opwarming
fluit alsof het lente is:
een lied van CO2
opwarming
Etienne Vermeersch
fiscus
loserslosers
strepen van een kille regen
zoveel glas en nog veroordeeld
tot gespleten kijken
een kale tak, zwarte vogel
een treurnis van gebladerte
aan een beukenhaag
een witte vlek
die langs schuift
geluidloos
de bestuurder blijft
onzichtbaar
een tuintafel, vetplant
in metalen vaas
ze heeft een naam gehad
de vermetelheid
van zaden
de regen ontleedt
in onwezenlijke delen
verkilt het gebeente
schudt beenderen uit een zak
hij breekt het licht
zoals laarzen botten breken
en hakken een tak
een bosduif zet een hoge
borst op alsof ze zegt:
doodgaan is voor losers
Hilde Crevits
debutantedebutante van 60
- voor Lisette W. –
onzeker schermt ze haar
woorden af: betaamt het
wel, dit spreken met verhakkelde
stem, spiegelscherven na
het gooien van een steen
in een moedwillig verduisterde
kamer, een boudoir van
een dame zonder lamé
en zijde, een dertiende
uit een dozijn
verzamel haar wereld
scherf na scherf: lees hoe
veelvoudig je wordt weerkaatst
hoeveel handen grijpen
naar één brood: wie deelt
zal verdelen, maakt onderscheid,
zet de ene tegen de andere op
en alle behoren tot haar wezen
betaamt het dat haar naam
staat in een lijst van meesters
die net als zij beginnen
elke dag, elk blanco blad
een leeg venster waarin
ze een dag verzinnen
met verhaal en leven
onzekere leerlingen
van hun eigen school:
een vissenschool van
onderzeese tover, een ekster-
school van dieven, een vlucht
ganzen die voorspellen
betaamt het dat ze een
naam hanteren als een zwaard
doen alsof de duizend koppen
van de leegte rollen over hun blad?
Khnopf - bisKhnopff
men zegt het is zijn zuster
die de deur gesloten houdt
maar het is geen bloed
dat hen verbindt
het was een tasten
naar de huid en klieren
van de ziel
de damp die om de aarde hing
toen ze ontwaakte
aanving met ademhalen
niet het vlees
dat mannen scheidt van vrouwen
ze doet briesen van ongeduld
om in elkaar te schuiven
zoals een hand schuift
in een handschoen
en dan de deurkruk
en het openen
ze moeten gesloten blijven
deur en jongedame
het hout gelakt in melkblauw
gebiesd in goud
de starende zuster in corsage
een hoge kraag
wit als een schim
zij moet verschijnen
één ogenblik daar zijn
en dan voorgoed voorbij
de afstand van het tasten
zijn verf: een vingerafdruk
van het eerste heimwee
dat op goed geluk
naar de aarde kwam
om even adem te halen
daarna op te staan
en voort te gaan
Boedapest 6

in nomine patris et
namens wie kan je spreken
kind van spinner en huisvrouw
bloedverwant van behoedzame doden
niemand zo roekeloos toch
als wie overleeft?
ruik aan je vingers:
niet eens een restje inkt
of zweet, fouilleer je poriën,
zoek een gelijkenis, een teken
van vloek of zegen
lever, longen doen haast geluidloos
hun dagelijks werk, alleen een koord
rondom de hartspier trekt strakker
aan alsof een zak wordt dicht gesnoerd
waarin men een dier zal verdrinken:
het spartelt, klauwt naar de benauwenis
spreek namens benauwden opgetekend
in een verregend schrift: al wie brood
heeft gesneden, het mes gericht
op de buik; al wie hakte, schilde
de vrucht van eigen of gehuurde tuin
monden waar geen ronkend woord
in aardde, een sussende toon dat wel:
toen de slaap uitbleef als een bezopen
koetsier en koorts een tekening
toverde in de nerven van een linnenkast
namens gelijken kan je spreken
vanachter je gevel van burgerman:
spreek, vervreemde, over bewoners
van een rijtjeshuis, ze stonden
bij een kruidenier in het krijt
en bij de grote slager daarboven
het dier klauwt naar zijn benauwenis,
voelt een koord zich spannen, weerom
neerliggen in een streep
depressies en zo
Anne FrankboomAnne Frankboom
stamelt de kastanje:
raak me niet aan?
is niet het kruidje-roer-
me-niet steeds de eeuwige
stem die moppert om een
likdoorn, voorbij loopt
aan verbrijzelde schedels?
kom eens kijken, al wie meent
de last van de wereld te dragen
op weerloze schouders, allen
geschandvlekt door de geschiedenis
kom naar de kade van Pest
An die Schöne Blaue Donau
een lint van rode zijde
toen in dat uitzinnige jaar
zie, de laarsjes van dames,
de molières van een meisje,
de plompe bottines van
een vader, een zoon
in brons, egaal in brons,
metaal langs het water
brons moppert niet, het ruist
niet eens, het glanst in regen
en zonlicht, het treurt niet
om een zieke boom, alleen
van zieke geesten wil het
getuigen, van 600 000
omgehakt in één jaar
zo stamelt de kastanje,
zo rekent het meisje dat
vandaag een dame zou zijn:
indien, indien men op tijd
opkeek van eigen likdoorn,
schreeuwde om bijl en schedel,
indien men op de juiste dag
de geur opsnoof van een vlag
hongerstaking
Boedapest 5Magyaarse II: boswandeling door een stad
een Magyaarse heeft een huid
van berken, zij wandelt op de jonge
berken van haar benen, kijkt je aan
als een wezen uit de nacht verschenen
gelijk een huivering elke nacht verschijnt
zij heeft de blik die even snuffelt,
glimlacht om het schaarse licht:
het weten van een ouder wezen,
het hoort de bons door dunne vliezen,
herkent het verlangen aan zijn geur
ze glimlacht om het schamel licht,
de trilling waarop zij huivert
gelijk gebladerte: een boom heeft
dan een boom herkend, oog om oog,
blad om blad – zij glimlacht
zilverlicht over een zilveren pad
Boedapest 4Magyaarse I
lees hun ogen: vrouwen
van Boedapest, ze hebben
de zekerheid van het vlees,
vragen weinig, eisen je vel
hun mannen staan gedwee
voor een halte, een zebrapad
zij komen langs, glijden
met zingende klinkers
door de metro van aders,
verkruimelen musea, zuilen:
gebouwen van eeuwen
begeven voor het bouwsel
van één nacht, één blik
als voorbode van die nacht
Boedapest 3

Schetsen uit Boedapest deel 3
Museum voor Schone Kunsten
aan het Heldenplein: een bronzen
pissertje van Georges Minne,
de Verloren Zoon van Constantin Meunier
in marmer – we zeggen al iets luider:
we are from Belgium
***
étterem Koh-i-Noor
a) conversation piece
‘then we were on the ground
he said I was part of his phantasy
went on till half past three
people who work for him
in Wall Street call him a monstre
no emotions you know
what could I add to his
conversation?
o dear, everybody in this restaurant
is listening to my sex life’
b)
buiten omstrengelt een Pakistani
een Hongaarse tiener (een levend
bas-reliëf van een Hindoetempel)
binnen schenkt men geen wijn
inch’Allah
***
monument Attila József
a)
bij Donau en parlement
een man van brons, jas met grote
knopen in het gras, hoed over knie,
knokige hand als een vogelklauw
grijpt niet meer, gebogen hoofd
op pezige nek: hoort hij de trein,
de trein, de laatste die voorbij
gaat, over hem heen gaat?
b)
van glimmend brons twee versregels
in zijn handschrift: kalligrafie
van een stem die sprak
namens de sprakelozen
***
gedenkteken voor 600 000
op de kade aan de kant
van Pest: honderden schoenen
in alle maten, lege voetsporen
vóór de kogel en de plons
de Donau, zegt de geschiedenis,
waaierde uit als een lint
van versleten rode zijde
***
onze ober, een Roemeense
Oscar Wilde, golvende haarlok, ronde
kin, keurt twee flessen af: een geur
van kurk die ons ontging – zijn fooi
is volgens het boekje van Oscar Wilde
***
zeven dagen flaneren in regen,
sluiers van grauwte – Mehr Licht,
riep Goethe op zijn sterfbed
wij willen een ander licht desnoods
gedaanten die opdoemen uit slierten
van mist en liefst een zwarte tak
of gekrulde reling afgebiesd met
sneeuw; lange zwarte jassen op
de Duna Corso, dames in rijglaarsjes
en moffen, heren met wandelstok, ivoren
knop maar niet die regen en
regen die niet valt
zin voor initiatief
Boedapest 2
Schetsen uit Boedapest - deel 2grapjes in het labyrint onder
de Burchtheuvel:
a)
om 18 uur gaat
het licht uit, je moet verder met
een olielamp – doorsijpelend
water wordt plots echter
b)
Romeins bekken, vier koperen
Bacchuskoppen gorgelen zure wijn
je ruikt ze drie spelonken ver
c)
lesje uit het labyrint:
graffiti was in het stenen
tijdperk pure kunst, in onze
eeuw louter vandalisme
***
pas wanneer je een muntstuk
overhandigt, voel je hoe warm
de hand van een bedelaar
***
memoriaal voor Joplin
in Janis’ Pub: een jonge Hongaarse
gaat uit de bol, stem genoeg,
te weinig waanzin – kunst is
een zaak van leven of dood
***
erosie: na nauwelijks 100 jaar
werd pompeus al poreus
zuilen, ogieven, kariatiden
verkruimeld door uitlaatgas
***
façade: niet een halfgod, de baarlijke
duivel bracht het licht naar de mens
een bronzen toorts in een gebalde vuist
speelse vleugeltjes aan het achterhoofd
***
Lisztmuseum
vier wijdingen ontving Ferenc Liszt
geen kon hem bevrijden van de pose:
geheven kin, hand onder revers
denk er een tastbaar licht bij
twee horentjes op zijn voorhoofd
aan weerszijden van die ene wrat
***
Boedapest 1

Boeddha heeft er de Pest in
1. Schetsen uit Boedapest
Hotel Nemzeti
donzige loper op marmer
lotus in gebrandschilderd glas
Ruby Tuesday uit de boxen
***
Blaha Lujza Tér
voor ons Art Nouveaupaleis
een rij met kom en plastic beker
gaarkeuken van Hare Krishna
***
Stefaansdom
Szent Istvan: roodgeaderd
marmer, bladgoud – de eerste
koepel plofte in het stof
ego sum via veritas et vita
het panorama beneemt de adem
***
bar Montmartre
a)
naakten van Egon Schiele
vingers aan het kruis
in oudroze loopt ze haar slalom
langs zwart gelakte tafels
bloedrode spots op haar huid
hoog voorhoofd, hoge borsten
hand in de lucht alsof ze
koord danst op jouw blik
b)
basgitaar, koortje
vamos a bailar
Spaanse crooner in joods Pest
***
joods museum
a)
de gidsende dame in de grote
synagoge noemt Israël
‘a lovely little country’
het klinkt metalig uit haar mond
b)
niet van cupola, van kipla
komen de woorden koepel en keppel
zegt de gids, jouw keppeltje
veroorzaakt alleen maar jeuk
***
’s avonds langs de Rakozci Ut
(een snelweg door de stad)
maken bedelaars hun bed op
in hun vaste vensternis: ze lachen
om hun dagelijkse mop
***
leven in de leugen:
we drinken een Chardonnay
voor 13 euro, geven 20 cent
aan een oud vrouwtje met
gaten in een blauwe handschoen
***
een dag Pest een dag Boeda
geen spoor van György Konrad
een binnenkoer doet denken aan een getto
terug thuis in Oud België
schaatsers

de schaatsers
in ouderwetse winters vroren de vijvers dicht
van de zomerverblijven
mochten de poorten en traliehekken open
we schaatsten, ontdekten
een wereld als een Verboden Stad:
paviljoentjes op hoge poten
houten bruggen gebogen
als een opgetrokken wenkbrauw,
een balustrade waar je een gele
of roze parasol bij dacht en sarongs,
kimono’s als klaver en klaprozen van zijde
we zagen de vissen onder het ijs die naar ons
opkeken traagjes happend, bellen
blazend als misnoegde morsetekens
langs de oevers van brekend kreupelhout en bramen
leek de bodem betastbaar en grijpbaar kropen
bleekbruine en rozige kreeftjes
over de wirwar aan wortels
van plomp, polderkaars en waterlelie
we waren een paar weken rijk: werkvolk
uitgelaten binnen gemogen op een buitengoed –
in de stilte van de winter galmden de gilletjes
kinderen die zochten naar evenwicht
en de ouderen gleden statig en trots
het ijs kraakte, knarste gelijk de tanden
van een jaloerse god: we schreven haakse
heilige namen en achten, de tekenen
van een eindige liefde bij de wijdere
van de oneindigheid
het peil van peilingenpeil trekken op een peiling
Wie kan nog een peil trekken op een opiniepeiling? Volgens een nieuwe enquête van VRT-De Standaard (is het toeval dat die twee samenwerken?) zou 70% van de Vlamingen de aanslepende onderhandelingen schadelijk vinden en tegelijk zouden de partijen aan de onderhandelingstafel nog aan stemmen winnen.
Hoe verklaren onze politieke handenlezers deze contradictie? Bewijst de individuele populariteitspoll niet dat veel zoniet alles bepaald wordt door de manier waarop politici in de media komen?
Links haalt met SP.a, Groen en de ACW-vleugel binnen CD&V ongeveer 33%, dus twee derden van Vlaanderen is rechts tot extreem-rechts. Welk beeld zagen we van links de voorbije maanden: weinig meer dan interne verdeeldheid, zeker geen wervende boodschap.
In Terzake van vrijdagavond 9 november kon je Bart De Wever horen foeteren op de Waalse pers die volgens deze verlichte geest een hetze zou voeren tegen de Vlaamse partijen.
Maar wat valt er dan te zeggen over de Vlaamse media? Is er in Vlaanderen een dag- of weekblad, een tv-zender die erop aandringt om het communautaire gehakketak even te nuanceren en voorrang te geven aan essentiële uitdagingen, zijnde de vergrijzing, de stijgende kosten in de gezondheidszorg, de strijd tegen de armoede?
Heeft iemand al één bevredigende verklaring gehoord of gelezen waarom bijvoorbeeld de armoedebestrijding in Vlaanderen zou afgeremd worden door een gebrekkige Belgisch-federale structuur?
Is het niet eerder zo dat de armoede ook voor onze eigen Vlaamse regering niet direct een topprioriteit kan worden genoemd?
Maar goed, ik spreek namens maximum één derde van de Vlaamse bevolking: de rest droomt van meer gevangeniscellen, lagere belastingen etc En van 'een grote staatshervorming' al kan bij straatinterviews geen enkele ondervraagde zeggen wat daarmee bedoeld wordt.
Zou je geloven dat ik meer en meer de neiging krijg om net zoals Jacques Brel te antwoorden op de vraag waar ik vandaan kom: 'Moi, je suis du Luxembourg'?
En Luxemburg staat in deze zin voor Patagonië of om het even welk gebied dat maar ver genoeg van hier verwijderd ligt.
'Ik ben een Vlaming en daar ben ik fier op': wie kan deze sticker nog op zijn auto of venster kleven, tenzij gehypnotiseerden - mensen die al hun reële of ingebeelde problemen aan een communautaire oorzaak toeschrijven waardoor deze problemen als bij toverslag zouden verdwijnen na de hocuspocus van een volgende staatshervorming.
In De Standaard van zaterdag 10 november beweerde een opstelschrijver met het epiteton 'filosoof' achter zijn naam dat de Belgische democratie met haar mythische consensusmodel over en uit is en eindelijk de baan moet ruimen voor een Vlaamse democratie. Als die consensusmythe zo rampzalig was, hoe is Vlaanderen dan kunnen uitgroeien tot een van de rijkste regio's ter wereld? En waarin zou de Vlaamse democratie superieur zijn: in die 20% stemmen voor racisten, in onze roemruchte wachtlijsten?
Vlaanderen lijkt sedert bijna een jaar te leven onder hypnose van de drie D's, De Wever, Dewinter en Dedecker: volksophitsers gezegend door het lauwe wijwater van Jo van Deurzen en gehuldigd op de open tribunes van onze media.