Weer en wind
Ik zie weer massa’s bloemen
omweven door grijze nevelslierten
tussen de graven staan
van wie ooit zelf een groet bracht
aan wie eerder ging dan zij.
Zo denk ik even aan mijn vader
wiens graf reeds is verdwenen:
wat rest is gras, zo groen en nat
met korte sprieten die de herfst
doen dromen van de lente.
Elke druppel, elke windstoot
die me huiv’ren doen
herinnert mij aan hem.
En ‘k plant een droom
heel diep in mij en ‘k bid
dat wie later aan mij denken zal
als ik er niet meer ben
mij voelen en mij vinden zal
in ’t fluist’ren van mijn naam
door weer en wind.
rob



