Wat brengt een al bij al niet zo slecht mens ertoe om afschuwelijke dingen te verrichten? Er is de aanleg van het temperament; er zijn de omstandigheden: wat meer dan enige andere motivatie ook de demonen naar boven haalt zijn de ervaringen van onmacht – onmacht leidt ofwel tot angst ofwel tot agressie en beide reacties vertrekken volgens de neodarwinisten vanuit het zelfde neurologisch centrum: ‘het reptielenbewustzijn’ (Piet Vroon) dat in de hersenstam of hypothalamus wordt gesitueerd. Dit centrum onttrekt zich het sterkst aan de controle van de reflectie die in de hersenschors is opgeslagen. De fundamentele vraag voor opvoeding en beschaving is dan ook hoe men de energie die uit deze onderste neurologische lagen vertrekt, kan sturen of beheersen. Met Marx ben je ervan overtuigd dat de voorwaarden tot beschaafd gedrag in de eerste plaats buiten de mens moeten gezocht en dat precies die economische en sociale omstandigheden bij voorrang moeten worden aangepakt wil men tot enige vooruitgang komen in ethische zin. Over het algemeen zijn ‘beschaafde burgers’ mensen die met geweld meer te verliezen hebben dan te winnen, pas wanneer dit opportunisme weg valt of door passies wordt uitgeschakeld, komen het individu en de groep tot misdadigheid. Demagogen sturen dit opportunisme naar een ‘misbegrepen’ eigenbelang: massa’s en enkelingen gaan over tot gewelddadigheid omdat ze denken of voelen dat hun belang samenvalt met dat van de demagogen. Achteraf wordt de rekening opgemaakt en zegt de massa: ‘wir haben es nicht gewusst’ of gaat zich te buiten aan wraak; in het beste geval ontstaat een zekere redelijkheid, worden ‘verzoeningscommissies’ opgericht, amnestie wordt verleend of zoenoffers worden geplengd. Zonder enige vorm van veiligheid en vertrouwen in de omgevingsfactoren is een duurzame beschaving onmogelijk. Dit is jouw interpretatie van het axioma van Marx dat de economie de onderbouw is van de cultuur, de materie als noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de geest.
Archief
Wat brengt een al bij al niet zo slecht mens ertoe om afschuwelijke dingen te verrichten? Er is de aanleg van het temperament; er zijn de omstandigheden: wat meer dan enige andere motivatie ook de demonen naar boven haalt zijn de ervaringen van onmacht – onmacht leidt ofwel tot angst ofwel tot agressie en beide reacties vertrekken volgens de neodarwinisten vanuit het zelfde neurologisch centrum: ‘het reptielenbewustzijn’ (Piet Vroon) dat in de hersenstam of hypothalamus wordt gesitueerd. Dit centrum onttrekt zich het sterkst aan de controle van de reflectie die in de hersenschors is opgeslagen. De fundamentele vraag voor opvoeding en beschaving is dan ook hoe men de energie die uit deze onderste neurologische lagen vertrekt, kan sturen of beheersen. Met Marx ben je ervan overtuigd dat de voorwaarden tot beschaafd gedrag in de eerste plaats buiten de mens moeten gezocht en dat precies die economische en sociale omstandigheden bij voorrang moeten worden aangepakt wil men tot enige vooruitgang komen in ethische zin. Over het algemeen zijn ‘beschaafde burgers’ mensen die met geweld meer te verliezen hebben dan te winnen, pas wanneer dit opportunisme weg valt of door passies wordt uitgeschakeld, komen het individu en de groep tot misdadigheid. Demagogen sturen dit opportunisme naar een ‘misbegrepen’ eigenbelang: massa’s en enkelingen gaan over tot gewelddadigheid omdat ze denken of voelen dat hun belang samenvalt met dat van de demagogen. Achteraf wordt de rekening opgemaakt en zegt de massa: ‘wir haben es nicht gewusst’ of gaat zich te buiten aan wraak; in het beste geval ontstaat een zekere redelijkheid, worden ‘verzoeningscommissies’ opgericht, amnestie wordt verleend of zoenoffers worden geplengd. Zonder enige vorm van veiligheid en vertrouwen in de omgevingsfactoren is een duurzame beschaving onmogelijk. Dit is jouw interpretatie van het axioma van Marx dat de economie de onderbouw is van de cultuur, de materie als noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de geest.
Het christendom spreekt over medelijden, zelf verkies je de boeddhistische term mededogen, al besef je dat het in de praktijk vaak op mede- lijden, lijden om de andere, samen met de andere, neerkomt. Maar lijden is een negatieve term, mededogen een positieve: lijden maakt triest, mededogen stemt mild. Het ene vertroebelt de blik met tranen, het andere doet ons inzien dat wij allemaal falen en dat we met dat ‘menselijk tekort’ zullen moeten leren leven. We moeten dus leren te vergeven, niet alleen de anderen maar ook en in de eerste plaats onszelf. Een mens kan als mens niet blijven functioneren door zichzelf constant op de korrel te nemen zomin als door zichzelf voortdurend te bewieroken. Geluk en tevredenheid zijn als permanente toestand onwaardig: wie over de grenzen van het eigen ego kijkt kan niet permanent tevreden of gelukkig zijn; maar geobsedeerd zijn door het eigen falen of door het wereldleed is zelfdestructief: niemand kan zich staande houden zonder momenten of periodes van tevredenheid of geluk. Medelijden en mededogen doen allebei het hoofd buigen: er is een overmacht aan negatieve krachten, rampzaligheden die eigen aan het leven zijn en andere die door de boosaardige natuur van de mens extra worden veroorzaakt en dus vermijdbaar zijn. Wat de ‘verlichte’ Amerikanen (Galbraith?) noemen ‘the compassionate society’ is het tegendeel van de huidige dictatuur van het neoliberale marktdenken: niet het recht van de sterkste, de meest begaafde of meest avontuurlijke prevaleert, maar de ontferming over de kansarmen, minder begaafden etc Maar nogmaals: medelijden doet de mond vertrekken in de neerwaartse hoeken van de treurnis, terwijl het mededogen de mondhoeken optilt tot de glimlach, niet de glimlach van de lichtzinnigheid maar die van de tederheid: ‘laten we zacht zijn voor elkaar want het leven is een onduldbare pijn,’ schreef de nu vergeten Nederlandse filosoof Ton Lemaire in de jaren 60. En Albert Camus zag in zijn beroemde essay zelfs Sisyphus met de glimlach zijn berg weer aflopen: het rotsblok was hem alweer ontsnapt, maar Sisyphus was gekomen tot het geduld, tot een inzicht in het schone van de onvermijdelijkheid, tot een haast moederlijk hoofdschudden om de halsstarrigheid van de zwaartekracht. En hij begon aan zijn zoveelste beklimming.
nostalgia


uit Een stuk of wat
nostalgia
heimwee naar het eiwitwarme
om de faleizen toen we gleden
met ons okere lucifersdoos, afdaalden
tot de blauw-en-groene diepte:
twee keien in het moederbed
de meeuwenschool van Mojacar
huizen als suikerklontjes
op een heuvel van bougainville
de ezel droef van vliegen
het dreggen naar prikflessen
op het kiezelstrand
van Carboneras waar ik
de brand zalfde van je rug
jouw verwondering mij
zalig verklaarde
dan goot jij de geuren
van Alhambra als smokkelwaar
op de klinkers van mijn ongeduld
werden we ’s avonds belazerd
o gitaanse dinero
op Sacremonte
heimwee naar de rode woede
van La Mancha
met de groene sproeten der olijven
heimwee naar het alarmerend oliepeil:
coche esta viejo pero bueno
de lieve hotelboy in Sevilla
die uit de broeiende nacht
terugkeerde met lauw water
en de opener vergat
en nooit jouw borsten
zie je, hoe mijn woorden opzwemmen
tegen de neerstortende tijd
zie jij wat ik niet zie:
waarvan werden we toen dronken?
notte a venezia

uit Een stuk of watnotte a venezia
stilte drijft tussen ons
een zwarte handschoen
tussen gondels
een paar dwaze gedachten
hadden we rondgevaren
met hun gretigheid
van fotoapparaten
de huizen verloren er geen schilfer
meer om als we lachten
en de bruggen legden hun vermoeide
armen om vermoeide schouders
legden elkaar een vinger op de mond
regen leekt van je glazen voorhoofd
gelaten is de liefde hier
stilte drijft en wij staren ze na
baancafé In de Roskam
tweemaal daags kwamen we voorbij
aan dat gesloten café op een hoek:
een dubbele knoop in de donkere weg
naar Waasmunster en de betonbaan
die neerdook in de vallei van de Durme
die hoek kon je afsnijden over een koertje
met hondenhok en zwarte kiezel
langs een pissijn voor het lozen van de blaas
na met spijt gedane arbeid
want daarbinnen werd er de pees opgelegd
in de peeskamer: iemand moest dringend geld verdienen
een al middelbare vrouw die opeens een moeder bleek
met een dochtertje van vier of vijf
en later toen het kind de jaren had
voor de lagere school bleven de gordijnen
voorgoed gesloten en bij de verbreding
van het kruispunt werd de woning gesloopt
dagelijks kwamen wij schooljongens
toekomstige onderwijzers daar voorbij
en wisten wij veel op onze fiets
van de toekomst van een man:
toch niet tussen de dijen van zo’n vrouw
zo’n schepsel met een derde kale oksel
telkens weer kom je daar voorbij
op weg naar je gesloopte thuis
en je denkt aan je collega’s die zeggen
in hun wandelgang: als ze d’r maar liggen
op het einde van de maand en wie somt
de pastoors en rechters op die klant
waren in deze handel
één keer ben je zelf terecht gekomen
in zo’n baancafé: builblauwe, liprode lichtjes –
de dame in het zwart danste
met de chauffeur van je schoolbus
en jij koos een plaatje uit de jukebox:
‘I was born under a wandering star’
onder wat voor ster zou het dochtertje zijn geboren:
misschien onder een melkweg die moeder was
bezig met brood en beleg verdienen
en rode en blauwe sporen?
‘transmies’
een vreemd licht kwam in vaders ogen de eerste keer
dat hij dat woord heeft uitgesproken: ‘transmies’
we waren aan de sloop, een gewezen brouwerij
of een atelier met twee of vier machines
aangedreven door één motor, één riem
daar was geen spoor meer van, geen olievlek
noch ziektekiem: een diepe boomgaard
met rijpend fruit, opgeschoten gras als
vele vingers die wilden grijpen
het gebouw stond wankel: een stolp
over bruinig stof en die koepel
kon je breken met één hand
we zaten op het dak van pannenlatten
de gevels dansten alsof ze dronken waren
en met één duw plofte de achtermuur gelijk
een vermolmde balk, verpulverde in het gras
die ‘transmies’ namen we mee:
een eindeloze stalen baar en de stenen
op een stootkar die gleden weer met verse
mortel op elkaar tot een stalling met een zolder
en op die zolder lag dat wonder
gerold onder het laagste van de pannen –
‘transmies’: wie zag die trance in vaders ogen
wat voor grote plannen heeft hij gehad
met dat onhandig ding:
het was te zwaar om op te hangen
te lang om te dienen als bonenstaak
wat voor plannen heeft een man
die nog niet weet wat de goden weten:
een jaar of twee daarna was hij dood
naar die ‘transmies’ werd niet meer omgekeken
de stalling is nu afgebroken, vervangen
door een echt gebouw, maar jij ziet
die verdwenen stalen vinger gestrekt
naar een hemels grauw, naar een boom
in die hemel en wat eraan groeit:
ach, vergeet het gauw
getuige

uit Van Toen en Thuis
getuige
leven is getuigen van verdwenen leven
de zee verdrijven uit het dorp
dat ze heeft bedolven om met een schelp
in zand te schrijven
beenderen samenroepen zoals men met vuur
dieren aanlokt uit het duister
en ze bekleden met pezen en vlees
tot ze hun oren spitsen naar jouw gefluister
schrijf dus ‘vader’ en een gestreepte kiel
staat weer rechtop van het stijfsel,
een leiband hangt tussen man en hond
zoals een telefoondraad
tussen paal en woning
schrijf dan ‘moeder’ en er ligt een reep
in een hand, een halve reep,
want méér is kwalijk voor je lever
een stiekeme hand omdat er een zwaardere is
die het niet mag weten
schrijf maar ‘huis’ en het asfalt barst open
zoals kleigrond scheurt van een eerste
vlasscheut en zie hoe blauw
het vierkante venstertje bloeit
oplichtend in de ochtendnevel
om het hoofd van een oudste broer
die wéér ontbijt met Groene Michel
verdwenen levens waar je getuige van was
en die in je oren tuiten tot jij ze vorm geeft
in een krul of in een kras
Vriend R. antwoordt op jouw kritiek op de vrt met: ‘gelukkig is de vrt er nog, de commerciële zenders die zijn pas een ramp…’
En daar zit je dan, je wil argumenteren met de verplichtingen die voortvloeien uit het mandaat van de vrt maar wie weet wat er in dat mandaat staat?
En altijd weer gaat het bij de beoordeling van een product om de normen die de makers beweren na te streven en om de ijkpunten of vergelijkingsmodellen: vergelijk je met de Vlaamse commerciële zenders of met de beste zendverenigingen uit Nederland zoals NPS en VPRO; Arte zullen we maar buiten beschouwing laten en Channel Four is al jaren van onze kabel geweerd. Dan voer je de term ‘beheersovereenkomst vrt’ in op Google en je leest in Artikel 1 ‘het beleidskader en de opdracht van de VRT’ in het bijzonder paragraaf §4:
‘De VRT brengt in de uitvoering van zijn openbare omroepsopdracht een meerwaarde aan de Vlaamse samenleving op cultureel, maatschappelijk, democratisch, sociaal en economisch gebied. (…) Wat de culturele meerwaarde betreft, ondersteunt de VRT de eigenheid en diversiteit van de cultuur in Vlaanderen. Hij heeft bijzondere aandacht voor de culturele creativiteit in Vlaanderen. (…) Hij schenkt bijzondere aandacht aan educatie.’
In hoofdstuk 2 over ‘de inhoudelijke opdracht’ lees je in artikel 4, paragraaf §1:
‘prioritair: nieuws en informatie en cultuur, en daarnaast sport, kennis en wetenschap (educatie)’…
Ook in deze proclamatie ontbreken de referenties en de exacte streefdoelen en tot je teleurstelling worden de culturele opdrachten in hoofdzaak in verband gebracht met Klara, dus niet met Canvas: cultuur lijkt duidelijk of niet zo duidelijk bedoeld voor de minderheid die op deze radiozender afstemt, de meerderheid die vooral tv kijkt hoeft niet zo nodig met cultuur te worden lastig gevallen. En met de term ‘educatie’ lijkt de opdrachtgever uitsluitend kennis en wetenschap te bedoelen en niet ‘sensibilisering’, opvoeding in goeie smaak of politieke belangstelling of maatschappelijk engagement. Kortom, met deze tekst kan je vele kanten uit: hij kan gelezen worden als de bevestiging van het status quo of als een oproep tot meer kwaliteit en verdieping. En waar sta jij zelf nu: ben je een elitaristisch fanaticus, een kunstenfundamentalist, een linkse ‘beroepsagitator’ (dixit Paul Van den Boeynants) of een pretentieuze volksopvoeder die zijn smaak en belangstelling aan de bevolking op wil dringen?
Félicien Rops


‘même la plus belle (…) ne peut donner que’ –Félicien Rops
hij zegt: het is maar dat
en het is heel wat - hoor je
aan een muziekdoos hoe
krom en luchtig een sleutel
zijn vlechtwerk draagt,
ruik je door het verbogen,
verfloos gaas van cederhout
de balsem in de harem
doen namen ter zake wanneer
de bloem raaskalt gelijk
een dronken horzel die
stepdanst met zijn stekel
het is maar dat en weinig
is meer: een scheur in
een schaduw, een baard
aan een schelp, een huig
als een harp van slijmen
en je hoort de muziekdoos
ziet een gezicht dat wegdraait
alsof het lichaam wentelt
op een vliegend wiel of wiekt
als een ster van celluloid
hij zegt: het is maar en
het tolt maar en geen naam
kan je roepen die het bedaart

