Archief
kennis in het onderwijs
tell me


uit Van Toen en Thuis
tell me – The Rolling Stones
- voor Lieve, de waterlelie -
we zaten in een wagen
met je broer, mijn gabber
en je vroeg: waarom
waarom jouw pirouettes
als ik de spil niet ben
jouw polonaise rondom
en niet aan mijn lijf
je woorden zijn warme lucht
en ik stijg als een vlieger
van zijdepapier, dan kijk je
weg en ik tuimel in je zwijgen
waarom, vroeg je, in het donker
van die wagen en ik waagde
het niet: jouw gezicht
een ovaal van ivoor en rozen
een borstje tegen mijn arm
een sponsje dat de lei wou
vegen van al mijn zonden
we reden naar een bowling
en wie won die avond:
we waren een onklopbaar
paar en verslagen zat ik
naast je in de vallei
van de Durme, een nevel
om ons heen, weerom
een zwijgen, je lichaam
dat vroeg: waarom?
uit Van Toen en Thuis
de vrouwen van de straat
de straat was arm maar proper
de vrouwen werkten niet
ze waren bezig
nog vóór het licht werd
- na de zomer - om de kachel
op te poken, het pompwater te koken
voor de koffie
daarna werd een man gewekt
en gingen zij weer slapen
daarna een zoon en later nóg een kind
zij bleven op bij het derde kraaien
want de dagen wachtten niet,
de scharrelkippen met hun zoele klachten,
de wasdraad na het kloppen en het roeren
met een bleke bezemsteel: het schuim
en blauwsel in een zinken tobbe
dan een strijkbout die in de oven stond
van de Leuvense stoof
want ze waren proper
je kon eten van hun vloer
van de plavuizen buiten
na het schuren van de koer op vrijdag
terwijl ze dachten aan een plankje,
een boeman van papier
in de winkel van het straatje,
een donker rijhuis waar je niet eens
je kont kon draaien
bleef er over van de markt
op zaterdag? dat moest wel,
alleen bij ziekte
ging je over de schreef -
het negertje knikte
en ze zongen soms
bij het keren van het koertje, het zemen
van de ramen wanneer Bob Benny galmde
tussen het ruisen
van het bakelieten bakje
ze lachten soms
om de piepstem van Will Ferdy,
ze lachten en hun ogen traanden –
ze dipten hun vingers in een porseleinen
of tinnen vaatje, herschikten het gewijde takje
en sloegen een kruis
en ’s zomers zaten ze in de vroege avond
samen voor de kapel op de hoek
waar kaarsjes brandden, een beeldje glom
van een moeder, een huisvrouw, een Eva
die ze nooit zouden evenaren
in vlijt
in deemoed
in kuisheid van gemoed
in heiligheid
want zij werkten niet
ze waren bezig, vulden hun tijd
de islam in De Standaard


uit Van Toen en Thuis
ga maar, laat maar
het schone ga je voorbij: de roze
waterlelies die drijven op omheinde
vijvers, het paarse van kattenstaart
en monnikskap, een reeds gele
treurwilg in de vroege zomer
alsof zijn eiland van amper
een zakdoek een nachtlampje
is van art nouveau
ga voorbij, vermijd de dazen,
de damp van methaan alsof
de duivel hier al zijn winden
laat, zijn vele magen ledigt
volg de vlucht van een libel
in het laatste schijnsel
beluister het misdienaarsklokje
van de waterhoen en ga
voorbij, laat dit landschap zijn
vrede van gonzende horzels, wolk
van muggen boven de sloot
met het schone ga je om zoals
de schuwe dieren van het veld,
’s avonds wanneer de stilte
neerdaalt, het leven aanvangt
van de grote ogen, het versnelde
hart, het schichtige, snuiven en trillen
van haartjes aan oor en snuit
sluit je verbazing af, schuif dit boek
terzijde: spaar de verhalen van licht
en ritseling, de geheimen van haag
en weide, de zegels van ruis en nevel
hun lening aan de bomen, ontvang ze
met de rente van de droom
Rik Daems minister?
een Slangenkuil in De Morgen
knoop in de nevel


een knoop in de nevel
ze bewegen in nevel
plots tastbaar en harig
als noten: de hoofden verschuiven
hun sluier en spreken
we zijn bezig bij het raam
kuieren door de tuin, de bloemen
herhalen onze oudste naam
die alleen hun zaden kunnen weten
we bewegen in nevel
rangschikken onze dromen
in patronen van eeuwen
melkwit stroomt langzaam
voorbij een roos van opaal
de meeste tonen zijn bleek
zandtonen, kuilen waarin
gerechten stomen en hun
geuren dansen als geesten
één knoop in de nevel
een navel van slangen
die zich omhelzen
een voorspellend teken
uit de boomsluiers tuimelen
de sponzige vruchten van de droom
ze lijken wel hoofden en luister
wat zo’n hoofd soms vertelt
istanbul


prentkaarten uit Istanbul – Orhan Pamuk
beelden van een stad waar
een vrachtschip plompverloren
een woning binnenvaart:
één dode, de mooiste dochter
een olijfboom op een toren
en het bouwsel lijkt een stok
waaraan een hond een kluifje had
één van de duizend in de straten
verf bladdert en dwarrelt
een roetzwart haarroos
alsof de houten erkers zich
al eeuwen staan te krabben
nergens nog cipressen
waar de graven wegzakten,
botten versplinterden: muizen-
schedeltjes in een braakbal
stenen vreten stenen en huizen
zuigen huizen op en bij toeval
ontstaat een wonder: klimop
en rozen dringen door
in marmer en lood
de reiziger legt zijn waterverf, arceert
een schaduw: deze wereld duurt
een penseelstreek lang, maar
het penseel blijft zich herhalen

