één

Vrouw en man is één gespan.
Een echtpaar zullen elkaar als het er op aankomt bijstaan.
Het is onbestaanbaar.
Het is schandalig.
Het is daar honderd.
Er is daar ruzie.
Hij heeft de pot verteerd.
Hij heeft zijn geld opgemaakt.
Hij zocht vijgebladen.
Hij verontschuldigt zich met smoesjes.
Hij heeft een graat in de keel.
Hij praat schor.
>



















