Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Blanpain
specialist arbeidsrecht Roger Blanpain
In De Standaard van vandaag dinsdag gaat emeritus professor Blanpain tekeer tegen de ontslagvergoedingen bij Opel Antwerpen en tegen het brugpensioen.
Hij neemt zichzelf als voorbeeld: 'ik ben 74 en ik werk nog alle dagen.'
Heeft deze man er enig benul van hoe bevoorrecht hij wel is?
Hij kan zich bezig houden met zijn passie, krijgt volop aandacht en blijkbaar ook waardering. En hij verkeert in uitstekende gezondheid.
Hoeveel 55-plussers die nog aan het werk zijn kunnen dit zeggen?
Ik kan mijzelf ook als voorbeeld aanbevelen: zolang ik niet dement word zal ik blijven schrijven. Ik verdien daar minder mee dan deze professor maar soit.
In het artikel wordt geen enkele keer gezegd dat onze sociale zekerheid hoe dan ook onbetaalbaar zal worden gezien de vergrijzing en de verlenging van de levensduur, tenzij er andere bronnen van financiering worden aangeboord.
Wanneer zullen de rechtse geesten eens inzien dat de arbeid en de arbeidende bevolking geen melkkoe zijn die men eindeloos kan leegmelken?
Zelfs indien morgen iedereen tot zijn 70ste gaat werken dan nog zal de belasting op arbeid nooit de hoger genoemde kosten dekken.
En zolang specialisten alleen in het enge cirkeltje van hun eigen specialisatie kunnen denken, zal er nooit een evenwichtige oplossing uit de bus komen.
wilsverklaring
wilsverklaring
zo graag wou hij bewijzen
hoe lenig, handig hij nog was:
je oefende in hordelopen en hij
op slippers sprong uit stilstand
over een meter en meer
en dicht bij het einde stond hij
te schommelen voor de kaal
gebikte buitenmuur, schepte
voegsel uit de trog, lachte
dwaas telkens de mortel weer
van tussen de stenen gleed
zo graag wou hij het tonen
het leven voordoen als een
volleerde meester, doorgeven
wat hij kon en was: een trotse
jongen, een vader die zijn trots
verschoof, overdroeg zoals
een bedaarde heerser zijn land
zo graag had je hem bewezen
dat hij in vrede weg kon gaan
ergens naar een klooster zoals
een oude keizer ver van het
gewoel, de verwikkelingen,
de kuiperijen, de legers
zo graag was je van hem
geweest: drager van zijn zaad
en geest, de estafetteloper
die hem uit zag hijgen en
juichend door het lint zou gaan
zo graag had hij zijn naam
gelezen onder de woorden
uit jouw pen, en meest van al
had hij ervan gehouden
om het op zijn schoot te nemen:
het zuigend gevolg van jouw
zaad, zoals de avond verzadigd
dieren, velden aan de stilte
en het duister laat
reis naar Roemenië
Ter afwisseling laat ik nu onze vriendin An aan het woorddie zopas terugis van een reis naar Roemenië.
Nooit vergeten
Hoofdredacteur Vandermeersch schrijft vandaag in De Standaard dat de renners die vandaag door de Westhoek fietsen nooit mogen vergeten 'dat ze dat mede kunnen omdat er negentig jaar geleden jonge mensen hun leven gaven in het slijk rond Ieper.'
De waarheid is dat deze jongemannen van het leven werden beroofd door parvenu's van officieren en politici die droomden van eeuwige roem.
incasseren
Zelden zo'n topzware zondagavond meegemaakt als gisteren op Canvas.
Eerst een reportage over de CIA-vluchten en de folteringen op last van de CIA; daarna een documentaire over de opwarming van de aarde en de mogelijke gevolgen.
Op het eerste programma kon je moeilijk anders reageren dan met walg: hoe bestaat het dat een land dat zich opwerpt als de missionnaris van 'vrijheid en democratie' zo grof, brutaal en geniepig de mensenrechten schendt? In feite is dit niets nieuws: reeds in de jaren 1970 publiceerde Amnesty International rapporten die hetzelfde vertelden. Maar toch word je telekns weer overdonderd door de leugens en de lichtgelovigheid van massa's mensen voor wie de 'new born christian' Bush een oprecht man is.
En zoals een psychiator op het einde van de documentaire over de klimaatsveranderingen opmerkte: hoeveel waarschuwingen heeft de bevolking nodig om zijn gedrag aan te passen? Of omgekeerd: werken de waarschuwingen niet averechts. Keren de mensen zich niet juist af van boodschappers die het steeds hebben over toekomstig onheil?
Wat in de documentaire werd gezegd deed sterk denken aan het eerste rapport van de zogenaamde Club van Rome: 'Grenzen aan de Groei' - gepubliceerd als Aulapocket in 1967 geloof ik.
Als er iets is waar ik telkens met verbazing naar luister dan zijn het wel die voortdurende verklaringen van onze politici en economen dat het goed gaat zolang er groei is of sterker dat er groei moet zijn om onze welvaart in stand te houden, om voor meer jobs te zorgen etc
Het deed dan ook deugd eens een Engelse professor in de economie te horen zeggen dat het concept groei nefast wordt wanner het meer 'bads' (kwade dingen) genereert dan 'goods' (goeie dingen).
Zowat 15 jaar geleden kwam op een pedagogischestudie in onze school een personeelschef van MBLE Philips opscheppen over hun verhoogde productiviteit: 'we kunnen tien keer sneller tien keer meer tv-toestellen maken.'
Er werd niet aan toegevoegd wie al die toestellen zou kopen, hoeveel grondstoffen daar nodig voor waren, hoeveel energie, en hoeveel afval zou worden geproduceerd.
Hij had het ook over de fameuze flexibiliteit: soms moesten hun arbeiders 60 uren per week draaien, soms werden ze technisch werkloos. Onzekerheid troef dus.
Het duidelijkste voorbeeld van de zegeningen van flexibiliteit en verhoogde productiviteit is de autoindustrie: er worden zodanig veel auto's gefabriceerd dat er steeds vaker arbeiders moeten worden afgedankt.
Trouwens, wat jobcreatie betreft: is het voldoende dat een economisch systeem voor meer arbeidsplaatsen zorgt of moeten we eerder evalueren om wat voor arbeid het gaat? Wat is de toegevoegde waarde van bijkomende jobs die bijkomende stress en ziekte en malaise genereren?
In wezen varieert het bovenstaande op een basisgedachte van de filosoof Ivan Illich die in de jaren 60 geweldig populair was en vandaag volkomen vergeten: wanneer een goed bovenmatig wordt geproduceert, ontaardt het in een kwaad.
Concreet voorbeeld: medicatie is heilzaam, te veel medicatie schadelijk.
Op een gelijkaardige manier heeft de automatisering van de arbeid, de competiviteit van de bedrijven eerst gezorgd voor meer welvaart, maar pas in deze tijd beginnen we de nadelen te ervaren van de overmaat.
En zoals Yves Desmet vorige week in De Morgen schreef: meer welvaart resulteert in meer angst om die welvaart te verliezen.
Sedert de Golden Sixties heeft Vlaanderen, net als de rest van de geïndustrialiseerde wereld, een enorme sprong gemaakt inzake comfort, consumptiemogelijkheden etc Maar zijn we er ook mentaal beter van geworden? Zolang men kon geloven in 'the sky is the limit' heerste er een oeverloos optimisme, maar nu de boog naar beneden lijkt te gaan of beter gezegd: te zullen gaan (want de angst betreft de toekomst) zien we diverse houdingen gaande van ontkenning ('het zal onze tijd wel duren' - denk aan de types die de opwarming van de aarde best leuk zouden vinden want dan kunnen ze een heel jaar in t-shirt op een terrasje gaan zitten), overmatige stress, onbehagen en somberheid. En de overvloed aan informatie zorgt ervoor dat men zich overweldigd voelt - precies zoals de theorie van Illich het zegt: informatie is goed, te veel informatie kan niet meer worden verwerkt en zorgt voor afweerreacties. Straatinterviews leveren telkens weer het beeld op van volslagen onwetende medeburgers in een tijd die door kennis en berichtgeving wordt overspoeld: men wil het gewoon niet meer weten. Wat betekent dat we even ver staan als in de tijd dat de informatie schaars was: de mens van vandaag heeft net zo sterk het gevoel door de ontwikkelingen te worden meegesleurd als tijdens het Ancien Régime toen alleen een elite over enige kennis beschikte.
Waarbij we de vraag kunnen stellen of dit verlies van greep op de feiten ook kan leiden tot het gevoel van verlies van greep op het eigen leven.
In de documentaire werd gezegd - door een Amerikaanse psychiator - dat de mens van vandaag zich voor het eerst een god kan wanen in de zin dat hij voor het eerst net zoals een god de aarde kan vernietigen. En deze vaststelling overlaadt de mens met angst en schuldgevoelens.
Dat 'apocalyptische besef' was reeds aanwezig na de eerste atoombom, maar toen was de moderne Sjiva of God van de Vernietiging nog een legermacht; vandaag is het de collectiviteit van alle mensen. Niet een of andere gekke president kan de aarde verwoesten, we zijn er zelf mee bezig.
Een intens licht valt door het raam, grijze cumuluswolken hangen schijnbaar roerloos boven de daken.
Afghanistan
schotsom
schotsom
zoveel heb je geschreven:
wat krassen
in de onderkant van een tafelblad
iets wat een uitdrager opmerkt
na het slopen van het pand
is er een kringloopzaak
waar het kind herleeft
dat wegkroop tussen de poten
zich veilig en gewichtig waande
een sachem, een sjeik
wat heeft het nagetekend:
het gezeefde licht dat grijpbaar
leek als warme vingers
een lettergreep
bij een getekend gezicht
dat heb je opgeschreven:
de echo van een verzwegen stem
die nadreunt in je dromen
zoals het getinkel, gefezel,
geritsel van kant
zoals het neerkomen
van een vlakke hand
Elijah’s lied
vergeet bij deze maaltijd
het bord voor de reiziger niet
die komen zal
of al gekomen is
neergedaald in zijn sjees
als in een bal van vuur
en ons gadeslaat in dit uur
zijn adem op het raam
en het gadeslaat:
het malen van de kaken
onder de getrimde baard
de tanden als een geribde tang
om de rand van het kristal
het bekken zoals het gebogen staat
om het getrappel van het kraakbeen
het trotse hoge been
waaraan de borsten
opbollen als een zeil
vergeet zijn bord niet, hij eet
met smaak - en zie
hoe hij weer die vallei doorwaadt
het bleke zand waarop ze lagen
verspreid en uitgestald
als koopwaar op een laken
en hoe – zoals een wind op haren jaagt
tot ze rollen in een bol –
ze nader kwamen gelijk nieuwe buren
en zich herkenden: dij en scheen
en tussen stuit en schedel
het bikkelen snoer
afgestemd als een vedel
hoe in zijn lied de kaken
lippen kregen en spraken
want de holte had een tong
die de taal proefde – zachtjes lachend
om de gevonden munt
en dan de sjees, het span in dit lied:
vergeet zijn bord bij het venster niet
en zing niet luider in je slaap
dan het juichen van de paarden
piëta


pieta met appetijt
haar haren
een hangmat van een doezelend licht
met slapers in de ogen
de teint van dit ovaal gezicht
een zalm die dromerig heeft bewogen
in een tulpglas van opaal
haar lippen bakken zoete broodjes
met de taal een festijn
zoals het regenen kan
net vóór een volksstam bezwijkt
in zijn woestijn
de lange loden jas
in het zwart van pure nacht
wanneer al wat trilt en dreunt
in steen en been
zijn ontzag en huiver stemt
naar de hartslag van de stilte
een zalm die dromerig bewoog
in een tulpglas van opaal
doping-vervolg
Noot: evenmin als de langere tekst naar De Morgen wordt deze gepubliceerddoor De Standaard. Op de duur krijg je toch de indruk dat de redacties elke boodschap tegenhouden die hen wijst op hun verantwoordelijkheid. Johan Museeuw sprak gisterenavond bij Marcel Vantilt over 'roeren in de strontput' en Peter Vandermeersch zat er schaapachtig bij te grijnzen. Ik zal blijven hameren op de eenzijdigheid van de berichtgeving, op de manipulatie van de verontwaardiging, en de hypocriete tweedeling tussen zuiveren en corrupten waarbij de corrupten de atleten (en in het bijzonder de wielrenners) zijn en de zuiverende rest van de bevolking met de journalisten en sportbonden op kop.
Gisterenkwamen we te wetendat de Olympische Winterspelen zijn toegekend aan een Russische stad bij de Zwarte Zee. Vooral Poetin is daar zeer blij mee. Keer op keer stel je het zelfde vast: of in een land de mensenrechten worden geschonden, of daar de corruptie meer regel is dan uitzondering, dat doet er allemaal niet toe: de grote sportorganisaties ruiken een kans om geld te verdienen voor zichzelf en voor hun sponsors en al de rest zijn bekommernissen van een paar wereldvreemde mopperaars.
Mister Proper Jacques Rogge heeft uitbundig de hand geschud van tsaar Poetin en achteraf heeft hij niet gekeken hoe vuil die hand wel is: dit geeft de moraal aan van onze koene ridder.


rio de minho aldeia – Pessoa
rio de minho aldeia – Pessoa
geschiedenis van een rivier
ze loopt van sloten naar stroom
onder struweel en notelaar
een sluis houdt haar op, even hapt
ze naar adem, glijdt verder:
een reptiel door gras en netels
het draagt strepen van houten veren
en stalen brug, Pontrave, den Toeter
de rivier voedt met vele namen
- Poeke, Wantebeek, Moervaart,
Zeule, Durma, Oude Kale –
de walgracht van kastelen,
zoomt dorpen af, deelt een stad
in twee alsof er twee stammen
wonen – zij voerde turf en
kolen, baksteen, suikerbiet,
koorden van vezels uit de tropen
ze verborg een reuzenbeen in haar
bodem, omsloot een burcht
in een Luysenbosch waar een rover
huisde van schone slaapsters
en moe na geduldig kerven en
slijpen is ze in zichzelf gekeerd,
wentelt zich traag om brasem,
bleek en paling als een oud
verhaal om een droom en wie
van morgen gelooft het nog?
geschiedenis van water, boten
die somber klonken bij het ijle
fluiten in riet en populier
geschiedenis van bressen en
wielen, overdonderd vandaag
door een baggermolen
de rivier loopt door je leven
zoals jij liep door de rivier
bij laagtij, over zandplaten,
omringd door lis en wilgen
het leek alsof je op de schedel
van een mammoet stond
en waadde door de eeuwen


rondo
de jeugd wordt aan de jeugd
verspild zoals de wijsheid
aan de ouden – zelden
komen beide samen: bij een jong
dat uit het nest valt, een ouderling
die een tuin in loopt, zich buigt
naar een kever – zielen
die raken aan de randen van
de ruimte en in de aarde
geworteld staan, wetend van
haar blijdschap en haar bloeden
de jeugd wordt aan de jeugd
verspild zoals de wijsheid
aan de ouden – de gezwinde
grijsaard die altijd wint, drijft
een koets met zwarte paarden, hij
danst op de nok van daken, tuit
zijn noten door de schouw
en heel het huis zal horen
hoe een zeis wordt gewet
en zand ritselt in een loper
bederven zal het brood dat
nodig is, de schimmel blijft
behouden: de jeugd wordt
aan de jeugd verspild zoals
de wijsheid aan de ouden
band met de 'k'
Wardje Poppe
geen naam werd uitgesproken
met zoveel schroom en tederheid
door een meester, een buurvrouw,
de ruigste dronkaard van het dorp
een prentje in een missaal
een kader naast een schoolbord
een ovaal in sepia, een soutane
die een lichaam vorm en plaats
moest geven of er groeiden
vleugels aan: bid voor ons
het hoge blanke voorhoofd
een huid van glas om dwars
doorheen te kijken, een hand
amper op een jongensschouder
alsof de vingers nauwelijks
duwden en het kind verdween
over een brug van wolken
in het verslindend licht
steeds die spijt en tederheid
in alle streken van het land
na bijna tachtig jaar: hij had
nog zoveel willen doen in
Gent en Temse, in dorpen van
ellende waar een kind bezweek
aan duizend plagen en
de duivel loerde om de hoek
naar zijn Ridders van de Kruistocht
met teringblos en korte broek
de kapel in de lommer van het
ingedommeld Moerzeke: glas-in-lood,
een zwier alsof beton kan zweven
de geus vergeet zijn schamper
woord, de moker die zo’n
beeld verbrijzelt – hij hoort
die toon van spijt en tederheid
om een jongen van drieën-
dertig, vleugels die onzichtbaar
scheren over de Schelde, het heimwee
naar een droom van zuiverheid
die in elke tijd behoort
tot andere tijden en meet je
een koorts niet aan haar droom?
klassenstrijd?
fair trade


chalet bij de brug
vaak een gedaante en je weet
niet of het om een foto gaat
van later, of een gebouw, een weg
ontstond uit een verhaal
zoals dat chalet op hoge poten
bij de oude brug, het leek op
een pagode met een houten
wandelgang als kraag
we zaten buiten aan het water
boten lagen als vogels te broeden
op een tocht – vader dronk,
moeder verzamelde haar zomerse
sproeten, de hemel bolde op
als een eindeloos zeil
de wereld draaide om de spil
van een notelaar, om het gezeefde
licht dat tintelde boven een
kinderwagen – meer geschiedde
niet, geen opschudding dan een
trage aak, de snik van een meerkoet,
het klotsen van een donkere golf
een gedaante op een afgebleekte
foto, nauwelijks sepia, het silhouet
van een pagode: zo exotisch
dit binnenland aan de boord
van een rivier, in de schemer
lampions aan lange draden:
we schoven op een cruiseschip
door de ruimte en de ruimte
was diep, er ruiste een stilte
rondom voelbaar als een
gaasdoek waarop een koekoek
zijn purperen roep borduurde
de cigarillo van vader, moeder
haar vermout – vaag een balustrade,
een kraaiennest: iemand bleef
op post voor later wanneer
de beelden zijn opgelost
echtscheiding
Wat zouden de resultaten zijn mocht men een gelijkaardig onderzoek uitvoeren bij veertigers van wie tijdens hun kinderjaren een van de ouders is overleden; of bij wie thuis de sfeer het tegendeel was van geborgenheid? Omdat hun ouders meer bezig waren met hun carrière dan met nestwarmte, of eerder uit berekening bij elkaar bleven dan uit liefde?
Dan zou men bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat kinderen van gescheiden ouders vaker zelfstandiger zijn dan andere, kortom : het beeld zou veel genuanceerder zijn.
Mijn probleem is altijd: hoe meet je zoiets, 'gelukkig zijn'? Hoe vaak krijg je op je vraag: 'hoe gaat het?' als antwoord 'goed' terwijl je aan de lichaamstaal kan merken dat de persoon in kwestie zich helemaal niet goed voelt.
Mij overtuigt evenmin het argument dat mensen met een hoger inkomen over het algemeen gelukkiger zouden zijn dan mensen met een lager.
Als het gaat om een te laag inkomen waardoor men elementaire zaken niet meer kan betalen zoals de studiekosten van de kinderen, dan lijkt het me evident. Maar observatie leert dat welstellende mensen net zo goed depressief kunnen zijn, gekweld door allerlei zorgen, onder andere omdat heel onze maatschappij aanstuurt op 'meer': hoeveel mensen vinden dat zij genoeg hebben? Wie deze houding van tevredenheid wil volhouden, die moet zich min of meer isoleren van de consumptiemaatschappij met haar voortdurende aansporingen om naar meer te streven. Als we geen sticker op onze brievenbus kleven, puilt die uit van de reclamebladen en de allesoverheersende boodschap van dit drukwerk is: 'consumeren zult gij'.
Geluk heeft te maken met een innerlijke vrede en die bereik je niet door mee te doen aan deze competitie van altijd maar meer: verdere reizen, het nieuwste apparaat, een snellere wagen etc
Mensen die tijdens de zomer niet verder reizen dan hun eigen tuin, worden als abnormalen bekeken. Nochtans is daar de vrede te vinden: in de schaduw van een boom, bij de rimpeling van een vijver, in de geur van bloemen.
sloop
vader zou garages bouwen
we moesten aan de sloop:
een hangar waar je de stenen
uit de muur kon pulken
als suikerklontjes uit een doos
taaier was het rijhuisje
naast ons van tante Alice
onze oudste verloren zoon
werd weer in huis genomen
om het gebinte te kraken
hoeveel weken in die zomermaanden
zat je te bikken met het kapmes
bijna een halve eeuw later
kom je voorbij opwolkend stof
waar een krot wordt verpulverd
weerom ruik je de wakke
mortel, de bijtende kalk
die aan je huid en kleren
kleefde, je neus en keel
dichtsnoerde met de smaak
en geur van graven
vader zou garages bouwen
want chinchilla’s kweken
bleek een ramp: er moest
wat worden bijgeschreven
op een rekening in het rood
de eerste huur kwam na zijn dood
en nog steeds zie je wanneer
een huis wordt uitgekleed
die trappen naar de leegte
hoe het levend wordt gevild
en geen omstaander de kreten
hoort, de geesten die zich weg
haasten voor wind en licht
verhalen die men van de wanden
schraapt zoals men gouden
tanden uit een dode haalt
terwijl geen hoofd zich
afwendt van schaamte

