
Jaguar D-type Le Mans 1957
Bijtend, ratelend als een mechanische klinkhamer die met onstuitbare kracht en energie roodgloeiende nagels in de stalen beplating van een oceaanreus ramt. Anders kun je het motorgeluid bijna niet beschrijven. Angstaanjagend, maar tegelijkertijd ook vertrouwenwekkend. Hij laat je niet gaan, hij zal je naar de overwinning brengen, koste wat het kost. Als jij hem óók maar geeft wat je in je hebt. Man en machine moeten één zijn.
De Jaguar D-type, en met name het zeldzame type met de langere neus, heeft derhalve anno nu een plaats veroverd in de top-20 van meest kostbare klassieke automobielen ter wereld. Om een lang verhaal kort te maken: deze specifieke auto vertegenwoordigt een waarde van vierenhalf à vijf miljoen euro.
De welvingen, heel gewoon voor racers uit die dagen, maar nergens zo mooi als bij de D-type. De man achter dit lijnenspel heette Malcolm Sayer. Niet bekend bij het grote publiek, maar niettemin geestelijk vader van de vormgeving van een van de mooiste auto’s aller tijden, de Jaguar E-type.
Die vin! Intrigerend, verfraaiend, bijna erotiserend zelfs. Onbedoeld. Vorm volgt namelijk functie. Esthetica was nooit een issue bij de D-type, hij was alleen maar gemaakt om hard te gaan. De vin was noodzaak om de stabiliteit te waarborgen, met name op de rechte stukken. Hij zat er niet voor ‘het mooi’. Voor de race-Jaguars liet Sayer louter aërodynamische principes aan het woord. Trends, emotie en mode bleven aan de zijlijn. Dat de D-type toch een prachtige auto werd, is alleen maar meegenomen. Feitelijk is de auto nooit ontworpen, hij is slechts gebouwd.
De Jaguars kregen zware klappen van de achtcilinder Mercedessen SLRA propos remmen: als een huis. Precies zoals verwacht, want dat was Jaguars geheime wapen op Le Mans destijds: servobekrachtigde (Dunlop-)schijven rondom. Later afremmen voor de bocht dus, sneller de bocht uit en daarmee telkens opnieuw kleine puntjes pakken om de grote winst binnen te halen. Het was niet het enige. De Jaguars waren ook behoorlijk betrouwbaar: van groot belang in een endurance race als ‘Le Mans’. Dat bleek met name in 1957.
Twee jaar daarvoor behaalde de 'works' D-type van Mike Hawthorn en debutant Ivor Bueb de Le Mans-zege, zij het een wrange. De Jaguars kregen zware klappen van de achtcilinder Mercedessen SLR, maar halverwege de race crashte de Mercedes van Pierre Levegh op het rechte stuk en kwam in het publiek terecht. Ruim tachtig mensen, onder wie Levegh zelf, vonden de dood. De race ging door, maar nog voor de race was afgelopen, haalde Mercedes-Benz echter zijn auto’s binnen en trok zich terug uit de racerij.
In 1956 won Jaguar opnieuw, zij het niet met de fabrieksauto’s. De D-type van een Schots privé-team, de Ecurie Ecosse van ondernemer David Murray, ging met de eer strijken. Het jaar daarop verschenen er liefst vijf D-types aan de start, al waren het geen works-auto’s. De Jaguar-fabriek had zich eind 1956 eveneens teruggetrokken uit de racerij omdat alle beschikbare mankracht ingezet moest worden voor de ontwikkeling van een productieauto