samenwerken

Hij maakt van zijn mast een schoenpin.
Hij bederft iets goeds om een kleinigheid.
De straat slijpen.
Doelloos rondhangen.
Er is met hem geen spit te wenden.
Je kunt niet met hem samenwerken.
Hij laat zijn kaars aan twee kanten branden.
Hij spendeert onnodig veel geld.
De hond zit hem op de tas.
Hij is een vrek.
De muts stond hem scheef.
Hij had een slechte bui.





















