Naar de inhoud

RECHT VAN SPREKEN VAN RIK WOUTERS

anarchie in woord en daad
akke.beakke.be
"Xarnego" vroeg me om een titel te zoeken voor deze webblog die alles wat Rik Wouters aan poëzie in dichtbundels gepubliceerd heeft, de literaire onderscheidingen waarmee hij bedacht werd, en de aandacht die literaire critici aan zijn poëzie besteed hebben, in chronologische orde wil groeperen. Soms zijn lichte veranderingen die echter niets aan de inhoud veranderingen, aangebracht. Ik heb geopteerd voor “RECHT VAN SPREKEN”. Mij komt echter geen enkele eer toe: ik heb gewoon de titel van een essay van Guy van Hoof, vriend van de dichter, over Wouters, dat in boekvorm verschenen is en op deze blog zal verschijnen, genomen. Hopelijk neemt van Hoof het me niet kwalijk. Omdat Wouters zo graag met ondertitels werkt, heb ik er ook maar een ondertitel aan toegevoegd: “anarchie in woord en daad”. De ondertitel verwijst naar 2 zaken. (1) Op Wouters’ adreskaartje staat in de linkerbenedenhoek dat hij “anarchist”, “artiest en dichter” en “catalanist en flamingant” is. Wouters is niet alleen met zíjn literatuur bezig. Ga maar eens kijken op https://blog.seniorennet.be/halle_literatuur waar een poging wordt gedaan om alles over “Halle in de literatuur” openbaar te maken. (2) Kunstenaar kan men slechts zijn indien woord en daad samenvallen. Kan dit voor een dichter die zonder het woord geen daad zou kunnen plegen, moeilijk zijn?! Een initiatief van de literaire en kunstvereniging "Xarnego" uit Halle, waarvan letterkundige Rik Wouters voorzitter is. (geschreven door:) Andreas WANDERS

WIJZIGINGEN


Hieronder worden nieuwe bijdragen (N) en uitbreidingen (U), toevoegingen van een illustratie (I) of andere kleine(re) wijzigingen of aanpassingen (zonder bijzondere aanduiding) van of bij bestaande bijdragen van niet meer dan een maand oud vermeld:
geen recente wijzigingen.

Ga ook eens kijken op
https://blog.seniorennet.be/halle_literatuur_door_rik_wouters  waar een poging wordt gedaan om alles over "Halle in de literatuur" openbaar te maken. 

JURYVERSLAG I.V.M. TWEEDE PRIJS POËZIEPRIJS VAN DE STAD HALLE 2003


[…]
Ook na de overhitte zomer 2003 in onze noordelijke contreien zijn er nog heel wat mensen die de warme en zelfs ‘kurkdroge’ sfeer uit het zuiden in gedichten bezingen. Wij leggen hier wel de nadruk op het woord ‘kurkdroog’, want toevallig spreken 2 deelnemende dichters in hun teksten over de ‘kurkeik’, een sierlijke mediterrane boomsoort die vooral voorkomt in Portugal, Spanje, Algerije, Italië en Frankrijk. Uit de bast van de kurkeik maakt de mens al sinds eeuwen de kurken waarmee hij flessen wijn afsluit.
Maar de inzenders van onze wedstrijd hebben het in hun gedichten niet over het degusteren van wijn, integendeel, zij hebben het over majestueuze mediterrane landschappen waarin sporen teruggevonden worden van het roemrijke verleden. In de Oudheid en Middeleeuwen was het centrum van de westerse beschaving immers gesitueerd rond de Middellandse Zee. Koene zeevaarders uit Portugal en Spanje voeren naar alle windstreken om hun dromen en werkelijkheden uit de dragen naar heel de wereld.
[…]
Onder de inzendingen vond de jury ook 3 eerder korte gedichten die niet alleen opvielen door een perfecte balans naar vorm en inhoud, maar vooral ook door de volgehouden concentratie.
In deze gedichten spreekt iemand voorzichtig en bedachtzaam over een ‘droog lijkend land’ dat enige regels verder ‘vruchtbaarder is dan (het) noorden[´] [Indien men juist geciteerd zou hebben, had er ‘vruchtbaarder dan noorden’ moeten gestaan hebben.]. Warme, zondoorbakken tinten kenmerken het (duidelijk) zuiderse landschap: zonnebloemgeel en strobruin. Hier en daar doemen bijna symbolisch voorwerpen en objecten op: karre[n]wielen, spaden, wegwijzers, deuren waarin namen van ‘verbannen inwoners’ gekrast zijn, gebochelde boerderijen…
Het woord ‘vruchtbaar’ komt enige malen voor, ook wordt verwezen naar de rijkdom van ‘zwangere’ schuren. Toch lijkt dit land ondergedompeld in een sfeer van verlatenheid en verdoemenis: kurkeiken zijn ontmand, het geloof lijkt verloren.
Iemand is bezig wegwijzers te verbergen en vreemdelingen schijnen de algehele rust en de bijna doodse stilte te verstoren. De namen op de deuren zijn een ‘zwijgende openbaring [/] van een verleden [/] dat niet vergeten [/] mag worden’.
Dames en Heren, de naam van dit geheimzinnige, intrigerende landschap wordt in deze gedichten niet genoemd. Toch vermoedt de Jury dat de Halse dichter Rik Wouters het in zijn cyclus met de mooie titel ‘Stilte spreekt sluimerend’ heeft over zijn geliefde Catalonië, waarvan hij de geschiedenis en de geografie door en door kent. De Jury besliste ook deze cyclus van 3 gedichten te belonen met een prijs van 125 Euro.
[…]

Verschenen in: DDAA. Poëzie aan de Zenne. Vierde poëzieprijs van de Stad Halle laureaten 2003. Stad Halle, Halle; 2003.

NN

TWEEDE PRIJS POËZIEPRIJS VAN DE STAD HALLE 2003


STILTE SPREEKT SLUIMEREND
     drie gedichten over iemand





gebakken aarde
gebarsten schuilplaats
voor solitaire hagedissen
en dolende draken

zonverkleurde lucht

droog lijkend land
van beken en rivieren

zonnebloemgeel
en karrenwielen strobruin
van halfgedroogd hooi

giftige daden
brandgevaar
dat vruchtbaarheid
bestendigen moet

verder landinwaarts
overwoekerende bossen
van stilte
en ontmande kurkeiken

vruchtbaarder dan noorden

iemand kijkt
over de kim
knikt





rijpende mestvaalten
en rijkdommen
van zwangere schuren

een gebochelde boerderij
weggeborgen
onder een overhangende rots

op praalbedden
van vruchtbaarheid
relieken
van een verloren geloof

iemand
neemt wegwijzers
die verraden kunnen
weg

een vergeten spade
vertikaalt rust





vreemdelingen vinden
toch een weg verkrachten
rust van namiddagen

nooit geleerd
om te luisteren
naar wat stilte
sluimerend vertelt

iemand loopt
een andere kant uit

deuren met namen
van verbannen inwoners
zwijgende openbaring
van een verleden
dat niet vergeten
mag worden

iemand anders is
gebleven leest lucht
overleeft

Verschenen in: DDAA. POËZIE AAN DE ZENNE. Vierde poëzieprijs van de Stad Halle laureaten 2003. Stad Halle, Halle; 2003.

KWETSBAAR EN VERSTOTEN TUSSEN BROKSTUKKEN [essay]

     
      het ontnomen woord en de doorgelichte dichter*





Wouters schrijft (…) vanuit een misnoegen soms, vanuit een ontgoocheling of ergernis, maar hoe dan ook met die basis van idealisme, of kan ik beter het woord oprechtheid en authenticiteit gebruiken, vermengd met een soort argeloosheid waarmee hij enkel maar zijn goede bedoelingen onderstreept. Hij is zodanig bezeten van het boek als een bijna sacraal en tegelijk profaan instrument (…).

Guy van Hoof (tijdens de voorstelling van ‘elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd’)
 




voor Lieve en Sarah, Wouters’ vrouw en dochter, die hem níet voor zich alleen hebben





I

Vaak heeft Rik Wouters zijn 'liefde' voor de taal uitgedrukt. Toch hebben die schrijfdrang en -dwang er niet toe geleid dat de dichter zich bezondigde aan publicatiedrift en mediageilheid. Meer dan eens, o.a. in een "Gedicht voor mezelf", heeft hij verwoord dat hij de aandacht van de lezer niet nodig heeft: als ik eindelijk nog eens / een gedicht schrijf, / zal niemand er naar kraaien // dat hoeft ook niet [1]. Dat dit een boutade is, zal Wouters niet ontkennen. Ik denk zelfs dat hij het als geestige uitval bedoeld heeft. De dichter weet dat kunst niets te maken heeft met contact tussen creatieveling en creativiteit. Hij is er zich bewust van dat er slechts van kunstenaar, dichter, en kunst, poëzie, sprake kan zijn indien de creatieveling de confrontatie durft aan te gaan met de potentiële kunstliefhebber, lezer. Hoewel hij dit al snel begrepen heeft, heeft hij echter nooit naar de lezer toe geschreven.
Wouters kan geen veelschrijver genoemd worden. In 20 jaren publiceerde hij nauwelijks 6 dichtbundels die in totaal een honderdtal gedichten bevatten. Hij kan ook geen snelschrijver genoemd worden. Het gedicht "Een tweekoppig wezen ben ik" is het resultaat van een geduldige schrijfact. Het gedicht, dat tegelijkertijd bundel is, werd geschreven van 1996 tot 1998. Net als in zijn vorige 3 bundels heeft Wouters niet nagelaten om te vermelden tijdens welke periode aan het gedicht gewerkt is. Heeft hij het ontstaan, de incubatie- en schrijfperiode, willen benadrukken? Heeft hij willen beklemtonen dat hij de dichter(...) die 'verzamelingen' van gedichten (...) die afzonderlijk én op een zinvolle wijze kunnen gelezen worden, is, maar die pas hun volledige betekenis krijgen in combinatie met andere gedichten [2]?
In het artikel "Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters. Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers." verduidelijkt Wouters wat vooraf gaat. Die 'verzamelingen' worden afdelingen (= thematische eenheid) of cycli (= thematische en stilistische eenheid) genoemd. Vaak zelfs vormen de diverse cycli, opgenomen in één enkele dichtbundel, inhoudelijk een geheel dat ik 'opus' zou willen noemen. Vaak zelfs zijn de verbanden tussen verschillende dichtbundels (...) zo intens dat van toeval geen sprake kan zijn. Die dichters werken (...) tijdens hun ganse literaire carrière aan het creëren van (...) cycli, die tot 'opera' uitgroeien. Dit geheel van 'opera' is een oeuvre. Laat ik deze dichters 'poëten' noemen. [2].
Heeft Wouters, toen hij dit neerschreef, beseft dat hij het over zichzelf had? Ik denk van wel. Ik weet het. Zijn gedichten zijn het resultaat van schrappen en aanpassen, het schrappen en herschrijven, het schrappen en weglaten, het schrappen en bijvoegen, kortom het resultaat van schrappen, (misschien zelfs) van vernietigen [2]. Wouters is iemand die meer dan 24 uren per dag met poëzie bezig is: feit is dat poëzie voor Wouters meer is dan het schrijven van gedichten en het laten publiceren van dichtbundels. Kan ik anders dan Wouters vanaf heden een poëet te noemen!?
Laat mij nu eens een boutade gebruiken: Wouters is als poëet beperkt. Wouters schrijft immers slechts over zichzelf. Maar -En hier eindigt mijn boutade.- wanneer Wouters die voortdurende commentaar bij en beoordeling van de, zijn werkelijkheid neerschrijft, doet hij dat op zo'n overtuigende wijze dat ons lezers (...)een eigen interpretatie (...) wordt gelaten... [3].
 Meer dan eens heeft Wouters zijn ars poëtica verkondigd in gedichten [4] en essay [5]. Daaruit blijkt dat Wouters over de werkelijkheid die niet alleen maar zijn werkelijkheid is, schrijft: Ik ben een mens. Het is eigen aan de mens dat hij een
verzameling brokstukken is die ontstaan is door ervaringen en contacten en bestaat uit talloze deelgebieden: geschiedenis, literatuur, politiek, liefde, familie, dood, ... Bijgevolg schrijf ik om al die sensaties te ordenen, om eenheid in de chaos proberen te brengen. Hieruit blijkt overduidelijk dat mijn poëzie ontstaat uit werkelijkheid.
[5].

II

Ik heb geschreven dat Wouters als poëet beperkt is. Het valt niet te loochenen dat Wouters steeds en alleen maar over zichzelf in de meest brede zin van het woord schrijft. Ik heb ook geschreven dat het gezegde dat Wouters als poëet beperkt is, een boutade is.
Wouters heeft immers verklaard dat Ogen en lippen en woorden (...) / mijn bestaan [6] bepalen. Hij staat volledig in de werkelijkheid die hij door te zien, te smaken, te horen en te voelen, te verwoorden en te gebruiken ervaart. De poëet heeft zich tot doel gesteld om waarheid te verkondigen. Hij heeft een duidelijk afgelijnd beeld van die waarheid. Hij droomt zich geen waarheid. Hij wil zich geen waarheid dromen omdat Dromen (...) niet langer zijn; slechts Waarheid is. Die waarheid: eenzelvig woord / dat naaktheid verbeeldt, staat / op. Op zich. Duurzaam moet / papier zijn: vrij en open. [6].
Waarheid, zoals Wouters de werkelijkheid benoemt, kan slechts indien men oprecht is: niets verzwijgen en alles zeggen. De poëet weet dat dit moeilijk is. Hij weet immers dat er Woorden (...) zijn. Nog zwijg ik meer dan ik / zeggen wil. Nog bedoelen woorden meer / dan interpreteerbare betekenissen. Hij weet dat het moeilijk is om consequent te blijven en zoals Schouwenaars uit te schreeuwen dat "Iedereen (...) voortaan àlles van mij (mag) weten, alles over mij horen. Ik heb geen geheimen en verborgenheden meer. Geen valse schaamte. Ik houd niets meer achter, verzwijg niets meer en geef mij volkomen bloot." [7]. Dat hij om dit uit te voeren slechts over het woord beschikt, schrikt Wouters niet af. Hij is zich bewust van zijn beperkingen: Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters. / Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers. [6].
Wouters heeft een bewuste keuze gemaakt. Hij wil zíjn werkelijkheid in woorden vatten. In het gedicht "Avond dochter slaapt ik zit op balkon" [6] heeft hij dat standpunt in dichterlijke taal gevat. Hij weet dat er mensen zijn die zich achter een pose verbergen en met zijn keuze lachen. Hij weet dat er zijn die zich zijn lot beklagen. Veel heb ik gemeen met de prostituée die zich in al haar openheid te koop aanbiedt. Meer nog voel ik me verwant met de stripteaseuze die zich schaamteloos en volledig bloot geeft. Net als zij leef ik aan de rand van wat 'de' maatschappij genoemd wordt. Net als zij kijk ik neer op mensen die een masker opzetten en zich zelfs aan intimi niet durven prijs te geven. [5]. De poëet stoort er zich niet aan, doet verder en kijkt niet om. Hij lijkt zelfs het mes in de rug niet te vrezen.
Wouters is als poëet ontegensprekelijk beperkt. Wouters is als poëet beperkt omdat hij zich zélf beperkingen opgelegd heeft. Wouters heeft zich als poëet beperkingen opgelegd om op die wijze zijn werkelijkheid in al haar aspecten aan bod te kunnen laten komen.

III

Doorheen het gehele gedicht verwoordt Wouters zijn dichterschap dat in hem woekert en hem in de ban houdt. Toch is die obsessie voor het woord er niet altijd geweest. Er was immers een tijd dat Wouters niet Tot nobel en edel spreken in staat was. Hij sprak niet Omdat ik stotterde (...) en Stikkend niet kon (...) ademen. Het is frappant en niet onbelangrijk om te weten dat de poëet ooit gestotterd heeft. Dan kwam het ene woord dat zich fier / mijn vriend noemde. En ik werd vriend. Ik werd mijn vriend.
Het blijkt dat niet de poëet het woord gevonden heeft; het woord heeft zich aan de poëet opgedrongen en het is Laat, te Laat! om zich ertegen te verzetten: Op straat storten klanken te pletter. Schaduwen / laten nooit na. In scherven van gebroken woorden schittert / geen licht. Woeste woorden willen mijn eigen leven lijden (Sic! "En bewust gedaan", dixit Wouters.) / waarop ik geen vat meer hebben wil. Niets is mij gegeven. Wouters is ondergeschikt aan het woord dat zich van hem bedient. Hij heeft beseft en ondergaat.
Er is inderdaad niets aan Wouters gegeven. Met wat hem door de maatschappij zomaar opgedrongen is, en met de pose die de omwereld aanneemt, heeft hij gebroken: Van (...) haar weerloze wereld wil ik / geen stukje vol waardeloosheden huren. Wouters heeft zich tot doel gesteld om te registreren en te doorgronden. Daarom heeft hij ruïnes achtergelaten en schepen achter zich verbrand: Om alle wrede waarheden / neer te schrijven heb ik verstoten. Om de zin van het woord / te achterhalen heb ik geschonden. Om ooit en voor altijd / mijn heden te heiligen heb ik gemaakt. Om immer tot alles / en dichten in staat te zijn heb ik gedicht.
Wouters wil Anders dan gewoon maar (...) werkelijkheden reconstrueren. Hij wil verder gaan dan registreren en doorgronden. Hij wil mezelf steeds weer in vraag stellen. Hij beseft dat dit moeilijk en pijnlijk is. Al snel heeft hij ingezien dat de therapeutische betekenis van het schrijverschap slechts een fabel is. Toch heeft hij de stap gezet en Om te dichten ben / ik met twijfel en tegenzin moeten worden: /     mijn huisdichter. Wouters heeft zich tot doel gesteld om te registreren en te doorgronden. Hij is bij zichzelf begonnen en heeft besloten om Bewust (...) mijn huis open te stellen. Hij wil in Verzen niets meer of niets minder verwoorden dan mijn waarheid. Hij richt zich Tot kennissen / die consequente beelden niet woekeren laten willen (...) en probeert hen deelgenoot te maken van mijn profeties.
De poëet weet dat hij een moeilijke taak op zich genomen heeft. Hij beseft dat velen tegen hem zijn en hem op alle manieren en door misbruik te maken van de macht die men hen toevertrouwd heeft, proberen te beletten om het, zijn verboden evangelie van de dichter [8] te verkondigen. De poëet wordt beloerd door de onwetenden die vredig en onverbloemd de hoeren / bezoeken en geen buiteling maken in het geniep, Toeristen en tirannen die zijn / verdwenen en (...) niet dingen (...) naar de hand van mijn huiselijkheid, Journalisten die slechts jagen blijven op frisse foto's, plotse telefoons en kennissen die consequente beelden niet woekeren laten willen, de beeldhouwer die zichzelf / bang verborgen houdt, de vaderloze broer, machtswellustelingen die listiger praten en (...) politiek / agressiever dan cultuur catalogiseren, pronkerige politici en hun listigheidjes, de laatste Amerikaan en Wie zich opdringt en mij overheersen wil. Zij vrezen hem omdat het woord zíjn vriend en niet de hunne is.
Wouters weet dat hij Afgezonderd en alleen (...) op het toneel staat. Hij weet dat zijn tegenstrevers die, zoals hij vaak zegt, confectiekledij dragen, het haar kort laten knippen, elke dag weer een masker opzetten alsof ze denken dat carnaval een jaar lang duurt, en slechts zuipen binnen de beschermende muren van hun huis, hem als Vreemdeling en verstoteling beschouwen. Hun hypocrisie en hautain gedoe hebben hem steeds en steeds meer gestoord: hun handdruk is klam. Ze durven het zelfs aan hem Vriend (...) te noemen. Wouters heeft hen sinds lang doorzien: "Heiligschennis plegen ze", heeft Wouters me niet zolang geleden lachend gezegd. Hij weigert om mee te heulen met jaknikkers, politici en handelaars die ten koste van alles slechts eigenbelang nastreven. De lijken die ze achterlaten, markeren hun weg.
Wouters heeft rust en onrust -Deze tegenstelling is Wouters ten gronde.- waarzonder hij nooit zal kunnen leven, en klankkracht, woordenwarmte gevonden. Slechts In mijn alfabet, / met mijn spraakkunst, met mijn overtuigingsdrang spreek ik. Wie niet luisteren wil of kan, heeft reeds lang afgehaakt en Wouters de rug toegekeerd.

IV

Ook in de 'tussenwerpingen' verwoordt Wouters met een minimum aan woorden zijn dichterschap. Ooit heeft Wouters gesteld dat Ook ik (...) omgeven ben door woorden, boeken die iets met me voorhebben. (...) Boeken over (...) Literatuur. Literatuur! (...) Poëzie roept vragen op. Poëzie roept meer vragen op dan ze antwoorden geeft. Waarom schrijft men poëzie? Waarover handelt poëzie? Wat is poëzie? (...) Wat maakt poëzie niet geliefd? Poëzie is de combinatie van woorden die schijnbaar niet bij elkaar horen. (...) Daarom geeft ze taal (en lezer) de grootst mogelijke vrijheid. De lezer is niet gewoon om met vrijheid om te gaan en aanvaardt poëzie niet. (...) Hij haakt af. [2]. Hij moet niet weten van politici die vanuit hun wereldvreemdheid hun macht tot cultuur uitgebreid hebben. Hij moet niet weten van mensen die nog slechts één vorm van cultuur kennen: de 'nieuwe politieke cultuur'. Alles hebben politici zich toegeëigend: het universele recht van de burger op zelfbeschikking en -beslissing, geld, andermans bezit, zelfs cultuur. (...) cultuur en politiek zijn als de Schone en het Beest: onverenigbaar. [2].
In de 'tussenwerpingen' heeft elk vers een kern die bestaat uit het subject ik en het verbum ben. Deze kern wordt door 2 substantiva bepaald, schepper en dichter. De substantiva worden door 2 adjectiva beperkt, doelloze en stameloze, die afwisselend elk van de substantiva detailleren. Een deel van elk vers krijgt door de toevoeging van niet een ontkennende klank.
Bij het gebruik van deze 'tussenwerpingen' heeft Wouters bewust naar een climax toegewerkt. In de 'tussenwerpingen' die slechts 1 vers tellen, worden vragen gesteld. In de 'tussenwerpingen' die 2 verzen tellen en beginnen met Niet, worden de vragen beantwoord. De laatste 'tussenwerping' is een bevestiging van de vijfde en zesde tussenwerping: de ontkenning is evenwel verplaatst naar het midden van elk vers. De laatste 'tussenwerping' is tevens een letterlijke bevestiging van de eerste 4.
schepper en dichter zijn synoniemen. De titel van het onderstaand gedicht is in het Catalaans gesteld en betekent: schepper. En wat is een dichter anders dan een schepper? Het gedicht verwoordt op sublieme wijze Wouters' visie op zijn dichterschap.

EL CREADOR

Vals is de tijd die zich altijd maar herhaalt, her-
schrijft. Anders is de dichter die het gemakkelijk
vindt om van rust en stilstand te houden. Ík ben
dichter, maar wil niet langer gedichten schrijven
wanneer de klok de wijzers tikkend en gaande

houdt. Eindelijk is het nodig om het manuscript
van mijn verboden evangelie te verduurzamen.
Woord ben ik immers en openbaring. Waarom is
het dan moeilijk om míjn poëzie die mijn bestaan
rechtvaardigt, zonder schroom te bewonderen? [9].

doelloze
wordt uitgelegd door verzen 8 tot 10 van bovenstaand gedicht en is meerduidig. Niet alleen de dichter, de schepper, maar ook de lezer heeft het moeilijk om poëzie zonder schroom te bewonderen. Wouters heeft het er moeilijk mee omdat geen enkel gedicht het laatste, het ultieme is. Hij wacht op het gedicht of de dichtbundel waarin hij alles gezegd kan gekregen hebben zodat hij zich voorgoed aan iets anders wijden kan. De lezer, ja de lezer: Wouters heeft het vaak over hem gehad: De lezer is niet gewoon om met vrijheid om te gaan en aanvaardt poëzie niet. (...) Hij haakt af. [2]. Wat de poëet pijn doet, is dat de lezer zich meestal zelfs de moeite niet getroost om te doorgronden.
stameloze. Wouters stamelt niet. Hij weet wat hij zeggen wil en moet: het woord fluistert hem immers alles toe. Hij verwoordt zonder om te kijken en zonder zich vragen te stellen over de gevolgen waarmee zijn kwetsbare opstelling hem achterlaat. Want kwetsbaar zijn poëten. Wouters weet dat hij nooit meer zal stamelen. Wouters weet ook dat zijn kwetsbare opstelling de anderen nooit de mogelijkheid zal geven om hem ten gronde te richten.

V

Wouters heeft ooit gezegd dat het pijn doet dat de lezer zich zelfs de moeite niet getroost om te doorgronden. Ook mij doet dat pijn. Geloof dus niet dat het ooit in mijn bedoeling lag om in dit nawoord "Een tweekoppig wezen ben ik" te verklaren.
Dat plezier en die inspanning gun ik de lezer. Toch dit, Wouters geeft zich vollediger kwijt dan hij in zijn roman en novelle in voorbereiding ooit zal kunnen. Hij neemt wie lezen en proberen te begrijpen wil, mee op een hallucinante reis en overschouwt zijn leven vanaf zijn geboorte: zijn familie en de buitenstaanders die menen rechten te kunnen doen gelden, zijn spraakgebrek, de weinige vriendschap, de Einzelganger die hij is en steeds zijn zal, de staatsgreep van politici op alles wat hem dierbaar is, zijn drankverslaving, het thuiskomen in Catalonië, de onrust, het lezen en vergaren van kennis, de rustbrengende herfst, de geborgenheid bij vrouw en dochter, de hartstochten die verteren en vertederen, de zelfgenezing en het zelfinzicht, zijn ongeloof, zijn weerzin voor het amerikanisme dat ik als eerbetoon voor Wouters en omdat we meer dan jeugdvrienden en leeftijdgenoten zijn, met een kleine letter schrijf, de werkelijkheid die waarheid geworden is.
Van die (...) weerloze en egoïstische wereld wil hij / geen enkel stukje vol waardeloosheden meer huren. Toch heeft hij er nooit met leedvermaak over geschreven: Om te dichten en tot meer dan alles in staat te zijn ben ik / zonder twijfel en tegenzin mijn huisdichter gebleven.

VI

Wouters heeft zichzelf een tweekoppig wezen genoemd. Hij is inderdaad een wezen, een schepsel, dat wat iemand maakt tot wie hij is, een innerlijk. Een mens die net als alle anderen ademt en leeft.
Wouters heeft zichzelf een tweekoppig wezen genoemd. Het is niet moeilijk om te veronderstellen waarnaar hij verwijst. Wouters is gewoon mens en kunstenaar. Over deze twee-eenheid heeft hij ooit aan Sarah, zijn dochter, geschreven dat hij Eindelijk / (...) míjn waarheid zal vertellen. / Niet de dichter zal spreken; / wel de vader die diep ergens / in me woekert. En toch, Sarah, / kan ik me de vader niet los / van de dichter voorstellen. Weet: / kind ben ik met jou. [6]. Het is duidelijk dat die 2 wezens tezamen bepalen wie Wouters is.
Toch heeft de poëet geen gelijk wanneer hij zich een tweekoppig wezen noemt. Ik denk dat hij zich een 'vierkoppig' wezen had moeten noemen. Wouters: creatief letterkundige als poëet en prozaschrijver, kritisch letterkundige omdat hij schrijft en spreekt over andere kunstenaars, kunstliefhebber omdat ook andere kunstvormen hem boeien, mens omdat hij aardse genoegens niet uitsluit.
Vergis ik me niet zelf?! Is Wouters niet een 'veelkoppig' wezen? Laat de poëet maar 'doen alsof' en beweren: België. Hoewel mijn identiteitskaart carte d'identité personalausweis identity card vermeldt dat ik onder andere uit België kom(...) (Maar ook uit Belgique, Belgien, Belgium.), ben ik geen Belg. Een kunstmatig gecreëerd product weiger(...) ik te zijn. Vlaming ben ik ook al niet. Dat volk van duivenmelkers en namaakgeuze dat noordzeegarnalen veel te duur verkoopt -Het woekeren is sinds W.O.II één van hun specialiteiten.- en dat ten westen van Brussel woont, lukt er maar niet in Nederlands te spreken: ze wauwelen. Ben ik Brabander? H. is gedurende eeuwen deel van Henegouwen geweest. Henegouwer dan? Met geen heb ik affiniteiten. Een inwoner van H. misschien, naar mijn geboorteplaats. Misschien, maar toch: het zou een te groot compliment zijn voor veel inwoners van dat Zennestadje. [10]. Ik ga ervan uit dat de hij-persoon uit voorgaand fragment, Andreas, niemand anders dan een doorslag van Wouters is. De aandacht die Halle krijgt in "Elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd" [11], getuigt, ondanks de onvrede en wrevel die eruit spreekt, van het tegendeel. Wouters is Hallenaar, of juister gezegd, Vlaams Hallenaar -Of is hij een Catalaanse Brabander [12]? Hij is immers van oordeel dat te veel van die Halse handelaars en politici geen Vlaamse reflex hebben. Het doet hem pijn. Het zal hem altijd pijn blijven doen. Ik weet dat het aan hem knaagt.
Wouters is ook Vlaming, Flamingant -Lees er de van Dale, Wouters’ vriend, maar eens op na.-, die Brel beluistert en meezingt, Catalanist, geschiedkundige, vrijheidsstrijder, plastisch kunstenaar wat de meesten nog niet weten, ... Inderdaad, ik zou nog lang kunnen doorgaan. Wouters is geen tweekoppig wezen; hij is ook geen 'vierkoppig' wezen zoals ik ten onrechte veronderstelde.
Wouters is een 'veelkoppig' wezen. Een complex wezen dat steeds en rechtuit en onverbloemd zijn mening verkondigd heeft en verkondigen zal. Wouters maakt het zijn omgeving niet moeilijk. Het is wel zo dat wie niet voor hem is, slechts tegen hem kan zijn. Om voor hem te zijn, moet men alleen maar zeggen wat men meent, niet meeheulen met de zwijgende meerderheid en zich niet, nooit bezondigen aan achterklap.

VII

Bij het herlezen heb ik vastgesteld dat ik Wouters niet getypeerd heb als creatief letterkundige, als poëet. Nu ja, verwonderlijk is dat niet. Ik heb er een hekel aan om kunstenaars -Eigenlijk is Wouters een artiest. Misschien moet ik het daar wel een volgende keer over hebben.- in vakjes te drukken. Laat ik daarom te rade gaan bij wat Hubert Van Eygen bijna 15 jaar geleden verklaard heeft. Zoals andere critici aangetoond hebben, lijkt het nog steeds op te gaan.
Van Eygen noemde Wouters één van de "'Nieuwe Tachtigers'", een term die slaat "op de vermenging van alle poëtische verworvenheden van de laatste 30 jaar." [13]. Daarmee is alles gezegd.
Laat ik het daarbij houden. Wouters lijdt aan literaire claustrofobie. Ik hoop dat ik hem niet gekwetst heb: ook Wouters houdt er niet van om in een vakje, zelfs niet in het ‘alternatieve’ vakje van Van Eygen, gedrukt te worden.

Voetnoten

*[a] Deze tekst is ontstaan uit een aantal gesprekken die ik in het voorjaar van 1999 met Rik Wouters had.
*[b] In "De doorlichter van woorden die anders betekenen", in 1997 uitgegeven door de Casita de la soledad-stichting uit Ruisbroek, heeft Wouters een gedicht van 3 Halse dichters 'ontleed' en het literaire en culturele 'systeem' onder de loep genomen. Het wordt tijd dat de poëet zelf eens 'doorgelicht' wordt.
*[c] Onder deze ondertitel zal in eind 1999/begin 2000 mijn essay over de poëzie van Rik Wouters verschijnen bij de Casita de la soledad-stichting.
[1] Rik Wouters. Nauwelijks ademend verheffen woorden zich. Iambe, Molenhoek, Nederland, 1982.
[2] Rik Wouters. Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters. Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers. Verschenen in: Rik Wouters. De doorlichter van woorden die anders betekenen [titel], Bedenkingen bij hedendaagse poëzie van Hallenaars (1992-1997) [ondertitel]. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek, 1997.
[3] F[rits] Crombez. Rik Wouters, ik-dichter van de werkelijkheid. In: Initiatief [literair tijdschrift], 3 de jg., nr. 18, mei 1984. pag. 46-49.
[4] In alle dichtbundels zijn gedichten te vinden waarin Wouters zijn verhouding met het woord en de taal steeds opnieuw bekend maakt. Ik verwijs hier naar de afdeling "Letterwoord" uit Lawaai is tederheid, het lange gedicht "Avond dochter slaapt ik zit op balkon" uit Wat stilte genoemd wordt [titel], Cataloniëgedichten [ondertitel], en de gedichten "Een zelfportret [1]" en "Een zelfportret [2]", "Een zelf(moord)portret [3]" en "Een zelf(moord)portret [4]" en "Intérieur "De Grève"" uit Elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd [titel], Herinneringen aan ooit en nog [ondertitel]. Vooral in de 10 gedichten waaruit Het woord hertalen [titel], Tien jaargetijdengedichten [ondertitel] bestaat, openbaart de poëet zijn dichterschap.
[5] Rik Wouters. Woord. Taal. Gedicht ben ik. [titel], Een ars poëtica [ondertitel]. In: Kiezel [literair tijdschrift], 4 de jg., nr. 14, juni 1995. pag. 3-11.
[6] Rik Wouters. Het woord hertalen en Wat stilte genoemd wordt [twee bundels in één]. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek, 1996.
[7] Clem Schouwenaars. De Seizoenen. B. Gottmer en Orion, Nijmegen en Brugge, 1977.
[8] Onder de titel Het verboden evangelie van de dichter wil Wouters vanaf 2000 geregeld dichters bij hem thuis de kans bieden om hun poëzie aan een beperkt publiek voor te stellen.
[9] Het gedicht "El creador" maakt deel uit van nog de niet-gepubliceerde dichtbundel gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven [titel], Is dit de stad van komen en blijven? [ondertitel], die van september tot november 1998 geschreven is.
[10] Het fragment is ontleend aan Casita de la soledad [werktitel], roman in voorbereiding.
[11] Rik Wouters. Elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd [titel], Herinneringen aan ooit en nog [ondertitel]. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek, 1998.
[12] Wouters werkt aan een bundel met als werktitel Klaagliederen van een Catalaanse Brabander.
[13] Hubert Van Eygen. De Nieuwe Tachtigers [titel], (ik ben gevangen in de korst van ellende) en 25 jonge Vlaamse dichters, een bloemlezing [ondertitels]. Initiatief/Clumsy, Wommelgem/Lier, 1986.

Verschenen in: WANDERS, Andreas en WOUTERS, Rik. Het verboden evangelie van de dichter. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1999 [Casitacahier 4].

Andreas WANDERS

13DE POËZIEPRIJS VAN DE STAD TONGEREN [poëzieprijs]


DE VADER

Minutieus en nauwgezet sloot je ’s avonds steeds
weer de verboden kast af. Van kankers en poeders
bleef een gewoontegeur van alledag op je huid na.
’s Morgens vroeg woog je kaasstolpen weegschaal

meer dan ooit stof. Elders en boven had je een paleis
van boeken en vorige levens opgebouwd. Bewust ben
je heremiet geworden en verbeelder van frêle figuren
die te frappant toch voorgoed waarheid geworden zijn

en graven bleven in jouw lijf dat leugens lachend nog,
maar reeds loom verwerpen bleef. Tot slang en spiegel
werd je registreren beperkt. Veranderd zijn wandelaar
en paden. Geen beeldspraak breekt meer uit je mond.


Verschenen in. DDAA. Spijt. 13de Poëzieprijs van de Stad Tongeren 1997. Stad Tongeren. Tongeren. 1997.
Verschenen in: WOUTERS, Rik. Elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd. Herinneringen aan ooit en nog. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1998 [Casitacahier 3].

FLAPTEKST VAN "GEBRUIK MAKEN VAN WOORDEN EN ONGEDATEERDE BRIEVEN"

Met Gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven is Wouters aan zijn negende bundel in meer dan 20 jaar toe. Voor de vijfde keer ‘spelen’ de gedichten zich af in Catalonië. Het is dus niet meer dan normaal om te stellen dat Catalonië Wouters niet ongemoeid laat, misschien zelfs zijn leven determineert. Het lijkt er sterk op dat Catalonië, Wouters’ beloofde land, dat strijd met zijn geboortestad Halle gewonnen heeft.
Sinds jaren doorkruist Wouters Catalonië en dompelt hij zich ongegeneerd, ongedwongen en bewust onder in de Catalaanse culturen. Hij staat in bewondering voor de wijze waarop -zelfs door cultuurleiders en politici- de -ook hedendaagse- kunst van eigen bodem aangemoedigd, verspreid en gepromoot wordt.
Gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven is een klassieke bundel met klassieke raamstructuur en ‘klassieke’ gedichten. De uitgepuurde, en uitgebalanceerde vorm en stijl vallen op. De bundel speelt zich af in de Catalaanse stad Girona. Wouters gaat op zoek naar rust en stilte en de wortels van zijn toekomst. Zou het kunnen dat Girona de stad van komen en blijven, een deel van de ondertitel, aan het worden is? Klopt de titel die op de uitnodiging van de voorstelling van deze bundel staat: Rik verlaat Halle, zijn geboortestad? Ach, van Wouters is geweten dat hij de lezer graag op het verkeerde been zet.
Wouters’ gedichten over Catalonië, Halle en andere ‘plaatsen’ vormen een eenheid. Laat me toe Wouters zelf aan het woord te laten. Hij is een dichter die ‘verzamelingen’ van gedichten schrijft. De gedichten kunnen afzonderlijk én op een zinvolle wijze gelezen worden maar krijgen pas hun volledige betekenis in combinatie met andere gedichten. Kennis van andere gedichten is dus noodzakelijk om ‘volledig’ inzicht in dat ene gedicht te verkrijgen. Die ‘verzamelingen’ worden afdelingen of cycli genoemd. In cycli (= thematische en stilistische eenheid) is de band tussen de gedichten nog sterker dan in afdelingen (= thematische eenheid). Vaak zelfs vormen de diverse cycli in één enkele bundel een geheel dat ik ‘opus’ zou willen noemen. Vaak zelfs zijn de verbanden tussen verschillende dichtbundels, ‘opera’, zo intens dat van toeval geen sprake kan zijn. Die dichters werken tijdens hun ganse literaire carrière aan het creëren van afdelingen en/of cycli, die tot ‘opera’ uitgroeien. Dit geheel van ‘opera’ is een oeuvre. Laat ik deze dichters ‘poëten’ noemen.
Poëzie roept meer vragen op. Poëzie roept meer vragen op dan ze antwoorden geven kan.
Ik vraag met ‘ongeduld’ af wanneer Wouters eindelijk een bundel over Barcelona zal schrijven. Ik ben benieuwd hoe Wouters de minst Catalaanse van de Catalaanse steden zal ervaren.

Verschenen in: WOUTERS, Rik. Gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven. Is dit de stad van komen en blijven?. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 2000 [Casitacahier 8].


Andreas WANDERS

GEBRUIK MAKEN VAN WOORDEN EN ONGEDATEERDE BRIEVEN [2000; dichtbundel]


Voor alle cultuurbarbaren die ziende blind zijn en langs autopistas naar Zuidspaanse stranden oprukken. Dat ze toerisme opgeven.
Voor wie me onherstelbaar beschadigd hebben en voor wie ik niet verzwijgen mag. Dat ze mijn codes ontcijferen.
Voor Sarah en Lieve die weten wat Girona en Catalunya betekenen. Dat deze gedichten ook de hunne zijn. 





de planten op het wandtapijt
verkrampen in hun sappen
tussen de luister van brokaat

toch herbeginnen de vlinders
met het uur u

onzichtbaar staat onze naam
geschreven in het dodenboek:
het niet zijn de letters
en het al rust in de taal

bij het trekken van traag avondwater
de groeven van het voorbije
voorgoed dichtdoen

René TURKRY (Amarant)





Pas toen spraak kwam, begon tijd en ging ik
op zoek. Een adem die gulzig was, vond ik
en boeken die niet verklaarden wat ik weten
wou: waarom werden bijgeloof en waarheden

door leven verdoezeld? Ik wist dat ik me steeds
voor openbaringen zou hoeden moeten. Liegen
weigerde ik. Ik wilde slechts andere waarheden
verkondigen en bij elke pennentrek verwoorden

wat bepaalt. Zoek dus niet waarom ik niet kan
zalven. Spraak houdt taal gaande (Beeld echter
breekt af.): ik koester papier dat naar tijd ruikt
en weet dat de lange weg nog beginnen moet.





ADAM
     voorwoord

Ook hij is geboren. Nog moet lente beginnen
en er is al geen weg terug. Hij kijkt naar de tijd
en onderscheidt nachten en vlammend licht.
De grens tussen boven en onder deelt mee
dat hij gelijken benoemen moet. Sprakeloos

echter is de omwereld die moet leven doen.
Zijn zijde die geboorte draagt, wordt door pijn
beroerd. Adem komt en dwingt hem tot leven.
Ondergaan worden moet bestaan. Geboren
ben ik (om binnen afzienbare tijd te sterven).





BADER 
     els banys Árabs

Als wereldvreemde zonnewijzer fungeert de dubbele koepel
die zich in de lucht boort. Een toorts die vage herinneringen
aan Moorse modellen brandend houdt, en geborgenheden
tegen evolutie en bescherming tegen dwalingen probeert

te bieden, lijkt hij: toch is er geen weg terug. Door gangen
die de tijd denken te overleven, glijd ik rustelozer. Ik wil nog
slechts afgezonderd van een vage wereld leven. Stoppen
bij de water dat nooit eeuwigheid gegeven heeft, doe ik niet.





MOORDENAARS
     el portal de Sobreportes

Er schuilt geen gevaar in het binnenschrijden van de stad
langs de Romeinse poort. Wie achterom kijkt echter, weet
dat erdoor weggaan definitief kan zijn. Vanuit een nis staart
een veelkleurige maagd die een Goede Dood voorspiegelt,

maar ze beseft niet dat de schelp van Afrodites geboorte
die zij stal, ongevoeliger laat. Ze belooft uitgestelde tijd,
misleidt. Ook ik kijk, grinnik: ik ben geboren om te sterven
binnen afzienbare tijd. Slechts oud worden maakt banger.





PRENTKAART [1]
     la Plaça de la Catedral

Ik stoot het halflege glas om. Onleesbaar worden de zinnen
die ik nog niet begrijpen kan: tussen de bladen van een boek
loopt een verhaal weg. In spiegels observeren mannen. Kalm
zegt een stem er geen aandacht aan te besteden. In spiegels

staren mannen naar gisteren en verloren dagen die ik vatten
wil in woorden die niet meer zijn dan uit ooit weggerukt. Hier
zal ik misschien geen dubbele naam meer dragen moeten.
Toch lijkt verbannen van tijd nog steeds onmogelijk te zijn.





PRIMAVERA

En de mens. Een te lage zon verblindt hem.
Achtergebleven zaden van vorig jaar kiemen
terwijl een koude en vochtige grond ontwaakt,
moeizaam en krachtig. Met de dag die verder
telt, gaat hij geen strijd aan. Hij maakt gebruik

van woorden en ongedateerde brieven. Hij
weet dat hij de nutteloze feiten van het leven
slechts uit boeken kent; het stoort hem niet.
De tijd dat taal zich krachtig openbaren zal,
lijkt dichterbij en bindend. Hij begint te leven.





STEENHOUWER
    

el claustre de la Catedral

Terwijl duiven stenen van tijd aten, hakte een steenhouwer
onbepaalde tijdloosheid en wijndragers. Halverwege bleef
de zon hangen. Water wilde voor en na. Uit stenen hak ik
niet: de vage verwantschap met beeldhouwers die leven

vertragen, kan ik niet ontkennen. Toch wil ik op mijn graf
geen beeld. Ik wil geen graf! Van zelfgeschreven bundels
wil ik stof en as elders en voor eeuwig achterlaten. Verdriet
en onbegrip is. Ter sprake komt spraak, tijd en openbaring.





OOIT
     el Carrer de la Força

Rondom deinen gebouwen uit en in de grond verzonken
rijpen als truffels oudere geschiedenissen. Gevels die zich
bijna raken, grijpen naar steedse lucht. Geen schim dwaalt
door straten om façades te verven. Slechts een bedelares

flankeert als kariatide gotische toegangen. Niet grijpgraag
en gewoonte is haar uitgestrekte hand. Een meisje speelt
hinkstap. Heden stoot ze voor zich uit. Met mondjesmaat
en genoegzaam vindt ze stiltes en stilstanden van tijden.





ESTIU

En de mens. Hij wil niet ontkennen dat zomer
een seizoen is waarin hij leven kan. Toch wordt
hij belaagd door warmte: hij weet dat het zout
van zijn lichaam de grond snel onvruchtbaar
maken zal. Woorden zullen sleur doorbreken

en mettertijd tot wonden uitzetten. Hij beseft
dat dit een jaargetijde is waarin hij overleven
kan. Om gedateerde tijd die zich niet binden
laat, te laten doorgaan, trekt hij zich discreet
en verbaasd in een deurportaal terug. Hij leeft.





GIRONA [1]
     ríu Onyar

Dit is de stad van het vertragen van de geschiedenis. Ik daal
trappen af zonder geleefdheden te herbeleven. Dood schop
ik een krantenprop vol oud nieuws: van mijn geboorte raakt
het nabestaan me niet. Vader is nooit meer. Wat iemand

aan een moeder heeft, is raadsel. Eb en vloed, haar en zijn:
water dat ademen geluidloos meevoert, wordt niet gehoord.
Zelfs karpers die momenten met kringen omlijnen, worden
genegeerd: de loop der tijden bepaalt slechts andere levens.





EL CREADOR

Vals is de tijd die zich altijd maar herhaalt, her-
schrijft. Anders is de dichter die het gemakkelijk
vindt om van rust en stilstand te houden. Ík ben
dichter, maar wil niet langer gedichten schrijven
wanneer de klok de wijzers tikkend en gaande

houdt. Eindelijk is het nodig om het manuscript
van mijn verboden evangelie te verduurzamen.
Woord ben ik immers en openbaring. Waarom is
het dan moeilijk om míjn poëzie die mijn bestaan
rechtvaardigt, zonder schroom te bewonderen?





GIRONA [2]
     ríu Onyar

Geregeld slaat naast straten het tikken van de rivier op hol.
Wijzers tollen in kolken. Wat drijven blijft, is verloren. Tijd
verdwijnt met water, orakelt een volwassen kind. Gelukkig
heb ik leren zwemmen. Ik kan de overkant bereiken waar ik

mijn horloge op de oever liggen laat: is dit de stad van komen
en blijven? Ik waag het niet er zekerheden op te bouwen. Ik
durf slechts gedichten te construeren die ik haar (nog) niet
opdraag. Dit lijkt de stad waarin ik leef, die niet van mij is.





TARDOR

En de mens. Rond zijn huis probeert hij rust
vergeefs gouden kleuren te geven. Het besef
dat lage zon hem slechts op een dwaalspoor
brengen kan, verzacht momenteel niet meer.
Lachen door de wijn van geoogste bloemen

doet hij niet langer. Zijn dagelijks bestaan blijkt
anders dan ooit geworden. Tegen vele stiltes
van straten wil zijn zwijgende stem niet meer
strijden. Minder maakt hij gebruik van woord
en tijd. Hij wil geen telwoord zijn. Hij leeft nog.





ERGENS
     els Quatre Cantons

Ik ben op doorreis. Van het bestaan dat ik achtergelaten heb,
zijn vervreemding en leegte gebleven. Van jaren die voor mij
liggen, durf ik geen uitweg te voorspellen. Rond het kruispunt
waar ik getwijfeld heb, werd de wereld door landschappen

van gesloten huizen anders gekleurd. Van nergens ver weg
ben ik gekomen. Van de tijd heb ik vanmorgen voor het eerst
het wegschrijven van wat ik nodig dacht te hebben, gezien.
Ik dacht op doorreis naar ergens te zijn. Of ik hier blijven zal?





TOESCHOUWER
     el Passeig de la Muralla

Binnenwaarts gekeerd is deze stad die de geborgenheden
van omringende heuvels heeft gezocht en naar zichzelf tuurt.
Om het uitdeinen van haast te beletten heeft ze zich omringd
met wallen. Stenen verraden nauwelijks en illustreren de rust

en tijdloosheid van saffranen zonnen. Verlaten en idyllisch is
de tuin aan mijn voeten. Misschien heeft de zonnewijzer zich
voorgoed verloren gegeven. Klokken lijken luiden voor altijd
verleerd te hebben. Los maak ik me uit het portaal van tijd.





HIVERN

En de mens. Het is winter. Er zijn er al vele
geweest. Vele zullen nog komen. Verstoord
en moe grendelt hij de deur om de zachtheid
van de sneeuw buiten te sluiten. Wind houdt
hem nodeloos wakker. Vreemd zijn ogen. Hij

staart naar spiegels van vergeten episodes
waarin schaduwen aan banden zijn gelegd.
Kinderspel is aftellen nooit geweest. Laat me
voor altijd tijd overbodig maken, denkt hij dof,
en immer overnachten. Hij begint te sterven.





PRENTKAART [2]
     la Pujada de Sant Doménec

Stadsgezicht plooit zich dicht terwijl ik mijn rechteroog uit-
ruk: geen splinter wens ik in een vergulde doos te bewaren.
Het licht breekt. De tijd verschilfert en verstilt. Een glas valt
op gladde keien die trillen in de hitte en echo's weerkaatsen

van een ander bestaan: weg vloeit wijn. Een gewelf dat leven
beschermen wil, is nooit spraakzaam geweest: toch hebben
haar stenen nooit aanstoot gegeven. Ze herhaalden slechts
dezelfde geschiedenissen die stotterend verbeelden wilden.





MARTELAARS
     la Plaça del Vi

Waar de straat van onwetende en ongehoorzame burgers
openbarst en zich verruimt, zitten heren die deftig willen zijn
en ervan dromen om politici te worden. Van discrete wijnen
nippen ze. Onverholen bijna begluren ze volksere vrouwen

die overvolle zakken vol burgeroorlog met wapens en doden
meesleuren. Rijk aan martelaars die ik achter me gelaten heb,
is deze streek. Om de hoek wordt door straatlantaarns licht
dat zich tot tijd verengd heeft, omzichtig op stenen gelegd.





BEDELAAR
     la Rambla de la Llibertat

Aan tafel gezeten heb ik leven afgedragen voorbij zien gaan.
Verleden en geheimen waarin het ooit ingewijd was, waren
in zakken geborgen. Kranten die onwaarheden van gisteren
tot geschiedenis samenvatten, verzamelde hij. Oud nieuws

van vandaag negeerde hij: aan wat nú staat, heeft zijn leven
niet langer een boodschap. Of tijd en tekst die ik misbruik,
samengaan, vraag ik me gemaakt gespeeld af. Weet je, ik
zit aan een tafel en proef van woorden de vruchtbaarheden.





JESUCRIST
     nawoord

Ook hij werd geboren om te sterven. Dagen,
maanden en seizoenen gingen voorbij. Jaren
werden geleefd, ondergaan. Lente is slechts
een vage herinnering; zonder terugweg blijkt
de laatste winter: dat leven slechts splinters

achterlaat, had hij altijd al geweten. Toevlucht
is de vrouw geweest ooit, nooit een weg terug.
Van zijn taal heeft niemand sporen gevonden.
Ademen dat moeilijker wordt, heeft gedwongen
tot gaan. Ik werd geboren (maar om te begeren).





Waar de einder na een kortstondig leven verf
en moment geworden is, begint taal voorgoed
pas te leven. Dat papier maagdelijk en sneeuw
is en de dichter toebehoort, weet de schilder

die slechts bewust en kil verkracht op een doek
van woordloosheid: de loop der dingen schendt
hij tot het kunstwerk zich moe gewonnen geven
moet. De dichter die bewust het volle wit dient

en in vlaktes van stilte één punt nalaat, is anders:
te vriend is taal. De schilder echter haat woorden
die hem nooit vertrouwen zullen. Sinds spraak
in beelden veranderd is, is tijd voorgoed gestokt.





AANTEKENINGEN EN 'VERANTWOORDING'

Girona (Catalaans voor Gerona) ligt in het noordoosten van Catalonië en Spanje en is hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. Girona waarvan de omgeving reeds in de prehistorie bewoond werd, is in de eerste eeuw voor onze tijdrekening gesticht door de Romeinen na wie de Visigoten en de Moren er zich vestigden. Girona was tijdens de Middeleeuwen een van de belangrijkste steden van het Groot-Catalaanse rijk dat zich uitstrekte over delen van Aragon, de Balearen en Valencia, Corsica, Napels, Sicilië en Zuid-Italië en delen van Zuidwest-Frankrijk en Griekenland. Op het einde van de vijftiende eeuw ging Catalonië onder de beruchte Katholieke Koningen op in Castilië dat later Spanje werd.
De gedichten met de Catalaanse titels Adam, Primavera (lente), Estiu (zomer), El creador (de schepper), Tardor (herfst), Hivern (winter) en Jesucrist verwijzen naar scènes uit het "Tapís de la Creació", het "Tapijt van de Schepping", dat deel uitmaakt van de kerkschat van de gotische kathedraal van Girona. Het elfde/twaalfde eeuwse "Tapís de la Creació" stelt de schepping, de winden, de maanden, de seizoenen en het jaar, mythologische voorstellingen, de rivieren van Eden en het vinden van het kruis door Helena van Constantinopel voor.
De titelloze gedichten met de beginverzen Pas toen spraak kwam, begon tijd en ging ik ... en Waar de einder na een kortstondig leven verf ... kunnen beschouwd worden als mogelijke artes poëtica.
De gedichten Bader, Moordenaars, Prentkaart [1], Steenhouwer, Ooit, Girona [1], Girona [2], Ergens, Toeschouwer, Prentkaart [2], Martelaars en Bedelaar verwijzen in hun ondertitels naar plaatsen uit het middeleeuwse Girona.

WAT STILTE GENOEMD WORDT [1996; dichtbundel]


Cataloniëgedichten





On ets, Espanya? -No et veig enlloc.
No entens la meva veu entronadora?
No entens aquesta Ilengua
-que et paria entRe perills?
Has desaprés d'entendre an els teus fils?
Adéu, Espanya!

     Joan Maragall

Vertaling:
Waar ben je, Spanje? Je bent nergens te zien.
Hoor je mijn weergalmende stem niet?
Versta je die taal niet die tot je spreekt
temidden van gevaren?
Heb je opgegeven naar je zonen te luisteren?
Vaarwel Spanje!





PUIG DE SANT ANDREU
(Ullestret)

Temidden een verlaten site staan
en elegante cypressen voelen wuiven.
In de ondergrond klotst onhoorbaar
bijna het ooit gevreesde water.
Op de wallen rusten slapende agaven.

Schijnbaar slechts deze rust van huizen,
dakloos en zwartgeblakerd. Silo's
zijn leeg, citernen stoffig. De tempel
op de akropolis werd grondig vernield.

Toch wekken schedels van ritueel vermoorden
geen afgrijzen op. Een groene adder zigzagt
onverstoorbaar op zoek naar een prooi.





MALAKON
(Sant Marti d'Empúries)

Het goud van het romeinse deel is veelkleuriger
dan een impressionistisch en zuiders schilderij.
De oude afgetakelde havenmuur versnippert
huppelende kaboutertjes zonder rode mutsen

maar met lange en witte baarden. Scheepjes
hebben ook hier geen wonderbare visvangst.
Dat is immers niet nodig: de ondiepe zee
zal nog wel groene griekse beelden vrijgeven.

Hier zeggen dat men iemand liefheeft
zou slechts zonde en zelfmoord zijn.





ESGLÉSIA PRERROMÁNICA
(Sant Juliá de Boada)

Onooglijk.

En op een onmogelijke plaats.
neergeploft zont ze gelig
haar gerimpelde en moeë stenen.
Eenvoud achter een werelds deurtje.

Onaardse en doodse stilte.
Muren beklemmen echter niet,
zijn zachter dan lege ruimtes
van schepen die botweg ontheiligen.

En toch rustgevend.





MAS ROIG
(Pals)

De grote boerderij oogt hoekig
en leeg. Pannen liggen in brokken
voor de deur die uit hengsels
gelicht lijkt. Geen koe doorboort
wat stilte genoemd wordt. Roestig
en op de zij nikst een ploeg.

Stof op een bank verraadt
geen achtergelaten oudje.





PUIG D'ARQUES
(tussen Cruïlles en Cassá de la Selva)

Graasweiden kleuren groen nog,
sappig en van ongekende verscheidenheid.
Linten bomen verbergen schapen en geiten,
bezitters van dit verheven land
van langzaamheid en vergeten waterputten.
Opgestapelde stenen werden huisjes
en beschutting tegen een vermoeide regen.
Boven het profiel van bergen
vier omvergevallen inktpotten.

Hoogzomer. Gras heeft gebrand
op de heuvels. Een gekliefde boom.





DONA A LA TERASSA D'UN CAFÉ
     Josep Berga i Boada (1872-1923)


Sant Feliu de Gufxols. Blauwer zee
dan lucht. Een strenge dame mijmert
momentaan. Rond tafeltje ondersteunt
bedekte elleboog. Gekruiste benen.

Ver weg is Girona en haar echtgenoot
uit Castilië. Haar zaken behartigt
hij. Ontzegd is haar vragende lichaam.
Drie kinderen heeft ze gebaard: één
behouden. Toch is ze vrouwelijk
verrassend en te begeren gebleven.

Schroomloos wijst haar rechtervoet.
Ongegeneerd keuren haar ogen de man
aan de andere tafel. Haar mond twijfelt
tussen uitdaging en onderdanigheid.

Aan haar geboortestad denkt ze
en de gouvernante die lasten op zich
neemt. Het geroddel van vriendinnen
mist ze; echtgenoots overuren niet.
Wind beroert geen enkel lange rok.

Spuitwaterfles en verdunde wijn laat
ze ongemoeid. De vlugge man heft
het glas. Onder haar kin wenkt de hand.





NIT DE LLUNA A GIRONA
     Prudenci Bertrana (1867-1941) 

Winteravond. Sterren. Weinig wind.
Geur van hout en killig water. Nergens
in de carrer de la Força versnijdt
een t.b.-hoest schemeringen. De maan
verbergt zich niet achter de kerktoren
en wazig stil. Muzieken verjagen.

Beetje bij beetje voert de rivier
zich naar zee. Mee vlucht de rust
van het stille leven en waterverf.

Diffuus verlicht een gaslamp balkon
en slaapkamer overbodigheden. Zicht
op de Onyar verhindert haar slaapkleed,
van kant en te nauwelijks. Zwijgend
en deels verdubbelt de kathedraal.

Eén punt op het plafond fixeert ze.
Naar anijs en snorcrème stinkt de man
naast haar. Van een vreemd parfum
wordt de geur discreter en verhuld.
Hem de rug toedraaien durft ze niet.

Een karperkring zonder nut deint uit.





AVOND 
     DOCHTER SLAAPT
          IK ZIT OP BALKON

Avond. Dochter slaapt. Ik zit
op balkon. Fles landwijn staat.
binnen handbereik: vi negre.

In dit Catalaanse zomeren wordt
sinds ooit gestreden om blauwer
blauw. Lucht en zee lijken kalm
in elkaar te vloeien. Schijn slechts:
vlakken en vegen wit contrasteren.
Klaarder dan de grauwe streek
van kunstlicht en randverlichting.

Zomer. Lucht. Blauw. Toch heb
ik het koud soms in dit land
van golvende en rijpe velden
waar oorsprong dichter dan einde
is. Vanuit een andere vallei
klinkt kleurloos een klank
die woord wordt. Woorden
worden helder, zuiverheden
van kristal. Zang. Adem.

Haal altijd gulzig adem,
Sarah. Geloof nooit
wat verklaard wordt.

Doorlopend pompen torens
als fallussen levenskracht
en water. Wat daar beschamend
weggestopt wordt, is hier
godsgeschenk. Een flauwe tik
op een rots vermag veel. Toch
is dit niet het beloofde land.

Het glas wijn ligt goed
in de hand. Misschien
moet ik toch minder drinken.

Sarah, haal altijd gulzig
adem. Wat verklaard wordt
moet je niet geloven. Zoek.
en lees vergeelde boeken,
vooral de nooit-gekraakte.

Op zoek ben ik. Naar wie
ik ben? Waarnaar ik zoek?

Warmte in mijn mond zoek
ik. Geen verkoudheden meer
en slijmen die doorlopend
praten beletten. Geen oostenwind
die verkilt en vingers verkrampt.
Geen gefilterd kraantjeswater
maar bergbronwaters, eerlijker
dan wat open riolen bezoedelt.

Ik kan de slaap weer maar niet
vinden. Het eeuwige draailicht
van de vuurtoren houdt me
in de ban. Roodgekleurd
wordt niet: geen scheepje
uit de branding ligt radeloos
en dof verdrinking te spelen.

Een gewetenloze revolutie
bestaat niet, heeft X ooit
beweerd. En terecht. Woorden
veranderen niemand. Net
als molotovs. Kijk om je,
Sarah, weet: het abc is zin-
loos. Kijk en weet: bij-
geloof verandert. Moordt.
Sarah, waarom nog iets
geloven? Waarom nog zoeken?

Blauwen ik versmelten.
Minder gejaagd begint
mijn hart te slaan. Intenser
onderga ik dagelijkse ervaringen
beleef ik onderhandse sensaties
doorleef ik momentopnames
en verrassende Yashica-snaps.

Smal en steil is de kuststrook,
doorgaand en hemeltergend.
Waar water lucht wordt, is
alles impressie: blauwer
en groen en ontelbaren geel,
rood en hout en peper en zout.

Onrustig slaapt mijn dochter
haar slaap. Geen wind raakt
beschermende naaldbomen aan.
Sterren weerkaatsen golven.
Bevend volgt gammel licht
flauwe bootjes op zoek.

Verroeste sleutels vinden
abrikozen kerkjes op formaat
mogelijk zijn. Kloostergangen
geven rust en dromen. Ze
onthullen een verleden,
vaag en nabij. Deel geworden
ben ik van dit binnenlandschap.

Het zomert in Catalonië. Water
planten mensen verdampen. Hoog-
seizoen en uit nevels stijgen
geuren en kunst op. Stel je voor:
een verkleurde prentkaart.
Een lucht onmogelijk blauw
vol mistigheid en mysterie.
Een gelig kerkje vol adem.

Adem, Sarah, maar hoed je
voor bedrukt papier. Vergeet
nooit: ik lieg, de dichter
liegt bij elke pennetrek.

Dronken spreek ik een nieuwe fles
aan. Bomen zee en lucht onderscheid
ik amper nog. Ver weg gieren banden.

Ik heb gelogen, Sarah, ik
lieg niet: ik verwoord
slechts andere waarheden.

Ik ben thuisgekomen in dit land
van vergeten waterputten. Is dit
verbeelding? Koester ik zon?
Aanbid ik nacht? Of is het de stilte
die ik niet zie en waarvan ik smaak
de geschreven kus die twijfelt
aan oude en vergeten teksten.

Dromen over waarheid doe ik
niet. Dromen zijn niet langer.
Waarheid is. Eénzelvig woord
dat naaktheid verbeeldt, staat
op. Op zich. Duurzaam moet
papier zijn: vrij en open.

Een gedicht, Sarah, heeft
geen contoeren of zwarte lijnen
als stripverhalen. Uit
deint het gedicht. Wat
jij als streling aanvoelt,
is verruiming. Een gedicht,
Sarah, is onvatbaar als
                              jij?

Mat is de zee geworden.
En egaal. Op oneindig staat
de horizon. Doorheen zwart
kreet een onwillige motor.

De ondraaglijke pijn hoor ik
nog van een geweten overlijden,
plagiaat en de verbannen lach
van een te ver familielid.

Dronkenschap is wonderbaar
sloopt werende grensbakens
en laat demonen uit mijn hart
ontsnappen. Heimwee keert
terug en gedichten vol pijn
en weemoed, wanhoop.

Stom is de nacht geworden
bijna: scheepjes dobberen nog
misschien. Motoren zwijgen.

En voel: ik ween niet meer
achter mijn ongenadige ogen.
Ik ween met tranen. Uit woede
tegen haar wrede god. Denken
doet hij niet. Slechts wegnemen
wat dierbaar is. Zij, wrede god,
zíj hield van jou. Ik kan niet
anders dan wenen en jou haten.

Drank moet niet meer. Nuchter
begin ik te worden. Kan dronken-
schap soberheid zijn? Kan sprake-
loosheid rijkdom brengen? Ademhalen
verruimt. De horizon wordt voorgoed
verlegd. Anders gelegd. De streep
tussen land en lucht, werkelijkheid
en droom, vervaagt. Is niet langer
begrenzing, barrière. Drank moet
niet meer. Nuchter ben ik geworden.

Het draailicht van de vuurtoren lijkt
geen schepen meer te lokken: met sirenen
is ook verbeelding verdwenen. Zwart
is zee geworden. En afwezig plots.

Luister, Sarah, luister. Eindelijk
zal ik mijn waarheid vertellen.
Niet de dichter zal spreken;
wel de vader die diep ergens
in me woekert. En toch, Sarah,
kan ik me de vader niet los
van de dichter voorstellen. Weet:
kind ben ik met jou. Gesprekspartner.
Samen groeien we op. Slechts jou
zal ik nooit zijn kunnen wellicht.

Eén twee drie lichten één
twee tellen zwart. Kleuren doet
de vuurtoren niet meer. Wind
rust. Verdorde takken kraakt
geen voet. Hond noch ruiter
kondigen een laatste oordeel
aan. Geen mogelijke uitweg.

Hoor, Sarah, hoor. Onthoud de woorden
van een oud en geleefd man. Grijs word
ik: allang tel ik niet meer. De slaap
der onschuldigen die jij ondergaat,
is mij ontnomen. Recht van spreken
heb ik. Des te meer. Zalven doen
mijn woorden niet (Dat weet jij maar
al te best.): kwetsend bereiken ze
veel meer. Zelfs moorden kunnen ze.

Ogen en lippen en woorden bepalen
mijn bestaan. Wat ik verzwijg, meen ik
niet. Wat ik hoop, verwerp ik. Wat
ik zie, probeer ik te verwerken.

Wat mij bepaalt, zijn vingers. Letters.
Wat mij beperkt, zijn letters. Vingers.

Woorden. Nog zwijg ik meer dan ik
zeggen wil. Nog bedoelen woorden meer
dan interpreteerbare betekenissen.

Weet je, Sarah, buigen doe, ik soms. Knielen
kan ik niet. Hét woord is mijn enige zekerheid.
De enige dwaasheid zou verloochening
ervan zijn. Saartje, ik smeek je: herroep
nooit wat je woord verkondigt. Geloof
de waarheid niet die omstaanders
domweg uitbraken. Ga alleen maar voort
op ervaren en pijnlijke kaakslagen.

Taal zeg ik en denk: oorsprong,
bestaan en overleving. Want dood
ga ik niet, Sarah, dood ga ik nooit.
Immers: woord taal gedicht ben ik.

[begin zomer 1993 - 18 januari 1995]





EL CAFÉ VILA DE GIRONA
     Jaume Pons i Marlf (1855-1931)

20 januari 1877. Pyreneeënwind
jaagt over de plaça del Vi. Burgers
met toverhoeden en militairen spelen
en converseren. Een eenzaat droomt
een andere volle pint en raadt.

Aan de ronde tafel zitten heren
met baarden en snorren Catalaan
te zijn. Het immense schaakbord
beroert hen niet. Toverballen zijn
uit hun gezichtsveld verbannen:
vooruit kijken ze en hebberig. Eén
leest beursberichten en voorspellingen.

Een officier in rode broek verstoort
het grijze evenwicht. Autochtonen
genieten zijn voorkeur zeker niet.

Een oudere lijkbidder rookt een sigaar
en denkt aan zijn te jonge echtgenote
die erg ziek in haar boudoir rust.

Spiegels verruimen het café. Bedrieglijk.

Toch blijft een vrije plaats over
voor een telaatkomer. Tiens, hij was
niet in de hoogmis! Een verloren stoel
vinden zal voor de ober niet moeilijk zijn.





RETRAT DE DONA
     Francesc Vayreda (1888-1929)

Zondag en hoogmis. De jeugdige associé
van haar man is gekomen.
Cru heeft ze erna een laatste keer gezegd
en zijn eerstverwekte beleden. Ver weg
kraaide een haan. Angstig is hij weg-
gelopen. Of verstoord en bedrogen?
Een hoek van het tapijt verraadt nog.

In de wandgrote spiegel schikt ze
haar kapsel. Vocht parelt speels nog
op de binnenkant van melkwitte dijen.
Uitgerokken buikspieren herinneren
zeven maanden. Scherpe tepels genieten
na. Toch is heimwee al opgeborgen.

Roze of ivoorkleurig: welke jurk
zou haar man vertederen? N' importe,
dat hij zijn zoon zal krijgen, telt.

Weer zal ze op de rambla flaneren
een gerespecteerde en begeerde vrouw
zijn: haar offer is eindelijk volbracht.





CASTELL DE LA FOSCA
(Palamós)

Een vervallen hoeve boven woedende rotsen.
Aan de voet een strand. Woelend zand
tussen vingers. Een gespannen boog.
van pijnbomen. De gouden incaschijf.
Weggeroofd door spaanse opdringerigheid.
En vernietigd. Een verbrande kreet
van een kristallen kind. Een vlakte
in kogelpennen blauw. Catalaanse rust.
Ver weg een dak. Of is het een zeilboot?





EL PORTAL DE LA VERGE
(Peratallada)

Klimoppen muren leiden aandacht af
van de rotsige hoofdstraat. Honden
waken voor doorgroefde deuren
die textuele geheimen van vroeger
openbaren. Balkons zijn bewoond
door geraniums en gesloten luiken.

De kerk extra muros is
vergrendeld. Ganzen verraden
een verloren toerist.





ESGLÉSIA PRERROMÁNICA
(Romanyá de la Selva)

Poedergoud is op oude stenen
gestrooid. Ook de harde grond heeft
zijn deel gehad. Slechts bladeren
op de aarde ontbreken en tooien
nog lang geen herfst. Rimpels
en bochels echter kunnen niet
weggemoffeld worden. Sporen
van gekgegeseld geloof tonen aan:
eerlijker dan opdringerige kathedralen
waren deze rustige baarmoeders.

Nu een mis en mineur uit het einde
van een leeggespoelde wereld:
kinderen stamelen gevoelloze gebeden.
Dood is triest en zonder gevolg.





AFRODITE
(Sant Mart! d'Empuries)

Het halflange golvende haar is
opgebonden (Omdat ze uit de zee
geboren werd.). Discreet. Oogschaduw
behoeft haar egale gelaat niet.
Geen sieraad tooit haar halsje.

Waarom, Praxiteles, heeft ooit
zo'n schoonheid voor jou geposeerd?
Toch droomt haar wrange mond nog
van schuimend water. Een trage traan
in de hoek van haar linkeroog.





COVA D'EN DAINA
(Romanyá de la Selva)

Geen gepolijst marmer nodig hebben
om voor altijd verdoemd te zijn.

Tevreden zijn met wat windpokken zwerfstenen
die schijnbaar nonchalant neergesmeten zijn
tussen reumatische en moegetergde kurkeiken.

Onaantastbaar en onbegrijpend wordt
hun ovalen eenheid toegedekt, weggeborgen
door raadselachtige en grauwe kilte.

Kruinen ruisen niet meer zoals taal:
e onbeholpen om te verwoorden.

HET WOORD HERTALEN [1996; dichtbundel]


tien jaargetijdengedichten





voor Sarah
die al té goed veel begrijpt





Verwacht mijn stem niet meer
als die is voorafgegaan door het drinken.
V
erlang niet meer naar een handvol troost
als ik die niet eens meer kan geven.
V
erlaat u niet op dit geschrift
dat slechts schuw zichzelf verklaren wil.

Eriek Verpale (Op de trappen van Algiers)





De herfst kondigde zich vroeger aan dan andere jaren. Het speet me geenszins. Ik hield niet van de zomer met zijn eindeloze dagen en zijn halfklare nachten.

Hubert Lampo (De duivel en de maagd)





LENTE
(april-mei)

Lente kondigt zich loom en pijnlijk aan.
Winter wordt in de rug geschoten. Waar
is het seizoen dat me zo dierbaar is?
Met gewone woorden. Met míjn waarheid.

Licht: verblinding. Transparantie.
Ademen: constante zelfopoffering.
Poëzie: een nuttelozer poging nog
tot verzet: dood al té dichtbij.




LENTE
(mei-juni)
    
voor Sarah zonder wie leven zinloos is

Nacht van doorgedreven spanningen.
Overuren. Zon weerkaatst geen zee.
Geen zwaargewogen woord. Vingers
op mijn dochters lippen. Zij lacht:

het wordt zomer. Ik wacht af, angstig.
Mijn ongeduldige tong probeert nog
het woord te hertalen. Maar elke nacht
wordt het moeilijker slapen en





ZOMER
(juli-augustus)

Luisteren naar de lafheid van dit seizoen
wil ik niet. Ik zoek de winterse vrede
en de bewoonbaarheid van plaatsen:
elke kamer is een leefbaar uurwerk.

Zomer echter: elk horloge een ruimte
waarin gehaat wordt. Woord na woord
wordt het leven gevoelloos ontmanteld.
Hoop is ondraaglijk. Zelfs




SEPTEMBER
(herfst)

Welkom is de herfst. En vol goede wil.
Voor zijn schoot kniel ik en denk:
zacht wordt mijn verdriet en draaglijk
bijna. Rust brengend. Toch blijft

lucht té zuiderse zee zijn: taal
is schreeuwerig en pijnlijk nog.
Gelukkig komt eindelijk uit de verte
een woord. Moeizaam. Maar overtuigend.




OKTOBER
(herfst)

Dit is de maand van lange, slanke vrouwen
in wie heimwee werkelijkheid dreigt te worden.
Het woord is weergekeerd: jij, hét woord
onder woorden. Zo heb ik je herkend, tenslotte.

In een witte nacht ben je heilzame ziekte
en slapeloosheid, genezer en moordenaar.
Eenzaamheid en moment. Schaduw en houvast.
Ontwenning. Drank. Zo heb ik je erkend.





NOVEMBER (herfst)

Herfst. En de deuren openen zich
ongevraagd. Ongehoord dit seizoen
dat nooit geloofd wordt. Onbemind
de winderige, steeds steelse stilte.

Onbegrepen het enige en helende woord
dat ik verkondig, de zalvende aarde
die mijn nerveuze vingers herkleurt
tot gevoelens die afstandelijk leven.





DECEMBER
(winter)
     voor meter

Verfijnd is dit seizoen dat winter heet,
waarin we hand in hand gaan. Je leert
me zachter te praten. Met tederheid. Lach
is geen onhoudbare angst. Anders dan

mijn poëzie die nooit helen zal. Alleen
messen slijpen en harden kan ze. En toch
kan die pijn, dat gedicht je even maar
voor één enkel ogenblik terugbrengen.





JANUARI
(winter) 

De winter van je ogen laat de nacht
wit van onbesprokenheid open gaan.
Je speelse stem bevrucht mijn vingers:
woord na woord (Na vers. Na gedicht.).

Soms is die taal te ongenadig hard
nog. Maar ja, wat kan ze anders zijn
dan wapen dat zelfs met de glimlach
durft te moorden. Ook winter is pijn.





FEBRUARI
(winter)
     voor vader

Dé maand van verduldzaam duister
en aanhoudende dronkenschap. Ik meen
onkwetsbaar te worden: gisteren
én vandaag én overmorgen. Het woord

is mijn laatste en trouwe gezel. Waarom
taal aanbidden en weten dat geloof
pijn alleen maar zwaarder maakt.
Waarom toch zwanger zijn van poëzie?





MAART
(winter)

Voor de vrouw die het koud heeft,
is dit seizoen van voeten warmen
niet zo onaangenaam als ze wel eens
in een kwade bui beweert. Voor mij

is het glasscherven stukken weer
tot spiegel te maken en van alleenzijn
niet langer de eenzaamheid te voelen.
Wel heimwee naar een stille lach.

LAWAAI IS TEDERHEID [1987; dichtbundel]


I’ll never let you see
The way my broken heart
Is hurting me
I've got my pride
And I know how to hide
All my sorrow and pain
I’ll do my crying in the rain

The Everly Brothers (Crying in the Rain)





in november als de zomer voltooid verleden tijd is 
en de lente in de onvoltooid toekomende wordt geschreven
zullen we sterven en opnieuw geboren worden.

in november als de ochtenden lang en wazig zijn
en vochtige wagens naar koud zweet stinken
zal jouw ademhaling hoorbaar op hol slaan.
de wind van herfstige herinneringen zal met je meezingen.

in november als nog niet klaar en al donker één zijn
zullen mijn gevoelens minder breekbaar dan beton lijken.
maar in het hoekje achter mijn ongenadige ogen
zullen tranen de fles van zwoel geluk vullen.

vanaf november wanneer de cyclus afgerond is
zullen we als ouders in het huis van sarah wonen
met wie we een wereld vol gekleurde blokjes zullen bouwen.


    
                                       voor mijn dochtertje Sarah 





ZELFS GODINNEN STERVEN
6 gedichten vol wrede wanhoop



Dat wij tot in het merg doorwreten
van hunkering naar een gaaf behoud
geteisterd staan uiteengespleten
laat zuilen en profeten koud.

Andries Dhoeve (Nieuwe Gedichten)





1.
(een eerste nooit geschreven brief)

meter,

ook de wijzers van jouw uurwerk
oud en duurzaam, én kwetsbaar
zullen bruusk afgebroken worden.
radeloos zullen ze me uiteenrijten
en eeuwenlange wonden achterlaten.

zondermeer zal ik ze koesteren
met plezier en weemoed, wanhoop.
en diep in me zal een boot
bloedrood, leven en dood,
tegen de dorre oever lek varen,

meter
(misschien dat ik je wel
altijd missen zal)





2. GROOTMOEDER

vele jaren heeft ze het graan voelen rijpen
en met het graan is ze meegegroeid.
toch zijn haar woorden geen dorre takken
in een heidens en vernietigend houtvuur.

haar stem is zacht en zoet om smaken
als het fluwelig vlees van perziken.
haar gelaat is grimmig en vol gleuven
niet door zilt zeewater maar sober:

nooit heeft ze rome ervaren, en eeuwigheid.
nooit heb ik haar rusteloos horen rouwen.
vele jaren heeft ze het graan voelen rijpen:
ik wil haar nog niet geoogst zien.





3.

zoals zij ligt
op haar zachte zij
afwezig
de ogen doffer dan dood en tijd
en rondom haar van tong tot oor
het codewoord wordt doorgegeven

zo wil ik haar lome lippen lenen
een gedicht vol eeuwigheid boetseren





4.

gisteren toen ze nog leefde en discreet danste
en vele gedichten in één adem reciteerde
is verloren vreugde en vrijheid geworden.

nu zijn de overgordijnen gesloten
en stamelt ze nietszeggende verzen
die vormelijk niet met de broze bouw
van haar brakke lichaam samenvallen.
de lampen van de luchter zuchten gelig.

ze belichten nauwelijks de woorden
vastgeworteld in haar hart;
zelfs de kaars flikkert
moeizaam en ruikt naar roet
zoute tranen en zuur verdriet.

woorden kan ze niet langer ontcijferen:
alle herten in haar bloed zijn verdwaald
in het korzelig koraal van haar hersenen.





5.

slechts je stem is echo eentonig
maar eindeloos weergalmend in het woeste waaien
van de nacht. vergeefs verzin ik andere gordijnen
zwaardere gordijnen om je klagend kreunen
je smekend stamelen buiten te sluiten.

zo is je broze beeld niet waarvan de stukken
van de legpuzzel schemerig op de vloer liggen.
de kunst tot reconstrueren is met je bloed
stil blijven staan. een ikoon is het,
je beeld. andere details gaan hopeloos verloren.

traag en moedeloos zet ik mijn masker
vol ongevoeligheid en verraad op.





6. EMPORION
(een tweede nooit geschreven brief)

naar jou keer ik ooit terug - misschien.
dan laat ik je zonder haat
zonder zorgen oude stenen voelen.
daar is de vlakte zilt en rustig.
waar de grieken zoet droomden
zal ik jouw gedichten voor je lezen.
en elke nis van de bloedende basilica
zal ik versieren met vrome verzen
voor jou over jou: vroeger én nu
én later. dan zal je weer lachen.

daar zijn alle seizoenen lente.
zelfs de begraafplaats ademt
rust en liefde. geen dood.





PRENTKAARTEN



Straten schuiven in eendere straten
licht schuift in eender licht
mensen in eendere mensen
volte in eendere leegte
leven in eendere
dood.

PaulRodenko (Orensnijder tulpensnijder)





ZOMAAR EEN VLAAMSE STAD

er wordt niet gelogen als de zon loodrecht staat
nooit gelogen als mensen één zijn met hun schaduw.
dan wordt enkel de waarheid niet gezegd
zoals bij het ware en volle leven.

er wordt slechts gelogen, en dan nog in bedekte woorden,
als de zware gordijnen alle licht buitensluiten,
als bier schraal smaakt en naar bederf,
als het schuim overheerst en over de rand loopt.





SOEST, DUITSLAND
nauwelijks weergalmt in deze ommuurde stad
zonder poorten het leven. is lawaai is tederheid

mensen slenteren langs gerestaureerde wallen
kinderen spelen beleg (schamper
wordt dit romantiek genoemd)
ze denken aan vroeger: godsdienstoorlogen
die volkeren in tweeën verdeelden zoals het zwaard
het bebloede laken doormidden scheurde

leven is er een schotse kerktoren zonder kruis.
maar het uurwerk tikt geruisloos.
de klokken begeleiden geen rondedans.
het water is rustig nu. levenloos zelfs.
geen bloemenbootjes varen nog
op het naar verderf stinkende water

hier feest men sinds lang niet meer:
men slaagt slechts erin de sur-place aan te houden.





PALAMOS, SPANJE

aan de kade een bedrijvig vrachtschip
tegen de heuvel een zonnende kerk.
tussenin hinkstapspelende kinderen:
ze hinken van schip naar kerk.

kerk. en de nauwe winkelstraat
is een paternoster groentekramen
waar het geborgen leven is.
de gekartelde kust
is volledig bezet met agaven
onbeweeglijk neergehurkte wachters
onverdroten en met oneindig geduld
uitkijkend over de vijandige zee.

barbarossa zou terug kunnen komen.
en dan. dan zullen groentekramen
slechts bloederige brij zijn en kinderen
niet meer van nu naar vroeger hinken.





LENINGRAD
(een impressie)

het bevroren water zal geen bloed meer wenen.
de dorre aarde zal geen klaaglied meer schreeuwen
van mannen en vrouwen zonder naam.
toch hebben hun soldaten nooit
rozen in hun geweerloop gestoken.
(groeien hier wel rozen, tovaritj ?)

de nauwgezet gerestaureerde hermitage
denkt bijna uitsluitend impressionistisch.
(de werkelijkheid werd naar siberië verbannen)
de kolossale atlantiden staren tevergeefs
naar de overzees-liggende toekomst
die zich nooit begrijpen laat.

in de buurt van het winterpaleis
wordt een dronkaard discreet weggevoerd
door schichtig kijkende mannen in burger.





FROM HERE TO ETERNITY
5 gedichten over nergens en ergens



... AILLEURS

Alles is goud hier - wijl 't in Brussel regent.
Ik huiver soms voor wat de wind mij zingt.
Morgen wordt alles weer door 't werk gezegend:
sluipen en liegen waar het brood om dwingt.

Andries Dhoeve (Gedichten 1945-1965)





1 (hier, een brabantse stad)

het ritme van het dagelijks leven is meer reutel
dan onbesuisd en veelbesproken volle bierglazen legen.

erger nog de nacht die even snel voortwentelt
als de hartslag van de stervende stumperd.
onafwendbaar staren de glurende ogen traag en treurig
naar de moordende morfinespuit binnen handbereik.

zelfs de kinderen zijn grijsaard en onmondig voor altijd.
vanop de bank in het park kijken ze beotisch lachend
naar polyestereenden die over gladde golfjes dobberen.
de grillige kastanjelaar draagt geen vruchten meer.

het ritme van de dag is als de ratel van de leproos
die alle lust en leven op afstand houdt.





2 (hier, een kuststad)

zwaar hangen ook vannacht
de woedende wolken van de goden.
genadeloos glimmen de stenen van de stad,
strooien hun trotse tranen
bol van bestoft verleden
hol van hopeloos heimwee.

de luiken zijn gesloten,
het bier smaakt zuur en zerp.
en in mijn veelvormige vingers voel ik
het steedse kotsen van mijn kil gemoed.

naast de hijgende havenmuur
ligt met hoogzwangere buik
een verkleumd vissersschip radeloos
en verloren op zijn doffe zij.

zwaar hangen ook vannacht
de woedende wolken van de goden.
op de weerkaatsende stenen
stuikt mijn schreeuw te pletter.
mijn bloed verft de draailamp
van de vuurtoren donkerrood.





3 (elders, ergens tussenin)

uurwerken hebben steeds een ander ritme
een trager ritme getikt dan hier.

alle zomers zijn dagelijks gezapig en gemoedelijk
als het slentertempo van een ingekort boemeltreintje.
(maar .vele winters zijn toch nog krakende koelkasten
en meisjes zonder blozende vraagwangen)

zo zijn mijn moerassige zomers nooit geweest:
nooit at ik aardbeien met slagroom
zonder de verlammende smaak van zuurheid op mijn tong.
steeds liepen mijn gevoelens ongrijpbaar evenwijdig
met de gladde sporen naar nergens.

daar echter kan ik de autoportieren
wijdopen zetten, zonder zuchten of zeuren.
daar kan ik mezelf door een fletse filter
van stof van tien tot één horen tellen.
men betaalt het eten al met de glimlach.

ik schijn erin te zullen slagen me
grenzeloos en ongenadig god te voelen.
maar ook het leven van lust en tijdloosheid
is daar nog maar een uitgedroogde rozijn.

de wijzer draait merkbaar trager. of ik
het verouderen stoppen kan is de vraag.





4 (daar, la fosca)

vele winters en zomers ligt het gemeerd
in het zalvende zand. onverstoorbaar
wordt het tot eeuwige rust gewiegd.
de enge en hoge hoofdstraat is
onbegrijpelijk korter dan tijd.

tijd heb ik nodig om tomeloos en traag
ketsende stenen in mijn mond te gorgelen.

korter nog dan tijd is de afstand
tussen kerk en thuis waarin het kruisbeeld
en de stille staanklok broederlijk
en broos het leven verderslepen.

vele winters en zomers al ligt het gemeerd
tussen rokende rotsen en woelige golven.

tijd heb ik over om van hier naar nergens
een niemandsland waarin de tergend trage deur
op een kier wordt gezet en mensen
zonder maskers en zakken vol reisgidsen
binnendansen, te hinkstapspringen.





5 (daar, hotel ancora)

we hebben elkaar onbegrensd en ongekend kennen
in dit lome land waar regen weldaad is, en wulpsheid.

er is geen vermuft vocht dat deuren kriepend klemmen doet
als van het oude gebarsten en geschilferde huis.
toen leefde ik lusteloos en kunstmatig:
ik had nog niet ongeremd ervaren dat de dag
lang duurt en tegelijk kort kan zijn.
niemand kon het me leren. niemand wist ervan.

we hebben elkaar leren kennen in dit land
waar zon en lucht de nieuwsgierige gevels
in spaans ritme en adem gekleurd hebben.

daar gebeurt ademhalen gulzig en bewust.
dag is warme choco melk en boterhammen
met krenten en rijkelijk uitgesmeerde boter.
nacht is een zandkasteel en maanlicht
dat door de blinden als liefdesbrief binnenglipt.





LETTERWOORD



Zolang je poëzie wilt schrijven,
geloof geen woord dat blinkt als water,
balsemend de stank van bloed.

Clem Schouwenaars (Cantica Mea)





Leeggezogen door het letterwoord
uit het grote boek (poëzie
laat zich niet ongestraft tarten)
werp ik een allerlaatste maal
mijn netten uit. tevergeefs.
de woorden glippen glibberig
door de dichte mazen,
laten zich niet vangen.
ik laat me ontvoeren
om een onbekende dood te sterven
tussen zeewier en dolfijnen.





PAPIEREN REVOLUTIE

men heeft me het alfabet leren zingen
op het ritme van woedende wind
en laffe lucht. schuimkoppen duwen me
onder (zout smaakt naar leed en eenzaamheid)
ze proberen mijn gepijnigde stem
te vermurwen in een gesmoorde schreeuw.

de gong van de liefde laveert niet
over de bijtende zoutvlakte. geen rozen
worden door de rauwe wind bijeengeblazen.
geen klanken doen de kristallen toren trillen.
geen affiches kondigen nog aan:
de revolutie van morgenmiddag.

die van gisteren is reeds lang vergeten.





SONNET

onrustig lig ik geborgen en in foetushouding
tussen zee en aarde, licht en donker.
lichtbundels die mijn vliegtuig gevangen houden,
verblinden me. mijn ogen wennen niet

aan het duister van de lege bunker
waarin ik struikel over beenderen
en rottend vlees. waanzin! waanzin!
enkel schreeuwen rest me nog.

want ruw wordt de witte stok
in mijn gekneusde ribben geduwd,
beestachtig wordt de zonnebril

tegen mijn geschaafde gezicht gedrukt.
ademloos word ik gekastreerd:
een lidteken, een schande blijft achter.





zoals zij spreekt zacht en zomers
geen woord breder dan het ander
geen woord harder dan het ander
en haar tedere tong doorgeeft
en tegen oren houdt (maar niemand
hoort even fris en fluwelig als zij spreekt.
altijd. overal) zo spreekt de vrede niet.

de vrede heeft geen gelaat. slechts grimassen
die ze opzet volgens geluiden en kleuren
van de dag. de vrede is karnaval.
eindeloos en eeuwig veinzen en
steeds weer andere maskers opzetten.





 

 

 

 

ALLEENSPRAAK
een belijdenis zonder namen te noemen



Wij hebben geen geluk gehad, want ik weet dat voortaan nooit meer in staat zal zijn om een vrouw; onvoorwaardelijk liet te hebben.

Clem Schouwenaars (De Seizoenen)





AFTAKELEN

Er is veel dat niemand weet,
dat nooit velen zullen weten,
willen en mogen weten. De gezonde grond
mag dan nog vruchtbaar zijn.
Maakt de dood het leven niet eindelozer?

Dikwijls probeert ze tederdwingend
haar handen op mijn onthutsend gepraat
te leggen. Langs mijn oren wil ze
benauwende waarheid in mij blazen.

Kwetsend klinkt haar klaaglied,
kreunend en wegkwijnend, weerloos.
Woeste wolken beangstigen haar.

Haar handen grijpen hopeloos
naar het passieve teken van geloof.

Mijn kreet doet glazen barsten.





ZINLOOS

En vanaf dan zag ik moeheid in haar ogen.
Moeheid en verzet. Verzet tegen de kaakslag.
Moeheid door te veel verloren bloed.
Een lemmet gebet op hopeloze haat.

Geen hoerageroep. Achter haar rug echoot
vijands kreterige lach. Zijn hakmes
houwt grenzeloze gangen. Ook in mijn lijf.
Ik probeer loomte te verbannen in roes.

Mijn banvloek pijnigt en voorspelt
……….





AVOND

Hoorbaar is de avond. En muzikaal.

Leugens paraderen niet langer; ze grimassen
niet meer. Ze hebben zich verkleed.
Aangepast: mistige maskers opgezet,
discretere kleren aangetrokken. Maar

ze zijn er nog: onderhuids kankerend.
Ze sluipen rond. Overal en nergens.
Ze zijn binnenwaarts gekeerd
en intens. Ze zijn onuitroeibaar.

Rustig is de avond. En zo donker.





HERFST

Herfst. En deuren openen zich
ongevraagd. Ongehoord dit seizoen
dat nooit geloofd wordt. Onbemind
de winderige stilte die steeds steels is.

Ongeremd de slag in haar aangezicht,
de zichtbare breuk tussen liefde
en laster. Breuk die tot braken neigt.
Winter kondigt zich weerloos aan.





WINTERMORGEN

Enkel radeloosheid is gebleven. Rauw en rusteloos
zwerft ze door mijn houterige ademhaling.

Elke dag een nieuwe poging tot overleven:
ten koste waarvan slaagt ze steeds weer?
Anderen spreken verstikte kreten, klachten
in het rustige duister van een vroege wintermorgen.
Ze willen de moegeworden meanders kanaliseren
de opstandige stemmen in mijn hoofd
in hun afgrond, in mijn einde stoten.

Ik hoor ze niet. Ik luister geboeid
naar andere stemmen, andere kwellingen.





LIEFDESVERKLARING

Je beeld is wazig. Zo ook je woorden:
sober en stemmig, rustig lijkend. Rustbrengend.
Onuitgesproken soms je liefde. Kan dat anders?

Je woorden worden gewikt. Maar toch.
Je geurt naar leven: een ander, een vreemd parfum.
Laat het zo. Laat het altijd zo blijven.

Want je ogen - vraag. nooit de kleur-
je ogen blijven bij. Ze zijn jou.
Altijd veel zeggend, niet veel verzwijgend.

Verschenen in: WOUTERS, Rik. Lawaai is tederheid. Yang, Gent. 1987 [Yang Poëzie Reeks].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EERSTE LITERA-ONDERSCHEIDING 1984 [poëzieprijs]


EEN BRIEF IN EEN FLES: NOOIT BEREIKTE HIJ ZIJN BESTEMMING

meter,

ook de wijzers van jouw uurwerk
oud en duurzaam, én kwetsbaar
zullen bruusk afgebroken worden.
radeloos zullen ze me uiteenrijten
en eeuwenlange wonden achterlaten.

zondermeer zal ik ze koesteren
met plezier en weemoed, wanhoop.
en diep in me zal een boot
bloedrood, leven en dood,
tegen de dorre oever lek varen,

meter
(misschien dat ik je wel
altijd missen zal)

Verschenen in: LUYTEN, Gie [samensteller]. Verzeild. Bloemlezing uitgegeven ter gelegenheid van de derde Poëtische Nachtwake Beringen 1984. Litera, Beringen. 1984.
Verschenen in: WOUTERS, Rik. Lawaai is tederheid. Yang, Gent. 1987 [Yang Poëziereeks; gepubliceerd onder de titel "1. (een eerste nooit geschreven brief)"].

RIK WOUTERS IN ZIJN POËTISCHE EIGEN TIJD


Rik Wouters heb ik al eens gekarakteriseerd als 'lik-dichter van de werkelijkheid" (1). Daarmee werd eigenlijk al impliciet de opdracht die me nu is toegewezen, gerealiseerd, namelijk Rik Wouters te situeren binnen de eigentijdse' Vlaamse poëzie. Even toelichten.
Ruw gesteld zijn neo-realisme en neo-romantiek de twee grote tendensen die de Nederlandstalige poëzie sinds 1945 inhoudelijk (en ten dele ook vormelijk) hebben bepaald; maniërisme (experimentalisme), klassiek en taalsoberheid de tendensen die talig-vormelijk zowel afwisselend als gelijktijdig de scepter hebben gezwaaid. Vorm en inhoud zijn hierbij verschillende huwelijken aangegaan.
Wat Vlaanderen betreft, waar het neo-realisme op het einde van de jaren '60 is doorgebroken en rond 1975 door de neo-romantiek terzijde is gedrongen, kan algemeen, in vergelijking met Nederland, gesteld worden, dat het dichtersindividu er steeds sterker voor de dag is gekomen. Drie verschijnselen, waarbij ik' telkens met Nederland vergelijk, moeten deze bewering ondersteunen: het subjectieve karakter van ons realisme, het meer individueel werken van onze kunstenaars (niet zo'n "'school"-vorming) en het zuiverder romantisch levensgevoel dat zonder ironische distantie in veel belijdenispoëzie wordt uifgesproken. Vlaanderens poëzie vanaf 1965 is aldus altijd meer dan de "Hollandse" dichtkunst belijdenispoëzie geweest, natuurlijk met vele schakeringen.
Als we Rik Wouters nu benadrukt ik-dichter van de werkelijkheid noemen, dan hebben we hem meteen in een eigentijds Vlaams poëziekader gesitueerd. Hij is inderdaad één van de vele "buiten school"-werkende Vlaamse kunstenaars die de werkelijkheid fijn-subjectief romantiseert (nu eens meer, dan eens minder!). Dat romantiseren maakt bij onze Halse dichter een zekere evolutie door, een heel duidelijke wanneer we zijn eerste bundel "Ik zeg tot je", van 1979, vergelijken met zijn tweede, "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich", van 1982. Het markante aan die evolutie is, dat ze ogenschijnlijk een omgekeerde chronologie bezit, vergeleken met die van de Vlaamse poëzie.
In de bundel van 1979 vinden we een smoorverliefde dichter die zijn gevoelsontboezemingen op nogal parlandistische wijze door het papier gooit. Wat Wouters daarin met de Nederlandse parlandoforrmatie rond tijdschriften als "De Revisor" en "Hollands Maandblad", eind van de jaren '60, gemeen heeft. is de centrale positie die hij er als dichter inneemt, een dichter die zijn poëzie weer uitdrukking van heel zijn menselijkheid weet, en is ten dele ook de wijze waarop hij schept, namelijk romantische gevoelens (en gedichten) door reële beelden, anecdotische situaties of door gewoon rechtstreeks zeggen verwoorden. Wat Wouters echter van die parlandogroep scheidt, is het volledig ontbreken van enige intellectuele distantie (ironie, relativering...). In "Ik zeg tot je" treedt de dichter werkelijk als een neo-romanticus op, zij het wel geen volbloed, want daarvoor zijn te weinig krachtige romantische motieven aanwezig. Wouters verschijnt er als één van de belijdenisdichters die voluit persoonlijk zijn dromen van eenheid en tijdloosheid in de liefde in een geheel sobere, alledaagse taal brengt. Door die directe gevoelsexplosies rangschikt Wouters zich eerder bij de Vlaamse debuterende romantici van na 1975 dan wel bij de hogervermelde parlandogroep.
In zijn tweede bundel verschijnt onze Halse dichter zeker nog als ik-dichter (cf. eerder vermelde recensie), maar dan een meer getemperde. Het ik explodeert er niet maar straalt durend door het brandglas van de buiten-ik-realiteit. In "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" is Wouters met andere woorden meer realist, maar dan wel een Vlaams realist, bij wie de werkelijkheid heel persoonlijk wordt gekleurd. Dit betekent dat Rik Wouters in 1982 in vergelijking met 1979 niet eind de jaren '70, maar schijnbaar eerder eind de jaren '60 te situeren is, namelijk wanneer in Vlaanderen het neo-realisme doorbreekt. Ook hier moet weer, zoals bij onze parlando-vergelijking boven, een nuance gegeven worden. In zijn tweede bundel dicht Wouters immers niet 100% opzettelijk nonchalant en anti-metaforisch zoals de kunstenaars aan het einde van de jaren '60. Naast geheel metafoorloze gedichten zijn er immers ook waarin de dichter straalt door mooie beeldentaal. Toch maar een voorbeeld uit "Brussel voor de Provence ruilen" (uit de tweede bundel, p. 15): 

     mijn getakeld lichaam laveert toch nog 
     tussen noord en zuid stad en dorp 
     dood en leven, lavendel 
    
     lavendel, door een zachte vrouwehand 
     overal uitgestrooid, wint de strijd: 
     de wip helt zuidelings over 

Juist die nuance laat ons toe de final touch aan de situering van Wouters te verzorgen. De Halse dichter hoort inderdaad maar "schijnbaar" eind de jaren '60 thuis en zijn evolutie is aldus ook maar "ogenschijnlijk" zo markant in vergelijking met de evolutie van de gehele Vlaamse poëzie. Wouters is ontegensprekelijk een eigentijds Vlaams dichter! Eigentijds omdat zijn sterke combinatie van neo-realisme en neo-romantiek in zijn tweede bundel typisch is voor één van de drie grote tendensen die de Vlaamse neo-romantiek tegenwoordig beheerst. Het romantisch schrijven vanuit een poëticaal-stilistisch neo-realistische achtergrond is in zijn zuiverste vorm, ontdaan van alle ironie, pathos en geforceerde humor, een Vlaams verschijnsel, dat we in de poëzie van Herman de Coninck en Patricia Lasoen terugvinden.
Rik Wouters is dus een dichter van een Vlaams ik in een Vlaamse werkelijkheid en daarbij zijn ik en werkelijkheid componenten die respectievelijk romantiek en realisme in een uitgebalanceerd evenwicht houden. Inderdaad, nauwelijks verheffen zijn woorden zich uit de stijl van zijn tijd, maar "ademen" doen ze zeker.

(1) CROMBEZ, Frits. Rik Wouters, ik-dichter van de werkelijkheid. Verschenen in: Initiatief, jg. 3, nr.18, mei 1984, p. 46-49.

Verschenen in: Hallensia, jg. 6, nr. 4, oktober-december 1984, p. 31-33.

Frits CROMBEZ

RIK WOUTERS, IK-DICHTER VAN DE WERKELIJKHEID.


Rik Wouters, een collega, heeft me voor enkele weken zijn bundel "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" ter recensie toegestuurd. In het colofon lees ik dat het werkje "in de lente van 1982 in een oplage van 100 genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren" is verschenen. Of er dus nog exemplaren te verkrijgen zijn, moet aan de dichter zelf worden gevraagd: R. Wouters, Impeleer 60, 1600 St.-Pieters-Leeuw. En nu even voorstellen.
Wouters komt uit zijn bundel als een manifest ik-dichter. Niet alleen is het eerste gedicht een "Gedicht voor mezelf" (dus hemzelf), maar zijn bovendien van de 20 poëzievruchten die de bundel in totaal rijk is, nog 6 andere als directe ik-gedichten te karakteriseren. Met directe ik-gedichten bedoel ik stukjes waarin de dichter zijn eigen innerlijke wereld openbaart door zichzelf in het gedicht in de ik-persoon te laten optreden. Misschien vind je mijn typering "manifest ik-dichter" op basis van een 7/20 verhouding wat te scherp. Ik haast me echter om eraan toe te voegen dat de meeste andere gedichten een heel nabije aanwezigheid van hun schepper laten voelen, een zo nabije dat je bijna wel van indirecte ik-gedichten kan gewagen. "Wat is binnen die 13 dan de verhouding?" zul je wellicht vragen. Wel, boven was ik niet zo precies toen ik schreef "de meeste andere gedichten": het gaat gewoon om alle andere gedichten.
Een beschrijving nu van de manier waarop de dichter zich zo sterk bij een lectuur.laat voelen, levert ons dé karakterisering van het soort poëzie we in "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich" krijgen. De dichter vertrekt in 16 van de 20 gedichten van een waarneming van een sterk individueel geregistreerde concrete werkelijkheid als dusdanig. Dat betekent dat hij in zijn gedichten een hem persoonlijk opgevallen realiteit rechtstreeks beschrijft, wat maakt dat we hem als lezer heel nabij voelen (we kijken namelijk heel voelbaar door zijn ogen heen). Die nabijheid wordt echter versterkt door een verfilming van de werkelijkheid die heel sterk geïndividualiseerd wordt, namelijk door het gebruik van hoogst originele beelden (we kijken dus door Wouters' ogen wat zowel het object als de wijze van waarneming betreft). Daar blijft het niet bij! Wouters manifesteert zich gedurende de hele loop van het gedicht bovendien nog meestal door een voortdurende commentaar bij en beoordeling van de werkelijkheid. Die manifestatie wordt natuurlijk ten top gevoerd waar hij in twee gedichten met een rechtstreekse vraag aan de lezer eindigt. Hieronder twee voorbeelden: het eerste gedicht, een stukje zonder vraag; het tweede met:

     (de fransklinkende fazant) nacht. en elk raam is zwart. 
     toch zont het plein languit en in overvloedig licht. 
     straatverlichting. voor de rest donkere gevels. of toch niet. 
 
     aan de overkant van het plein 2 verlichte ramen: 
     een laatste pils voor het slapengaan, een ultieme verdoving. 
     het binnengaan een plotse verwarring. weerkaatste gezichten. 

     spiegels. ze geven alles prijs. net als dronken woorden. 
     alles wordt geopenbaard: een apokalyptisch tafereel. 
     spiegels verbergen niet zoals binnensmondse woorden wel.

…

     (de toren van de halse basiliek) 
     dagjesmensen kijken 
     naar de trotse toren 
     die onaantastbaar prijkt 
     hoog boven de kronkelende straatjes. 
     hij wordt ten top gedreven 
     door mannelijke gotische lijnen 
     en bekroond met de barokke lantaarn. 
     galmgaten strooien het beiaardgeklingel 
     als het rennen van lichtvoetige kinderen 
     over de roestkleurige daken. 

     marktkramers en winkeliers 
     horen niet de kleurige klanken 
     van de zingende beiaard 
     en zien niet de statige schoonheid 
     van de machtige toren. 

     enkel een meisje van amper 12 
     met grote zachte ogen 
     kijkt bewonderend omhoog 
     en neuriet het liedje mee. 

     wie (wat) maakte de andere mensen blind?

Het valt je wellicht op dat het hier tweemaal om een zogenoemd "indirect" ik-gedicht" gaat. Van de 16 gedichten waarin van een concrete buiten-de-dichter-liggende werkelijkheid wordt uitgegaan, zijn er namelijk slechts 3 directe ik-gedichten. In die 3 is door de directheid van het ik de aanwezigheid van de dichter natuurlijk optimaal.
Voor we vertellen wat nu in die 4 andere gedichten, alle vier ik-stukjes waarin niet van een waarneming van een concrete buiten-de-dichter-liggende realiteit wordt vertrokken, gebeurt, dient nog aangestipt, dat de dichter zijn aanwezigheid doorheen de waargenomen realiteit en plus affirmeert door die realiteit voor de lezer herkenbaar te maken. Hij laat bijvoorbeeld vijf gedichten waarin hij van een beschrijving van een werkelijkheid in Halle uitgaat, voorafgaan door een titeltje "Halle weggeborgen in de Zennebocht" en voegt er zelfs nog een persoonlijke noot aan toe: "(vijf gedichten opgedragen aan Ghislain Laureys)". In die vijf gedichten zijn de eerste woorden van Wouters dan bovendien nog telkens een kenbaar maken van wat in Halle er nu juist sprake is. Elders treedt de dichter expliciet tot bij de lezer door in een voetnoot aan te geven dat het om een waarneming van een schilderij in eigen bezit gaat (plus vermelding van de naam van de schilder en zelfs beschrijving van wat er op het doek staat). Dus 16 "ik-gedichten" zeker en wel in verschillende schakeringen.
Over de vier stukjes waarin niet van buiten-dichter-werkelijkheid wordt vertrokken, kunnnen we kort zijn. De dichter beschrijft er rechtstreeks een gevoel (2x), een handeling (1x) of steunt zich op een algemene werkelijkheid (1x). Wat echter telkens weer opvalt, is de beschrijvende stijl. Met andere woorden de ingrediënten "waarneming" en "beschrijving" zijn ook hier voorhanden; hier in deze wellicht sterkst geconcentreerde ik-poëzie. Een voorbeeld, mijns inziens een mooie tekening voor het bewust binnentreden van de dichter in de wachtkamer van zijn muze. 

     met een staf vol tovertekens 
     gedichten in een vreemde taal 
     trek ik een cirkel om me heen 
     en zet mijn koptelefoon op 
     waarin stilte speelt 

     zo stil 
     zo mysterieus 
     speelt de stilte 
     een melodie 
     die inspireert

Maken we het bilan op, dan stellen we vast dat in "Nauwelijks ademend verheffen woorden zich." naast twee categorieën ik-gedichten drie categorieën /ik+concrete werkelijkheid/-gedichten voorkomen: ten eerste de stukjes die expliciet beschrijvend inzetten en geen expliciet ik-personage kennen, ten tweede de stukjes die expliciet beschrijvend inzetten en wel een expliciet ik-personage kennen en ten derde die die een expliciet ik-personage kennen, maar geen expliciete beschrijving.
Wat vertelt ons deze vaststelling nu uiteindelijk? Een schrandere vraag, maar toch niet zo een moeilijke. Het feit dat in alle 20 gedichten de ik-persoon Wouters en de concrete werkelijkheid waarmee deze ik-persoon geconfronteerd wordt, zo helder aanwezig zijn, bewijst ons dat we hier op en top met een realiteitsgebonden en uit de realiteit beeldende dichter te maken hebben. Een realist tout court, zowel naar inhoud als naar stijl (een heldere en verstaanbare taal, beschrijvend en commentariërend, suggestief). En kan nu de opmerking worden gemaakt, dat ieder dichter uiteindelijk realist is, omdat ieder dichter tenslotte vanuit de realiteit (zij het nu ik-realiteit of buiten-ik-realiteit) schept, dan kenmerkt het realistische bij Wouters zich precies daardoor, dat de ik-realiteit meestal (in 80 % van de gevallen in deze bundel) doorheen een sobere, nuchtere, maar persoonlijk beschreven buiten-ik-realiteit geboden wordt. De ik-realiteit is als het licht dat door een brandraam de kerk binnenvloeit; de buiten-ik-realiteit is het brandraam.
"Wouters-realist" betekent evenwel niet dat Wouters 20 keer gefotografeerd heeft! Boven wees ik al op de originaliteit van zijn beelden en bovendien; is er de manifestatie van de ik-persoon Wouters alsdusdanig, een manifesta,tie die alle fotografie banvloekt.
En tenslotte, denk nu ook weer niet dat de ikheid twintigmaal zo opdringerig is, dat ons lezers geen eigen interpretatie meer wordt gelaten... Laat mij ook "open" eindigen, namelijk met de meerzinnigheid van de dichter zelf: 

     GEDICHT VOOR MEZELF 
   
     als de wind takken afkraakt 
     en zand opstuift 
     als de regen dammen breekt 
     en oogsten vernielt 
     als de droogte akkers verdort 
     en in tweeën splijt 
     als het vuur huizen platbrandt 
     en mensen verdeelt 
   
     als ik eindelijk nog eens 
     een gedicht schrijf, 
     zal niemand er naar kraaien 
    
     dat hoeft ook niet

Verschenen in: Initiatief, jg. 3, nr. 18, mei 1984, p. 46-49.

F. CROMBEZ

NAUWELIJKS ADEMEND VERHEFFEN WOORDEN ZICH [1982; dichtbundel]


aan mijn meter en grootvader, 
       mijn ouders,
       mijn schoonouders,
       Lieves grootouders.




[TITELLOZE ‘CYCLUS’]





GEDICHT VOOR MEZELF

als de wind takken afkraakt
en zand opstuift
als de regen dammen breekt
en oogsten vernielt
als de droogte akkers verdort
en in tweeën splijt
als het vuur huizen platbrandt
en mensen verdeelt

als ik eindelijk nog eens
een gedicht schrijf,
zal niemand ernaar kraaien

dat hoeft ook niet





HALLE WEGGEBORGEN IN DE ZENNEBOCHT [cyclus]
(vijf gedichten opgedragen aan Ghislain Laureys)





(halle) stad van de gotische basiliek waarvan het grauw
te grauw is. de handelshuizen van het marktplein
beletten veel bedevaarders het zwangere godshuis
(mariahuis) binnen te treden. de mond van de maagd
is geen lach meer: ook zij gelooft niet langer in overtuiging

de ogen van de vrouwen geen kleurrijk vuurwerk
zoals gesluierde meisjes uit tunesië
die elke rimpel in hun schaamteloos lichaam verbergen.
dof klinken ze zoals het ritme van de tamtam
aangegeven door de vinger loze leprazanger

trager de mannen loom door bier en te veel dromen.
hun gevoelloze huid proeft al jaren niet meer
de kussen van het nichtje dat nieuwjaar wenst.
enkel een bruine meisjesborst brengt nog schittering
in hun stoffige en gedoofde ogen





(stadhuis) nauwelijks ademend verheft het zich
boven de bloedende druiven op straat.
het geurt naar renaissance en ruikt naar frans.
huisdeuren en gouden raamopschriften
zijn zonder tijd. geen besef ervan.
het justitia-beeld van godebski
probeert vergeefs recht en tijd levend te houden.


Godebski: 19de eeuws Russisch beeldhouwer die de beelden
"waarheid" en "rechtvaardigheid" van het Halse stadhuis maakte.





(de toren van de halse basiliek)
dagjesmensen kijken
naar de trotse toren
die onaantastbaar prijkt
hoog boven de kronkelende straatjes.
hij wordt ten top gedreven
door mannelijke gotische lijnen
en bekroond met de barokke lantaarn.
galmgaten strooien het beiaardgeklingel
als het rennen van lichtvoetige kinderen
over de roestkleurige daken.

marktkramers en winkeliers
horen niet de kleurige klanken
van de zingende beiaard
en zien niet de statige schoonheid
van de machtige toren.

enkel een meisje van amper 12
met grote zachte ogen
kijkt bewonderend omhoog
en neuriiet het liedje mee.

wie (wat) maakte de andere mensen blind?





(de fransklinkende fazant) nacht. en elk raam is zwart.
toch zont het plein languit en in overvloedig licht.
straatverlichting. voor de rest donkere gevels. of toch niet.

aan de overkant van het plein 2 verlichte ramen:
een laatste pils voor het slapengaan, een ultieme verdoving.
het binnengaan een plotse verwarring. weerkaatste gezichten.

spiegels. ze geven alles prijs. net als dronken woorden.
alles wordt geopenbaard: een apokalyptisch tafereel.
spiegels verbergen niet zoals binnensmondse woorden wel.





(karnaval)

1
marktkramers en schreeuwende venters
verkrachten het marktplein, die sacrale plaats,
waar straks zotskappen en cynici
hun dagelijkse gareel
met plezier zullen afleggen

2
de levenloze stad
nog op zichzelf geborgen,
de lijkwitte stilte
wordt verscheurd
door een onwezenlijke lach

confettigewijs
zwelt het lachen aan
tot een atoomontploffing:
karnaval viert weer eens
springtij

3
de uitgelopen clown
staat voor de spiegel
zijn neus verlopen tot roze
zijn wit verdwenen
en zegt zijn gedicht op





LOSSE GEDICHTEN [afdeling]





DE SCHEEPJES IN DE BAAI VAN HAMMAMET

er liggen veel scheepjes gemeerd
aan de verlaten kaai
in de baai van hanmamet

verloren in het zand ligt
een vis met de zon te spelen
zijn ogen glazend naar de kim

vissers zijn er niet. ook zij lopen
gekleed in boernoes door de medina.
met tapijten is meer te verdienen

‘s nachts varen ze uit.
niemand mag weten dat ze nooit
een wonderbare visvangst hebben





BRUSSEL

de toren van het stadhuis
verbergt zich achter stellages.
de renaissance-huizen
verschuilen zich achter roestige gevels.
een brandweerladder
vleit tegen het broodhuis aan.

waar is de bloedige tijd
van alva en egmont?





met een staf vol tovertekens
gedichten in een vreemde taal
trek ik een cirkel om me heen
en zet mijn koptelefoon op
waarin stilte speelt

zo stil
zo misterieus
speelt de stilte
een melodie
die inspireert





DE SCHREEUW VAN EDVARD MUNCH

een rat knaagt gangen
in mijn lijf. ook mijn stembanden
worden opgepeuzeld.
als dessert. schreeuwen
doe ik contesteren
maar zelfs versterkers helpen
niet. ik word niet gehoord.
mijn mond een holte
waarin mijn tong beweegt
waaruit geen klank komt.
klankloos schreeuw ik.
gedachten schieten voorbij
aan lichtsnelheid
kunnen zich niet verwoorden.
mijn oordeel is geluidloos.





terwijl de pick-up
de beatles’ all you need is love draait,
braakt de radio het bericht
van weer een nieuwe joodse vergeldingsactie
door de luidspreker





BRUSSEL VOOR DE PROVENCE RUILEN

door mijn stenen venster kijk ik uit
over een koningsmausoleum bekruisde naalden
de olierivier hersenloze dwergen:
ik walg ik voel me helemaal afknappen

een bijtende rioolstank drukt me
tegen de metaalkoude grond.
mijn hoofd raakt zoek in de modder:
ik kots de rottende aarde onder

mijn afgetakelde lichaam laveert toch nog
tussen noord en zuid stad en dorp
dood en leven, lavendel

lavendel, door een zachte vrouwenhand
overal uitgestrooid, wint de strijd:
de wip helt zuidelings over




LEGERDIENST IN SOEST, DUITSLAND

het bier in de pint daalt
de geur van krokante frieten
vult het kalme café
de beatles spelen op de achtergrond

toch voel ik me zonder haar
hopeloos alleen





mijn tranen schitteren niet in zonlicht
en bevuilen mijn wangen niet.
ik ween slechts achter gesloten ogen.
ik probeer mijn lome verdriet
zo goed mogelijk te verbergen.

ik verkleed me in lach
en beantwoord elk lachsalvo met lach.
ik vlucht weg in de liefde,
in poëzie (ja, ik noem dit poëzie)

de pijn wordt slechts erdoor verergerd
bij elke stekelige herinnering,
bij elke trilling van mijn stem.




VLAANDEREN

voor dit land
van 4 seizoenen
op 1 enkele dag
zal ik vechten
tegen windmolens
en addergebroed





DE SEIZOENEN [cyclus]




LENTE

de lente is nog stil. schuchter.
enkel het vallen van de regen.
zelfs vogels schuilen onder dakgoten.

toch vergrootglaast het dubbele raam
een zonderlinge zonnestraal
die het tafelblad warm kleurt.

op tafel: een franse golden in een mand.
teken van vernieuwd leven
dat slechts dood aahter zich laat:

een vettige witte made





ZOMER

rondslenteren op de openluchttentoonstelling
positie innemen ten opzichte van sculpturen

"het belang van licht en schaduw
is zeker niet te onderkennen"
zegt een schijnbaar ingewijde wat verder
tegen zijn knikkende volgelingen

later op het terras observeer ik
het spel van licht en schaduw met mijn pils





HERFST

de zomer is achtergelaten.
onwetende stralen
prikken door de mist
veranderen mijn kamer
in clair-obsur.
de wijn op vervondels schilderij
bevat enkel nog de bodem;
aardappelen en bloemkool
blijven onaangeroerd.
de boeken in de kast
krommen kouwelijk hun rug.

Henk Vervondel: een schilder uit Diest van wie ik een schilderij bezit (2 kommen, aardappelen, bloemkool en een halflege wijnfles in donkere, maar zachte kleuren).





WINTER 
     voor mijn grootmoeder

omstreeks 19.30 uur schakelt ze
de 2de hands zwartwit TV aan
wacht angstig op de weerman
die gelukkig weer geen sneeuw voorspelt

blijgezind ontkleedt ze zich
en sukkelt de trap naar boven op





[TITELLOZE ‘CYCLUS’]





DE HOOP" (een schilderij)

traag boort het kanaal zich
onder de spoorwegbrug
door het doek op de ezel

in de mist loopt een aak
tegen de dorre oever lek
hijst hopeloos verloren
zijn witte vlag

het dampende water
verdwijnt in een draaikolk.
een stuk wrakhout
waarop "de hoop" staat,
drijft doelloos erop

bloed kleurt de hemel roze

IK ZEG TOT JE [1979; dichtbundel]


voor lange blonde haren





1974

niet in 1956 ben ik geboren
-de burgerlijke stand geeft mijn geboortedatum
slechts subjectief weer-
maar in 1974 -16 januari 15.00 uur
om precies te zijn-
toen ik voor het eerst
je handen vasthield
je honinglippen smaakte
me verborg in je haar

niet in 1956 ben ik geboren
maar in 1974 -16 januari 15.00 uur
om precies te zijn-
toen ik voor het eerst jou was





WAT BEN IK?

wat ben ik
wat doe ik
wat weet men over me
wie weet wat over me
wie begrijpt me
wie wil met me zijn
wie heeft mijn gedachten
ze zijn gestolen
zij heeft ze gestolen
lange blonde haren
men weet ervan
mijn mond begeert
haar lippen
ik lach bier
bevruchting op straat
er was vroeger
er is nu
zij is mij
is zij mij
zij mij





ik ben niets dan onder je handen

het ontwaken
een slagroomkus
en naakt je borsten
(nog niet gezoogd)
parelen verder zweet dan
maar gewone warmte

parelen van genot
je huiverende tepels
en in 1 seconde
oneindigheid
ik weer betast je trotse naaktheid

afrodite, je
steelt weer mijn ogen
vingers - oren - lippen
ik die weer uitstort
over jou mijn liefste
woonloze buik
en je echte mooizijn
dat zelfs sneeuw niet verwoest

je naakte tepels je naakte lichaam
op mijn kamer in een nis staat
eindelijk





LIEFDE

haar liefde voor mij
is een onwerkelijke droom
van aantrekken en afstoten
die eens zal eindigen
in een bodemloze put

of als een siamees





KLAAGLIED

ik ben alleen
ik mis je
verlangen naar je naakte lichaam
alleen mis ik je
gisteren vandaag morgen
altijd
hopen naar later
je wordt verlangd
je doet verlangen
ik verlang
de naakte aanraking
het somse eenzijn
begeren naar je naaktheid
ik mis je





ik slaap in haar hart
koekehart
op het rustige onrustige ritme
van haar hartslag





geef je hart in mijn handen
laat me er binnentreden
opdat ik het zou leren kennen
laat me het liefkozen
opdat het van me zou houden
laat me het gedag zeggen op straat

lieve hart
laat me tegen je zeggen
dat ik enkel haar heb





LIEVE

ik lach je lichaam
tot een perfect marmeren beeld
-niet zomaar een beeld
maar voelend nemend gevend-
en mijn tranen doordrenken
je naakte schoonheid
met bewondering,
liefde





AAN LIEVE DIE VROUW WIL WORDEN

en door het nachtelijk gordijn
kom je transparant naar me gelopen
en leg je je hart bloot

we tekenen liefde
in smeltende sneeuw

dan neem ik je met woorden
en ooh zeg ik
en wat ben je mooi
met je goudblonde haren
verloren in de wind
en als je vingers me beginnen smaken
en ijswater ijn keel verandert
met gentianen
is er lust

muziek omlijst fluwelen woorden
en vermurwen in een onwezenlijke zoen
de stilstaande hangklok
je lippen worden mij
onze tong begeert
donkerrood licht

we spelen hinkstap
en door muren banen we
naar morgen en overmorgen
en slapeloze nachten

mijn ogen fotograferen
lieve die is lief
wat is lieve?
liefde draagt over bergen
en tussendoor woorden





BEZETENHEID

hoe meer ik je zie
hoe meer ik je voel,
hoe eerder ik je wil bezitten
innig en voor altijd





TO MY LOVE ON THE EIGHTH OF JULY

lieve je bent lief als je lacht
lieve je bent lief als je vrijt
lieve je bent lief als je slaapt
lieve je bent lief

ik leef van mond tot mond
en adem in mijn slaap
om te ervaren
het allerprilste geluk
dat achter de droom ligt

ik weerspiegel me
in je rozige tepels
maar onaantastbaar
ben je soms ver weg
als de nood het hoogst is
om 1 te zijn
liefste

maar er is ook nog morgen
en overmorgen
en de dag na overmorgen

weet je
ik ben ook maar een mens
de begeerte is soms groot
om jou te zijn:
de geboorte van dit gedicht
de geboorte van ons kind
mijn wedergeboorte

je hebt gevraagd om lief te zijn
vandaag en morgen en altijd
en met je te leven
in tweezaamheid

ik speel geen spel
nee ik speel liefde
ik zie je
in bodemloze woorden
bij me blijven voor altijd





GODIN
     voor 16 januari 1974

en dan plots komt ze
uit mijn koffie wolken gekropen
en verandert in 1 handomdraai
mijn lichaam
in bron van levenslust
en als ze dan weer
mijn eenzame handen kust
weet ik dat ik meer ben
dan een vervloekte dichter





tijdloos ben je
-ik bedoel niet: wezenloos-
maar het leven is zo kort
té kort om met jou
mijn dromen op te bouwen,
werkelijk en waarneembaar
wat rest me dan nog
buiten mijn dromen toe te vertrouwen
aan wat wezenloos papier? 





IK ZEG TOT JE

ik zeg tot je : bloem
ik zeg tot je: meisje van mijn dromen
ik zeg tot je: schoonheid

ik zeg tot je: roos
van mijn dromen
je schoonheid zo broos
betovert me

ik zeg tot je: liefste
ik zeg tot je: verlaat me nooit
ik zeg: ik zeg zoveel 

PUBLICATIES IN BOEKVORM

1. POËZIE

-Ik zeg tot je. Panther Paperback, Dilbeek. 1979.
-Nauwelijks ademend verheffen woorden zich. Iambe, Molenhoek (Nederland). 1982.
-Lawaai is tederheid. Yang, Gent. 1987.
-Het woord hertalen. tien jaargetijdengedichten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996 [als dubbeldichtbundel, samen met "Wat stilte genoemd wordt". Casitacahier 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-Wat stilte genoemd wordt. Cataloniëgedichten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996 [als dubbeldichtbundel, samen met "Het woord hertalen". Casitacahier 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-Steeds heimwee en stilten vol hedonisme. Bij doeken van René Devedeleer. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Brochure. Casitacahier 7].
-een tweekoppig wezen ben ik. een anarchistisch gedicht over overleven, woordenmacht en permanente schending. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1999 [in "het verboden evangelie van de dichter", samen met een essay over de poëzie van Rik Wouters door WANDERS, Andreas: kwetsbaar en verstoten tussen brokstukken. Het ontnomen woord en de doorgelichte dichter. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1996. Casitacahier 4. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-xarnego. Klaagliederen van een Catalaanse Brabander. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek en Upsilon, Halle. 1999 [Casitacahier 7. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-gebruik maken van woorden en ongedateerde brieven. is dit de stad van komen en blijven?. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 2000 [Casitacahier 8].

2. POËZIE EN PROZA

-elke klank heeft zich tot een drein verlangzaamd. Herinneringen aan ooit en nog. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1998 [Casitacahier 3. Kaftontwerp: Rik Wouters].
-zeg niet. dat democratie voorgoed dood is. Xarnego, Halle. 2003 [Met proza. Xarnegoschrift 1. Kaftontwerp: Rik Wouters].

3. ESSAYS
-schaamteloos en puur als ik ben. Over de dichtbundel Jagen van Nicole Van Overstraeten. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Casita de la soledad-cahier 1].
-De doorlichter van woorden die anders betekenen. Bedenkingen bij hedendaagse poëzie van Hallenaars (1992-1997). -xarnego. Klaagliederen van een Catalaanse Brabander. Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1997 [Bijdragen over poëzie in het algemeen, gedichten van Jan Vanhaelen, Nicole Van Overstraeten en Pieter Delen en cultuur n kunst in Halle. Casita de la soledad-cahier 2].
-Woord én daad van Guy van Hoof. Zijn apocriefe evangelie. Xarnego, Halle. 2005 [Xarnegoschrift 2].

Meer van RECHT VAN SPREKEN VAN RIK WOUTERS

↑ Terug naar de berichten