Voor alle cultuurbarbaren die ziende blind zijn en langs autopistas naar Zuidspaanse stranden oprukken. Dat ze toerisme opgeven.
Voor wie me onherstelbaar beschadigd hebben en voor wie ik niet verzwijgen mag. Dat ze mijn codes ontcijferen.
Voor Sarah en Lieve die weten wat Girona en Catalunya betekenen. Dat deze gedichten ook de hunne zijn.
de planten op het wandtapijt
verkrampen in hun sappen
tussen de luister van brokaat
toch herbeginnen de vlinders
met het uur u
onzichtbaar staat onze naam
geschreven in het dodenboek:
het niet zijn de letters
en het al rust in de taal
bij het trekken van traag avondwater
de groeven van het voorbije
voorgoed dichtdoen
René TURKRY (Amarant)
Pas toen spraak kwam, begon tijd en ging ik
op zoek. Een adem die gulzig was, vond ik
en boeken die niet verklaarden wat ik weten
wou: waarom werden bijgeloof en waarheden
door leven verdoezeld? Ik wist dat ik me steeds
voor openbaringen zou hoeden moeten. Liegen
weigerde ik. Ik wilde slechts andere waarheden
verkondigen en bij elke pennentrek verwoorden
wat bepaalt. Zoek dus niet waarom ik niet kan
zalven. Spraak houdt taal gaande (Beeld echter
breekt af.): ik koester papier dat naar tijd ruikt
en weet dat de lange weg nog beginnen moet.
ADAM
voorwoord
Ook hij is geboren. Nog moet lente beginnen
en er is al geen weg terug. Hij kijkt naar de tijd
en onderscheidt nachten en vlammend licht.
De grens tussen boven en onder deelt mee
dat hij gelijken benoemen moet. Sprakeloos
echter is de omwereld die moet leven doen.
Zijn zijde die geboorte draagt, wordt door pijn
beroerd. Adem komt en dwingt hem tot leven.
Ondergaan worden moet bestaan. Geboren
ben ik (om binnen afzienbare tijd te sterven).
BADER
els banys Árabs
Als wereldvreemde zonnewijzer fungeert de dubbele koepel
die zich in de lucht boort. Een toorts die vage herinneringen
aan Moorse modellen brandend houdt, en geborgenheden
tegen evolutie en bescherming tegen dwalingen probeert
te bieden, lijkt hij: toch is er geen weg terug. Door gangen
die de tijd denken te overleven, glijd ik rustelozer. Ik wil nog
slechts afgezonderd van een vage wereld leven. Stoppen
bij de water dat nooit eeuwigheid gegeven heeft, doe ik niet.
MOORDENAARS
el portal de Sobreportes
Er schuilt geen gevaar in het binnenschrijden van de stad
langs de Romeinse poort. Wie achterom kijkt echter, weet
dat erdoor weggaan definitief kan zijn. Vanuit een nis staart
een veelkleurige maagd die een Goede Dood voorspiegelt,
maar ze beseft niet dat de schelp van Afrodites geboorte
die zij stal, ongevoeliger laat. Ze belooft uitgestelde tijd,
misleidt. Ook ik kijk, grinnik: ik ben geboren om te sterven
binnen afzienbare tijd. Slechts oud worden maakt banger.
PRENTKAART [1]
la Plaça de la Catedral
Ik stoot het halflege glas om. Onleesbaar worden de zinnen
die ik nog niet begrijpen kan: tussen de bladen van een boek
loopt een verhaal weg. In spiegels observeren mannen. Kalm
zegt een stem er geen aandacht aan te besteden. In spiegels
staren mannen naar gisteren en verloren dagen die ik vatten
wil in woorden die niet meer zijn dan uit ooit weggerukt. Hier
zal ik misschien geen dubbele naam meer dragen moeten.
Toch lijkt verbannen van tijd nog steeds onmogelijk te zijn.
PRIMAVERA
En de mens. Een te lage zon verblindt hem.
Achtergebleven zaden van vorig jaar kiemen
terwijl een koude en vochtige grond ontwaakt,
moeizaam en krachtig. Met de dag die verder
telt, gaat hij geen strijd aan. Hij maakt gebruik
van woorden en ongedateerde brieven. Hij
weet dat hij de nutteloze feiten van het leven
slechts uit boeken kent; het stoort hem niet.
De tijd dat taal zich krachtig openbaren zal,
lijkt dichterbij en bindend. Hij begint te leven.
STEENHOUWER
el claustre de la Catedral
Terwijl duiven stenen van tijd aten, hakte een steenhouwer
onbepaalde tijdloosheid en wijndragers. Halverwege bleef
de zon hangen. Water wilde voor en na. Uit stenen hak ik
niet: de vage verwantschap met beeldhouwers die leven
vertragen, kan ik niet ontkennen. Toch wil ik op mijn graf
geen beeld. Ik wil geen graf! Van zelfgeschreven bundels
wil ik stof en as elders en voor eeuwig achterlaten. Verdriet
en onbegrip is. Ter sprake komt spraak, tijd en openbaring.
OOIT
el Carrer de la Força
Rondom deinen gebouwen uit en in de grond verzonken
rijpen als truffels oudere geschiedenissen. Gevels die zich
bijna raken, grijpen naar steedse lucht. Geen schim dwaalt
door straten om façades te verven. Slechts een bedelares
flankeert als kariatide gotische toegangen. Niet grijpgraag
en gewoonte is haar uitgestrekte hand. Een meisje speelt
hinkstap. Heden stoot ze voor zich uit. Met mondjesmaat
en genoegzaam vindt ze stiltes en stilstanden van tijden.
ESTIU
En de mens. Hij wil niet ontkennen dat zomer
een seizoen is waarin hij leven kan. Toch wordt
hij belaagd door warmte: hij weet dat het zout
van zijn lichaam de grond snel onvruchtbaar
maken zal. Woorden zullen sleur doorbreken
en mettertijd tot wonden uitzetten. Hij beseft
dat dit een jaargetijde is waarin hij overleven
kan. Om gedateerde tijd die zich niet binden
laat, te laten doorgaan, trekt hij zich discreet
en verbaasd in een deurportaal terug. Hij leeft.
GIRONA [1]
ríu Onyar
Dit is de stad van het vertragen van de geschiedenis. Ik daal
trappen af zonder geleefdheden te herbeleven. Dood schop
ik een krantenprop vol oud nieuws: van mijn geboorte raakt
het nabestaan me niet. Vader is nooit meer. Wat iemand
aan een moeder heeft, is raadsel. Eb en vloed, haar en zijn:
water dat ademen geluidloos meevoert, wordt niet gehoord.
Zelfs karpers die momenten met kringen omlijnen, worden
genegeerd: de loop der tijden bepaalt slechts andere levens.
EL CREADOR
Vals is de tijd die zich altijd maar herhaalt, her-
schrijft. Anders is de dichter die het gemakkelijk
vindt om van rust en stilstand te houden. Ík ben
dichter, maar wil niet langer gedichten schrijven
wanneer de klok de wijzers tikkend en gaande
houdt. Eindelijk is het nodig om het manuscript
van mijn verboden evangelie te verduurzamen.
Woord ben ik immers en openbaring. Waarom is
het dan moeilijk om míjn poëzie die mijn bestaan
rechtvaardigt, zonder schroom te bewonderen?
GIRONA [2]
ríu Onyar
Geregeld slaat naast straten het tikken van de rivier op hol.
Wijzers tollen in kolken. Wat drijven blijft, is verloren. Tijd
verdwijnt met water, orakelt een volwassen kind. Gelukkig
heb ik leren zwemmen. Ik kan de overkant bereiken waar ik
mijn horloge op de oever liggen laat: is dit de stad van komen
en blijven? Ik waag het niet er zekerheden op te bouwen. Ik
durf slechts gedichten te construeren die ik haar (nog) niet
opdraag. Dit lijkt de stad waarin ik leef, die niet van mij is.
TARDOR
En de mens. Rond zijn huis probeert hij rust
vergeefs gouden kleuren te geven. Het besef
dat lage zon hem slechts op een dwaalspoor
brengen kan, verzacht momenteel niet meer.
Lachen door de wijn van geoogste bloemen
doet hij niet langer. Zijn dagelijks bestaan blijkt
anders dan ooit geworden. Tegen vele stiltes
van straten wil zijn zwijgende stem niet meer
strijden. Minder maakt hij gebruik van woord
en tijd. Hij wil geen telwoord zijn. Hij leeft nog.
ERGENS
els Quatre Cantons
Ik ben op doorreis. Van het bestaan dat ik achtergelaten heb,
zijn vervreemding en leegte gebleven. Van jaren die voor mij
liggen, durf ik geen uitweg te voorspellen. Rond het kruispunt
waar ik getwijfeld heb, werd de wereld door landschappen
van gesloten huizen anders gekleurd. Van nergens ver weg
ben ik gekomen. Van de tijd heb ik vanmorgen voor het eerst
het wegschrijven van wat ik nodig dacht te hebben, gezien.
Ik dacht op doorreis naar ergens te zijn. Of ik hier blijven zal?
TOESCHOUWER
el Passeig de la Muralla
Binnenwaarts gekeerd is deze stad die de geborgenheden
van omringende heuvels heeft gezocht en naar zichzelf tuurt.
Om het uitdeinen van haast te beletten heeft ze zich omringd
met wallen. Stenen verraden nauwelijks en illustreren de rust
en tijdloosheid van saffranen zonnen. Verlaten en idyllisch is
de tuin aan mijn voeten. Misschien heeft de zonnewijzer zich
voorgoed verloren gegeven. Klokken lijken luiden voor altijd
verleerd te hebben. Los maak ik me uit het portaal van tijd.
HIVERN
En de mens. Het is winter. Er zijn er al vele
geweest. Vele zullen nog komen. Verstoord
en moe grendelt hij de deur om de zachtheid
van de sneeuw buiten te sluiten. Wind houdt
hem nodeloos wakker. Vreemd zijn ogen. Hij
staart naar spiegels van vergeten episodes
waarin schaduwen aan banden zijn gelegd.
Kinderspel is aftellen nooit geweest. Laat me
voor altijd tijd overbodig maken, denkt hij dof,
en immer overnachten. Hij begint te sterven.
PRENTKAART [2]
la Pujada de Sant Doménec
Stadsgezicht plooit zich dicht terwijl ik mijn rechteroog uit-
ruk: geen splinter wens ik in een vergulde doos te bewaren.
Het licht breekt. De tijd verschilfert en verstilt. Een glas valt
op gladde keien die trillen in de hitte en echo's weerkaatsen
van een ander bestaan: weg vloeit wijn. Een gewelf dat leven
beschermen wil, is nooit spraakzaam geweest: toch hebben
haar stenen nooit aanstoot gegeven. Ze herhaalden slechts
dezelfde geschiedenissen die stotterend verbeelden wilden.
MARTELAARS
la Plaça del Vi
Waar de straat van onwetende en ongehoorzame burgers
openbarst en zich verruimt, zitten heren die deftig willen zijn
en ervan dromen om politici te worden. Van discrete wijnen
nippen ze. Onverholen bijna begluren ze volksere vrouwen
die overvolle zakken vol burgeroorlog met wapens en doden
meesleuren. Rijk aan martelaars die ik achter me gelaten heb,
is deze streek. Om de hoek wordt door straatlantaarns licht
dat zich tot tijd verengd heeft, omzichtig op stenen gelegd.
BEDELAAR
la Rambla de la Llibertat
Aan tafel gezeten heb ik leven afgedragen voorbij zien gaan.
Verleden en geheimen waarin het ooit ingewijd was, waren
in zakken geborgen. Kranten die onwaarheden van gisteren
tot geschiedenis samenvatten, verzamelde hij. Oud nieuws
van vandaag negeerde hij: aan wat nú staat, heeft zijn leven
niet langer een boodschap. Of tijd en tekst die ik misbruik,
samengaan, vraag ik me gemaakt gespeeld af. Weet je, ik
zit aan een tafel en proef van woorden de vruchtbaarheden.
JESUCRIST
nawoord
Ook hij werd geboren om te sterven. Dagen,
maanden en seizoenen gingen voorbij. Jaren
werden geleefd, ondergaan. Lente is slechts
een vage herinnering; zonder terugweg blijkt
de laatste winter: dat leven slechts splinters
achterlaat, had hij altijd al geweten. Toevlucht
is de vrouw geweest ooit, nooit een weg terug.
Van zijn taal heeft niemand sporen gevonden.
Ademen dat moeilijker wordt, heeft gedwongen
tot gaan. Ik werd geboren (maar om te begeren).
Waar de einder na een kortstondig leven verf
en moment geworden is, begint taal voorgoed
pas te leven. Dat papier maagdelijk en sneeuw
is en de dichter toebehoort, weet de schilder
die slechts bewust en kil verkracht op een doek
van woordloosheid: de loop der dingen schendt
hij tot het kunstwerk zich moe gewonnen geven
moet. De dichter die bewust het volle wit dient
en in vlaktes van stilte één punt nalaat, is anders:
te vriend is taal. De schilder echter haat woorden
die hem nooit vertrouwen zullen. Sinds spraak
in beelden veranderd is, is tijd voorgoed gestokt.
AANTEKENINGEN EN 'VERANTWOORDING'
Girona (Catalaans voor Gerona) ligt in het noordoosten van Catalonië en Spanje en is hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. Girona waarvan de omgeving reeds in de prehistorie bewoond werd, is in de eerste eeuw voor onze tijdrekening gesticht door de Romeinen na wie de Visigoten en de Moren er zich vestigden. Girona was tijdens de Middeleeuwen een van de belangrijkste steden van het Groot-Catalaanse rijk dat zich uitstrekte over delen van Aragon, de Balearen en Valencia, Corsica, Napels, Sicilië en Zuid-Italië en delen van Zuidwest-Frankrijk en Griekenland. Op het einde van de vijftiende eeuw ging Catalonië onder de beruchte Katholieke Koningen op in Castilië dat later Spanje werd.
De gedichten met de Catalaanse titels
Adam,
Primavera (lente),
Estiu (zomer),
El creador (de schepper),
Tardor (herfst),
Hivern (winter) en
Jesucrist verwijzen naar scènes uit het "Tapís de la Creació", het "Tapijt van de Schepping", dat deel uitmaakt van de kerkschat van de gotische kathedraal van Girona. Het elfde/twaalfde eeuwse "Tapís de la Creació" stelt de schepping, de winden, de maanden, de seizoenen en het jaar, mythologische voorstellingen, de rivieren van Eden en het vinden van het kruis door Helena van Constantinopel voor.
De titelloze gedichten met de beginverzen
Pas toen spraak kwam, begon tijd en ging ik ... en
Waar de einder na een kortstondig leven verf ... kunnen beschouwd worden als mogelijke artes poëtica.
De gedichten
Bader,
Moordenaars,
Prentkaart [1],
Steenhouwer,
Ooit,
Girona [1],
Girona [2],
Ergens,
Toeschouwer,
Prentkaart [2],
Martelaars en
Bedelaar verwijzen in hun ondertitels naar plaatsen uit het middeleeuwse Girona.