sleutel

De sleutel op de kist leggen.
De erfenis niet accepteren.
Hij is Benjamin af.
Er is een broertje bijgekomen.
Hij heeft de gelegenheid niet benut.
Hij is in staat om een duit in tweeën te bijten.

sleutel
De erfenis niet accepteren.
Er is een broertje bijgekomen.
Hij is in staat om een duit in tweeën te bijten.

vrijheid
voeten
put
Hij is neerslachtig.
Sommige mensen krijgen altijd meer dan een ander.
Hij is heel erg kwaad.


baard
Iemand iets verwijten Iemand iets in de hand stoppen.
Wij luisteren niet naar roddels.

getrouwd
varkens
hond
Je kunt een hond het makkelijkste kunstjes leren als deze honger heeft.

gat
Hij kan niet goed met geld omgaan; hij geeft het overal aan uit.
Iedereen vindt zijn eigen werk / kind het best.

eer
Als je eenmaal een slechte naam hebt kom je daar moeilijk weer vanaf.

tong
Hij praat heel gemeen.
Het is niet goed om als man met een veel jongere vrouw te trouwen want daar komt

iemand
Iemand te pakken hebben.
Belangrijke zaken gaan voor.
De broek van een jongen omlaag trekken en er water ingieten.
>
verstand
Hij heeft er geen verstand van.
Het beter proberen te doen dan een ander.
Als je geen geld hebt heb je vaak ook geen vrienden.

flater
Hij stond voor schut door een hele domme fout.
Hij is schijnheilig.

doedelzak
Hij is goedgelovig.
Dat is hulp die maar zeer weinig baat brengt.

gat
Hij ging er rap vandoor.
Hij heeft een gezicht vol puisten.
Moeilijk doen over de kleinste onbelangrijkste zaken.

ziek
Hij is erg ziek.
Om iedere dag te eten te hebben kun je beter zuinig zijn.
Hij is heel rustig en gedwee.

dobbelen
Weinig kans hebben.
Als je kontant betaalt kun je de hoogste korting krijgen.
Dat is hetgeen waarvan alles afhangt.
trakteren
Iemand slaag geven.
Iemand helpen omdat men denkt er zelf ook beter van te worden.
Bijen of duiven houden als hobby kost geld.

hand
Zich niet aan de regels houden.
Hij heeft grootheidswaanzin.
het is al gauw alom bekend als er ergens gevaar is.
