Magere Hein De dood.
Magere Hein.
schade
Hij heeft een vrouw getrouwd met een kind.
Het is niet goed om als man met een veel jongere vrouw te trouwen want daar komt
Iets dat wordt uitgesteld moet nog wel worden gedaan.
De mentaliteit dat de werktijd niet eerder begint dan om negen uur en meteen eindigd om vijf
Je moet je zaken niet door een ander laten behartigen maar kunt dit beter zelf doen.
Hij houdt van lekker eten maar wil niet graag lang bidden voor het eten.
En dat terwijl er hongersnood is...en dan bedoel ik het geestelijk!
Het moet geen moeite kosten men wil het zomaar ontvangen...

zomer
De zomer is gekomen
De wereld is weer blij
Je ziet het aan de bomen
En aan de lammetjes in de wei
Je ziet het aan de bloempjes
In het groene gras
Ik wou dat het voor altijd
Heerlijk zomer was

boom
Zij is in verwachting.
Een gezellig praatje maken.
Een (grote) lease-auto.
Een middagdutje doen.
Meteen huilen als je de waarheid te horen krijgt.

kinderen
Koppige mensen moet je hun gang maar laten gaan.
Akelig volk.
Het is iemand waar je alleen maar verdriet van krijgt.
Hij is erg vroom.
Wraakgevoelens oproepen.
Hij gaat alleen op reis.

kaart
Dat is een vooropgestelde valstrik.
Altijd iets terug kunnen zeggen.
Het is een sufferd.
Iemand nooit meer willen zien.
Je gezin en je woning zijn het belangrijkste wat er is.
Mooie zaken in het vooruitzicht stellen die nooit waargemaakt zullen worden.

van alles
Zij aten flink mee.
Wie al te vaak koopt zit snel zonder geld.
Iemand neppen.
Dingen die misschien gebeuren gebeuren meestal niet
Last krijgen van iemand.

wol
Hij ziet er ongewassen uit.
Volledig.
Hij ruziet altijd.
Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken.
Ik heb er hoegenaamd geen zin meer in.

veroeren
Zich niet kunnen bewegen.
Een man van 60.
Het zijn altijd dezelfde personen die onheil meemaken.
Hij heeft behoorlijk wat van zijn macht verloren.
Dat is daarvoor niet goed.

koffie
Dat veranderde de zaak.
Iemand geld afnemen door hem voor te liegen.
Hij is weet er helemaal niets van.
Hij reageerde zeer fel.
Dat is een slappe kop koffie.
Als iemand iets onaardigs zegt tegen een ander geeft die ander ook weer een onaardige

pijl
Hij is eigenwijs.
De voetbalvandalen De gal loopt hem over.
Hij bevindt zich in een lastige situatie.
Als je arm bent doe je soms gekke dingen om aan geld te geraken.
Dat heeft hij niet zelf bedacht.
Iets nieuws beginnen.
Hij is nog te jong om goed te kunnen oordelen.
Zij ging alle feesten af.
Dat is een langdurige vervelende kwestie.
Zijn positie ondermijnen.

gat
Hij wist niet meer wat te doen.
Het beste part.
Het is er een grote troep.
Ik weet me geen raad.
Arm worden.

eten
Op je achterste vallen.
Dat gaat maar door.
Flauwvallen.
Mensen die snel werken eten ook snel.
Een goede gezondheid is het belangrijkste in het leven.

doen
Het komt uiteindelijk aan op de uitvoering.
Grote werken kosten veel tijd.
Dat zijn uitgaven die nergens toe dienen.
Al ons weten is stukwerk.
Hij heeft zijn verzet opgegeven.
Het verhuren van huizen levert altijd problemen op.

rust
Toen kwam er een rustpauze.
Heel lang geleden.
Hij vlucht.
Voor sommige dingen moet je de tijd nemen.

dood
Iemand die bijna failliet gaat doet op het laatst vaak gekke dingen.
Magere Hein.
Je moet iets niet te gehaast willen doen.

kind
Het is een domkop.
Iemand last bezorgen.
Dat is iets waar God voor gezorgd heeft.
Dat lijkt heel wat maar stelt weinig voor.
Heel erg stil.

pech
Hij wil de erfenis niet hebben omdat de schulden de baten overtreffen.
Hij heeft vaak pech.
Ergens niet naar vragen.
Hij maakt overal excuses voor.
Wie in zijn jonge jaren losbandig leeft komt vaak tot inkeer als hij oud is.

verschil
Hij was veel te laat.
Op reis bij vrienden of familie overnachten.
Hij ziet erg bleek.
Overgeven.
Dat is iets ouderwets.
Je moet als handelaar gebruik maken van de dwaasheid van de mensen.

leven
Hij is in de mooiste periode van zijn leven.
Hij eet alleen maar om zijn honger te stillen maar vindt het eten niet lekker.
Hij weet niet hoe hij het moet aanpakken.
De situatie is veranderd.

roer
Het geheel anders aanpakken.
Iemand slaag geven.
Iemand vernederen en onderdrukken.
Doodgegaan.
