendekroos
ik zie door de lage zon mijn schaduw tot u reiken
mijn hoofd kabbelt vervormd
dicht tegen uw blankmaagdelijke reflexie
in uw waterwemeling zie ik schapige wolkjes spiegelen
hier in de graskant geniet ik van uw zweven
een symfonie voor mijn ogen
bij uw statig vertoon
liefdevol begeleidt je uw gade,
neemt ze in bescherming bij mijn naderen
plots in een sierlijke draai verdwijn je
samen met je langgerekte schaduw naar het veilig eiland
waar uw broedsel donzig veilig ligt
wachtend op de toekomst
Prins Boudewijn
Vlaamse jeugd
Poème - het geschenkhet geschenk
een geschenk dat alles overtreft
zo zacht als flanel
zo teer als een perzik
zo kleurrijk als een cameleon
maar eens wordt je een man
zo hard als staal
de manager van het jaar
met een klare kijk op de wereld
nu slaap je nog aan mama’s borst
nu ween je nog ongepast
maar de dag komt dat je alles vraagt
en dat je alles weet
drink nu maar lieverd
je mama’s melk geeft je kracht
en doet je slapen als een roos
je papa neemt je op en toont de weg naar later
beiden zorgen voor u
van jong tot oud, in kommer en in kwel
in vreugde en plezier
Boeren - vervolg(vervolg van 3/4)
De vader staat op, neemt het geweer van de plaats waar het langen tijd rustig gelegen heeft; hij onderzoekt den vuursteen, slaat de pan open en doet den haan knakken.
Nu stort hij kruit in den loop en de stamper jaagt den papieren prop en den zwaren kogel klingelend naar beneden.
“Wat gaat ge doen?” zegt de moeder op bangen toon.
“Zien waar onze jongen is” antwoordt hij aarzelend; doch de moeder heeft hem begrepen.
Het geduld is ten einde; de vreedzame wroeter wordt oorlogsheld. Hij zal strijden pro aris et focis, voor altaar en haardstee, voor vrouw en kind, voor God en Vaderland!
Bloed om bloed, leven om leven!
De vrouwen bidden den rozenkrans, en de boer blijft bij de deur staan, bidt blootshoofds mee, maar houdt zijn geweer omklemd. Hij bidt opdat God zijn gezin en zijne haardstee, zijn omdolenden zoon beschermen zou. “Amen!” zeggen de vrouwen en de boer opent de deur. “God zij met u” zegt hij en verdwijnt in den donkeren avond.
Na eenige dagen afwezigheid, ’s avonds keert hij naar de zijnen terug, haalt voorraad kruit en lood, zelfs levensmiddelen doch vóór het aanbreken van de nieuwen novemberdag, staat hij andermaal op den voorpost.
Indien de boer, in een der gedenkwaardige novembernachten van 1798, over het gansche land had kunnen staren, wat al lijden, wat al marteling, maar ook wat al heldenmoed zou hij aanschouwd hebben.””
(De aanleiding tot opstand, was de wet van 23 september 1797. De Fransen hadden besloten de toen zowat 200.000 dienstplichtigen op te roepen, de kerken te sluiten, en de priesters die weigerden de eed af te leggen, te deporteren. De bevolking reageerde met passief verzet, de verordening werd niet verspreid en niemand meldde zich aan voor militaire dienst. Affiches werden beklad of verscheurd. Bijzondere commissarissen werden uitgejouwd enz.)
BoerenUit “Onze boeren” van August Snieders.
August Snieders is geboren in Bladel in 1825 en overleden te Antwerpen in 1904.
““Het zijn gevloekte dagen! De Vlaamsche gewesten, door de Fransche republiek overrompeld, bukken onder de hatelijkste dwingelandij.
In het najaar van 1798 loopen er droevige maren tot in de meest afgelegen dorpen: de geëischte brandschattingen, corveeën en requisitiën, de eed en de verbanning der priesters, de weggevoerde gijzelaars, de gedwongen soldatendienst doen rampvolle dagen voorzien!
Men heeft den Vlaming uitgezogen, uitgemergeld, met geweld tot Franschman herdoopt, en eindelijk eischt men nog zijne kinderen, zijn eigen leven!
Met donkervlammend oog zit de boer ’s avonds in het vuur te staren en in zijn hart, zoo vreedzaam van aard, spookt de wraak.
Neen, hij wil niet, dat zijn zoon hem ontroofd en gedwongen soldaat worde – en de jongen heeft dan ook de vlucht genomen. Waarheen? Onverschillig: voor hem is het hier overal beter dan ginder in den vreemde.
Hij zal verborgen blijven in de uitgestrekte bosschen, in de ongenaakbare moerassen, blootgesteld aan de najaarsstormen: desnoods zal hij de grenzen oversteken!
De moeder kan het verdriet niet langer verkroppen: zij moet haar beklemd hart lucht geven: “God weet”, zegt ze, “waar de arme jongen in den nacht omdoolt!”
Ook bij de vader wordt het leed te zwaar om dragen. Hij slaat het oog op en ziet naar het roer, dat boven de bedstee hangt, in het zwartberookte rek ......
Het denkbeeld, dat in zijnen geest omwoelt, houdt ook de andere huisgenooten bezig.
Ziet in den hoek van den haard, zit de schaapherder: hij bindt eene blinkende zeis – waarin het haardvuur bloedige vlammen doet dansen – met een palingsvel aan een langen eikestok.
De knecht scherpt met den wetsteen de gaffel, eene tweepuntige lans, en buiten slijpt de oudste zoon de vreeselijke bijl, die, in zijn reuzenhand, eenen mensch gelijk eenen boomtronk klieven zal.
De boer begrijpt dat in aller gemoed, zooals bij hem, de wraak wakker is.
Vrij wil hij bidden, vrij werken, veilig aan eigen haard leven – maar gedwongen soldaat der republiek worden, neen, dat wil hij niet!