DE FOOR VAN BRUSSEL


DE FOOR VAN BRUSSEL

SANDHAM
Het gebeurde in Sandham, een van de kleinste eilandjes in Zweden, niet zo ver van Stockholm, dat zich dit verhaal werkelijk heeft afgespeeld.
Vertrokken met een zeilboot van mijn zweedse vriend, kwamen wij na enkele uren varen in de baai van dit prachtig eilandje aan.
Het bestond uit rotsen en nog eens rotsen, groene, rode, oranje, licht grijse, blauwe, van alle kleuren, dewelke zodanig in elkaar vloeiden, dat het spektakel één groot geheel vormde.
Terwijl mijn zweedse vriend het middageten klaarstoomde, ging ik op verkenning. De natuur was zo mooi, dat ik mijn honger vergat. Ik trok steeds verder en verder het binnenland in.
Plots kwam ik bij een purperen rots, met een tamelijke grote opening.
Heel voorzichtig sloop ik naar binnen maar zag geen steek voor mijn ogen, zodat ik mijn pillamp moest gebruiken.
De lichtstraal van mijn lamp gaf vreemde schaduwen op de rotswanden.
In de verte hoorde ik het doorsijpelen van druppels water weergalmen, met tussendoor akelige kreten van vreemde beesten, of waren het vreemde wezens.
Het angstzweet brak mij uit, mijn lichaam begon te bibberen. Mijn knieën knikten tegen elkaar. Voetje voor voetje daalde ik verder in deze akelige grot, tot wanneer ik aan mijn linker kant een fakkel zag branden, met daaronder een ijzeren hendel.
Zou ik durven of niet ? Met één ruk trok ik hem naar beneden. Een kolosale rotsblok kwam in beweging en werd met oorverdovend gekraak naar omhoog getrokken.
Wat ik toen ontdekte, grenst aan het ongelooflijke, zij lag helemaal vol met koffers goudstukken, juwelen, diamanten, robijnen, smaragden, dukaten, tien keer meer dan in de grot van Alibaba.
Maar door al dat lawaai, kwamen de rovers toegesneld.
Zij namen mij gevangen. Boeiden mij vast aan handen en voeten en ik werd aan een rotsblok vast geknoopt. De leider van de bende nam zijn geweer, richte naar mijn hoofd en schoot.
Op het zelfde ogenblik, nat van het zweet en van de emoties, werd ik uit mijn nare droom gerukt en was het verhaal ook voorbij.
Spijtig.
Pipopke
VOOR EEN GOED DOEL
Twee jaar geleden, vroeg men mij of ik wilde meewerken aan een goed doel.
DIE STERKE OMAMijn oma was een zeer sterke vrouw, letterlijk en figuurlijk. Zij was niet zo groot van gestalte, maar had geweldig veel kracht in armen en benen.
Aangezien mijn opa niet goed meer te been was, deed zij alles in haar eentje. Zij waste en plaste. Maakte eten. Deed de strijk, werkte in de tuin, enz... enz... Zij wist veel, vond telkens een oplossing en kwam steeds met haar bijde voetjes op de grond terecht.
Zij huppelde van hier naar ginder. Sprong met twee treden tegelijk de trappen op. Liep van voor naar achter. Van links naar rechts en sprong terug met twee treden tegelijk de trappen af.
Tegen een ding kon zij niet. Dat was verliezen met de kaarten. Als ik haar twee keer na elkaar afdroogde was zij niet meer om aan te spreken. Zij liep dan de ganse dag te ijsberen en opa mocht het uitzweten.
En toch was er iets dat mij intrigeerde. Zij had namelijk steeds een wandelstok in haar hand.
Op een keer vroeg ik aan oma waarvoor die wandelstok diende.
Met een frele glimlach op haar gelaat vertelde zij mij het volgende.
Die wandelstok mijn beste jongen dient voor opa zijn sigaren aan te steken. Voor paraplu als het regent. Voor vislijn om te vissen hier rechtover in de beek. Voor geweer om ons tegen indringers te verdedigen. Voor antenne om te seinen en te ontvangen. Voor aardappelschiller om te eten. Voor te spuiten bij medicatie en voor opa op zijn bil te geven als hij te veel aan de jenever zit.
Die sterke oma toch.
Pipopke
BLOEMENZAADIn vroegere tijden, zaaide mijn moeder, allerhande bloemzaadjes in kleine potjes, om ze later over te planten in grote bloempotten of buiten in de tuin.
Nu had zij van een leurder zaadjes gekocht aan een zeer maatschappelijk prijsje.
Het waren meestal zaadjes van zonnebloemen, geraniums, violen, rozen, lilas, blauwe salvias enz...enz...
Die stonden allemaal in onze kleine keuken.Op de kasten, op de vensterbank, op de " leuvense stoof " ( want die brandde toch niet ) ,op de tafel en enkele potjes zelfs tot op de stoelen.
Na enkele weken werden de kleine plantjes overgepot in grotere, zodanig dat nu ook de vloer er van vol stond.
Wij aten dan maar rechtstaande, kwasi onbeweeglijk met onze voeten in het water, want moeder goot meer water naast de potten dan er in.
Het viel mij op, dat die planten zo vlug groeiden, kwam dat door de warmte of door het water, ik weet het niet.
In ieder geval, ze waren goed voorzien van steel , stam en stengel.
Rond die tijd werden wij ieder jaar uitgenodigd door tante Meentje en haar man, om enkele dagen op hun boerderij te komen logeren.
Met pak en zak namen wij 's morgens vroeg de eerste trein, tram, autobus en uiteindelijk nog enkele kilometers te voet, vooralleer wij ter plaatse waren.
De dagen vlogen voorbij, gezelligheid alom, maar moesten terug naar huis.
Toen mijn moeder de achterdeur opende liet ze een luide kreet.
De tomaten vielen met trossen rond haar oren, een lange komkommer stak in haar mond , op haar hoofd lag een grote rijpe pompoen , rond haar hals hingen vier bananen, haar schouders staken vol stekelbezen, haar armen waren bedekt met braambessen en op haar voeten lagen twee gerijpte peren.
Planten tot tegen het plafond, lianen om mee te slingeren. Wortels en pezen over de vloer. Gebroken potten her en der. Tafel, stoelen, stoof, vensterbank en kasten besmeurd met slijk en mest. De keuken was juist een wildernis.
't Was voor een goed maatschappelijk prijsje, weet je nog.
Pipopke
JEF DEN BEENHOUWER
Ik stond in de winkel toen het gebeurde.Vele jaren geleden, woonden er in ons dorpje een beenhouwer die tamelijk erg stotterde. Ze noemden hem "Jef den beenhouwer " Er kwamen veel mensen over de vloer, want hij was de enige beenhouwer in de omgeving en zijn vlees sneed hij uit zeer jonge beesten, zodat het steeds mals en vers werd verkocht.
Op een zekere dag, kwam er een onbekend oud vrouwtje binnen die ook hakkelde en die vroeg heel gewoon " be...been...beenhou....houwer... ge...geef...me...een po....pond pe...pen.....pensen ".
Jef, die dacht dat zij met zijn voeten aan 't spelen was, schoot in een franse koleire.
Het vrouwtje, geschrokken door zijn vloeken en tieren stoof vliegensvlug naar buiten.
Jef had inmiddels zijn grootste kapmes van zijn blok genomen, sprong gezwind over zijn toog en liep al zwaaiend met zijn wapen achter het oude vrouwtje aan.
Toen plots iemand aan de overkant riep " Jef laat dat vallen, dat vlees is niet mals genoeg ".
Besefte Jef wat hij aan het uitspoken was, werd zo rood als een tomaat en verontschuldigde zich wel duizend maal bij het vrouwtje.
Van de slag kreeg ze haar pond pensen gratis en voor niets en werd er nog hartelijk gelachen met dit voorval.
Eind goed, al goed.
pipopke
GEEN LUXE? MAAR OOK GEEN ZORGENDrie uur in de nacht, kan de slaap niet vatten. Alles is stil. Ik sta op, slenterd naar de keuken, zet mij op een keukenstoel met een glas water en begin te denken aan die vroegere goeie oude tijd.
Herinneringen uit mijn jeugd.
Wij leefden met zijn vieren, mijn ouders, zusje en mezelf in een groot seristenhuis, gelegen kort tegen een spoorweg.
Ik sliep in de middenste kamer met een piep klein venstertje,( dubbele beglazing bestond nog niet ), in een ijzeren bed op " balatum ".
Telkens er een stoomtrein kwam aan geschokt, begon mijn bed te piepen, te kraken en zodanig te daveren, dat ik mij met beide handen moest vasthouden om er niet uittevallen.
Naast mijn bed stond een nachtkastje met een lampje van veertig watt en langs de rechter kant een oude kleerkast te wiggelen en te waggelen.
In mijn kamer was ook een trap die leidde naar de zolder, afgesloten met nog een ijzeren deur die ik nooit helemaal open of dicht kreeg van de sleet en de roest. Ook de treden waren versleten, want hier en daar ontbraken er een en moesten wij geweldig oppassen om niet naar beneden te donderen.
's Nachts, in het pikdonker, als iedereen sliep, ging ik stiekem naar de zolder. Ik kon uren zitten genieten van de wind die door de pannen zoefde en luisteren naar zijn akelige melodieën, soms begeleid door regen, bliksem en donder.
Dat was nog de goeie oude tijd, zonder luxe, maar ook zonder zorgen.
pipopke
DE FANFARE
Jaren heb ik bij de fanfare van ons dorp gespeeld. Ik speelde klarinet en tweemaal per week werd er gerepeteerd van acht tot tien uur 's avonds ( soms speelden wij verschillende bisnummers, als je begrijpt wat ik bedoel ) en werd het vlug twee, drie uur in de morgen.
Mijn vriend Desiré speelde al jaren trombone. Af en toe kreeg hij last met zijn ademhaling, kon zijn noten niet goed meer lezen en zijn vingers werden wat stijver. Daarom kwam hij ook maar sporadis naar de repetities en blies er dan ook regelmatig eens naast.
Eenmaal per jaar, mochten wij met de wijkfeesten mee opdraven in de stoet.
Desiré, niet vies van een lekkere pint, begon al te zweten van dorst na zijn tweede liedje.
Zijn brilletje werd zo nat en dompig, dat hij de noten op zijn partituur niet meer kon lezen en telkens te vroeg of te laat begon te blazen. De dirigent uitzinnig van woede, liep naar Desiré en scheurde zijn partituur in duizend stukken. Klopte de veel te kleine kepi van Desiré zijn hoofd en stampte hem met zijn voeten helemaal plat.
Desiré, van geen kleintje vervaard, blies hard op zijn trombone en schoof het uitschuifbaar gedeelte pal in het oog van de dirigent. Zodat deze naar achter vloog en met zijn hoofd op de stenen terecht kwam. Half groggy bleef hij liggen.
De stoet werd stilgelegd, de fanfare werd opgedoekt en Desiré werd er voor het leven uit verbannen.
De dirigent gaf wijselijk zijn ontslag.
't Was toch en mooie tijd.
Pipopke
DE DRIE MUSCETIERS
Toen ik nog een kleine jongen was, speelde ik met mijn vriendjes cowboy en indiaan. Soms ook Buffalo Bill of de drie musketiers.
Ik speelde altijd d' Artagnan, een achtien jarige edelman uit Frankrijk, die het ouderlijk huis verliet. Naar Parijs reisde, om er zijn degen te verkopen( dacht ik ). Maar nen, het was om zijn koning Lodewijk XIII te helpen beschermen.
De drie anderen mochten kiezen wie zij waren. Porthos, Aramis of Athos , het kon mij niet schelen.
Onze degens maakten wij van bezemstelen. Gejat in moeders schuur. De versleten hoeden van oma werden omgetoverd tot helmen, met hier en daar een pluim op, dewelke we uit het achterste van opa's rondlopende kippen trokken. Met de broeksriem van vader werden onze degens min of meer rond onze lenden gehouden.
Ons schild maakten wij uit dik karton, met in het midden twee gaten en een dikke koord, om ze vast te houden.
Eenmaal in grote " tenue " waren wij klaar voor de strijd op leven en dood.
De leider ( ik dus ) gaf het bevel om aan te vallen naar een denkbeeldige vijand.
Zij knuppelden en sloegen er maar op los tot elke vijand was verslagen. Bij gebrek aan tegenstand begonnen zij zelfs tegen elkaar te dueleren.
Pathos zijn kop lag open, Aramis was een oog kwijt. Athos was zijn rechter arm afgekapt.
Toen ik het bevel gaf om terug te keren, merkten zij dat ik aan de strijd niet had deelgenomen. Als leider deelt men alleen maar de juiste bevelen uit of niet.
Hun gezicht veranderde van pijn naar haat. Hun voorhoofd werd gerumpeld. Hun ogen rolden in hun kassen. Hun neuzen klepten open en dicht. Hun lippen zwelden op. Hun kinnen staken vooruit. Ik heb nooit meer in mijn leven zo'n haatgezichten gezien.
Ik heb ook nooit meer in mijn leven zo hard moeten wegrennen om mij te beschermen. Tegen die niets ontziene meedogenloze musketiers was niets te beginnen.
Pipopke
GEEN LICHT
Eindelijk word ik wakker, zeven uur, wablieft, al zo laat!.