baas
Zij voeren de ellebogen.
Zij gooien met de dobbelstenen.
Een blind paard kan er geen schade doen.
Die ruimte is helemaal leeg; er staat niets van waarde.
Hij is een man in bonis.
Hij is een vermogend man.
Hij is in de as gevallen.
Hij is mislukt.
Hij is daar schepper en schrijver.
Hij is daar de baas.



















