COPYRIGHT
© Bij de auteurs.
Alles uit deze uitgave mag op welke wijze dan ook verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden, op voorwaarde van voorafgaande, schriftelijke toestemming van de auteur.
RECHT VAN SPREKEN VAN RIK WOUTERS
COPYRIGHT
© Bij de auteurs.
Alles uit deze uitgave mag op welke wijze dan ook verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden, op voorwaarde van voorafgaande, schriftelijke toestemming van de auteur.
PUBLICATIES IN BOEKVORM1. POËZIE
-Ik zeg tot je. Panther Paperback, Dilbeek. 1979.
-Nauwelijks ademend verheffen woorden zich. Iambe, Molenhoek (Nederland). 1982.
-Lawaai is tederheid. Yang, Gent. 1987.
-Het woord hertalen. tien jaargetijdengedichten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996 [als dubbeldichtbundel, samen met "Wat stilte genoemd wordt". Casitacahier 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-Wat stilte genoemd wordt. Cataloniëgedichten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996 [als dubbeldichtbundel, samen met "Het woord hertalen". Casitacahier 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-Steeds heimwee en stilten vol hedonisme. Bij doeken van René Devedeleer. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Brochure. Casitacahier 7].
-een tweekoppig wezen ben ik. een anarchistisch gedicht over overleven, woordenmacht en permanente schending. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1999 [in "het verboden evangelie van de dichter", samen met een essay over de poëzie van Rik Wouters door WANDERS, Andreas: kwetsbaar en verstoten tussen brokstukken. Het ontnomen woord en de doorgelichte dichter. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996. Casitacahier 4. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-xarnego. Klaagliederen van een Catalaanse Brabander. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek en Upsilon, Halle. 1999 [Casitacahier 7. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven. is dit de stad van komen en blijven?. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 2000 [Casitacahier 8].
2. POËZIE EN PROZA
-elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd. Herinneringen aan ooit en nog. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1998 [Casitacahier 3. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-zeg niet. dat democratie voorgoed dood is. Xarnego, Halle. 2003 [Met proza. Xarnegoschrift 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].
3. ESSAYS
-schaamteloos en puur als ik ben. Over de dichtbundel Jagen van Nicole Van Overstraeten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Casita de la soledad-cahier 1].
-De doorlichter van woorden die anders betekenen. Bedenkingen bij hedendaagse poëzie van Hallenaars (1992-1997). -xarnego. Klaagliederen van een Catalaanse Brabander. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Bijdragen over poëzie in het algemeen, gedichten van Jan Vanhaelen, Nicole Van Overstraeten en Pieter Delen en cultuur n kunst in Halle. Casita de la soledad-cahier 2].
-Woord én daad van Guy van Hoof. Zijn apocriefe evangelie. Xarnego, Halle. 2005 [Xarnegoschrift 2].
IK ZEG TOT JE [1979; dichtbundel]
voor lange blonde haren
1974
niet in 1956 ben ik geboren
-de burgerlijke stand geeft mijn geboortedatum
slechts subjectief weer-
maar in 1974 -16 januari 15.00 uur
om precies te zijn-
toen ik voor het eerst
je handen vasthield
je honinglippen smaakte
me verborg in je haar
niet in 1956 ben ik geboren
maar in 1974 -16 januari 15.00 uur
om precies te zijn-
toen ik voor het eerst jou was
WAT BEN IK?
wat ben ik
wat doe ik
wat weet men over me
wie weet wat over me
wie begrijpt me
wie wil met me zijn
wie heeft mijn gedachten
ze zijn gestolen
zij heeft ze gestolen
lange blonde haren
men weet ervan
mijn mond begeert
haar lippen
ik lach bier
bevruchting op straat
er was vroeger
er is nu
zij is mij
is zij mij
zij mij
ik ben niets dan onder je handen
het ontwaken
een slagroomkus
en naakt je borsten
(nog niet gezoogd)
parelen verder zweet dan
maar gewone warmte
parelen van genot
je huiverende tepels
en in 1 seconde
oneindigheid
ik weer betast je trotse naaktheid
afrodite, je
steelt weer mijn ogen
vingers - oren - lippen
ik die weer uitstort
over jou mijn liefste
woonloze buik
en je echte mooizijn
dat zelfs sneeuw niet verwoest
je naakte tepels je naakte lichaam
op mijn kamer in een nis staat
eindelijk
LIEFDE
haar liefde voor mij
is een onwerkelijke droom
van aantrekken en afstoten
die eens zal eindigen
in een bodemloze put
of als een siamees
KLAAGLIED
ik ben alleen
ik mis je
verlangen naar je naakte lichaam
alleen mis ik je
gisteren vandaag morgen
altijd
hopen naar later
je wordt verlangd
je doet verlangen
ik verlang
de naakte aanraking
het somse eenzijn
begeren naar je naaktheid
ik mis je
ik slaap in haar hart
koekehart
op het rustige onrustige ritme
van haar hartslag
geef je hart in mijn handen
laat me er binnentreden
opdat ik het zou leren kennen
laat me het liefkozen
opdat het van me zou houden
laat me het gedag zeggen op straat
lieve hart
laat me tegen je zeggen
dat ik enkel haar heb
LIEVE
ik lach je lichaam
tot een perfect marmeren beeld
-niet zomaar een beeld
maar voelend nemend gevend-
en mijn tranen doordrenken
je naakte schoonheid
met bewondering,
liefde
AAN LIEVE DIE VROUW WIL WORDEN
en door het nachtelijk gordijn
kom je transparant naar me gelopen
en leg je je hart bloot
we tekenen liefde
in smeltende sneeuw
dan neem ik je met woorden
en ooh zeg ik
en wat ben je mooi
met je goudblonde haren
verloren in de wind
en als je vingers me beginnen smaken
en ijswater ijn keel verandert
met gentianen
is er lust
muziek omlijst fluwelen woorden
en vermurwen in een onwezenlijke zoen
de stilstaande hangklok
je lippen worden mij
onze tong begeert
donkerrood licht
we spelen hinkstap
en door muren banen we
naar morgen en overmorgen
en slapeloze nachten
mijn ogen fotograferen
lieve die is lief
wat is lieve?
liefde draagt over bergen
en tussendoor woorden
BEZETENHEID
hoe meer ik je zie
hoe meer ik je voel,
hoe eerder ik je wil bezitten
innig en voor altijd
TO MY LOVE ON THE EIGHTH OF JULY
lieve je bent lief als je lacht
lieve je bent lief als je vrijt
lieve je bent lief als je slaapt
lieve je bent lief
ik leef van mond tot mond
en adem in mijn slaap
om te ervaren
het allerprilste geluk
dat achter de droom ligt
ik weerspiegel me
in je rozige tepels
maar onaantastbaar
ben je soms ver weg
als de nood het hoogst is
om 1 te zijn
liefste
maar er is ook nog morgen
en overmorgen
en de dag na overmorgen
weet je
ik ben ook maar een mens
de begeerte is soms groot
om jou te zijn:
de geboorte van dit gedicht
de geboorte van ons kind
mijn wedergeboorte
je hebt gevraagd om lief te zijn
vandaag en morgen en altijd
en met je te leven
in tweezaamheid
ik speel geen spel
nee ik speel liefde
ik zie je
in bodemloze woorden
bij me blijven voor altijd
GODIN
voor 16 januari 1974
en dan plots komt ze
uit mijn koffie wolken gekropen
en verandert in 1 handomdraai
mijn lichaam
in bron van levenslust
en als ze dan weer
mijn eenzame handen kust
weet ik dat ik meer ben
dan een vervloekte dichter
tijdloos ben je
-ik bedoel niet: wezenloos-
maar het leven is zo kort
té kort om met jou
mijn dromen op te bouwen,
werkelijk en waarneembaar
wat rest me dan nog
buiten mijn dromen toe te vertrouwen
aan wat wezenloos papier?
IK ZEG TOT JE
ik zeg tot je : bloem
ik zeg tot je: meisje van mijn dromen
ik zeg tot je: schoonheid
ik zeg tot je: roos
van mijn dromen
je schoonheid zo broos
betovert me
ik zeg tot je: liefste
ik zeg tot je: verlaat me nooit
ik zeg: ik zeg zoveel
NAUWELIJKS ADEMEND VERHEFFEN WOORDEN ZICH [1982; dichtbundel]
aan mijn meter en grootvader,
mijn ouders,
mijn schoonouders,
Lieves grootouders.
[TITELLOZE ‘CYCLUS’]
GEDICHT VOOR MEZELF
als de wind takken afkraakt
en zand opstuift
als de regen dammen breekt
en oogsten vernielt
als de droogte akkers verdort
en in tweeën splijt
als het vuur huizen platbrandt
en mensen verdeelt
als ik eindelijk nog eens
een gedicht schrijf,
zal niemand ernaar kraaien
dat hoeft ook niet
HALLE WEGGEBORGEN IN DE ZENNEBOCHT [cyclus]
(vijf gedichten opgedragen aan Ghislain Laureys)
(halle) stad van de gotische basiliek waarvan het grauw
te grauw is. de handelshuizen van het marktplein
beletten veel bedevaarders het zwangere godshuis
(mariahuis) binnen te treden. de mond van de maagd
is geen lach meer: ook zij gelooft niet langer in overtuiging
de ogen van de vrouwen geen kleurrijk vuurwerk
zoals gesluierde meisjes uit tunesië
die elke rimpel in hun schaamteloos lichaam verbergen.
dof klinken ze zoals het ritme van de tamtam
aangegeven door de vinger loze leprazanger
trager de mannen loom door bier en te veel dromen.
hun gevoelloze huid proeft al jaren niet meer
de kussen van het nichtje dat nieuwjaar wenst.
enkel een bruine meisjesborst brengt nog schittering
in hun stoffige en gedoofde ogen
(stadhuis) nauwelijks ademend verheft het zich
boven de bloedende druiven op straat.
het geurt naar renaissance en ruikt naar frans.
huisdeuren en gouden raamopschriften
zijn zonder tijd. geen besef ervan.
het justitia-beeld van godebski
probeert vergeefs recht en tijd levend te houden.
RIK WOUTERS, IK-DICHTER VAN DE WERKELIJKHEID.
Rik Wouters, een collega, heeft me voor enkele weken zijn bundel "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" ter recensie toegestuurd. In het colofon lees ik dat het werkje "in de lente van 1982 in een oplage van 100 genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren" is verschenen. Of er dus nog exemplaren te verkrijgen zijn, moet aan de dichter zelf worden gevraagd: R. Wouters, Impeleer 60, 1600 St.-Pieters-Leeuw. En nu even voorstellen.
Wouters komt uit zijn bundel als een manifest ik-dichter. Niet alleen is het eerste gedicht een "Gedicht voor mezelf" (dus hemzelf), maar zijn bovendien van de 20 poëzievruchten die de bundel in totaal rijk is, nog 6 andere als directe ik-gedichten te karakteriseren. Met directe ik-gedichten bedoel ik stukjes waarin de dichter zijn eigen innerlijke wereld openbaart door zichzelf in het gedicht in de ik-persoon te laten optreden. Misschien vind je mijn typering "manifest ik-dichter" op basis van een 7/20 verhouding wat te scherp. Ik haast me echter om eraan toe te voegen dat de meeste andere gedichten een heel nabije aanwezigheid van hun schepper laten voelen, een zo nabije dat je bijna wel van indirecte ik-gedichten kan gewagen. "Wat is binnen die 13 dan de verhouding?" zul je wellicht vragen. Wel, boven was ik niet zo precies toen ik schreef "de meeste andere gedichten": het gaat gewoon om alle andere gedichten.
Een beschrijving nu van de manier waarop de dichter zich zo sterk bij een lectuur.laat voelen, levert ons dé karakterisering van het soort poëzie we in "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" krijgen. De dichter vertrekt in 16 van de 20 gedichten van een waarneming van een sterk individueel geregistreerde concrete werkelijkheid als dusdanig. Dat betekent dat hij in zijn gedichten een hem persoonlijk opgevallen realiteit rechtstreeks beschrijft, wat maakt dat we hem als lezer heel nabij voelen (we kijken namelijk heel voelbaar door zijn ogen heen). Die nabijheid wordt echter versterkt door een verfilming van de werkelijkheid die heel sterk geïndividualiseerd wordt, namelijk door het gebruik van hoogst originele beelden (we kijken dus door Wouters' ogen wat zowel het object als de wijze van waarneming betreft). Daar blijft het niet bij! Wouters manifesteert zich gedurende de hele loop van het gedicht bovendien nog meestal door een voortdurende commentaar bij en beoordeling van de werkelijkheid. Die manifestatie wordt natuurlijk ten top gevoerd waar hij in twee gedichten met een rechtstreekse vraag aan de lezer eindigt. Hieronder twee voorbeelden: het eerste gedicht, een stukje zonder vraag; het tweede met:
(de fransklinkende fazant) nacht. en elk raam is zwart.
toch zont het plein languit en in overvloedig licht.
straatverlichting. voor de rest donkere gevels. of toch niet.
aan de overkant van het plein 2 verlichte ramen:
een laatste pils voor het slapengaan, een ultieme verdoving.
het binnengaan een plotse verwarring. weerkaatste gezichten.
spiegels. ze geven alles prijs. net als dronken woorden.
alles wordt geopenbaard: een apokalyptisch tafereel.
spiegels verbergen niet zoals binnensmondse woorden wel.
…
(de toren van de halse basiliek)
dagjesmensen kijken
naar de trotse toren
die onaantastbaar prijkt
hoog boven de kronkelende straatjes.
hij wordt ten top gedreven
door mannelijke gotische lijnen
en bekroond met de barokke lantaarn.
galmgaten strooien het beiaardgeklingel
als het rennen van lichtvoetige kinderen
over de roestkleurige daken.
marktkramers en winkeliers
horen niet de kleurige klanken
van de zingende beiaard
en zien niet de statige schoonheid
van de machtige toren.
enkel een meisje van amper 12
met grote zachte ogen
kijkt bewonderend omhoog
en neuriet het liedje mee.
wie (wat) maakte de andere mensen blind?
Het valt je wellicht op dat het hier tweemaal om een zogenoemd "indirect" ik-gedicht" gaat. Van de 16 gedichten waarin van een concrete buiten-de-dichter-liggende werkelijkheid wordt uitgegaan, zijn er namelijk slechts 3 directe ik-gedichten. In die 3 is door de directheid van het ik de aanwezigheid van de dichter natuurlijk optimaal.
Voor we vertellen wat nu in die 4 andere gedichten, alle vier ik-stukjes waarin niet van een waarneming van een concrete buiten-de-dichter-liggende realiteit wordt vertrokken, gebeurt, dient nog aangestipt, dat de dichter zijn aanwezigheid doorheen de waargenomen realiteit en plus affirmeert door die realiteit voor de lezer herkenbaar te maken. Hij laat bijvoorbeeld vijf gedichten waarin hij van een beschrijving van een werkelijkheid in Halle uitgaat, voorafgaan door een titeltje "Halle weggeborgen in de Zennebocht" en voegt er zelfs nog een persoonlijke noot aan toe: "(vijf gedichten opgedragen aan Ghislain Laureys)". In die vijf gedichten zijn de eerste woorden van Wouters dan bovendien nog telkens een kenbaar maken van wat in Halle er nu juist sprake is. Elders treedt de dichter expliciet tot bij de lezer door in een voetnoot aan te geven dat het om een waarneming van een schilderij in eigen bezit gaat (plus vermelding van de naam van de schilder en zelfs beschrijving van wat er op het doek staat). Dus 16 "ik-gedichten" zeker en wel in verschillende schakeringen.
Over de vier stukjes waarin niet van buiten-dichter-werkelijkheid wordt vertrokken, kunnnen we kort zijn. De dichter beschrijft er rechtstreeks een gevoel (2x), een handeling (1x) of steunt zich op een algemene werkelijkheid (1x). Wat echter telkens weer opvalt, is de beschrijvende stijl. Met andere woorden de ingrediënten "waarneming" en "beschrijving" zijn ook hier voorhanden; hier in deze wellicht sterkst geconcentreerde ik-poëzie. Een voorbeeld, mijns inziens een mooie tekening voor het bewust binnentreden van de dichter in de wachtkamer van zijn muze.
met een staf vol tovertekens
gedichten in een vreemde taal
trek ik een cirkel om me heen
en zet mijn koptelefoon op
waarin stilte speelt
zo stil
zo mysterieus
speelt de stilte
een melodie
die inspireert
Maken we het bilan op, dan stellen we vast dat in "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich." naast twee categorieën ik-gedichten drie categorieën /ik+concrete werkelijkheid/-gedichten voorkomen: ten eerste de stukjes die expliciet beschrijvend inzetten en geen expliciet ik-personage kennen, ten tweede de stukjes die expliciet beschrijvend inzetten en wel een expliciet ik-personage kennen en ten derde die die een expliciet ik-personage kennen, maar geen expliciete beschrijving.
Wat vertelt ons deze vaststelling nu uiteindelijk? Een schrandere vraag, maar toch niet zo een moeilijke. Het feit dat in alle 20 gedichten de ik-persoon Wouters en de concrete werkelijkheid waarmee deze ik-persoon geconfronteerd wordt, zo helder aanwezig zijn, bewijst ons dat we hier op en top met een realiteitsgebonden en uit de realiteit beeldende dichter te maken hebben. Een realist tout court, zowel naar inhoud als naar stijl (een heldere en verstaanbare taal, beschrijvend en commentariërend, suggestief). En kan nu de opmerking worden gemaakt, dat ieder dichter uiteindelijk realist is, omdat ieder dichter tenslotte vanuit de realiteit (zij het nu ik-realiteit of buiten-ik-realiteit) schept, dan kenmerkt het realistische bij Wouters zich precies daardoor, dat de ik-realiteit meestal (in 80 % van de gevallen in deze bundel) doorheen een sobere, nuchtere, maar persoonlijk beschreven buiten-ik-realiteit geboden wordt. De ik-realiteit is als het licht dat door een brandraam de kerk binnenvloeit; de buiten-ik-realiteit is het brandraam.
"Wouters-realist" betekent evenwel niet dat Wouters 20 keer gefotografeerd heeft! Boven wees ik al op de originaliteit van zijn beelden en bovendien; is er de manifestatie van de ik-persoon Wouters alsdusdanig, een manifesta,tie die alle fotografie banvloekt.
En tenslotte, denk nu ook weer niet dat de ikheid twintigmaal zo opdringerig is, dat ons lezers geen eigen interpretatie meer wordt gelaten... Laat mij ook "open" eindigen, namelijk met de meerzinnigheid van de dichter zelf:
GEDICHT VOOR MEZELF
als de wind takken afkraakt
en zand opstuift
als de regen dammen breekt
en oogsten vernielt
als de droogte akkers verdort
en in tweeën splijt
als het vuur huizen platbrandt
en mensen verdeelt
als ik eindelijk nog eens
een gedicht schrijf,
zal niemand er naar kraaien
dat hoeft ook niet
Verschenen in: Initiatief, jg. 3, nr. 18, mei 1984, p. 46-49.
F. CROMBEZ
RIK WOUTERS IN ZIJN POËTISCHE EIGEN TIJD
Rik Wouters heb ik al eens gekarakteriseerd als 'lik-dichter van de werkelijkheid" (1). Daarmee werd eigenlijk al impliciet de opdracht die me nu is toegewezen, gerealiseerd, namelijk Rik Wouters te situeren binnen de eigentijdse' Vlaamse poëzie. Even toelichten.
Ruw gesteld zijn neo-realisme en neo-romantiek de twee grote tendensen die de Nederlandstalige poëzie sinds 1945 inhoudelijk (en ten dele ook vormelijk) hebben bepaald; maniërisme (experimentalisme), klassiek en taalsoberheid de tendensen die talig-vormelijk zowel afwisselend als gelijktijdig de scepter hebben gezwaaid. Vorm en inhoud zijn hierbij verschillende huwelijken aangegaan.
Wat Vlaanderen betreft, waar het neo-realisme op het einde van de jaren '60 is doorgebroken en rond 1975 door de neo-romantiek terzijde is gedrongen, kan algemeen, in vergelijking met Nederland, gesteld worden, dat het dichtersindividu er steeds sterker voor de dag is gekomen. Drie verschijnselen, waarbij ik' telkens met Nederland vergelijk, moeten deze bewering ondersteunen: het subjectieve karakter van ons realisme, het meer individueel werken van onze kunstenaars (niet zo'n "'school"-vorming) en het zuiverder romantisch levensgevoel dat zonder ironische distantie in veel belijdenispoëzie wordt uifgesproken. Vlaanderens poëzie vanaf 1965 is aldus altijd meer dan de "Hollandse" dichtkunst belijdenispoëzie geweest, natuurlijk met vele schakeringen.
Als we Rik Wouters nu benadrukt ik-dichter van de werkelijkheid noemen, dan hebben we hem meteen in een eigentijds Vlaams poëziekader gesitueerd. Hij is inderdaad één van de vele "buiten school"-werkende Vlaamse kunstenaars die de werkelijkheid fijn-subjectief romantiseert (nu eens meer, dan eens minder!). Dat romantiseren maakt bij onze Halse dichter een zekere evolutie door, een heel duidelijke wanneer we zijn eerste bundel "Ik zeg tot je", van 1979, vergelijken met zijn tweede, "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich", van 1982. Het markante aan die evolutie is, dat ze ogenschijnlijk een omgekeerde chronologie bezit, vergeleken met die van de Vlaamse poëzie.
In de bundel van 1979 vinden we een smoorverliefde dichter die zijn gevoelsontboezemingen op nogal parlandistische wijze door het papier gooit. Wat Wouters daarin met de Nederlandse parlandoforrmatie rond tijdschriften als "De Revisor" en "Hollands Maandblad", eind van de jaren '60, gemeen heeft. is de centrale positie die hij er als dichter inneemt, een dichter die zijn poëzie weer uitdrukking van heel zijn menselijkheid weet, en is ten dele ook de wijze waarop hij schept, namelijk romantische gevoelens (en gedichten) door reële beelden, anecdotische situaties of door gewoon rechtstreeks zeggen verwoorden. Wat Wouters echter van die parlandogroep scheidt, is het volledig ontbreken van enige intellectuele distantie (ironie, relativering...). In "Ik zeg tot je" treedt de dichter werkelijk als een neo-romanticus op, zij het wel geen volbloed, want daarvoor zijn te weinig krachtige romantische motieven aanwezig. Wouters verschijnt er als één van de belijdenisdichters die voluit persoonlijk zijn dromen van eenheid en tijdloosheid in de liefde in een geheel sobere, alledaagse taal brengt. Door die directe gevoelsexplosies rangschikt Wouters zich eerder bij de Vlaamse debuterende romantici van na 1975 dan wel bij de hogervermelde parlandogroep.
In zijn tweede bundel verschijnt onze Halse dichter zeker nog als ik-dichter (cf. eerder vermelde recensie), maar dan een meer getemperde. Het ik explodeert er niet maar straalt durend door het brandglas van de buiten-ik-realiteit. In "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" is Wouters met andere woorden meer realist, maar dan wel een Vlaams realist, bij wie de werkelijkheid heel persoonlijk wordt gekleurd. Dit betekent dat Rik Wouters in 1982 in vergelijking met 1979 niet eind de jaren '70, maar schijnbaar eerder eind de jaren '60 te situeren is, namelijk wanneer in Vlaanderen het neo-realisme doorbreekt. Ook hier moet weer, zoals bij onze parlando-vergelijking boven, een nuance gegeven worden. In zijn tweede bundel dicht Wouters immers niet 100% opzettelijk nonchalant en anti-metaforisch zoals de kunstenaars aan het einde van de jaren '60. Naast geheel metafoorloze gedichten zijn er immers ook waarin de dichter straalt door mooie beeldentaal. Toch maar een voorbeeld uit "Brussel voor de Provence ruilen" (uit de tweede bundel, p. 15):
mijn getakeld lichaam laveert toch nog
tussen noord en zuid stad en dorp
dood en leven, lavendel
lavendel, door een zachte vrouwehand
overal uitgestrooid, wint de strijd:
de wip helt zuidelings over
Juist die nuance laat ons toe de final touch aan de situering van Wouters te verzorgen. De Halse dichter hoort inderdaad maar "schijnbaar" eind de jaren '60 thuis en zijn evolutie is aldus ook maar "ogenschijnlijk" zo markant in vergelijking met de evolutie van de gehele Vlaamse poëzie. Wouters is ontegensprekelijk een eigentijds Vlaams dichter! Eigentijds omdat zijn sterke combinatie van neo-realisme en neo-romantiek in zijn tweede bundel typisch is voor één van de drie grote tendensen die de Vlaamse neo-romantiek tegenwoordig beheerst. Het romantisch schrijven vanuit een poëticaal-stilistisch neo-realistische achtergrond is in zijn zuiverste vorm, ontdaan van alle ironie, pathos en geforceerde humor, een Vlaams verschijnsel, dat we in de poëzie van Herman de Coninck en Patricia Lasoen terugvinden.
Rik Wouters is dus een dichter van een Vlaams ik in een Vlaamse werkelijkheid en daarbij zijn ik en werkelijkheid componenten die respectievelijk romantiek en realisme in een uitgebalanceerd evenwicht houden. Inderdaad, nauwelijks verheffen zijn woorden zich uit de stijl van zijn tijd, maar "ademen" doen ze zeker.
EERSTE LITERA-ONDERSCHEIDING 1984 [poëzieprijs]
EEN BRIEF IN EEN FLES: NOOIT BEREIKTE HIJ ZIJN BESTEMMING
meter,
ook de wijzers van jouw uurwerk
oud en duurzaam, én kwetsbaar
zullen bruusk afgebroken worden.
radeloos zullen ze me uiteenrijten
en eeuwenlange wonden achterlaten.
zondermeer zal ik ze koesteren
met plezier en weemoed, wanhoop.
en diep in me zal een boot
bloedrood, leven en dood,
tegen de dorre oever lek varen,
meter
(misschien dat ik je wel
altijd missen zal)
Verschenen in: LUYTEN, Gie [samensteller]. Verzeild. Bloemlezing uitgegeven ter gelegenheid van de derde Poëtische Nachtwake Beringen 1984. Litera, Beringen. 1984.
Verschenen in: WOUTERS, Rik. Lawaai is tederheid. Yang, Gent. 1987 [Yang Poëziereeks; gepubliceerd onder de titel "1. (een eerste nooit geschreven brief)"].
LAWAAI IS TEDERHEID [1987; dichtbundel]
I’ll never let you see
The way my broken heart
Is hurting me
I've got my pride
And I know how to hide
All my sorrow and pain
I’ll do my crying in the rain
The Everly Brothers (Crying in the Rain)
in november als de zomer voltooid verleden tijd is
en de lente in de onvoltooid toekomende wordt geschreven
zullen we sterven en opnieuw geboren worden.
in november als de ochtenden lang en wazig zijn
en vochtige wagens naar koud zweet stinken
zal jouw ademhaling hoorbaar op hol slaan.
de wind van herfstige herinneringen zal met je meezingen.
in november als nog niet klaar en al donker één zijn
zullen mijn gevoelens minder breekbaar dan beton lijken.
maar in het hoekje achter mijn ongenadige ogen
zullen tranen de fles van zwoel geluk vullen.
vanaf november wanneer de cyclus afgerond is
zullen we als ouders in het huis van sarah wonen
met wie we een wereld vol gekleurde blokjes zullen bouwen.
voor mijn dochtertje Sarah
ZELFS GODINNEN STERVEN
6 gedichten vol wrede wanhoop
Dat wij tot in het merg doorwreten
van hunkering naar een gaaf behoud
geteisterd staan uiteengespleten
laat zuilen en profeten koud.
Andries Dhoeve (Nieuwe Gedichten)
1.
(een eerste nooit geschreven brief)
meter,
ook de wijzers van jouw uurwerk
oud en duurzaam, én kwetsbaar
zullen bruusk afgebroken worden.
radeloos zullen ze me uiteenrijten
en eeuwenlange wonden achterlaten.
zondermeer zal ik ze koesteren
met plezier en weemoed, wanhoop.
en diep in me zal een boot
bloedrood, leven en dood,
tegen de dorre oever lek varen,
meter
(misschien dat ik je wel
altijd missen zal)
2. GROOTMOEDER
vele jaren heeft ze het graan voelen rijpen
en met het graan is ze meegegroeid.
toch zijn haar woorden geen dorre takken
in een heidens en vernietigend houtvuur.
haar stem is zacht en zoet om smaken
als het fluwelig vlees van perziken.
haar gelaat is grimmig en vol gleuven
niet door zilt zeewater maar sober:
nooit heeft ze rome ervaren, en eeuwigheid.
nooit heb ik haar rusteloos horen rouwen.
vele jaren heeft ze het graan voelen rijpen:
ik wil haar nog niet geoogst zien.
3.
zoals zij ligt
op haar zachte zij
afwezig
de ogen doffer dan dood en tijd
en rondom haar van tong tot oor
het codewoord wordt doorgegeven
zo wil ik haar lome lippen lenen
een gedicht vol eeuwigheid boetseren
4.
gisteren toen ze nog leefde en discreet danste
en vele gedichten in één adem reciteerde
is verloren vreugde en vrijheid geworden.
nu zijn de overgordijnen gesloten
en stamelt ze nietszeggende verzen
die vormelijk niet met de broze bouw
van haar brakke lichaam samenvallen.
de lampen van de luchter zuchten gelig.
ze belichten nauwelijks de woorden
vastgeworteld in haar hart;
zelfs de kaars flikkert
moeizaam en ruikt naar roet
zoute tranen en zuur verdriet.
woorden kan ze niet langer ontcijferen:
alle herten in haar bloed zijn verdwaald
in het korzelig koraal van haar hersenen.
5.
slechts je stem is echo eentonig
maar eindeloos weergalmend in het woeste waaien
van de nacht. vergeefs verzin ik andere gordijnen
zwaardere gordijnen om je klagend kreunen
je smekend stamelen buiten te sluiten.
zo is je broze beeld niet waarvan de stukken
van de legpuzzel schemerig op de vloer liggen.
de kunst tot reconstrueren is met je bloed
stil blijven staan. een ikoon is het,
je beeld. andere details gaan hopeloos verloren.
traag en moedeloos zet ik mijn masker
vol ongevoeligheid en verraad op.
6. EMPORION
(een tweede nooit geschreven brief)
naar jou keer ik ooit terug - misschien.
dan laat ik je zonder haat
zonder zorgen oude stenen voelen.
daar is de vlakte zilt en rustig.
waar de grieken zoet droomden
zal ik jouw gedichten voor je lezen.
en elke nis van de bloedende basilica
zal ik versieren met vrome verzen
voor jou over jou: vroeger én nu
én later. dan zal je weer lachen.
daar zijn alle seizoenen lente.
zelfs de begraafplaats ademt
rust en liefde. geen dood.
PRENTKAARTEN
Straten schuiven in eendere straten
licht schuift in eender licht
mensen in eendere mensen
volte in eendere leegte
leven in eendere
dood.
PaulRodenko (Orensnijder tulpensnijder)
ZOMAAR EEN VLAAMSE STAD
er wordt niet gelogen als de zon loodrecht staat
nooit gelogen als mensen één zijn met hun schaduw.
dan wordt enkel de waarheid niet gezegd
zoals bij het ware en volle leven.
er wordt slechts gelogen, en dan nog in bedekte woorden,
als de zware gordijnen alle licht buitensluiten,
als bier schraal smaakt en naar bederf,
als het schuim overheerst en over de rand loopt.
SOEST, DUITSLAND
nauwelijks weergalmt in deze ommuurde stad
zonder poorten het leven. is lawaai is tederheid
mensen slenteren langs gerestaureerde wallen
kinderen spelen beleg (schamper
wordt dit romantiek genoemd)
ze denken aan vroeger: godsdienstoorlogen
die volkeren in tweeën verdeelden zoals het zwaard
het bebloede laken doormidden scheurde
leven is er een schotse kerktoren zonder kruis.
maar het uurwerk tikt geruisloos.
de klokken begeleiden geen rondedans.
het water is rustig nu. levenloos zelfs.
geen bloemenbootjes varen nog
op het naar verderf stinkende water
hier feest men sinds lang niet meer:
men slaagt slechts erin de sur-place aan te houden.
PALAMOS, SPANJE
aan de kade een bedrijvig vrachtschip
tegen de heuvel een zonnende kerk.
tussenin hinkstapspelende kinderen:
ze hinken van schip naar kerk.
kerk. en de nauwe winkelstraat
is een paternoster groentekramen
waar het geborgen leven is.
de gekartelde kust
is volledig bezet met agaven
onbeweeglijk neergehurkte wachters
onverdroten en met oneindig geduld
uitkijkend over de vijandige zee.
barbarossa zou terug kunnen komen.
en dan. dan zullen groentekramen
slechts bloederige brij zijn en kinderen
niet meer van nu naar vroeger hinken.
LENINGRAD
(een impressie)
het bevroren water zal geen bloed meer wenen.
de dorre aarde zal geen klaaglied meer schreeuwen
van mannen en vrouwen zonder naam.
toch hebben hun soldaten nooit
rozen in hun geweerloop gestoken.
(groeien hier wel rozen, tovaritj ?)
de nauwgezet gerestaureerde hermitage
denkt bijna uitsluitend impressionistisch.
(de werkelijkheid werd naar siberië verbannen)
de kolossale atlantiden staren tevergeefs
naar de overzees-liggende toekomst
die zich nooit begrijpen laat.
in de buurt van het winterpaleis
wordt een dronkaard discreet weggevoerd
door schichtig kijkende mannen in burger.
FROM HERE TO ETERNITY
5 gedichten over nergens en ergens
... AILLEURS
Alles is goud hier - wijl 't in Brussel regent.
Ik huiver soms voor wat de wind mij zingt.
Morgen wordt alles weer door 't werk gezegend:
sluipen en liegen waar het brood om dwingt.
Andries Dhoeve (Gedichten 1945-1965)
1 (hier, een brabantse stad)
het ritme van het dagelijks leven is meer reutel
dan onbesuisd en veelbesproken volle bierglazen legen.
erger nog de nacht die even snel voortwentelt
als de hartslag van de stervende stumperd.
onafwendbaar staren de glurende ogen traag en treurig
naar de moordende morfinespuit binnen handbereik.
zelfs de kinderen zijn grijsaard en onmondig voor altijd.
vanop de bank in het park kijken ze beotisch lachend
naar polyestereenden die over gladde golfjes dobberen.
de grillige kastanjelaar draagt geen vruchten meer.
het ritme van de dag is als de ratel van de leproos
die alle lust en leven op afstand houdt.
2 (hier, een kuststad)
zwaar hangen ook vannacht
de woedende wolken van de goden.
genadeloos glimmen de stenen van de stad,
strooien hun trotse tranen
bol van bestoft verleden
hol van hopeloos heimwee.
de luiken zijn gesloten,
het bier smaakt zuur en zerp.
en in mijn veelvormige vingers voel ik
het steedse kotsen van mijn kil gemoed.
naast de hijgende havenmuur
ligt met hoogzwangere buik
een verkleumd vissersschip radeloos
en verloren op zijn doffe zij.
zwaar hangen ook vannacht
de woedende wolken van de goden.
op de weerkaatsende stenen
stuikt mijn schreeuw te pletter.
mijn bloed verft de draailamp
van de vuurtoren donkerrood.
3 (elders, ergens tussenin)
uurwerken hebben steeds een ander ritme
een trager ritme getikt dan hier.
alle zomers zijn dagelijks gezapig en gemoedelijk
als het slentertempo van een ingekort boemeltreintje.
(maar .vele winters zijn toch nog krakende koelkasten
en meisjes zonder blozende vraagwangen)
zo zijn mijn moerassige zomers nooit geweest:
nooit at ik aardbeien met slagroom
zonder de verlammende smaak van zuurheid op mijn tong.
steeds liepen mijn gevoelens ongrijpbaar evenwijdig
met de gladde sporen naar nergens.
daar echter kan ik de autoportieren
wijdopen zetten, zonder zuchten of zeuren.
daar kan ik mezelf door een fletse filter
van stof van tien tot één horen tellen.
men betaalt het eten al met de glimlach.
ik schijn erin te zullen slagen me
grenzeloos en ongenadig god te voelen.
maar ook het leven van lust en tijdloosheid
is daar nog maar een uitgedroogde rozijn.
de wijzer draait merkbaar trager. of ik
het verouderen stoppen kan is de vraag.
4 (daar, la fosca)
vele winters en zomers ligt het gemeerd
in het zalvende zand. onverstoorbaar
wordt het tot eeuwige rust gewiegd.
de enge en hoge hoofdstraat is
onbegrijpelijk korter dan tijd.
tijd heb ik nodig om tomeloos en traag
ketsende stenen in mijn mond te gorgelen.
korter nog dan tijd is de afstand
tussen kerk en thuis waarin het kruisbeeld
en de stille staanklok broederlijk
en broos het leven verderslepen.
vele winters en zomers al ligt het gemeerd
tussen rokende rotsen en woelige golven.
tijd heb ik over om van hier naar nergens
een niemandsland waarin de tergend trage deur
op een kier wordt gezet en mensen
zonder maskers en zakken vol reisgidsen
binnendansen, te hinkstapspringen.
5 (daar, hotel ancora)
we hebben elkaar onbegrensd en ongekend kennen
in dit lome land waar regen weldaad is, en wulpsheid.
er is geen vermuft vocht dat deuren kriepend klemmen doet
als van het oude gebarsten en geschilferde huis.
toen leefde ik lusteloos en kunstmatig:
ik had nog niet ongeremd ervaren dat de dag
lang duurt en tegelijk kort kan zijn.
niemand kon het me leren. niemand wist ervan.
we hebben elkaar leren kennen in dit land
waar zon en lucht de nieuwsgierige gevels
in spaans ritme en adem gekleurd hebben.
daar gebeurt ademhalen gulzig en bewust.
dag is warme choco melk en boterhammen
met krenten en rijkelijk uitgesmeerde boter.
nacht is een zandkasteel en maanlicht
dat door de blinden als liefdesbrief binnenglipt.
LETTERWOORD
Zolang je poëzie wilt schrijven,
geloof geen woord dat blinkt als water,
balsemend de stank van bloed.
Clem Schouwenaars (Cantica Mea)
Leeggezogen door het letterwoord
uit het grote boek (poëzie
laat zich niet ongestraft tarten)
werp ik een allerlaatste maal
mijn netten uit. tevergeefs.
de woorden glippen glibberig
door de dichte mazen,
laten zich niet vangen.
ik laat me ontvoeren
om een onbekende dood te sterven
tussen zeewier en dolfijnen.
PAPIEREN REVOLUTIE
men heeft me het alfabet leren zingen
op het ritme van woedende wind
en laffe lucht. schuimkoppen duwen me
onder (zout smaakt naar leed en eenzaamheid)
ze proberen mijn gepijnigde stem
te vermurwen in een gesmoorde schreeuw.
de gong van de liefde laveert niet
over de bijtende zoutvlakte. geen rozen
worden door de rauwe wind bijeengeblazen.
geen klanken doen de kristallen toren trillen.
geen affiches kondigen nog aan:
de revolutie van morgenmiddag.
die van gisteren is reeds lang vergeten.
SONNET
onrustig lig ik geborgen en in foetushouding
tussen zee en aarde, licht en donker.
lichtbundels die mijn vliegtuig gevangen houden,
verblinden me. mijn ogen wennen niet
aan het duister van de lege bunker
waarin ik struikel over beenderen
en rottend vlees. waanzin! waanzin!
enkel schreeuwen rest me nog.
want ruw wordt de witte stok
in mijn gekneusde ribben geduwd,
beestachtig wordt de zonnebril
tegen mijn geschaafde gezicht gedrukt.
ademloos word ik gekastreerd:
een lidteken, een schande blijft achter.
zoals zij spreekt zacht en zomers
geen woord breder dan het ander
geen woord harder dan het ander
en haar tedere tong doorgeeft
en tegen oren houdt (maar niemand
hoort even fris en fluwelig als zij spreekt.
altijd. overal) zo spreekt de vrede niet.
de vrede heeft geen gelaat. slechts grimassen
die ze opzet volgens geluiden en kleuren
van de dag. de vrede is karnaval.
eindeloos en eeuwig veinzen en
steeds weer andere maskers opzetten.
ALLEENSPRAAK
een belijdenis zonder namen te noemen
Wij hebben geen geluk gehad, want ik weet dat voortaan nooit meer in staat zal zijn om een vrouw; onvoorwaardelijk liet te hebben.
Clem Schouwenaars (De Seizoenen)
AFTAKELEN
Er is veel dat niemand weet,
dat nooit velen zullen weten,
willen en mogen weten. De gezonde grond
mag dan nog vruchtbaar zijn.
Maakt de dood het leven niet eindelozer?
Dikwijls probeert ze tederdwingend
haar handen op mijn onthutsend gepraat
te leggen. Langs mijn oren wil ze
benauwende waarheid in mij blazen.
Kwetsend klinkt haar klaaglied,
kreunend en wegkwijnend, weerloos.
Woeste wolken beangstigen haar.
Haar handen grijpen hopeloos
naar het passieve teken van geloof.
Mijn kreet doet glazen barsten.
ZINLOOS
En vanaf dan zag ik moeheid in haar ogen.
Moeheid en verzet. Verzet tegen de kaakslag.
Moeheid door te veel verloren bloed.
Een lemmet gebet op hopeloze haat.
Geen hoerageroep. Achter haar rug echoot
vijands kreterige lach. Zijn hakmes
houwt grenzeloze gangen. Ook in mijn lijf.
Ik probeer loomte te verbannen in roes.
Mijn banvloek pijnigt en voorspelt
……….
AVOND
Hoorbaar is de avond. En muzikaal.
Leugens paraderen niet langer; ze grimassen
niet meer. Ze hebben zich verkleed.
Aangepast: mistige maskers opgezet,
discretere kleren aangetrokken. Maar
ze zijn er nog: onderhuids kankerend.
Ze sluipen rond. Overal en nergens.
Ze zijn binnenwaarts gekeerd
en intens. Ze zijn onuitroeibaar.
Rustig is de avond. En zo donker.
HERFST
Herfst. En deuren openen zich
ongevraagd. Ongehoord dit seizoen
dat nooit geloofd wordt. Onbemind
de winderige stilte die steeds steels is.
Ongeremd de slag in haar aangezicht,
de zichtbare breuk tussen liefde
en laster. Breuk die tot braken neigt.
Winter kondigt zich weerloos aan.
WINTERMORGEN
Enkel radeloosheid is gebleven. Rauw en rusteloos
zwerft ze door mijn houterige ademhaling.
Elke dag een nieuwe poging tot overleven:
ten koste waarvan slaagt ze steeds weer?
Anderen spreken verstikte kreten, klachten
in het rustige duister van een vroege wintermorgen.
Ze willen de moegeworden meanders kanaliseren
de opstandige stemmen in mijn hoofd
in hun afgrond, in mijn einde stoten.
Ik hoor ze niet. Ik luister geboeid
naar andere stemmen, andere kwellingen.
LIEFDESVERKLARING
Je beeld is wazig. Zo ook je woorden:
sober en stemmig, rustig lijkend. Rustbrengend.
Onuitgesproken soms je liefde. Kan dat anders?
Je woorden worden gewikt. Maar toch.
Je geurt naar leven: een ander, een vreemd parfum.
Laat het zo. Laat het altijd zo blijven.
Want je ogen - vraag. nooit de kleur-
je ogen blijven bij. Ze zijn jou.
Altijd veel zeggend, niet veel verzwijgend.
HET WOORD HERTALEN [1996; dichtbundel]
tien jaargetijdengedichten
voor Sarah
die al té goed veel begrijpt
Verwacht mijn stem niet meer
als die is voorafgegaan door het drinken.
Verlang niet meer naar een handvol troost
als ik die niet eens meer kan geven.
Verlaat u niet op dit geschrift
dat slechts schuw zichzelf verklaren wil.
Eriek Verpale (Op de trappen van Algiers)
De herfst kondigde zich vroeger aan dan andere jaren. Het speet me geenszins. Ik hield niet van de zomer met zijn eindeloze dagen en zijn halfklare nachten.
Hubert Lampo (De duivel en de maagd)
LENTE
(april-mei)
Lente kondigt zich loom en pijnlijk aan.
Winter wordt in de rug geschoten. Waar
is het seizoen dat me zo dierbaar is?
Met gewone woorden. Met míjn waarheid.
Licht: verblinding. Transparantie.
Ademen: constante zelfopoffering.
Poëzie: een nuttelozer poging nog
tot verzet: dood al té dichtbij.
LENTE
(mei-juni)
voor Sarah zonder wie leven zinloos is
Nacht van doorgedreven spanningen.
Overuren. Zon weerkaatst geen zee.
Geen zwaargewogen woord. Vingers
op mijn dochters lippen. Zij lacht:
het wordt zomer. Ik wacht af, angstig.
Mijn ongeduldige tong probeert nog
het woord te hertalen. Maar elke nacht
wordt het moeilijker slapen en
ZOMER
(juli-augustus)
Luisteren naar de lafheid van dit seizoen
wil ik niet. Ik zoek de winterse vrede
en de bewoonbaarheid van plaatsen:
elke kamer is een leefbaar uurwerk.
Zomer echter: elk horloge een ruimte
waarin gehaat wordt. Woord na woord
wordt het leven gevoelloos ontmanteld.
Hoop is ondraaglijk. Zelfs
SEPTEMBER
(herfst)
Welkom is de herfst. En vol goede wil.
Voor zijn schoot kniel ik en denk:
zacht wordt mijn verdriet en draaglijk
bijna. Rust brengend. Toch blijft
lucht té zuiderse zee zijn: taal
is schreeuwerig en pijnlijk nog.
Gelukkig komt eindelijk uit de verte
een woord. Moeizaam. Maar overtuigend.
OKTOBER
(herfst)
Dit is de maand van lange, slanke vrouwen
in wie heimwee werkelijkheid dreigt te worden.
Het woord is weergekeerd: jij, hét woord
onder woorden. Zo heb ik je herkend, tenslotte.
In een witte nacht ben je heilzame ziekte
en slapeloosheid, genezer en moordenaar.
Eenzaamheid en moment. Schaduw en houvast.
Ontwenning. Drank. Zo heb ik je erkend.
NOVEMBER (herfst)
Herfst. En de deuren openen zich
ongevraagd. Ongehoord dit seizoen
dat nooit geloofd wordt. Onbemind
de winderige, steeds steelse stilte.
Onbegrepen het enige en helende woord
dat ik verkondig, de zalvende aarde
die mijn nerveuze vingers herkleurt
tot gevoelens die afstandelijk leven.
DECEMBER
(winter)
voor meter
Verfijnd is dit seizoen dat winter heet,
waarin we hand in hand gaan. Je leert
me zachter te praten. Met tederheid. Lach
is geen onhoudbare angst. Anders dan
mijn poëzie die nooit helen zal. Alleen
messen slijpen en harden kan ze. En toch
kan die pijn, dat gedicht je even maar
voor één enkel ogenblik terugbrengen.
JANUARI
(winter)
De winter van je ogen laat de nacht
wit van onbesprokenheid open gaan.
Je speelse stem bevrucht mijn vingers:
woord na woord (Na vers. Na gedicht.).
Soms is die taal te ongenadig hard
nog. Maar ja, wat kan ze anders zijn
dan wapen dat zelfs met de glimlach
durft te moorden. Ook winter is pijn.
FEBRUARI
(winter)
voor vader
Dé maand van verduldzaam duister
en aanhoudende dronkenschap. Ik meen
onkwetsbaar te worden: gisteren
én vandaag én overmorgen. Het woord
is mijn laatste en trouwe gezel. Waarom
taal aanbidden en weten dat geloof
pijn alleen maar zwaarder maakt.
Waarom toch zwanger zijn van poëzie?
MAART
(winter)
Voor de vrouw die het koud heeft,
is dit seizoen van voeten warmen
niet zo onaangenaam als ze wel eens
in een kwade bui beweert. Voor mij
is het glasscherven stukken weer
tot spiegel te maken en van alleenzijn
niet langer de eenzaamheid te voelen.
Wel heimwee naar een stille lach.
WAT STILTE GENOEMD WORDT [1996; dichtbundel]
Cataloniëgedichten
On ets, Espanya? -No et veig enlloc.
No entens la meva veu entronadora?
No entens aquesta Ilengua
-que et paria entRe perills?
Has desaprés d'entendre an els teus fils?
Adéu, Espanya!
Joan Maragall
Vertaling:
Waar ben je, Spanje? Je bent nergens te zien.
Hoor je mijn weergalmende stem niet?
Versta je die taal niet die tot je spreekt
temidden van gevaren?
Heb je opgegeven naar je zonen te luisteren?
Vaarwel Spanje!
PUIG DE SANT ANDREU
(Ullestret)
Temidden een verlaten site staan
en elegante cypressen voelen wuiven.
In de ondergrond klotst onhoorbaar
bijna het ooit gevreesde water.
Op de wallen rusten slapende agaven.
Schijnbaar slechts deze rust van huizen,
dakloos en zwartgeblakerd. Silo's
zijn leeg, citernen stoffig. De tempel
op de akropolis werd grondig vernield.
Toch wekken schedels van ritueel vermoorden
geen afgrijzen op. Een groene adder zigzagt
onverstoorbaar op zoek naar een prooi.
MALAKON
(Sant Marti d'Empúries)
Het goud van het romeinse deel is veelkleuriger
dan een impressionistisch en zuiders schilderij.
De oude afgetakelde havenmuur versnippert
huppelende kaboutertjes zonder rode mutsen
maar met lange en witte baarden. Scheepjes
hebben ook hier geen wonderbare visvangst.
Dat is immers niet nodig: de ondiepe zee
zal nog wel groene griekse beelden vrijgeven.
Hier zeggen dat men iemand liefheeft
zou slechts zonde en zelfmoord zijn.
ESGLÉSIA PRERROMÁNICA
(Sant Juliá de Boada)
Onooglijk.
En op een onmogelijke plaats.
neergeploft zont ze gelig
haar gerimpelde en moeë stenen.
Eenvoud achter een werelds deurtje.
Onaardse en doodse stilte.
Muren beklemmen echter niet,
zijn zachter dan lege ruimtes
van schepen die botweg ontheiligen.
En toch rustgevend.
MAS ROIG
(Pals)
De grote boerderij oogt hoekig
en leeg. Pannen liggen in brokken
voor de deur die uit hengsels
gelicht lijkt. Geen koe doorboort
wat stilte genoemd wordt. Roestig
en op de zij nikst een ploeg.
Stof op een bank verraadt
geen achtergelaten oudje.
PUIG D'ARQUES
(tussen Cruïlles en Cassá de la Selva)
Graasweiden kleuren groen nog,
sappig en van ongekende verscheidenheid.
Linten bomen verbergen schapen en geiten,
bezitters van dit verheven land
van langzaamheid en vergeten waterputten.
Opgestapelde stenen werden huisjes
en beschutting tegen een vermoeide regen.
Boven het profiel van bergen
vier omvergevallen inktpotten.
Hoogzomer. Gras heeft gebrand
op de heuvels. Een gekliefde boom.
DONA A LA TERASSA D'UN CAFÉ
Josep Berga i Boada (1872-1923)
Sant Feliu de Gufxols. Blauwer zee
dan lucht. Een strenge dame mijmert
momentaan. Rond tafeltje ondersteunt
bedekte elleboog. Gekruiste benen.
Ver weg is Girona en haar echtgenoot
uit Castilië. Haar zaken behartigt
hij. Ontzegd is haar vragende lichaam.
Drie kinderen heeft ze gebaard: één
behouden. Toch is ze vrouwelijk
verrassend en te begeren gebleven.
Schroomloos wijst haar rechtervoet.
Ongegeneerd keuren haar ogen de man
aan de andere tafel. Haar mond twijfelt
tussen uitdaging en onderdanigheid.
Aan haar geboortestad denkt ze
en de gouvernante die lasten op zich
neemt. Het geroddel van vriendinnen
mist ze; echtgenoots overuren niet.
Wind beroert geen enkel lange rok.
Spuitwaterfles en verdunde wijn laat
ze ongemoeid. De vlugge man heft
het glas. Onder haar kin wenkt de hand.
NIT DE LLUNA A GIRONA
Prudenci Bertrana (1867-1941)
Winteravond. Sterren. Weinig wind.
Geur van hout en killig water. Nergens
in de carrer de la Força versnijdt
een t.b.-hoest schemeringen. De maan
verbergt zich niet achter de kerktoren
en wazig stil. Muzieken verjagen.
Beetje bij beetje voert de rivier
zich naar zee. Mee vlucht de rust
van het stille leven en waterverf.
Diffuus verlicht een gaslamp balkon
en slaapkamer overbodigheden. Zicht
op de Onyar verhindert haar slaapkleed,
van kant en te nauwelijks. Zwijgend
en deels verdubbelt de kathedraal.
Eén punt op het plafond fixeert ze.
Naar anijs en snorcrème stinkt de man
naast haar. Van een vreemd parfum
wordt de geur discreter en verhuld.
Hem de rug toedraaien durft ze niet.
Een karperkring zonder nut deint uit.
AVOND
DOCHTER SLAAPT
IK ZIT OP BALKON
Avond. Dochter slaapt. Ik zit
op balkon. Fles landwijn staat.
binnen handbereik: vi negre.
In dit Catalaanse zomeren wordt
sinds ooit gestreden om blauwer
blauw. Lucht en zee lijken kalm
in elkaar te vloeien. Schijn slechts:
vlakken en vegen wit contrasteren.
Klaarder dan de grauwe streek
van kunstlicht en randverlichting.
Zomer. Lucht. Blauw. Toch heb
ik het koud soms in dit land
van golvende en rijpe velden
waar oorsprong dichter dan einde
is. Vanuit een andere vallei
klinkt kleurloos een klank
die woord wordt. Woorden
worden helder, zuiverheden
van kristal. Zang. Adem.
Haal altijd gulzig adem,
Sarah. Geloof nooit
wat verklaard wordt.
Doorlopend pompen torens
als fallussen levenskracht
en water. Wat daar beschamend
weggestopt wordt, is hier
godsgeschenk. Een flauwe tik
op een rots vermag veel. Toch
is dit niet het beloofde land.
Het glas wijn ligt goed
in de hand. Misschien
moet ik toch minder drinken.
Sarah, haal altijd gulzig
adem. Wat verklaard wordt
moet je niet geloven. Zoek.
en lees vergeelde boeken,
vooral de nooit-gekraakte.
Op zoek ben ik. Naar wie
ik ben? Waarnaar ik zoek?
Warmte in mijn mond zoek
ik. Geen verkoudheden meer
en slijmen die doorlopend
praten beletten. Geen oostenwind
die verkilt en vingers verkrampt.
Geen gefilterd kraantjeswater
maar bergbronwaters, eerlijker
dan wat open riolen bezoedelt.
Ik kan de slaap weer maar niet
vinden. Het eeuwige draailicht
van de vuurtoren houdt me
in de ban. Roodgekleurd
wordt niet: geen scheepje
uit de branding ligt radeloos
en dof verdrinking te spelen.
Een gewetenloze revolutie
bestaat niet, heeft X ooit
beweerd. En terecht. Woorden
veranderen niemand. Net
als molotovs. Kijk om je,
Sarah, weet: het abc is zin-
loos. Kijk en weet: bij-
geloof verandert. Moordt.
Sarah, waarom nog iets
geloven? Waarom nog zoeken?
Blauwen ik versmelten.
Minder gejaagd begint
mijn hart te slaan. Intenser
onderga ik dagelijkse ervaringen
beleef ik onderhandse sensaties
doorleef ik momentopnames
en verrassende Yashica-snaps.
Smal en steil is de kuststrook,
doorgaand en hemeltergend.
Waar water lucht wordt, is
alles impressie: blauwer
en groen en ontelbaren geel,
rood en hout en peper en zout.
Onrustig slaapt mijn dochter
haar slaap. Geen wind raakt
beschermende naaldbomen aan.
Sterren weerkaatsen golven.
Bevend volgt gammel licht
flauwe bootjes op zoek.
Verroeste sleutels vinden
abrikozen kerkjes op formaat
mogelijk zijn. Kloostergangen
geven rust en dromen. Ze
onthullen een verleden,
vaag en nabij. Deel geworden
ben ik van dit binnenlandschap.
Het zomert in Catalonië. Water
planten mensen verdampen. Hoog-
seizoen en uit nevels stijgen
geuren en kunst op. Stel je voor:
een verkleurde prentkaart.
Een lucht onmogelijk blauw
vol mistigheid en mysterie.
Een gelig kerkje vol adem.
Adem, Sarah, maar hoed je
voor bedrukt papier. Vergeet
nooit: ik lieg, de dichter
liegt bij elke pennetrek.
Dronken spreek ik een nieuwe fles
aan. Bomen zee en lucht onderscheid
ik amper nog. Ver weg gieren banden.
Ik heb gelogen, Sarah, ik
lieg niet: ik verwoord
slechts andere waarheden.
Ik ben thuisgekomen in dit land
van vergeten waterputten. Is dit
verbeelding? Koester ik zon?
Aanbid ik nacht? Of is het de stilte
die ik niet zie en waarvan ik smaak
de geschreven kus die twijfelt
aan oude en vergeten teksten.
Dromen over waarheid doe ik
niet. Dromen zijn niet langer.
Waarheid is. Eénzelvig woord
dat naaktheid verbeeldt, staat
op. Op zich. Duurzaam moet
papier zijn: vrij en open.
Een gedicht, Sarah, heeft
geen contoeren of zwarte lijnen
als stripverhalen. Uit
deint het gedicht. Wat
jij als streling aanvoelt,
is verruiming. Een gedicht,
Sarah, is onvatbaar als
jij?
Mat is de zee geworden.
En egaal. Op oneindig staat
de horizon. Doorheen zwart
kreet een onwillige motor.
De ondraaglijke pijn hoor ik
nog van een geweten overlijden,
plagiaat en de verbannen lach
van een te ver familielid.
Dronkenschap is wonderbaar
sloopt werende grensbakens
en laat demonen uit mijn hart
ontsnappen. Heimwee keert
terug en gedichten vol pijn
en weemoed, wanhoop.
Stom is de nacht geworden
bijna: scheepjes dobberen nog
misschien. Motoren zwijgen.
En voel: ik ween niet meer
achter mijn ongenadige ogen.
Ik ween met tranen. Uit woede
tegen haar wrede god. Denken
doet hij niet. Slechts wegnemen
wat dierbaar is. Zij, wrede god,
zíj hield van jou. Ik kan niet
anders dan wenen en jou haten.
Drank moet niet meer. Nuchter
begin ik te worden. Kan dronken-
schap soberheid zijn? Kan sprake-
loosheid rijkdom brengen? Ademhalen
verruimt. De horizon wordt voorgoed
verlegd. Anders gelegd. De streep
tussen land en lucht, werkelijkheid
en droom, vervaagt. Is niet langer
begrenzing, barrière. Drank moet
niet meer. Nuchter ben ik geworden.
Het draailicht van de vuurtoren lijkt
geen schepen meer te lokken: met sirenen
is ook verbeelding verdwenen. Zwart
is zee geworden. En afwezig plots.
Luister, Sarah, luister. Eindelijk
zal ik mijn waarheid vertellen.
Niet de dichter zal spreken;
wel de vader die diep ergens
in me woekert. En toch, Sarah,
kan ik me de vader niet los
van de dichter voorstellen. Weet:
kind ben ik met jou. Gesprekspartner.
Samen groeien we op. Slechts jou
zal ik nooit zijn kunnen wellicht.
Eén twee drie lichten één
twee tellen zwart. Kleuren doet
de vuurtoren niet meer. Wind
rust. Verdorde takken kraakt
geen voet. Hond noch ruiter
kondigen een laatste oordeel
aan. Geen mogelijke uitweg.
Hoor, Sarah, hoor. Onthoud de woorden
van een oud en geleefd man. Grijs word
ik: allang tel ik niet meer. De slaap
der onschuldigen die jij ondergaat,
is mij ontnomen. Recht van spreken
heb ik. Des te meer. Zalven doen
mijn woorden niet (Dat weet jij maar
al te best.): kwetsend bereiken ze
veel meer. Zelfs moorden kunnen ze.
Ogen en lippen en woorden bepalen
mijn bestaan. Wat ik verzwijg, meen ik
niet. Wat ik hoop, verwerp ik. Wat
ik zie, probeer ik te verwerken.
Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters.
Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers.
Woorden. Nog zwijg ik meer dan ik
zeggen wil. Nog bedoelen woorden meer
dan interpreteerbare betekenissen.
Weet je, Sarah, buigen doe, ik soms. Knielen
kan ik niet. Hét woord is mijn enige zekerheid.
De enige dwaasheid zou verloochening
ervan zijn. Saartje, ik smeek je: herroep
nooit wat je woord verkondigt. Geloof
de waarheid niet die omstaanders
domweg uitbraken. Ga alleen maar voort
op ervaren en pijnlijke kaakslagen.
Taal zeg ik en denk: oorsprong,
bestaan en overleving. Want dood
ga ik niet, Sarah, dood ga ik nooit.
Immers: woord taal gedicht ben ik.
[begin zomer 1993 - 18 januari 1995]
EL CAFÉ VILA DE GIRONA
Jaume Pons i Marlf (1855-1931)
20 januari 1877. Pyreneeënwind
jaagt over de plaça del Vi. Burgers
met toverhoeden en militairen spelen
en converseren. Een eenzaat droomt
een andere volle pint en raadt.
Aan de ronde tafel zitten heren
met baarden en snorren Catalaan
te zijn. Het immense schaakbord
beroert hen niet. Toverballen zijn
uit hun gezichtsveld verbannen:
vooruit kijken ze en hebberig. Eén
leest beursberichten en voorspellingen.
Een officier in rode broek verstoort
het grijze evenwicht. Autochtonen
genieten zijn voorkeur zeker niet.
Een oudere lijkbidder rookt een sigaar
en denkt aan zijn te jonge echtgenote
die erg ziek in haar boudoir rust.
Spiegels verruimen het café. Bedrieglijk.
Toch blijft een vrije plaats over
voor een telaatkomer. Tiens, hij was
niet in de hoogmis! Een verloren stoel
vinden zal voor de ober niet moeilijk zijn.
RETRAT DE DONA
Francesc Vayreda (1888-1929)
Zondag en hoogmis. De jeugdige associé
van haar man is gekomen.
Cru heeft ze erna een laatste keer gezegd
en zijn eerstverwekte beleden. Ver weg
kraaide een haan. Angstig is hij weg-
gelopen. Of verstoord en bedrogen?
Een hoek van het tapijt verraadt nog.
In de wandgrote spiegel schikt ze
haar kapsel. Vocht parelt speels nog
op de binnenkant van melkwitte dijen.
Uitgerokken buikspieren herinneren
zeven maanden. Scherpe tepels genieten
na. Toch is heimwee al opgeborgen.
Roze of ivoorkleurig: welke jurk
zou haar man vertederen? N' importe,
dat hij zijn zoon zal krijgen, telt.
Weer zal ze op de rambla flaneren
een gerespecteerde en begeerde vrouw
zijn: haar offer is eindelijk volbracht.
CASTELL DE LA FOSCA
(Palamós)
Een vervallen hoeve boven woedende rotsen.
Aan de voet een strand. Woelend zand
tussen vingers. Een gespannen boog.
van pijnbomen. De gouden incaschijf.
Weggeroofd door spaanse opdringerigheid.
En vernietigd. Een verbrande kreet
van een kristallen kind. Een vlakte
in kogelpennen blauw. Catalaanse rust.
Ver weg een dak. Of is het een zeilboot?
EL PORTAL DE LA VERGE
(Peratallada)
Klimoppen muren leiden aandacht af
van de rotsige hoofdstraat. Honden
waken voor doorgroefde deuren
die textuele geheimen van vroeger
openbaren. Balkons zijn bewoond
door geraniums en gesloten luiken.
De kerk extra muros is
vergrendeld. Ganzen verraden
een verloren toerist.
ESGLÉSIA PRERROMÁNICA
(Romanyá de la Selva)
Poedergoud is op oude stenen
gestrooid. Ook de harde grond heeft
zijn deel gehad. Slechts bladeren
op de aarde ontbreken en tooien
nog lang geen herfst. Rimpels
en bochels echter kunnen niet
weggemoffeld worden. Sporen
van gekgegeseld geloof tonen aan:
eerlijker dan opdringerige kathedralen
waren deze rustige baarmoeders.
Nu een mis en mineur uit het einde
van een leeggespoelde wereld:
kinderen stamelen gevoelloze gebeden.
Dood is triest en zonder gevolg.
AFRODITE
(Sant Mart! d'Empuries)
Het halflange golvende haar is
opgebonden (Omdat ze uit de zee
geboren werd.). Discreet. Oogschaduw
behoeft haar egale gelaat niet.
Geen sieraad tooit haar halsje.
Waarom, Praxiteles, heeft ooit
zo'n schoonheid voor jou geposeerd?
Toch droomt haar wrange mond nog
van schuimend water. Een trage traan
in de hoek van haar linkeroog.
COVA D'EN DAINA
(Romanyá de la Selva)
Geen gepolijst marmer nodig hebben
om voor altijd verdoemd te zijn.
Tevreden zijn met wat windpokken zwerfstenen
die schijnbaar nonchalant neergesmeten zijn
tussen reumatische en moegetergde kurkeiken.
Onaantastbaar en onbegrijpend wordt
hun ovalen eenheid toegedekt, weggeborgen
door raadselachtige en grauwe kilte.
Kruinen ruisen niet meer zoals taal:
e onbeholpen om te verwoorden.