Karren voor handelaars.
Tot aan de eerste wereldoorlog moest alle vrachtvervoer op de baan met dierlijketrekkracht gebeuren; paarden, ossen, honden.
Een ander soort baanvoertuigen waren de bakkerskarren, groentekarren, melkkarren, enz....
Bakkerskarren werden sierlijk afgewerkte voertuigen, steeds voorzien van veren en een " kap ". Tussen paard en " laadbak " stond altijd een " schutbord ", deels als afwerking van het geheel, deels voor de hygiëne. Deze karren, evenals alle andere lichte baanvoertuigen, waren voorzien van een "patentas " ( zelfsmerend ). De " berries " evenals de "repen" van de kap waren van geplooid " essehout " Als verlichting hadden deze voertuigen aan de " voermanskant " gewoon één petroleumlantaren, waarvan de voorkant wit was en de achterkant rood was. Eertijds was er in Antwerpen een firma PEETERS die zich specialiseerde in het plooien van essehout; berries, repen en velgen voor lichte wielen.
De rijtuigenmakerij Ennekens in Olen was toen gekend om zijn sierlijke bakkerskarren. Tweedehandse bakkerskarren gingen gewoonlijk naar biggenhandelaars, bierhandelaars, e.d.
Groentehandelaars hadden gewoonlijk platte karren, met daarop een kap met afgerolde dekzeilen.
Alle karren of wagens waarmee met voedingswaren geleurd werd, hadden tussen paard en kar, een scheidingsbord.















