brief aan de minister van onderwijs
Geachte heer Minister,
brief aan de minister van onderwijs
negativisme
Vasudeva aan de Lethe
duw je boot af, haak
de bomen in hun beugel
ze staan al aangeschoven
wenken aan hun overkant
eerbiedig de stroming, volg
langs draaikolk, zandbank –
drijf in de lijzijde voor het lis:
geroepen ben je, volbreng
je zending, deze overtocht
ze nemen het meertouw, slaan
het om de bolder en jij staat
schrijlings op roeiboot
en oever, biedt je arm
aan een moeder, een wankele
vader – nauwelijks schommelt
een doft, zo licht is hun lichaam
vaar nu, veerman, voer ze
naar deze kant waar alles
doorgaat alsof geen ziel
verhuist, geen naam wordt
gewist door wind en getijden
hoe stil hun gezicht
je zag het in het water
onder ruisen alsof je
bladerde in een boek



Rabbie Burns
(de lieveling van de Schotse 'vrienden van de poëzie' )
ontwaken in oktober
met ‘Hearts of Midlothian’
een ei bloedt in rode strepen
op vegen vermiljoen
de daken van de buren
zijn donkere heuvelen
je hoort er het pijpen bij
een doedelzak beurelt
wijsjes van Robbie Burns
ijle geluiden
het stijgt uit de stilte op
vertakt als een vlucht ganzen
tekenen om te duiden
Hearts of Midlothian
iets wil het zeggen
maar wat
en wat heeft het te maken
met een bezopen bard
verward neem je genoegen
met sporen van vrede
met een ei en spikkels van rode peper
op een bord in vermiljoen
je droom van een vorig leven
geboren onder een strooien dak
een armenzoon die wijsjes componeerde
uit het zwijgen van de zee
het dampen van heuvels
zwart rijzen ze op
uit de nevelen in je hoofd
stijgen gakkend als ganzen
langs vermiljoenen strepen
iets bloedt maar de pijn is verdoofd
the piano

The Piano – Jane Campion
zink maar met een piano
als anker, de keuze dan:
een wiegende stilte of
je laars, een lege bolster
aan een koord
men wordt toch meermaals
geboren: een verstomde
die plots spreekt, wie
werd geschonden herstelt
dagelijks vindt men zich uit:
een beeld dat sliep in het eigen
gebeente – het gebeurt in schokken
alsof de aarde vervelt
soms een dwaze ruil, je vele
rokken laat je in een kamer
en je adem is te horen
van over de zee
naakt toch steeds, het wezen
blootgelegd, zijn schade en
genade, de twee gezichten
van de ene god
je zinkt door handen als
zand door een zeef: wat
je overrompelt is de glinstering
een steentje ligt nu open
gelijk een lotus op water
een wiegen in stilte
colloque

uit Van Toen en Thuis
colloque sentimental
hoe laat men doden praten
na het slopen van hun huis:
hun woorden verdonkerd, opgeslorpt
zoals een bloedvlek door een gaas
ze hebben ruzie gemaakt, zeker,
met een stoel als wapen:
je ziet de koperen koppen nog
van sierspijkers, zijn plaats
in de murwe geur van geraniums
ze hebben de liefde bedreven, ongetwijfeld,
er was die brief in een verboden lade
die je opgewonden hebt gelezen
met een glimlach om die schrijffout
in het sierlijke handschrift van vader
ze hebben beraadslaagd
over hun schulden en de schuld
van kinderen die al sliepen of
al snikkend te wachten lagen
op hun lijfstraf
en het huis stond als een stolp
van matglas te trillen
over het razen en bedaren
over het hijgen en snikken
in de geur van de geraniums
je hoort de doden praten
het slaan van een hek
en het huis wacht
als een verre lichtvlek
in de nacht
maximumfactuur scholen


she was looking back to see if I …
- …was looking back at her. John Mayall -
een liefje uit Limburg
vergeet je niet
al heb je van al die jonge klare
een geheugen als een vergiet
zou het dat taaltje zijn
die zeepbellen waarvan je dacht
dat het ballonnen waren
om op te stijgen als een heilige
een hijgende
zou het de heide zijn geweest
waar je de liefde kon bedrijven
geurend naar hars en bijenwas
waar de stilte je moede hoofd kon
boenen dat het weer glom van
binnen als ivoor
als nooit te voren
neen, een liefje uit Limburg
vergeet je niet
al heb je met de jaren
een geheugen als een vergiet
was het de Maas misschien
het schichtig gemurmel aan de grens:
schipper mag ik over varen
ja, dat mocht van die brave mens
op een trekpont aan een kabel
het leven hangt soms lachend
aan een draad die bijna in het water hangt
je leven hing toen lachend
aan de draden van haar vingers
een web dat nooit heeft los gelaten
en elke nacht bijna wanneer de maan
zich inzeept om zich te scheren
voel je een zuigen aan je huid
ja, een liefje uit Limburg
dat vergeet je niet
al heb je nog weinig haren
en een geheugen als een vergiet
was het’ zingend en klingend’ haar geluid
de rinkelende belletjes van haar taal
was het de heide en zijn harsig verhaal
van bokkenrijders
was het iets ouders iets wijzers
van water met een trekpont
waar zij op staat nu na dertig jaren
met dat lachje om haar mond
en omziet of jij omziet
en de veerman blijft maar varen
er stijgen zeepbellen uit een vergiet
spraakkunst van de liefde


uit Een stuk of wat
rookt uw pijpken blij, uw gedachten…
wonend in stilte, ik adem
mijn zwijgen uit
sprekend tot de vogels
in de bomen der herinnering
is mijn stem een tafpapieren vlieger
het koren in schoven
op de ruig geschoren kouterkaak
hoort de koekoek in de blauwe bossen
de nevel die aan de beemden gebeurt
zoals vrede aan de doden
draagt het meisje vlinders in ‘r vlechten:
‘rooibos van singelingelaa…al wie ah…
al wie omziet zal op zijn gatje vaa-llen…
rooibos’ – en stilte een witte kaars
een Weesgegroet tot doven
ik woon in stilte
pijprokend met wat spoken
het aroom gelijk een oude moeder
stopt de sokken van mijn adem
en dat verhalend aan de kinderen
van mijn angst is mijn taal
een gebroken koord
aftreden
uit Een stuk of wat
terugwegwijs
kijk, waar je vader woonde
toen ie een zoon was zoals jij
ja, het huis is weg, de tuin
is weg, maar doe je ogen dicht
en ik toon je wel onder de nieuwe
huizen en hun nieuwe tuinen
de weiden waar hij een echte keeper
werd bijna die duikelde naast een koeienvla
de lege akkers en de late zomerschemer
dat hij katje verloren speelde (zovele jaren
tot het nichtje borstjes had bij muggenbeetjes)
de wegel, de zwarte beukenhaag die ’s avonds
zwarte poten kreeg en een weerwolf was, zei
moeder, mijn moeder, het rapenveld en daarin
stond het zoetepoepje dat ik voor haar vond
doe je ogen dicht, doe je ogen dicht
dat je het asfalt niet ziet, de ring
met knipperlichten – hoor,
over de kasseien komt geklos geklos
de boekaros met vier paarden en lantaarnen
die pakt de stoute kinderen mee – ach, nee,
laat los: ik startte de wagen maar. kom,
kunnen we achteruit?
stop, pas op, kijk, papa, dat is stom:
die jongen daar viel in het zand
zijn fiets die heeft geen banden
bij het monument
de veerman
de veerman en de jonkvrouw (Filip de Pillecijn)
kreeft

uit Een stuk of wat
ascendant kreeft
aan de treurwilg bij de turfput
aan de vijverplomp
aan de windlier
aan het waterlicht
ik kom terug
aan de wegelrug en het speenkruid
aan het schemergroen en de lijster
aan de beek onder de bramen
aan een iegelijk blad van de populier
ik kom terug
aan het eendenkroos over de stekelbaars
aan de beukenhaag naast de leuningbrug
aan de plas
aan de kiezel
ik kom terug
aan de kreeft op de bodem
aan de zwam in de rand
aan het lood van de visser
aan de reiger op de scheef gezonken boot
ik kom terug
aan de trap in de dijk aan de bank langs de dijk
aan de stroom zijn geklots aan het zog en het roer
aan de steigerpaal voor de bocht, de dukdalven
aan de lamp in de baken, de stormlamp op de plecht
ben je d’r nog, je had het gezegd
tijgebonden
de Schelde bij Driegoten, het bord geeft aan dat de Durme alleen te bevaren is bij hoog tij: vroeger voeren de vrachtschepen tot Waasmunster, aan de kade in Hamme lagen de aken met wel vijf of zes in een rij.
boswegel
nog een rapport
oproep
Afrika Djolé

Africa Djolé
de vrouwen die hij naloopt
door motregen, over stoepen
met hondenpoep (kop in de
grond, wat wil je) zij willen
naar Africa, de jongste
naar Nicaragua, de rode
zij zeggen: het doemdenken
het toezien uit de verte uit het voze
hoe elders het leven aanvangt
of als een boom staat vol mango’s
het verstijft je spieren tot spijlen
waar je nog amper een woord tussen krijgt
hier opstappen, hieraan ontsnappen, zeggen zij,
en aarden – puls in puls – stampen
met je voeten, met je buik tot je opstijgt, tot
je verbeelding vleugels krijgt
en doen, het eerste voor het eerst doen
en zijn , geen zombie met een stropdas
geen robot voor een botte klas
tussen de bergen zijn in de hangmat
van het dal, arm zijn, armen en omhelzen,
dansen, je lichaam laten galmen
als een boombrede tamtam
hier word je lam, hier slaan
ze jou als een kram in dood hout
hier ben je oud
daar wil ik me enten, het sap opzuigen
van de kalebas, van de ananas
(en liefhebben in tenten, mannen
berijden als paarden)
zij zeggen: ik wil weer wortels hebben
en bewegen met de aarde