Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
schotsom
schotsom
zoveel heb je geschreven:
wat krassen
in de onderkant van een tafelblad
iets wat een uitdrager opmerkt
na het slopen van het pand
is er een kringloopzaak
waar het kind herleeft
dat wegkroop tussen de poten
zich veilig en gewichtig waande
een sachem, een sjeik
wat heeft het nagetekend:
het gezeefde licht dat grijpbaar
leek als warme vingers
een lettergreep
bij een getekend gezicht
dat heb je opgeschreven:
de echo van een verzwegen stem
die nadreunt in je dromen
zoals het getinkel, gefezel,
geritsel van kant
zoals het neerkomen
van een vlakke hand
Elijah’s lied
vergeet bij deze maaltijd
het bord voor de reiziger niet
die komen zal
of al gekomen is
neergedaald in zijn sjees
als in een bal van vuur
en ons gadeslaat in dit uur
zijn adem op het raam
en het gadeslaat:
het malen van de kaken
onder de getrimde baard
de tanden als een geribde tang
om de rand van het kristal
het bekken zoals het gebogen staat
om het getrappel van het kraakbeen
het trotse hoge been
waaraan de borsten
opbollen als een zeil
vergeet zijn bord niet, hij eet
met smaak - en zie
hoe hij weer die vallei doorwaadt
het bleke zand waarop ze lagen
verspreid en uitgestald
als koopwaar op een laken
en hoe – zoals een wind op haren jaagt
tot ze rollen in een bol –
ze nader kwamen gelijk nieuwe buren
en zich herkenden: dij en scheen
en tussen stuit en schedel
het bikkelen snoer
afgestemd als een vedel
hoe in zijn lied de kaken
lippen kregen en spraken
want de holte had een tong
die de taal proefde – zachtjes lachend
om de gevonden munt
en dan de sjees, het span in dit lied:
vergeet zijn bord bij het venster niet
en zing niet luider in je slaap
dan het juichen van de paarden
piëta


pieta met appetijt
haar haren
een hangmat van een doezelend licht
met slapers in de ogen
de teint van dit ovaal gezicht
een zalm die dromerig heeft bewogen
in een tulpglas van opaal
haar lippen bakken zoete broodjes
met de taal een festijn
zoals het regenen kan
net vóór een volksstam bezwijkt
in zijn woestijn
de lange loden jas
in het zwart van pure nacht
wanneer al wat trilt en dreunt
in steen en been
zijn ontzag en huiver stemt
naar de hartslag van de stilte
een zalm die dromerig bewoog
in een tulpglas van opaal
doping-vervolg
Noot: evenmin als de langere tekst naar De Morgen wordt deze gepubliceerddoor De Standaard. Op de duur krijg je toch de indruk dat de redacties elke boodschap tegenhouden die hen wijst op hun verantwoordelijkheid. Johan Museeuw sprak gisterenavond bij Marcel Vantilt over 'roeren in de strontput' en Peter Vandermeersch zat er schaapachtig bij te grijnzen. Ik zal blijven hameren op de eenzijdigheid van de berichtgeving, op de manipulatie van de verontwaardiging, en de hypocriete tweedeling tussen zuiveren en corrupten waarbij de corrupten de atleten (en in het bijzonder de wielrenners) zijn en de zuiverende rest van de bevolking met de journalisten en sportbonden op kop.
Gisterenkwamen we te wetendat de Olympische Winterspelen zijn toegekend aan een Russische stad bij de Zwarte Zee. Vooral Poetin is daar zeer blij mee. Keer op keer stel je het zelfde vast: of in een land de mensenrechten worden geschonden, of daar de corruptie meer regel is dan uitzondering, dat doet er allemaal niet toe: de grote sportorganisaties ruiken een kans om geld te verdienen voor zichzelf en voor hun sponsors en al de rest zijn bekommernissen van een paar wereldvreemde mopperaars.
Mister Proper Jacques Rogge heeft uitbundig de hand geschud van tsaar Poetin en achteraf heeft hij niet gekeken hoe vuil die hand wel is: dit geeft de moraal aan van onze koene ridder.


rio de minho aldeia – Pessoa
rio de minho aldeia – Pessoa
geschiedenis van een rivier
ze loopt van sloten naar stroom
onder struweel en notelaar
een sluis houdt haar op, even hapt
ze naar adem, glijdt verder:
een reptiel door gras en netels
het draagt strepen van houten veren
en stalen brug, Pontrave, den Toeter
de rivier voedt met vele namen
- Poeke, Wantebeek, Moervaart,
Zeule, Durma, Oude Kale –
de walgracht van kastelen,
zoomt dorpen af, deelt een stad
in twee alsof er twee stammen
wonen – zij voerde turf en
kolen, baksteen, suikerbiet,
koorden van vezels uit de tropen
ze verborg een reuzenbeen in haar
bodem, omsloot een burcht
in een Luysenbosch waar een rover
huisde van schone slaapsters
en moe na geduldig kerven en
slijpen is ze in zichzelf gekeerd,
wentelt zich traag om brasem,
bleek en paling als een oud
verhaal om een droom en wie
van morgen gelooft het nog?
geschiedenis van water, boten
die somber klonken bij het ijle
fluiten in riet en populier
geschiedenis van bressen en
wielen, overdonderd vandaag
door een baggermolen
de rivier loopt door je leven
zoals jij liep door de rivier
bij laagtij, over zandplaten,
omringd door lis en wilgen
het leek alsof je op de schedel
van een mammoet stond
en waadde door de eeuwen


rondo
de jeugd wordt aan de jeugd
verspild zoals de wijsheid
aan de ouden – zelden
komen beide samen: bij een jong
dat uit het nest valt, een ouderling
die een tuin in loopt, zich buigt
naar een kever – zielen
die raken aan de randen van
de ruimte en in de aarde
geworteld staan, wetend van
haar blijdschap en haar bloeden
de jeugd wordt aan de jeugd
verspild zoals de wijsheid
aan de ouden – de gezwinde
grijsaard die altijd wint, drijft
een koets met zwarte paarden, hij
danst op de nok van daken, tuit
zijn noten door de schouw
en heel het huis zal horen
hoe een zeis wordt gewet
en zand ritselt in een loper
bederven zal het brood dat
nodig is, de schimmel blijft
behouden: de jeugd wordt
aan de jeugd verspild zoals
de wijsheid aan de ouden
band met de 'k'
Wardje Poppe
geen naam werd uitgesproken
met zoveel schroom en tederheid
door een meester, een buurvrouw,
de ruigste dronkaard van het dorp
een prentje in een missaal
een kader naast een schoolbord
een ovaal in sepia, een soutane
die een lichaam vorm en plaats
moest geven of er groeiden
vleugels aan: bid voor ons
het hoge blanke voorhoofd
een huid van glas om dwars
doorheen te kijken, een hand
amper op een jongensschouder
alsof de vingers nauwelijks
duwden en het kind verdween
over een brug van wolken
in het verslindend licht
steeds die spijt en tederheid
in alle streken van het land
na bijna tachtig jaar: hij had
nog zoveel willen doen in
Gent en Temse, in dorpen van
ellende waar een kind bezweek
aan duizend plagen en
de duivel loerde om de hoek
naar zijn Ridders van de Kruistocht
met teringblos en korte broek
de kapel in de lommer van het
ingedommeld Moerzeke: glas-in-lood,
een zwier alsof beton kan zweven
de geus vergeet zijn schamper
woord, de moker die zo’n
beeld verbrijzelt – hij hoort
die toon van spijt en tederheid
om een jongen van drieën-
dertig, vleugels die onzichtbaar
scheren over de Schelde, het heimwee
naar een droom van zuiverheid
die in elke tijd behoort
tot andere tijden en meet je
een koorts niet aan haar droom?
klassenstrijd?
fair trade


chalet bij de brug
vaak een gedaante en je weet
niet of het om een foto gaat
van later, of een gebouw, een weg
ontstond uit een verhaal
zoals dat chalet op hoge poten
bij de oude brug, het leek op
een pagode met een houten
wandelgang als kraag
we zaten buiten aan het water
boten lagen als vogels te broeden
op een tocht – vader dronk,
moeder verzamelde haar zomerse
sproeten, de hemel bolde op
als een eindeloos zeil
de wereld draaide om de spil
van een notelaar, om het gezeefde
licht dat tintelde boven een
kinderwagen – meer geschiedde
niet, geen opschudding dan een
trage aak, de snik van een meerkoet,
het klotsen van een donkere golf
een gedaante op een afgebleekte
foto, nauwelijks sepia, het silhouet
van een pagode: zo exotisch
dit binnenland aan de boord
van een rivier, in de schemer
lampions aan lange draden:
we schoven op een cruiseschip
door de ruimte en de ruimte
was diep, er ruiste een stilte
rondom voelbaar als een
gaasdoek waarop een koekoek
zijn purperen roep borduurde
de cigarillo van vader, moeder
haar vermout – vaag een balustrade,
een kraaiennest: iemand bleef
op post voor later wanneer
de beelden zijn opgelost
echtscheiding
Wat zouden de resultaten zijn mocht men een gelijkaardig onderzoek uitvoeren bij veertigers van wie tijdens hun kinderjaren een van de ouders is overleden; of bij wie thuis de sfeer het tegendeel was van geborgenheid? Omdat hun ouders meer bezig waren met hun carrière dan met nestwarmte, of eerder uit berekening bij elkaar bleven dan uit liefde?
Dan zou men bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat kinderen van gescheiden ouders vaker zelfstandiger zijn dan andere, kortom : het beeld zou veel genuanceerder zijn.
Mijn probleem is altijd: hoe meet je zoiets, 'gelukkig zijn'? Hoe vaak krijg je op je vraag: 'hoe gaat het?' als antwoord 'goed' terwijl je aan de lichaamstaal kan merken dat de persoon in kwestie zich helemaal niet goed voelt.
Mij overtuigt evenmin het argument dat mensen met een hoger inkomen over het algemeen gelukkiger zouden zijn dan mensen met een lager.
Als het gaat om een te laag inkomen waardoor men elementaire zaken niet meer kan betalen zoals de studiekosten van de kinderen, dan lijkt het me evident. Maar observatie leert dat welstellende mensen net zo goed depressief kunnen zijn, gekweld door allerlei zorgen, onder andere omdat heel onze maatschappij aanstuurt op 'meer': hoeveel mensen vinden dat zij genoeg hebben? Wie deze houding van tevredenheid wil volhouden, die moet zich min of meer isoleren van de consumptiemaatschappij met haar voortdurende aansporingen om naar meer te streven. Als we geen sticker op onze brievenbus kleven, puilt die uit van de reclamebladen en de allesoverheersende boodschap van dit drukwerk is: 'consumeren zult gij'.
Geluk heeft te maken met een innerlijke vrede en die bereik je niet door mee te doen aan deze competitie van altijd maar meer: verdere reizen, het nieuwste apparaat, een snellere wagen etc
Mensen die tijdens de zomer niet verder reizen dan hun eigen tuin, worden als abnormalen bekeken. Nochtans is daar de vrede te vinden: in de schaduw van een boom, bij de rimpeling van een vijver, in de geur van bloemen.
sloop
vader zou garages bouwen
we moesten aan de sloop:
een hangar waar je de stenen
uit de muur kon pulken
als suikerklontjes uit een doos
taaier was het rijhuisje
naast ons van tante Alice
onze oudste verloren zoon
werd weer in huis genomen
om het gebinte te kraken
hoeveel weken in die zomermaanden
zat je te bikken met het kapmes
bijna een halve eeuw later
kom je voorbij opwolkend stof
waar een krot wordt verpulverd
weerom ruik je de wakke
mortel, de bijtende kalk
die aan je huid en kleren
kleefde, je neus en keel
dichtsnoerde met de smaak
en geur van graven
vader zou garages bouwen
want chinchilla’s kweken
bleek een ramp: er moest
wat worden bijgeschreven
op een rekening in het rood
de eerste huur kwam na zijn dood
en nog steeds zie je wanneer
een huis wordt uitgekleed
die trappen naar de leegte
hoe het levend wordt gevild
en geen omstaander de kreten
hoort, de geesten die zich weg
haasten voor wind en licht
verhalen die men van de wanden
schraapt zoals men gouden
tanden uit een dode haalt
terwijl geen hoofd zich
afwendt van schaamte
Dopingsaga
Zaterdag in De Morgen:7 bladzijden over doping, ongeveer een viertal over maatschappelijke problemen zoals vermoedelijke discriminatie op de arbeidsmarkt en de behandeling van asielzoekers.
En dan steekt De Morgen nog duidelijk uit boven de concurrentie: in de populaire of populistische kranten is de aandacht voor sociaal onrecht meestal een lachertje.
Waarom blijf ik mij hierover opwinden?
1. Doping is een probleem maar wordt steeds geïsoleerd benaderd. Het misbruik van farmaceutica zit verweven in heel in onze maatschappij. Lees er de statistieken maar op na over de overconsumptie van antidepressiva, tranquillizers, slaapmiddelen, angstremmers, pepmiddelen en dies meer. Bijna altijd gebeurt dit misbruik om te kunnen presteren, om te slagen in slecht voorbereide examens, om mee te kunnen blijven draaien in de mallemolen van onze economie of om een stresserend beroep te kunnen combineren met een gezinsleven of ontspanningsleven, of gewoon om zichzelf te overtreffen.
Kortom, de sport bevindt zich wat deze ontspoorde consumptie betreft niet op een eiland.
2. De repressie is een voortdurende schending van het gelijkheidsbeginsel uit onze grondwet en vaak van elementaire mensenrechten. Kan iemand het zich inbeelden dat in de strijd tegen de sociale en fiscale fraude (zwartwerk en belastingontduiking) mogelijke fraudeurs maanden van te voren moeten opgeven waar ze zich zullen bevinden zodat zij van 6 uur ’s morgens tot 22 uur ’s avonds kunnen worden gecontroleerd? Hoe vaak krijgt een fiscale fraudeur twee jaren beroepsverbod? Verdachten , zelfs in moordzaken, worden in de media aangeduid met initialen: als het gaat om sportlui worden die onmiddellijk met naam en toenaam aan de schandpaal genageld. Toen Marino Keulen Vlaams minister van sport was, stonden de veroordeelde dopingzondaars zelfs op het internet. Wanneer zoiets gebeurt met veroordeelde pedofielen, dan spreekt men van een schending van de privacy.
Traditionele juridische principes zoals het ‘non bis in idem’ gelden niet voor sportlui: zij kunnen zowel door hun sportbond als door de gewone rechtbank worden gestraft voor eenzelfde inbreuk.
Mij komt het dikwijls voor dat onze democratische rechtstaat ophoudt, waar de (top)sport begint: de juridische bescherming die voor ons allemaal van kracht is, telt blijkbaar niet meer voor de atleten.
3. In de discussie over de schadelijkheid van doping ontbreekt bijna altijd het wetenschappelijk gefundeerd tegensprekelijk debat. Lees er Humo van vorige week op na: niet alle wetenschappers zijn zo overtuigd van de nadelen van een medisch gecontroleerd epogebruik.
4.
Mensen uit het welzijnswerk en al wie zich bekommert om de mensenrechten , om de bestrijding van de armoede, kunnen er alleen maar van dromen dat de media een even intense en doorlopende aandacht zouden willen opbrengen voor essentiële tekortkomingen in onze maatschappij. Het is mijn vaste overtuiging dat onze politici met name de strijd tegen de armoede – die voor dit rijke Vlaanderen een regelrechte schande is – heel wat kordater zouden aanpakken mocht de pers hen week na week daarover aan de tand voelen.
5.
Waarom gebeurt dit laatste niet? Omdat armoede en onrecht zolang er geen doden vallen niet zo spectaculair zijn, en als er geen kinderen bij betrokken zijn maken ze minder emoties los.
De onophoudelijke dopingsaga zorgt voor verhitte bekvechterij aan de cafétoog, maar laten de dopingdominees zich geen illusies maken: de sportfanaten die vandaag hun gal uitspuwen of de spot drijven met de dopingfraudeurs, zijn morgen weer present op de volgende wedstrijd.
Naar mijn mening is de heisa omtrent doping weinig meer dan een onderdeel van de allesomvattende massahysterie die de sport teweeg brengt en die door de sportjournalistiek wordt aangewakkerd.
Waar ik voor pleit is de redelijkheid en het relativerend overzicht: zie het dopingprobleem in een ruimer verband en maak er geen ‘war on drugs’ van die net zoals de ‘war on terror’ een ideaal - in dat geval: een zuivere sport – pretendeert na te streven, maar intussen elementaire regels schendt en alle prioriteiten overhoop gooit. Verontwaardiging is een energie maar zoals elke energie niet onuitputtelijk: wie ze besteedt aan secundaire problemen, houdt geen energie meer over om de ware schandalen van deze tijd aan te pakken, in het bijzonder het vermijdbare lijden dat blijft voortbestaan dankzij onze onverschilligheid. En ‘dankzij’ is inderdaad cynisch bedoeld.
beco que cantei, adeus – Manuel Bandeira
afscheid zal je nemen
wanneer het sneeuwt in je
hoofd en het beeld uitvalt
niet eerder, het straatje
zonder einde, de wegel naar
het veld: je komt er met
de ogen van een vogel,
gehurkt in de buidel
van een engel zonder
ruis noch gewicht
weinig bijzonder: een stroeve
veldwachter die van elders
kwam, een kaartvriend die
champetter was, naar elders
verhuisde: voorbij de bonnen
voor de kermis, het gratis
graaien naar de flos
geen kind ontvoerd, geen vrouw
geschonden behalve dagelijks
door staalwol en schuim
geschramd, een beetje gegrift
en gegriefd door de eksterstem
van klappeien en wie was
geen vogel van die soort
zij schuurden hun bijgang
en soms een ziel, eens de mannen
verdwenen: lege schimmen
in de schaduw van twee gevels
in de nevel die een nat laken
tussen de wilgen hing
hun rode handen hadden
de ransel gevuld, het brood
gesmeerd, de koffie overgeheveld
in de pul met beugel
geen tijd voor zo’n flauwiteit
als een groet: een kuch, gehum,
een zwaai van een houterig
been, het krakende zadel
afscheid van de weiden
een zakdoek als doelpaal
de haag waar een voorwiel
in boorde toen je remde
met een schoenzool: ach,
je eerste menierode
jongensfiets zonder banden
straatje zonder einde, wegel
naar het veld langs de haag
die pootjes kreeg in de blauwe
schemer en een weerwolf werd
beelden waar je afscheid van
neemt, ooit, wanneer het sneeuwt
in je hoofd terwijl de bloesem
valt uit al de kerselaren
reusje
reusje
tal van ogen zijn nodig
om de man in de reus te zien
de tederheid van twee
kolenschoppen, de ferme
in de bevende stem,
de denker in de zwijger
tal van oren om te verstaan
wanneer een hart kraakt
als een bed: het verliefde
of het slapeloze hijgen
tal van haren om aan
te trekken omdat je niet
zag noch hoorde
tal van handen om
die haren lang te strelen
wanneer de stem beeft
en de ferme schopt in kolen
aan een reus valt te wennen
niet aan een man, die moet
zijn dagen rijgen aan het
hijgen van de nacht
wanneer de kamer te veel
ogen heeft, te weinig
lippen om te zwijgen


hovering
- to Marcus, Amida's poet -
listen to this single line:
a bird’s cry over
moors and marshes
why
you see that former paper
soldier, falling from
his cross: the tumbling
curse like a rock
on anonymous graves
meanwhile the bird
soars praying over
moors and marshes
why
some rivers gain
eternal life, curling
like a golden braid
risen from an ancient tomb
wonder what her sighs
have been, her whispering,
her ultimate cry hovering
over flesh and bone
over moors and marshes
a lonesome bird
the river marking
a single why
(photoshop by Ludwig)
anima mea
anima mea, als in een brandende braambos
zo, en zo vergeefs
ben je bezig: boetseren
woorden afwegen
als klodders klei
je voegt toe, strijkt weer af
tot zij op zou rijzen
gedragen door de roze schelp
van die ene regel
voltooid en onverbeterlijk
je weet dat ze aanwezig is
sedert eeuwen
op een vermolmd paneel
dat zich staande houdt
aan lagen pleister en probeersel
misbaksels
over een vergeten meester
de enige die het deed :
haar maken
zoals het zaad de bomen maakt
en de goden hun dromen
toevertrouwen aan het vlees
voeg niet toe
veeg weg
krab woord van woord
schaaf beeld van beeld
en zie, voel en proef
na de genade van die ene flits
het poeder
haar zien
is de moeder van de verpulvering
dokter Cosyns
dokter Cosyns
In De Morgen van vandaag licht dokter Cosyns de bedoeling van zijn actie toe: hij wil elke vorm van stervensbegeleiding op een gelijkwaardige manier behandeld zien.
In een kort commentaar zegt CD&V-senator Hugo Vandenberghe dat dit jurisch niet kan: euthanasie kan niet worden opgenomen in de wet op de patiëntenrechten omdat zoiets zou betekenen dat een arts kan verplicht worden om euthanasie uit te voeren.
Hier begrijp ik niets van: is een dokter soms verplicht om mij anti-biotica te geven als ik daarom vraag? Bij mijn weten houden de patiëntenrechten alleen in dat men recht heeft op goede zorgen, maar niet dat een dokter een behandeling moet verlenen waar hij in eer en geweten niet mee akkoord kan gaan.
Iets anders is de plicht om de patiënt eventueel te verwijzen naar een collega.
Ik stel vast dat de tegenstanders van euthanasie zich nog altijd blijven kronkelen in het zelfde wijwater; zij wringen zich in allerlei juridische bochten terwijl zij in feite maar één argument hebben: mijn geloof is er tegen.
Met open visier strijden betekent nog niet dat je gelijk hebt, maar je hebt dan tenminste toch de verdienste van de eerlijkheid.

