Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
1 januari


1 januari 19 in de 50
een hoesvel omgeslagen
in een map van transparanten
je weet niet wie je het eerste ziet
de stoet van doden bij hun
ommegang, vader op kop,
moeder ingeduffeld als
een bedeesde tsarina
peter, meter in een zetel:
rotan, damast, rijmen
vlotjes stotterend voorgedragen
een wolk applaus en rook
van stemmen alsof een engel
suist en kucht, een pak, een doos
merci pit, merci mit
een behaarde hand, een wang
half afgewend want meter heeft
alweer een negenoog, je voelt
je raar bekeken
we lopen over bevroren grond:
de plop en slurp van rubber,
de kras en kraak van leer
wazig zie je door al die plastic
vellen een vader gaan, zijn gevolg
van tragere kloek en kuikens
het licht maakt kringen alsof
hun hoofden kransen dragen
en het zijn maar door een lege straat
wat wolkjes adem in de kou
terugblik
hasj back
soms tuimel je door de tijd
en het is geen kooi
van bamboespiesen door je buik
maar een zweven als sneeuw
in een glazen kogel
een zeemzoet melodietje
en je bent veertien
naast jou zit in de klas
een grote jongen met zware adem
je nekhaartjes staan rechtop
hij zingt het liedje
zachtjes voor zich uit
en het verdringt de beige stofjas
die krast op een bord
je hoort het van een knapenkoor
in de taal van een nieuwe lidstaat:
lucky lips are always kissing
lucky lips are never blue
ze knippen met hun vingers
het klinkt als ‘likkie lips’
en het trilhaar in je neus
trippelt op die geur
een grote jongen
uit een naburig dorp
en op een dag
was er naast jou een niets
de stofjas zei: ga hem bezoeken
zo ver is het niet met je fiets
loopster in het bos
loopster
- een zondagochtendgebed -
een dolfijn in lycra
en de zee is licht
zwarte spoel, ze weeft
haar luchtig loopje
in het parelgrijs
van de jonge dag
elastisch wezen,
ze duikt op uit dode
naalden, vanachter
de knoesten van
een eik – het pad
lijkt een trampoline
onder haar pas
een blos van pletsend
spattend joelend bloed,
satijnglans op haar lippen
en ogen die wel
uitkijken dat ze jou
niet zien: jij daar
met je crossfiets
in de struiken
alweer


alweer
- wat heet: een modelleerling in de klas -
was er minstens toch
een woord zwart als kool
om je ogen te omranden
het mateloze te onderwerpen
aan een maat
een schilfer parelmoer
zoals het paarsig licht nu
omzichtig aan je lippen raakt
alsof het de zoom nadert
van een koningskleed
je bent alweer
wat heet een meisje
een wereld op stelten
een hemels lichaam
en maanziek moet ik
en er is geen baan
geen woord dat jou omwentelt
of het ontspoort
je bent alweer
mateloos en er is geen
niet eens een schelp die versplintert
geen maanziek woord
dat jou neerschrijft
zwart als kool
bezoeking
bezoeking
vader,
je woelt weer door mijn aarde
en maakt de wormen wakker
de regen zingt zijn dronkemanslied
waggelt over het raam
je hand staat als een spade
op mijn nek
en het was een vrouw zopas
die mijn vlees kneedde
en zoete broodjes bakte
van mijn adem
het is de brand in mijn keel
die jou terugroept
ik rook te veel
en jij hangt weer in mijn kleren
jij graaft in mijn grond
en ik damp als een dorp
na een bommenregen
mijn woorden lopen als gek geworden
weduwen om mijn gespleten schedel
en dan lach je en waggelt
naar de rand van het blad
en ik ben je kwijt
ik adem je verschijning in
je verdwijning uit
liaison pornographique
une liaison pornographique – Fonteyne
nog één keer en hevig
alsof het leven schokt
uit een doorgesneden keel
dan de hoteldeur op slot
de sleutel in het rooster
het is te zeer
van een wrekende god
te zuiver nog
voor de leugen
voor het beleefde inschenken
van koffie in het opgeheven kopje
terwijl het hoofd nog natuit
van dromen
kauwen op het succulente vlees
terwijl men staart
naar een lachende mond
aan een andere tafel
wij hebben elkaar gevierd
als het feest
van weerloze kleden
ik zal mezelf niet ruiken
zonder jouw zweet
over je huid verdwalen
was een bedwelmend vinden
nog één keer en heviger nog
de tijd verslinden
een heilige olie
in alle poorten van de huid
een beetje alsof we elkaar beminden
treinstakingen
twee of een
ontmoeten
- 'twee zielen gloeiende aaneen gesmeed. ' Joost Van den Vondel -
de eerste frivole nacht
leken hun lichamen
twee gordijnen opgelicht
door een terloopse tocht
ze zeefden een verleden
alsof er zilveren letters
vielen van zwarte bladzijden:
ledematen hadden het koperen
slot geopend van een lijvig boek
met de jaren raakten hun franjes
in elkander verward, hoe meer
een andere trok – een mogelijkheid
strak als een koord – hoe vaster
de verknoping tot scheiden
niet meer kon zonder
het doorsnijden van aders
damast liep over in damast
zoals verhalen worden overgenomen
van vreemde volken en geen
nog weet wie de bedenker was
soms lijkt een woord bij machte
om te verscheuren wat verweven
is tot ooit de vezels versterven
en beide doeken loslaten
voor dat ene raam
soms een woordenloze dag
die het raam zelf verbrijzelt
bijna: telkens zijn er weer
deze onzichtbare draden:
ze naaien zich dicht alsof
een hand ze stuurt en het is
geen hand, geen boos
noch blijmoedig oog
gewoon twee gordijnen
even opgelicht door een
frivole tocht, twee franjes
verknoopt tot één weefsel
na een terloopse nacht
vleier
hope he is a flatterer -W. Shakespeare
hoop is hardnekkig ontkennen
wanneer je verpletterd wordt
onder bewijzen
dat je voorbij zal zijn
zoals een regenbui
die opgaat in wat damp
het is onschuldig pleiten
aan de dood van schilfers
aan je huid
je onwetend houden
van klopkever, trilworm
het knagen in dwarsbalk en lever
het is de getuigenis weerspreken
van al wie opdaagt
in je droom
wanneer je starend
voor het venster zit
en weer de bomen ziet
in de zoom van nu bebouwde velden
het is verloochenen:
ik heb ze nooit gekend
deze vrouw
die moeder was
deze vader
deze broer die gesprongen is
alsof een hand hem duwde
hoop is een zaak bepleiten
die bij voorbaat verloren is
het amuseert de rechter
tot hij geërgerd of verveeld
jou tot de orde roept:
het is genoeg geweest
en zijn stem is helder
zoals een lucht dat is
na het onweer
stressless
vouwzetel
stressless staat de vouwzetel
op het klamme terras
de krulwilg in zijn zinken kuip
doet alsof hij schaduw geeft
hij buigt voorover alsof hij in de verte tuurt
met opgetrokken schouders
en het nekkussen van de stressless
drukt precies tegen de wervels
van een afwezige nek
nog méér nevel en vaster, en je kon
de onzichtbare kneden als klei
armen leggen over de leuning
van goudgele es – ze golven wat
naar de lijn van polsen
misschien leest de afwezige
een krant van vroeger
en zou die anders zijn
dan vandaag – vrolijker?
wanneer is een krant dan beter:
met leeg papier
alsof de wereld is schoon gewist
gelijk beregende ruiten
de zetel lijkt ontspannen
hij staat daar met een allure
van laat maar waaien
en er is geen zuchtje wind
het is een dag in de kamer
die moeizaam aanvangt
afgunstig staar je naar die zetel
die het allemaal om het even is:
geen begin, niets dat af- en verder loopt
niets dat hij zonodig moet verzinnen
nagalm van Neruda


ik beken, ik heb geleefd - Pablo Neruda
hij bekent : hij heeft maar half geleefd
met een hand die greep en streelde,
meestal zich verveeld in leven schreef
een jongen die soms de boom in kon
waar de kers losschoot
als een kogel van genot
wat er van de liefde was,
haar drinkbaar water:
hij proefde de drab op de bodem
na de bubbels die verdwazen
hij kende een vader half om half
een beul, een heul;
een moeder even aanwezig
en afwezig daarna in de hevigheid
van altijd en nooit
woorden kwamen
helend als hysop,
gesmolten honing
in warme melk,
kletterwoorden
zo klein als wisselgeld
grotere staken als glazen
splinters in zijn krop
hij bleef maar half:
een ziener, een blinde,
vertrekker en klever
aan drempel en deur
een eenhoorn, een kalf -
iets broodnodigs
klaargelegd om niet te vinden
zoals een zeldzaam weefsel
dat herinnerd wordt als scheur
ochtendmist
ochtendmist
nevel is een scenograaf,
hangt draad na draad
een gaasdoek op: neteldoek,
tule, organza, glasgordijnen
en kamer na kamer ziet
op een kamer uit
doek één: kronkelingen
van een wilg, het donkerste
borduursel en verder
dekt maas over maas
alle ramen af - je denkt aan
waterschotten in een schip:
zwijgen sijpelt in, vertraagt
de vaart alsof de aarde
nu stil ligt in de ruimte
nevel regisseert, zet aan
tot mediteren, neerzinken
in zichzelf, deelnemen aan
wat leeft in duizend kamers
die je moet raden: mensen
zwijgen met de bomen mee,
komen zitten gewikkeld
in tule en organza
de haan 2

de haan 1

waterputten
Leukemans
dirty old man


no impurity so impure as old age – Death in Venice
ouderdom is het ergste bederf
lees het in ogen van zestien:
dirty old man, je kwalijke
adem van opengelegd graf
kom, haal je lievere doden
naar boven, roep hun namen
af en ze treden in wikkels
uit hun spelonk
ga zedig de perzik voorbij,
de plastic vlinder in een vlecht:
merk hoe ze haar voorhoofdje
fronst, wat verder giechelt
met haar dikke boezemvriendin,
dirty old fool
geen bederf is erger dan
de grimas op je smoel, doen
alsof je ergens nog bij hoort,
alsof het behoort dat je
een straat met haar deelt,
dirty old fart
je hoort het aan de jonge
cassière, haar rituele groet:
schuif door, maak voort, de deur
staat al open, geen mond lacht
wijder dan dit gat in de nacht,
een gleuf in het donker waar je
als bij wonder in past,
dirty old asshole
keep your eyes to yourself
Mozes
come down, Moses, calm down
maak de wegwijzer niet groter
dan nodig, weet je: Mozes
kwam nooit in het Beloofde Land
hij stond aan de rand, wees en
zonk ter aarde, zondig als geen ander
wijzen komen zelden waarheen
ze wijzen, ze bereiken een rode
heuvel wanneer de zon in vegen
vermiljoen en violet oplost
in schemer – ze hurken
tegen een boom bij een veer,
slaan de rivier gade, het volk
dat komt en gaat, ze blijven
als een nabeeld in de geest
meestal bestaat alleen een weg,
komt de bestemming nooit nader
dan een droombeeld: ze draagt
een kleed van golven en glans,
laat het achter als kleverig laken,
een net waarmee je hebt geworsteld
maak hem niet groter dan nodig,
de uitlegger van je dromen:
hij bewijst zoals een ritseling
in een boom het bestaan van vogels,
de terloopse grijpbaarheid van wind
volg zijn hand en aangezicht, de glinstering,
hoe blijgezind ze verwijzen naar ver
en nabij: lag het ene ooit
waar het andere niet lag?
remember Semira
remember Semira
Adamu, dochter
van Adam, verjaagd
niet eens uit een paradijs,
niet door een vlammend zwaard:
gewoon de gladde huid van een kussen
remember Semira
spartel niet, laat het lopen
op een uniform: voel je nog
de kolos op je borstkas,
druipt zijn zweet in je nek?
remember Semira
boek een vlucht, een laadruimte
bij containers: bevat je het,
do you contain, met een IJzeren Gordijn?
remember Semira
merk de naamlozen, documentlozen,
de boot die drijft met opgeblazen
buik, de paarse aubergines
in onze blauwste zee: o zonde
van onze stranden
remember Ahmed, Dieudonné
al die mooie namen, uitgewist,
opgelost in zout water: ook
een Endlösung al lijkt ze
niet gepland, is het vervoer
niet zo best geregeld
remember Semira
wat verloopt volgens plan:
wie verbreekt de regels,
de zegels van laadruim en document?
play by the rules Semira
of je verdwijnt in een naam:
dochter van een Adam,
domme Eva zonder grens
we don’t remember Semira
een geheugen heeft een grens

