rad

Iemand een rad voor de ogen draaien.
Iemand iets wijsmaken.
De kerfstok afdoen.
De schulden afbetalen.
Iemand bont en blauw slaan.
Iemand in elkaar slaan.

rad
Iemand iets wijsmaken.
De schulden afbetalen.
Iemand in elkaar slaan.

geweten
Hij heeft een gezicht als een prent.
Zich ergens niet duidelijk over uitspreken.
Zo duidelijk en klein mogelijk.

schepje
Het een beetje overdrijven.
Dat was een andere afloop dan hij voor ogen had.

lont
Gevaar bespeuren.
Overleggen.
Hij is verschrikkelijk geschrokken.
Iemands plannen doorkruisen.
hijHij gaat over de keuken.
Overmand worden door emoties.
Hij is met een veel jongere vrouw getrouwd.
Er moeten ook gekken zijn op de wereld.
sterkZich heel braaf en netjes gedragen.
Een flinke kerel.
Hij was in de war.
De vraag om binnen te mogen komen.
zotJe moet je niets aantrekken van de verwijten van iemand die er geen verstand van heeft.
Ophouden met dichten.
Hij is een heel slecht mens.