Naar de inhoud

THE WHITE HOUSE

......Een guesthouse in Ghana......
seniorennet.beseniorennet.be
Dit guesthouse is fictief. Twee vijftigers hebben hun baan opgezegd om een guesthouse te exploiteren in Ghana. Een van hen bericht wekelijks over haar ervaringen in dit land

Er waren drie honden in het huis waar ik logeerde. Het waren vrolijke en vriendelijke jonge beesten. De hele dag zaten ze opgesloten in drie aparte hondenhokken, die op de binnenplaats stonden. ’s Avonds werden ze vrij gelaten en dartelden ze om het huis binnen de ommuring. Ze blaften flink als een vreemdeling aan de poort verscheen, want dat was hun taak. Binnen kwamen ze nooit en ze deden daar ook geen pogingen toe. Evenmin probeerden ze buiten de poort te komen.

 

Slechts een van hen had moeite met zijn dagenlange opsluiting. Als hij was uitgeslapen kon hij eindeloos janken, waarbij hij zijn kooi kapot beet of krabde. Mijn huisgenoten trokken zich daar alleen wat van aan als hij erin slaagde te ontsnappen.

“Candy is a stupid dog”, zei Monica me op een dag in haar beperkte engels.

  “Why?”vroeg ik.

“All the dogs, all day, are quiet in their cages. But Candy is making noise all the time.”

“So she’s stupid?” vroeg ik weer

“Yes.”

“What would you do when people are locking you up in a cage every day?”

Ze keek me vragend aan.

“You are making noise, noise, a lot of noise the whole day! And why?”

“.....?”

“Because you want out, out, out...........So you are stupid too?”

Ze moest verschrikkelijk lachen. En daar bleef het bij.

 

Op een avond kwam ik thuis en ging op een krukje zitten aan een tafel waar Monica zat te eten. Naast de tafel lagen twee honden.

We hadden al een tijdje zitten praten toen Monica tussen twee happen zei: “Now their are two dogs.”

Ik knikte want ik had ze zien liggen.

“Where is Candy”, vroeg ik.

“She’s dead”, antwoordde ze onbewogen.

Even dacht ik dat ik haar niet goed verstaan had.

“Dead”?

“Yes” en Monica at rustig verder.

 Toen ik begon door te vragen vertelde ze me dat ze de hond ’s morgens ziek in zijn hok had aangetroffen. Even later was hij dood. Punt.

“Where is he now?” Ik was nieuwsgierig naar het vervolg.

“I gave him to a guy. He’s going to cook him.”

En daarmee was het onderwerp afgedaan. Candy, die ik de avond ervoor nog had zien rond huppelen, lag waarschijnlijk al buiten te sudderen in een pan op een houtskoolvuurtje.

 

Als mensen sterven komen er meer emoties los. Maar er moeten ook praktische zaken worden geregeld, zoals een burial en een funeral. Tijdens the burial wordt het lijk in de grond gestopt in aanwezigheid van de directe familie en de leden van de kerkgenootschap waarvan de dode deel heeft uitgemaakt. The funeral is een groot feest met de volledige familie, inclusief alle neven, nichten en aangetrouwde. De leden moeten uit allerlei hoeken en gaten van Ghana en ergens in the villages zonder telefoonaansluiting en een zeer beperkte postbezorging worden opgetrommeld. Speciaal funerals van chiefs of stamhoofden zijn gigantische feesten met duizenden genodigden.

 

Beide evenementen hoeven niet op dezelfde dag plaats te vinden. Soms speelt the funeral zich pas af maanden nadat the burial heeft plaats gevonden.

 

In elk geval moet eerst de erfenis verdeeld worden en daar kan heel veel tijd mee gemoeid zijn. En een begrafenis kost geld. Geld dat op het moment van overlijden vaak niet aanwezig is. Daarvoor moet eerst gespaard worden en het kan maanden tot jaren duren totdat het geld bij elkaar is gesprokkeld.

 

Al die tijd moet het lijk in een vrieskist worden bewaard. Ook dat is duur want de stroom moet betaald worden. Daarom wordt een cel met zoveel mogelijk lijken gevuld. Eerst wordt onder de voet van de overledene de naam opgeschreven. Vervolgens worden de lijken, mannen, vrouwen en kinderen door elkaar, naakt op elkaar geperst. Als er uiteindelijk een burial kan plaats vinden moet het juiste lijk uit de cel worden gehaald. De bevroren lijken, broos van stijfheid, worden uit elkaar getrokken, waarbij ledematen afbreken die worden terug gestopt in de cel als ze geen onderdeel vormen van het lijk dat begraven moet worden.

 

Lijken van chiefs krijgen een speciale behandeling. Voordat het stoffelijke overschot wordt begraven wordt het hoofd eraf gehakt. Onderdelen daarvan heeft zijn opvolger nodig voor het goed kunnen uitoefenen van zijn functie.

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 00:00 Reageer op dit bericht

 

In Accra waren enkele grote supermarkten, die konden wedijveren met onze Nederlandse Albert Heyn of Belgische Delhaize. Ze verkochten er soortgelijke producten, tegen prijzen waardoor ik af en toe snákte naar een Aldi of een Lidl. Maar er waren ook talloze kleinere supermarkten. Ze hadden airco, de waren stonden netjes gesorteerd in rekken of in vrieskisten, ze hadden een redelijk uitgebreid assortiment en behalve Afrikaanse producten verkochten ze er ook steeds meer westerse artikelen, zoals mayonaise, ketchup, honing, wijn en anti-muggenspray. Zelfs Magnums kon je er krijgen. Niet alleen de importproducten waren er duurder dan bij ons, maar ook veel westerse producten die in Ghana werden geproduceerd, zoals melkproducten, vruchtensappen en koffie. Dan waren er de talloze kleinere winkeltjes, van bakstenen gebouwtjes tot containers en houten stalletje, die producten verkochten die door de plaatselijke bevolking dagelijks werden geconsumeerd.

 

Grote markten, die zo typerend zijn voor Afrika, waren in Accra op talloze plaatsen te vinden. Meestal bevonden ze zich naast of rondom grote trotro-stations. Er werd onder begeleiding van een gigantische herrie letterlijk van álles verkocht. Tussen de kraampjes, de koopwaren op de grond en de dichte massa kopers, manoeuvreerden de trotro’s, de taxi’s, de vrachtwagens van toeleveranciers en de houten handkarren.

 

Door dit geweld persten zich de hawkers of straatverkopers met hun dozen, teilen en emmers vol koopwaren op hun hoofd. Ze slenterden met hun ijswater, gebakken plantain, stukken papaya, ijs, kauwgom, etc. etc., langs wachtende passagiers in de honderden trotro’s die pas vertrokken als ze waren volgeladen. De meeste producten konden met één hand boven uit de bak worden gehaald en door het raampje worden aangereikt, zonder dat de bak van het hoofd hoefde te worden getild. Broodjes werden met een vork boven uit de teil geprikt. Ze werden verpakt in stukken krant of afgeschreven archief, zoals oude telefoonrekeningen of salarisstroken, die in een zakje aan de arm van de hawker hingen. Nagellak was in de bak op kleur gesorteerd, zodat de koper vanuit het raampje gemakkelijk de juiste kleur uit kon pikken. Bungelende bh’s hingen over de rand van een teil, waardoor op afstand een inschatting kon worden gemaakt van de juiste maat. Handdoeken en kleding lagen in een nette stapel rechtstreeks op het hoofd van de hawker gestapeld. Er waren aparte hawkers voor heren- en damespantalons, zodat de hawker zijn of haar waren niet tevergeefs hoefde af te stapelen. Ook naaimachines werden per stuk vanaf het hoofd aangeboden.

 

Niet alleen op de markten stikte het van de hawkers. De wandelende supermarkt was bepalend voor het straatbeeld in Accra. Op elk gewenst moment kon ik bananen, ananas, eieren of tandpasta kopen. Waar ik ook was, ik hoefde alleen maar even om me heen te kijken en de inhoud te spotten van de dozen, teilen en emmers die links, rechts, voor en achter voort bewogen.

 

Op drukke wegen met veel stoplichten en op trajecten waar dagelijks het verkeer muurvast zat, had zich een Afrikaanse versie van onze MacDrives ontwikkeld. De hawkers bewogen zich voort langs en tussen de rijen auto’s die stonden te wachten voor een rood licht of die zich in de file stapvoets verplaatsten. Stropdassen, brood, tandpasta, wc-papier, speelgoed, servies, centuren, kaarten, opbergmappen en strijkijzers, het kon allemaal vanuit de auto tijdens het wachten in de verkeersdrukte worden aangeschaft.

 

 

De voorraad van deze handel lag opgeslagen in twee schuren links en rechts achter de berm van de desbetreffende weg, zodat er snel kon worden bijgevuld als teilen, emmers, bakken, hoofden of handen leeg waren.

 

Sprong het stoplicht op groen, dan moesten de auto’s plotseling vaart gaan maken en ook de files schoten soms onverwachts flink vooruit. Voor het aftellen van appels was dan geen tijd. Daarom waren ze voorverpakt en per drie of per zes als standaard aantallen op elkaar gestapeld en in cellofaan gewikkeld. Toiletrollen waren op dezelfde manier per zes of  twaalf te koop. Telefoonkaarten van verschillende providers werden als een waaier in de hand aangeboden. Op de uitgestrekte handen van een hawker konden twee puppies per stuk worden gekocht.

 

En dan nog was er vaak veel wederzijds behendigheid nodig om de koop te laten plaats vinden, want soms was gigantische haast geboden. Die transactie startte op het moment dat een potentiële koper, hetzij via oogcontact, hetzij door andere signalen, had aangegeven iets te willen kopen. Voor de hawker was geen snelheid te hoog en geen enkele teil te zwaar om deze verkoopkans te laten ontglippen, als op dat moment de auto plotseling vaart moest maken. De hawker vloog met zijn handel of zijn teil op het hoofd naar het raampje. Op dat moment werd de koper geacht de prijs van het product te kennen en, indien mogelijk, gepast geld gereed te hebben. Met dezelfde hand waarmee het product werd overhandigd werd het geld uit de uitgestoken hand van de koper gegrist. Werd het echt penibel, dan gooide de koper gepast geld door het raampje de straat op waar de hawker het opraapte, of de hawker gooide het wisselgeld door het raampje de auto in.

 

Er gold een ongeschreven regel; een hawker werd nooit benadeeld. In het uiterste geval werd het gewenste artikel door het raampje van de auto terug naar buiten gegooid.

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

 

In hoog tempo werden in Accra wegen aangelegd, bestaande wegen verbreed en kruispunten gereconstrueerd om de aanzwellende stroom auto’s te kunnen verwerken. Maar net als in Europa werd steeds achter de feiten aangehold. Op elk moment van de dag zat het verkeer in de stad muurvast.

 

Ook buiten Accra werd hard gewerkt aan verbetering van de infrastructuur. De grotere steden door het hele land waren goed bereikbaar zijn. De villages moesten het met minder doen, hoewel er meestal wel één verharde weg doorheen liep als ze enige omvang hadden.

 

Op het moment dat ik er was waren de reconstructiewerkzaamheden aan de weg van Accra naar Cape Coast in volle gang. Over de hele lengte werd van de oorspronkelijke tweebaans-, een vierbaansweg gemaakt, een project dat enkele jaren in beslag nam en dat ook op weerstand stuitte, omdat er huizen voor moesten worden afgebroken.

 

Vanaf deze weg, die op korte afstand van de zee naar het westen liep, kon je op een aantal plaatsen af slaan, om via geasfalteerde wegen door kleine dorpjes de kust te bereiken. Het onderhoud van deze wegen gebeurde grotendeels op basis van particulier initiatief. Op plekken met diepe kuilen stonden mannen, soms oude mannen met witte baarden gehuld in oude vodden, zwaaiend met een takkenbos naast een hoop stenen. Automobilisten werden geacht hun door het raampje van de auto wat geld toe te gooien als dank voor het dichten van de kuil.

 

De dorpelingen deden hun uiterste best hun geiten, kippen en kindertjes te beschermen tegen snelheidmaniakken. Op talloze plaatsen hadden ze verkeersdrempels aangelegd. Niet van die drempels waarbij je vaart moest minderen en er dan overheen kon glijden. Nee, dit waren bijna lage, brede muurtjes die op de weg waren gemetseld. Het waren drempels waarvoor een personenauto helemaal moest stoppen om er dan heel voorzichtig over heen te kruipen, waarbij het chassis over de stenen schuurde.

 

Naast deze weg pal langs de kust, op zo’n vijf kilometer buiten Accra, begon zich een toeristisch strandleven te ontwikkelen. Tussen de lemen hutjes met daken van stro of houten huisjes met golfplaten van de oorspronkelijke bevolking, verrezen grote hotels, vaak eigendom van Europeanen of rijk geworden Ghanezen, die er voor de nabije toekomst wel brood in zagen. In hun kielzog bouwden minder gefortuneerde buitenlanders, onder wie veel Russen, op het strand houten huisjes die als logement werden verhuurd aan toeristen, met daarbij simpele restaurantjes, waar je vis met frites, salades en vooral langoustine kon eten. Op de stranden zag je blanke mensen op ligbedden die in de zon lagen te bruinen en zwarte verkopers die verse vis, slakken, groente, fruit, sieraden, slippers en kleding te koop aanboden.

 

In the slipstream en om een graantje mee te pikken, hadden enkele autochtonen, met minimale middelen, hun huisjes met golfplaten langs de weg omgevormd tot restaurant. Meestal werd er alleen maar fufu of banku geserveerd, zodat je als gast eigenlijk met de huiselijke pot mee at. Talloze borden verwezen naar resorts, die de naam niet echt verdienden; je kreeg er een stoel op het strand en je kon er een cola of een fanta bestellen. Op zondag stonden op deze plek jongens langs de kant van de weg, die op elke naderende auto af renden en met hun hand nadrukkelijke kringen beschreven. Het was een teken voor de bestuurder om vooral hier van de weg af te draaien naar de ingang van het dáár gelegen resort.

 

Iets verder naar het westen was het afgelopen met dit strandleven. Het centrum van eenvoudige vissersdorpjes werd gedomineerd door grote kerken met hoge torenspitsen. Voor de rest speelde het leven zich eraf, zoals het zich op die plek al eeuwenlang had afgespeeld en de vis die er gedurende de nacht in zee werd gevangen vormde er de ruggengraat van de plaatselijke micro-economie.

 

Op het strand werden houten boten gehouwen uit dikke boomstammen. Geen luierende, bruinende blanken, maar flink gespierde, zwarte kerels, die in de gloeiende hitte met een zwaar houweel wekenlang in het hout stonden te kappen tot er een boot was ontstaan. De boten werden geverfd in felle kleuren. Op het gele zand onder hoge kokospalmen, staken ze fel af tegen het grijzige wit van de bruisende branding en de blauwe lucht.

 

’s Morgens staken de mannen van het dorp het strand over, recht naar de vloedlijn. Vervolgens wandelden ze pal langs de kust naar de vissersboten, die met hun volle netten aan een touw uit het water moesten worden getrokken. Als de vangst van die nacht aan wal was gebracht werd die gesorteerd naar vissoort. Vooral sardientjes werden veel gevangen. Op het strand, dat er voor de rest geel, heet en verlaten bij lag, schitterden de grote, friemelende hopen in de zon.

 

Op dat moment kwam geleidelijk aan vanuit het dorp een stroom met vrouwen op gang. Met grote, lege aluminium bakken op hun hoofd liepen ze dicht langs de zee. Daartussen voegden zich de vrouwen die de gelegenheid te baat namen hun etenswaren te verkopen. Het zonlicht spetterde tegen de lange rij zilverkleurige bakken, soms volgestapeld met sinaasappels en brood, die zich langzaam voortbewoog langs de brekende golven.

 

Bij de hopen vis begon de handel op gang te komen. De kluwen vrouwen die er zich verzamelde werd steeds groter. Soms werd de vis gewogen en werd er een prijs per gewicht bepaald. Soms werd er een prijs per bak afgesproken. De bakken werden helemaal vol geladen en door twee vrouwen op het hoofd van een vrouw getild. Ondertussen zaten de vrouwen met de bakken brood, sinaasappels en houten kistjes met oliebolletjes toe te kijken, de benen wijdbeens vanwege de warmte.

 

Langzaamaan verdwenen de hopen vis op het strand. De distributieketen, met op het hoofd glimmende bakken vol sardientjes waar de vonken afspatten, gleed nu langs de bulderende branding de andere kant op, terug naar het dorp.

 

In de nacht van maandag op dinsdag werd er niet gevist. Op dinsdag was er geen verse vis te krijgen. De dorpelingen hielden zich bezig met het onderhoud van hun boten en het boeten van de netten. Vissen op dinsdag zou ongeluk brengen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 00:00 Reageer op dit bericht

The church

Drie maanden lang heb ik tegenover een kerk gewoond. Echt toevallig was dit niet. De volgende kerk stond driehonderd meter verder. En dit zal ongeveer de gemiddelde dichtheidsgraad van kerken in Accra zijn geweest. Niet elke Ghanees had dan misschien het voorrecht er recht tegenover te wonen, in elk geval woonde iedereen in de búúrt van een kerk.

Elke Ghanees was lid van een kerkgemeenschap, hetzij een katholieke, hetzij een protestantse, waarvan er ik weet niet hoeveel verschillende soorten waren met de meest merkwaardige namen. Onze missionarissen en zendelingen hebben destijds uitstekend werk verricht.

In elk geval was het ook in dit land, samengesteld uit talloze stammen met diverse culturen, hét middel bij uitstek om eenheid te scheppen. Normen en waarden, vastgesteld door de seculiere branche ten behoeve van het algemeen of ander belang, konden er met behulp van de religieuze infrastructuren bij de grote massa worden ingestampt. Veel ruimte voor het ontwikkelen van individuele normen en waarden op basis van persoonlijke geestelijke groei leek er niet te zijn en vooral daardoor kreeg ik het er benauwd van.

Ook de islam had goed geboerd. Moskeeën te over, evenals mannen met baarden en vrouwen met hoofddoekjes. En dan waren er nog de oorspronkelijke medicijnmannen voor als het echt moeilijk werd. Maar daarvan zag je in het openbare leven niet zoveel, omdat ze zich in the villages schuil hielden.

Winkels, auto’s, trotro’s, reclameborden en overig straatmeubilair, alles stond vol gekalkt met religieuze teksten. Op een reclamebord van een bedrijfje dat handelde in auto-onderdelen stond "Jesus loves spare parts". Tegen een horizontale lat die twee palen rechthield, waaronder een vrouwtje enkele sinaasappels probeerde te verkopen, was "Showers of Blessing" geschilderd. Psalm 23 ("De heer is mijn herder. Het ontbreekt mij aan niets") deed het ook goed, al leek die nogal misplaatst op de achterruit van een gammele trotro, waaraan zowat alles ontbrak. Als het míjn trotro was geweest zou ik er "Bless my spare parts" van gemaakt hebben

Religieuze activiteiten vonden de hele week plaats, maar de opmaat naar de zondag begon op zaterdagmiddag. Op straat verschenen meer vrouwen in schone, kleurrijke traditionele kleren en mannen met zwarte pakken en witte overhemden of met kleurige grote lappen om zich heen gedrapeerd dan op andere dagen. Ook liepen er meer vrouwen rond met krulspelden in het haar. Op zondagmorgen was bijna iedereen helemaal uitgedost tot de kleine kindertjes toe.

De kerk tegenover mijn huis heette Assemblies of God. De kerk was gebouwd op een compound van respectabele afmetingen. Het hoofdgebouw zag er vrij nieuw, solide en goed onderhouden uit. Het bijgebouw was nog niet af was. Alleen de muren stonden er en het dak lag erop. Al die maanden heb ik er geen bouwactiviteiten gezien. Wel religieuze activiteiten, want op zondagochtend zat er een juf in met een heleboel kleine kindertjes. Ik nam aan dat er een soort zondagsschool werd gehouden.

De gemeenschap leek me redelijk bemiddeld. Ook al waren er in Accra geloofsgemeenschappen met kerken als paleizen omzoomd door riante parken, even zo goed zag je er bouwvallige schuurtjes die het met veel minder moesten doen. Reden in Accra hoofdzakelijk gammele en roestige busjes rond, de Assemblies of God beschikte over een gloednieuwe, rode minibus om haar kerkgangers op te halen die niet te voet of met eigen vervoer konden komen of die een bepaalde status hadden. Met grote letters stond de naam van de gemeenschap op de bus vermeld. Bovendien stond op het dak een luidspreker waarmee regelmatig met veel kabaal al rijdend boodschappen moesten worden verspreid.

Ook op andere momenten liet de kerk van zich horen. Zeven dagen per week stonden de deuren en ramen wagenwijd open vanwege de hitte en zeven dagen per week werden er diensten gehouden. Uiteraard op zondagochtend. Veel slagwerk en gezang. De preken en het zingen van de voorganger in de microfoon droeg ver, temeer, omdat ook buiten luidsprekers waren opgehangen om de blijde boodschap zo breed mogelijk uit te dragen. Maar ook zonder die luidsprekers hadden wij als directe overburen het volle vruchtgebruik. Mijn huisgenoten kenden alle gospels en zongen en klapten vrolijk mee, als ze op dat moment niet door hun eigen kerk dansten. Ze hadden geleerd dat je Eeeemén moest zeggen als de voorganger Hosanna of Halleluja riep en dat deden ze dus ook, telkens als de overbuurman deze loftuigingen in de microfoon schreeuwde. Rond een uur of twaalf was de dienst afgelopen en werd het rustig, zowel buiten als binnen.

Elke avond waren er diensten. Ook vaak overdag op doordeweekse dagen op wisselende tijdstippen, waarin ik geen vaste structuur heb kunnen ontdekken. Er waren diensten waarin door de gelovigen aanhoudend werd gejuicht als bij een voetbalwedstrijd met op elk moment een doelpunt. Er waren diensten, waarbij in tongen leek te worden gesproken. Gedurende een lange periode werden door elke kerkganger afzonderlijk vreemde klanken uitgestoten, soms in de kerk, soms daarbuiten terwijl de kerk leeg was. Ze liepen dan in groepjes rond voor de poort van mijn huis, in zichzelf gekeerd en geconcentreerd op het produceren van de meest ondefinieerbare klanken op het hoogst mogelijke volume en dat allemaal door elkaar.

Op maandagavond was er een speciale dienst voor vrouwen. Daarin werd, behalve gedanst en gezongen, geleerd hoe ze in het huwelijk met hun man moesten om gaan. Omgekeerd hadden mannen zo’n dienst kennelijk niet nodig. Die konden naar The school for men, waarin de specifieke fysieke aspecten van een vrouwenlichaam werden uitgelegd, om vervolgens duidelijk te maken waarom vrouwen in de menopauze soms niet meer zoveel zin hadden om te vrijen. Daarvoor werd paginagroot geadverteerd in de krant. Ik weet niet door welke organisatie. De religious bodies voorzagen in elk geval niet in dit soort educatie.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 00:00 Reageer op dit bericht

Cedis

De munteenheid in Ghana is de cedi. Het valutasymbool is een hoofdletter C met een verticale streep er door. Één euro is ongeveer tienduizend cedis. Telkens wisselende ik honderd euro. Daarvoor ontving ik meestal honderd bankbiljetten van tienduizend cedis. Niet bepaald een pak dat je even in een avondtasje stopt. Maar ik had een grote handtas met diverse vakken, die afzonderlijk af te sluiten waren met een rits. In een van de vakken zat het dikke pak, in een ander vak zaten enkele biljetten van tienduizend plus de biljetten met de kleinere valuta. Dan had ik nog een speciaal vakje voor de muntjes, dat ik eigenlijk alleen maar gebruikte voor het kopen van zakjes ice water (spreek uit ice watta) die driehonderd cedis (€ 0,03) kostten.

Er zijn bankbiljetten van 20.000, 10.000, 5.000, 2.000 en 1.000 cedis, die respectievelijk        € 2,00, € 1,00, € 0,50 en € 0,10 waard zijn. Voor minder dan 1.000 cedis zijn er muntjes. No problem als je levensmiddelen op straat koopt. Tomaten, 8.000 cedis, brood 6.000 cedis, uien 5.000 cedis. Nóg interessanter, een pakje sigaretten 8.000 cedis ( € 0,80) en een fles gin 13.000 cedis (€ 1,30)!

De problemen begonnen als ik boodschappen ging doen in een supermarkt met Europese producten. Dat hakte erin. Een stukje kaas kostte al gauw 50.000 cedis. Met de boter, de yoghurt en het vlees erbij stond de teller bij de kassa zo op zo’n 250.000 cedis. Het leek een klap geld als in de handtas het vak met het dikke pak geld moest worden open geritst en er vijfentwintig biljetten van tienduizend moesten worden neergeteld. Het betekende, dat ik voor € 25,00 vijfentwintig briefjes stond af te tellen, die door de caissière vervolgens zorgvuldig moesten worden nageteld.

Echt erg begon het te worden bij het kopen van producten, anders dan voor de primaire levensbehoeften. Producten die onder meer te maken hadden met transport, telecommunicatie en dienstverlening. Producten die een Europeaan en een redelijk bemiddelde Ghanees eigenlijk niet konden missen. Een telefoonkaart, waarmee ik kon een week kon telefoneren als ik me tot de meest noodzakelijke telefoontjes beperkte, kostte 80.000 cedis, wat ongeveer overeenkwam met zes flessen gin met een alcoholpercentage van 42%. En al kostte de benzine dan maar zestig cent per liter, voor een volle tank had je wel driehonderdduizend cedis nodig en dat zijn even dertig bankbiljetten die afgeteld moeten worden.

Voor de aanschaf van een mobieltje, een koelkast of een pc moest vooraf wat georganiseerd worden. Het ging dan over aankopen voor bedragen van miljoenen cedis, want honderd euro is één miljoen cedis. Grof gezegd had je voor een mobieltje één miljoen, voor een koelkast driemiljoen en voor een pc tienmiljoen cedis nodig. Je moest dan eerst naar een wisselkantoor met een paar biljetten in euro’s in je handtas. Op de terugweg volstond een rugzakje om het geld te vervoeren voor de aanschaf van een mobieltje. Maar met de vracht geld in een grote plastic zak voor een pc was niet meer discreet om te gaan. En dan heb ik nog niet eens een auto gekocht! Tegen die tijd zal ik een bestelbusje moeten huren om het geld vervoerd te krijgen. De huur daarvan zal ik misschien vanuit een rugzak kunnen betalen.

En maar tellen. Eerst bij het wisselkantoor. Dat gebeurde met een machine. Ik hield de teller in de gaten en was te lui om de stapels van honderdduizend met de hand na te tellen als ze door het loketje naar me werden toegeschoven. In de winkel telde ik ze de verkoper voor, die telde ze vervolgens na en hoe vaak en waarvoor ze daarna weer werden geteld, voordat ze uit de winkel waren verdwenen, weet ik niet. Zeker is dat ze vervolgens weer talloze keren werden geteld op alle volgende locaties.

Op de televisie was een commercial.  Eerst zag je een vrouw zeulen met een boodschappentas vol met geld. Vervolgens liep een man te wankelen met een kruiwagen, waar de pakken geld vanaf vielen. Als laatste probeerde een man bij een auto, waarvan de achterbak volgestóuwd was met geld, met grof geweld de klep dicht te krijgen. Tot slot werd de visacard gepromoot, die dit probleem kon oplossen. Dit voor the happy few, want de gemiddelde Ghanees heeft niet eens een bankrekening.

Ik had nog het geluk dat ik over een voorraadje euro’s beschikte die miljoenen cedis waard waren, maar die ik, totdat ze omgewisseld waren, vrij onzichtbaar in huis kon opbergen. Mijn huisgenoten waren minder gelukkig. 

De eigenaresse van het huis zat in België en verdiende de kost met de inkoop van tweedehandse schoenen, die naar Ghana werden verscheept om er vervolgens te worden verkocht. Voor de afhandeling in Ghana had ze haar mannetje die haar moest betalen als de container was gearriveerd. Om de een of andere reden stonden de schoenen uiteindelijk in de haven in Tema en moest het geld uit Kumasi komen. Vanuit België belde ze de housemaid, die het geld vierhonderd kilometer verder moest gaan ophalen. Die vertrok met de bus naar Kumasi en kwam een dag later terug met een boodschappentas die ze amper kon dragen omdat er vijfenzestigmiljoen cedis in zaten. 

Er logeerde een vrachtwagenchauffeur in huis, op momenten dat hij bezig was een lading vracht te krijgen in de haven van Tema. Als hij die had weten te bemachtigen en de vrachtwagen was geladen, dan was hij enkele dagen weg om de handel af te leveren in Kumasi of in Cape Coast. Ik had geen idee wat het allemaal opleverde, maar er waren momenten dat ik, samen met het geld van de tweedehandse schoenen, in huis struikelde over het geld, dat “discreet” in grote tassen was opgeborgen. Regelmatig moest het afgevoerd worden, maar dan moest het eerst worden geteld. Drie mensen waren een hele avond bezig om de pakken per honderdduizend te tellen en na te tellen. Vervolgens werd het weer in tassen gestopt. Met handdoeken werden vergeefse pogingen gedaan de werkelijke inhoud te camoufleren. Vervolgens sloop de rechtmatige eigenaar met zijn zuur verdiende centjes als een dief de donkere nacht in.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rieky om 17:13 Reageer op dit bericht

Fufu

 

Afrikaanse huizen, gebouwd volgens westerse standaarden, hebben een keuken met een deur naar een binnenplaats. Want buiten moet de fufu worden gestampt en de banku worden gekookt. Fufu en banku zijn dé nationale gerechten van Ghana, naast ampesie met yam of plantain. Twee keer per dag wordt een van deze gerechten gegeten. Met de bereiding ervan zijn vrouwen bijna de hele dag bezig.

 

Ook het huis waarin ik drie maanden logeerde, had een keuken met een deur naar een binnenplaats. De keuken had een aanrecht met twee gootstenen, keukenkastjes, een grote koelkast met diepvries, een gasfornuis met oven, een koffiezetapparaat, een food processor, een waterkoker, een friteuse plus volop pannen, bestek en servies. Alleen een pedaalemmer ontbrak. Monica, the housemaid, liep voor elk kwakje afval de deur uit naar een vuilnisbak op het einde van de binnenplaats. Op het moment dat ik het huis betrok hing ik een plastic zak aan de knop van een keukenkastje.

 

Voor mij waren alle faciliteiten aanwezig om gevarieerd en smakelijk Europees voedsel te bereiden, als ik er de ingrediënten voor had kunnen krijgen. Nou waren die er wel, want in Accra zijn een paar supermarkten, speciaal voor verwende Europeanen en Amerikanen.  Ik kocht er mijn vlees, mijn kaas, mijn boter en mijn yoghurt. Met mijn spulletjes in een plastic zakje liep ik uit de ruimte met airco naar buiten waar het zo’n vijfendertig graden was. Ik nam een tro tro, waarin het, zeker als die een tijd stilstond, nog veel heter was. Als alles mee zat was ik ruim een uur later thuis. Op dat moment begon de boter uit het papier te lekken.

 

Koffie kocht ik nooit, want die koste ruim vijf euro per pak en daar was ik te krenterig voor. Dus toen ik door mijn voorraad heen was die ik vanuit een Belgische Aldi had meegenomen, werd het koffiezetapparaat niet meer gebruikt, want Ghanezen drinken geen koffie. Met de friteuse kon ik ook niets, want er zijn in Ghana amper aardappels te krijgen. Met de groenten, het fruit, de eieren en het brood dat ik op straat kocht en de vis die op het strand te krijgen was, slaagde ik erin geïmproviseerde maaltijden te bereiden op het gasfornuis.

 

Regelmatig at ik, uit gemakzucht want echt lekker is het niet, mee met de Afrikaanse pot, die door Monica was bereid. Voor de bereiding van deze gerechten werd de keuken amper gebruikt. De banku moest worden gekookt in een speciale grote pot, waarbij tijdens het koken een dikke, taaie massa moest worden omgeroerd. Een gasfornuis, ook al zou de pot op vier pitten worden geplaatst, was te hoog en bovendien zou hij tijdens het roeren ervan af kunnen vallen. Daarom werd buiten, op de binnenplaats naast de keuken, een houtskoolvuurtje aangestoken en daarop werd de aluminium pot geplaatst. De pot had twee oren. Daarin werden de haken gestoken van twee ijzeren stokken, die steunden op de grond. Monica ging op een houten krukje zitten en plaatste haar voeten op de stokken om een uur lang de massa met een lange, houten schep te kunnen om roeren zonder dat de pot omviel.

 

De fufu werd gekookt op het gasfornuis. Daarna werd die naar buiten gedragen en in een houten schaal geschept die op de grond stond. Tegen de muur stonden een aantal stampers. Er waren twee personen nodig om de fufu te stampen. Een persoon stampte, de ander zat op een houten krukje naast de schaal om het deeg om te klappen elke keer als de stamper werd opgeheven.

 

Per persoon was er alleen maar een bord nodig om te eten. Bestek werd niet gebruikt want Afrikanen eten dit voedsel met hun handen. Eigenlijk werden in de keuken alleen de pannen, wat servies, messen, het gasfornuis en de koelkast gebruikt. De rest stond, hing of lag te verstoffen.

 

Er stond ook nog een wasmachine in het huis. Ik was de enige die hem gebruikte. De andere bewoners zaten enkel keren per week op een krukje op de binnenplaats met grote teilen water en zeep om hun was schoon te boenen.

 

Buiten tegen de muur stond ook een bezem. Dagelijks veegde Monica, voorover gebogen als een winkelhaak, de binnenplaats schoon ……………met een takkenbos.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rieky om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Internetcafe

In Ghana kreeg ik een telefoontje uit België. Een vriend, de laatste Europeaan zonder pc en internetverbinding, vertelde me dat hij me een e-mailtje had willen sturen. Het internetcafé in Antwerpen, waar hij naar toe was gegaan, zat vol met tieners die zaten te chatten, te gillen en te lullen in hun mobieltje. Hij was er gevlucht en had thuis de telefoon maar gepakt om contact met me te krijgen.

In Accra schieten de internetcafés als paddestoelen uit de grond. Want bijna niemand, bedrijven uitgezonderd, heeft een pc of een eigen aansluiting. De aanschaf van een pc is voor de meeste Ghanezen onbetaalbaar. En internetverbindingen zijn dan wel redelijk goedkoop te regelen via het telefoonnet, maar buitenwijken van Accra zijn daar nog niet op aangesloten.

Er was een internetcafé in de wijk waar ik logeerde. De oppervlakte zal niet groter zijn geweest dan vier bij vier, zeg maar de afmetingen van een gemiddelde slaapkamer. Daarin stonden zes houten tafels met een houten schot in het midden. Achter elke tafel stonden twee, dus totaal twaalf, stoelen met kunststof zittingen. Er stonden twaalf pc’s. Dan was er ook nog ruimte voor een tafel met stoel voor de beheerder die beschikte over een pc en een printer. Bovendien stond er een kopieerapparaat. Kortom, je kon er je kont niet keren. Aan het plafond draaide een ventilator langzame rondjes.

Elke pc droeg de naam van een ander merk en was samengesteld uit de nog werkzame onderdelen van allerlei andere pc’s. Daarop was ook weer verschillende software geïnstalleerd, zodat het bij elke pc steeds even zoeken was om een internetverbinding tot stand te krijgen.

Ook de toetsenborden functioneerden bij elke pc anders. Soms lagen er wat toetsen los die je af en toe weer goed moest leggen. In het slechtste geval kwamen de tekens op de toetsen niet overeen met de letters die verschenen op het scherm. Je had dan eerst wat uit het hoofd te leren voordat je een e-mail had gecomponeerd dat voor de ontvanger leesbaar was.

In het begin kwam ik daar elke dag en het zat er vol, op elk tijdstip van de dag. Ik maakte me zo klein mogelijk om struikelend over stoelpoten tussen surfende lijven het mij toegewezen werkplekje te bereiken. Ik las er mijn post en verstuurde er mijn reacties, met de ellebogen stijf tegen het lijf om de buurman/-vrouw niet te raken. Maar de verbinding was er zo ontzettend traag dat ik soms een uur nodig had om twee e-mails op te halen. Koppensnellen op www.volkskrant.nl was echt een brug te ver. Ondertussen dreef ik weg op de kunststof stoelen. Toen ik er ook nog eens bijna ben opgevreten door de vlooien en me geen raad meer wist van de jeuk ben ik naar een andere mogelijkheid gaan uit zien.

Coolnet bevond zich op Spintex Road. Met de trotro was ik er in tien minuten. Bovendien sprak, na mijn vorige verhitte ervaringen, de naam me wel aan. Coolnet had wel vijftig werkplekken en elke werkplek was wat ruimer bemeten. Mozilla firefox was de naam van de software die op elke pc was geïnstalleerd voor een verbinding met het internet. Het was kennelijk software uit het een of andere Aziatische land, want eerst verschenen er allemaal onleesbare karakters op het scherm. EN was het enige dat leesbaar was. Je had geen bijzonder hoog IQ nodig om te kunnen veronderstellen dat de onleesbare karakters vertelden dat je de taal moest kiezen. En inderdaad, klikte je op EN dan verscheen er tekst die voor elke Afrikaan en Europeaan, die het Engels beheerste, te lezen was. 

Overal in het internetcafé hingen briefjes met de tekst dat bellen en gebeld worden verboden was. Regelmatig klonk er muziek van een ringtone als er weer een gebruiker werd gebeld, die zich dan braaf naar buiten repte om zijn gesprek te kunnen voeren. Op een dag werd ik uit mijn concentratie gehaald door een zeer bekend melodietje. Omdat de eigenaar zijn mobieltje niet zo snel kon vinden begon het steeds luider te klinken. Totdat De vogeltjesdans op polonaise-volume door het internetcafé schalde. 

Coolnet had ook airco. Ik ben er veertien dagen snipverkouden van geweest.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 13:19 Reageer op dit bericht

The guard

Beter gesitueerden in Accra wonen in grote huizen. Er zijn héél erg veel van die huizen, tot kapitale villa’s toe. Maar er zijn nóg meer hutjes van drie keer niks en massa’s mensen die op straat leven. Kortom, het verschil tussen rijk en arm is beangstigend groot. Vanzelfsprekend heeft dit grote gevolgen voor de criminaliteit. Armed robberies komen nogal eens voor. Vandaar de muren om de dure huizen, soms afgezet met prikkeldraad of punten van glasscherven. Zelfs buitendeuren binnen de ommuring zijn voorzien van hekwerk dat achter de deur wordt geschoven als de deur op slot gaat. En alle ramen zijn van binnen voorzien van tralies.

 

Tussen de ommuringen en de poort is vaak een huisje geplaatst voor de bewaking. Het huisje is zo’n twee bij twee meter met ramen voor uitzicht op zowel de buitenkant als de binnenkant van de poort. De deur is gericht naar het mainhouse dat meestal uit één of twee verdiepingen bestaat. Achter het mainhouse liggen de houseboyquarters, waar het personeel verblijft dat daar kan slapen, douchen en koken.

 

Ik heb een aantal maanden in zo’n huis gelogeerd. De Ghanese eigenaresse verbleef in België en ik kon over haar huis beschikken. Omdat het mainhouse nog niet was ingericht nam ik mijn intrek in de houseboyquarters: twee slaapkamers, twee badkamers, een grote keuken met alle faciliteiten, een woonkamer en een terras. Het kan beroerder. Soms wandelde ik wel eens door het lege mainhouse van twee verdiepingen met talloze slaapkamers en badkamers met jacuzzi en grote terrassen.

 

Het geheel werd dag en nacht bewaakt door Samuel, die was aangesteld als security guard en die zijn status ontleende aan het feit dat er nog nooit een dief het erf had betreden. Maar eigenlijk was dit niet zozeer de verdienste van Samuel. Want zo spookte het er niet, in deze keurige wijk met ook nog eens constant politiebewaking, waar je rustig midden in de nacht doorheen kon wandelen.

 

Samuel’s voornaamste capaciteiten waren eigenlijk gelegen in het vermogen om de hele dag niets te doen. Hij liet mijn bezoekers binnen, kondigde ze aan en bracht ze dan naar het terras waarop ik kantoor hield. Dat gebeurde gemiddeld zo’n vier keer per week. Verder deed hij de poort voor me open als ik weg ging, waarbij hij me soms waarschuwde.

“Let nobody catch you”.

Ik verzekerde hem dan dat ik me door niemand zou laten pakken. Hij deed de poort voor me open als ik thuis kwam.

“Welcome, welcome, welcome, my sister.”

Hij nam mijn tassen over - nadat ik er in de hitte soms kilometers mee had gesjouwd - en zette die in de keuken op het aanrecht. En verder liep hij ’s nachts enkele keren een rondje om alle gebouwen binnen de ommuring.

 

Hij verdiende er € 40,00 per maand mee, exclusief kost en inwoning. Baden deed Samuel in een van de vele badkamers in het mainhouse. De housemaid kookte voor hem. Zijn matras lag op een van de veranda’s van het mainhouse, op een plek die verschoof, naargelang de stand van de zon, naar een koele plek met een stevige bries. Sliep hij als ik weg ging, dan maakte ik hem niet wakker. De poort openen en achter me weer sluiten kon ik gemakkelijk zelf. Achteraf vroeg hij me dan verontwaardigd waarom hij me niet had gezien toen ik weg ging.

“Because you were asleep.”

Hij keek dan verongelijkt.

“You know…..all night….I walk and walk around the house......Many times. During daytime.....sometimes I feel very sleepy.”

Ik knikte dan begrijpend.

 

Het was een man van een jaar of vijftig met grijzend kroeshaar dat door de housemaid werd zwart geverfd. Dat gebeurde heel eenvoudig. De housemaid had daarvoor een potje met zwart spul dat op schoenpoets leek en dat ze met een kam door het haar van Samuel haalde. Na elke wasbeurt werd de schoenpoets er weer in gekamd zodat hij nooit last had van uitgroei. Hij miste twee voortanden, wat nogal opviel omdat hij vaak lachte. Hij was uitermate correct, sprak redelijk Engels en straalde uit dat hij iedereen het allerbeste wenste.

 

Ik had geen idee of Samuel wist wat de reden was van mijn verblijf in dit huis. Maar ook al zou niemand hem iets hebben verteld, dan zouden het bezoek van makelaars die hij binnen liet en de gesprekken die hij af en toe zal hebben opgevangen hem gaandeweg wel duidelijkheid hebben verschaft.

 

Op een dag schuifelde hij de woonkamer binnen, waar hij zich zelden liet zien. Hij ging naast me op de bank zitten.

“Madam…..you and I.....we have to talk.”

Ik keek hem vragend aan.

“Madam……here in Ghana,…...........you have to know,…..some people are good…......some are bad…….Some are good..........some are bad...............You have to know this.........If you are here,............ to buy property,……........keep it to your heart.”

Daarbij legde hij zijn hand op zijn hart.

“Don’t tell ànybody” en hij schudde zijn hoofd.

“Keep it to your heart..........keep it into your head” en hij tikte met zijn vinger tegen zijn hoofd.

“But dont’t tell ànybody……..Keep it to your heart”.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rieky om 00:00 Reageer op dit bericht

De makelaar

Er had een advertentie gestaan in The Daily Graphic (een dagblad in Ghana), waarin een aantal huizen en stukken grond te koop werden aangeboden. Steve King Ventures was de naam van het bedrijf dat de advertenties had geplaatst. Alex was de contactpersoon die je kon bellen. Ik belde en kreeg Alex aan de telefoon. We maakten een afspraak voor drie dagen later bij mij thuis.

De volgende morgen om 6.00 uur (!) rinkelde de telefoon. Alex belde om te checken of hij het juiste telefoonnummer had. Ik kon hem gerust stellen en kroop weer in bed.

Op de afgesproken dag meldde Alex zich al een half uur eerder dan we hadden afgesproken. Het was een mooie, jonge kerel met een prachtig atletisch lichaam. In zijn oor zat een oordopje met een kabeltje naar het mobieltje aan zijn riem. We namen plaats op de veranda. Ik schonk water in, informeerde Alex over mijn wensen aangaande het huis dat ik zocht en het te besteden budget. Alex had talloze huizen aan te bieden, die allemaal aan mijn wensen voldeden. Het zou het beste zijn als we ze samen zouden gaan bekijken. Maar eerst moest hij een vriend bellen. Zonder het mobieltje van zijn riem te halen voerde hij zijn telefoongesprek alsof hij luid tegen zichzelf aan het praten was.

Buiten had ik eigenlijk een auto verwacht, maar die stond er niet. Ik liep dus maar dezelfde kant op als Alex. We liepen de straat uit, sloegen rechtsaf en vervolgens linksaf.
“Where are we going to?” vroeg ik Alex.
De auto van Alex bleek in reparatie en we zouden een taxi moeten nemen. Even later zaten we in een taxi die ons naar een punt bracht waar veel trotro’s stoppen. Alex betaalde de taxichauffeur. We namen de trotro en Alex betaalde de kosten. Vervolgens stapten we weer in een taxi en reden naar Kaneshie*. We stopten in een vervallen buurt. Alex stapte uit de taxi en vroeg mij te wachten. Even later stapten er nog twee kerels in de taxi. Een van hen leek een beetje op Bob Marley met de dreadlocks verstopt onder een gehaakte muts. Ik zat tussen hem en Alex ingeklemd op de achterbank. We reden. Uiteindelijk kwamen we bij een gigantisch groot complex, reden door de poort en stopten voor de ingang. Het was een ziekenhuis.
“We need the doctor.”
Ik bleef wachten in de taxi. Even later kwamen ze alle drie uit het ziekenhuis en we reden het terrein af.

In een weiland stonden twee houten barakken. Ik was even bang dat dit de property was waarvan werd gedacht dat die aan mijn wensen zou voldoen, want ik moest uitstappen en mee komen. Ik stapte een donker zaaltje binnen. Verpleegsters met kapjes op hun hoofd verzorgden de patiënten in bedden. Achter in het zaaltje stond een bureau en daaraan zat de dokter. Hij bleek de eigenaar van het pand dat we gingen bekijken en we kregen van hem de sleutel.

We stapten allemaal weer in de taxi en gingen op zoek naar het pand. Over stoffige zandwegen probeerde de chauffeur diepe kuilen te ontwijken. We stopten bij een van de vele houten hokjes met roestige golfplaten langs de kant om de weg te vragen. Uiteindelijk reden we een gammele poort binnen en kwamen bij een gebouw dat voor een stal zou kunnen doorgaan. Ik wierp een korte blik in alle vertrekken, inclusief  in the masterbedroom waar iemand op de grond lag te slapen en door de deur van the bathroom. Toen we weer buiten stonden vroeg ik de prijs. $ 55.000. En we konden meteen terug rijden naar de dokter voor de papieren. Ik stelde voor om daar toch maar even mee te wachten, want ik had even tijd nodig om na te denken. Kijk, je kocht toch niet binnen één dag een huis. Nee, dat was waar en daar hadden ze allemaal begrip voor. En ze hadden nog meer properties die ik beslist moest zien. We stapten weer in de taxi en reden naar North Kaneshie*. Alex wees me op een gigantisch gebouw.
“That’s the property.”
Door de poort kwamen we op een groot terrein vol potten met prachtige planten. Behalve het gigantische gebouw waren er talloze bijgebouwen met grote keukens. Voor het hoofdgebouw dat er uit zag als een luxe hotel was een veranda met een bar en metershoge planten die de veranda overschaduwden.
Ik maakte kennis met de eigenaar.
“Well, maybe this place is too big for you.”
“Nooooo,….not too big……Maybe too expensive.”
En dat klopte. De vraagprijs was $1.200.000.

Al die tijd had de taxichauffeur buiten staan wachten. Ik kroop weer op de achterbank; Alex en Bob Marley schoven naast me. Plotseling voelde ik de arm van Alex om mijn schouder. Ik kreeg het nog warmer dan ik al had. We stopten bij een restaurantje, want er moest gegeten worden. Ik kreeg een flesje cola. Alex betaalde en verdween met zijn vrienden. Na verloop van tijd kwamen ze terug en we gingen weer rijden. Naar La Paz* gingen we en ze lieten me een gebouw zien dat gebruikt werd als kerk; de rest van het gebouw was nog niet af. We reden weer verder.

Opeens ontstond er discussie. De taxichauffeur stopte en Alex verzocht me uit te stappen “because we have to talk.” We liepen een eindje op. Kijk, de taxichauffeur moest betaald worden en waarschijnlijk zou hij 100.000 cedis (€ 10) vragen als we ons door hem terug naar mijn huis zouden laten rijden. En the boys moesten natuurlijk betaald worden. Alex stelde voor hen 50.000 cedis (€ 5) te geven. Kortom, of ik 150.000 cedis (€ 15) wilde ophoesten. Geen probleem. Ik overhandigde Alex het geld. We liepen terug naar de auto. Alex sprak met de chauffeur door het open raampje. De stemmen werden luider. De chauffeur stapte uit met een heel boos gezicht. Ook the boys stapten uit. Het gesprek ging over in geschreeuw. Alex hield de taxichauffeur mijn 150.000 cedis onder zijn neus. Hij weigerde het geld aan te nemen. Omstanders gingen zich ermee bemoeien.

Een passerende taxi werd aangehouden. Alex duwde me er in. Ook de twee vrienden sprongen erin en we reden weg, achtervolgd door de vorige taxi. Zo reden we achter elkaar aan door La Paz*. We stopten bij een restaurantje. De discussie met de taxichauffeur begon van voren af aan. Uiteindelijk kwam er een compromis. Of ik nog even 20.000 cedis (€2) wilde betalen. De chauffeur kreeg 170.000 cedis. En dan moest ik nog 100.000 cedis (€ 10) voor the boys geven natuurlijk. Natuurlijk! En met de nieuwe taxichauffeur was afgesproken, dat hij ons voor 50.000 cedis (€ 5) naar huis zijn brengen. Het uitje had me € 32 gekost.

We namen hartelijk afscheid van the boys. Alex ging met mij mee. Voor de poort van mijn huis nam ik afscheid van Alex. Hij keek heel ernstig.
“From the moment that you called me......I had this special feeling. You are such a nice lady.......I love you sooo much......And I really want to tell you something......I want to marry you.”  

 

* wijken in Accra

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rieky om 00:00 Reageer op dit bericht

Mobiel

De auteur van deze artikelen is weer in Ghana. Gedurende drie maanden zal ze haar tijd hoofdzakelijk besteden aan het bezichtigen van panden die te koop worden aangeboden. Ondertussen blijft ze schrijven.

 

 

Een Belgische vriend had me een afgedankte mobiel gegeven. Het ding was een jaar of vijf oud, solide en schokbestendig. Een andere vriend had nog een sim-kaart uit Ghana. Ik hoefde alleen nog maar een prepaidcard van telefoonmaatschappij Buzz te kopen.

 

Makkelijk genoeg. Overal langs de straat staan tafeltjes in het zand, waar je telefoonkaarten kunt kopen van diverse maatschappijen. Ik kocht een kaart van Buzz en stopte hem in mijn tas. Thuis trok ik het plastic eraf, krabde de coating weg en toetste de nummers in. Helaas. Op de display verscheen het bericht unkown. Ik probeerde het nog een keer en nog een keer. Steeds hetzelfde bericht als resultaat.

 

Och, iedereen liep hier met een mobieltje rond en iedereen had er meer verstand van dan ik. Ik schoot een meisje aan dat ik kende.

“I can’t recharge my telephone.”

Ze griste ongeduldig het mobieltje en de kaart uit mijn handen en toetste de nummers in.

“It doesn’t work”, riep ze verontwaardigd.

Ze probeerde het nog een keer. Helaas. Ze maakte de telefoon open en bestudeerde de sim-kaart. Buzz moest gebeld worden want misschien was de sim-kaart verlopen. Natuurlijk had ze zelf een mobieltje, maar daarmee kon ze niet bellen. Veel Ghanezen hebben een mobieltje waarmee ze niet kunnen bellen, want ze kunnen geen nieuwe kaart betalen als het beltegoed op is.  

 

Het meisje ging ergens bellen met een vaste telefoon. Even later kwam ze terug. Mijn sim-kaart was inderdaad verlopen, maar een nieuwe was voor 35.000 cedis (€ 3,50) te koop. Ze stuurde een kleuter op pad die ik 50.000 cedis in zijn knuisje drukte. Ik besloot ondertussen een ommetje te maken.

 

Toen ik terug kwam was er een nieuwe sim-kaart geplaatst en bij deze aankoop had ik een aantal vrije unities gekregen. Ik kon bellen. Na twee telefoontjes waarschuwde een stem me.

“You have to recharge your mobile”

Ik toetste de cijfers van de prepaidcard  in. Op de display verscheen de tekst unknown. Voorlopig had ik er schoon genoeg van.

 

Af en toe maakte ik een praatje met een vrachtwagenchauffeur die in de buurt verbleef als hij niet op de weg zat. Steevast had hij zijn mobieltje in de hand. Soms zat hij er eindeloos in te leuteren. Op een avond kwam hij weer een babbeltje maken. Het mobieltje zat in zijn hand geklemd alsof het zijn ziel was. Misschien had hij ook nog verstand van die dingen.

“I can’t recharge my telephone”, zei ik.

Hij trok het mobieltje en de kaart uit mijn handen en toetste de nummers in.

“It doesn’t work”, riep hij verontwaardigd.

Hij probeerde het nog een keer. Helaas. De telefoon werd open gemaakt en de sim-kaart werd bestudeerd.

“I’m going to call a friend.”

Hij drukte zijn mobieltje tegen zijn oor en ratelde wat in voor mij onverstaanbaar Twi.

“My friend, he’s coming”, vertelde hij me. “He’s a professional.”

 

Even later verscheen vanuit het donker een man op een fiets. Hij negeerde me volledig, graaide de telefoon en de kaart naar zich toe en toetste de nummers in van de prepaidcard.

“It doesn’t work!” riep hij verontwaardigd.

Hij maakte de telefoon open, haalde de sim-kaart eruit, stopte die in zijn mobiel en toetste weer de nummers in van de prepaidcard.

 “This cart is used”, constateerde hij

“No, no”, protesteerde ik. “It never worked. I never could use it.”

“I mean....... that you......” en hij wees op mijn borst, “bought a used card.”

“Sufferd”, was wat hij werkelijk bedoelde. Ik schoot in de verdediging.

“It was sealed and I scraped the coating off.”

“Where?”

“Where?........Here, at home.”

Ik was een nóg grotere sufferd dan hij had gedacht.

“You have to do this in the shop!! D-o.. y-o-u... h-e-a-r... m-e! In the shop! So they can n-e-v-er, e-v-e-r  sell you a used card!”

Ik knikte.

 “Where did you buy this card?”

Ik wees naar het einde van de straat.

“Ahh!”

Hij keek op zijn horloge. Acht uur in de avond. Vastberaden gingen we op weg naar de shop. Ze zouden die juffrouw eens een poepje laten ruiken.

 

Links en rechts zaten mensen voor hun huis langs de straat, de meeste met een mobieltje in de hand waarvan de displays oplichtten in het donker.

 

Gedrieën stapten we af op het tafeltje met de juffrouw, de heren voorop met veel bravoure. De juffrouw verbleekte of verbloosde bij deze nogal assertieve benadering. De heren weken meteen uiteen en lieten mij het woord voeren.

 “Do you remember me?”vroeg ik.

Ze knikte.

“You bought a Buzz”, zei ze.

Ik knikte.

“It doesn’t work” en ik overhandigde haar de telefoon en de kaart. Ze toetste de nummers in.

“How many times did you try?”

Ik was vergeten de keren te tellen.

“More than three times?”ondervroeg ze me streng.

“Yes”, antwoordde ik.

“Ah”.

Ik zou dus meer dan drie keer het verkeerde nummer hebben ingetoetst. Dan werd de kaart geblokkeerd. Ik protesteerde, maar ze luisterde niet eens. Ze draaide een nummer en legde mijn kaart terug op het tafeltje. Dat was het dan. Ik keek niet begrijpend van links naar rechts en van voor naar achteren. Plotseling was ik mijn kaart kwijt.

“Where is my card?”

Niemand had hem.

De winkeljuffrouw pikte hem ergens op van de grond. Ik nam hem aan en liep naar de vriend.

“Try to recharge my telephone?”commandeerde ik.

Hij griste de kaart uit mijn handen.

“This…..card…….is……useless!” riep hij, op de maat waarmee hij de kaart versnipperde. Bij het laatste woord smeet hij de stukjes op de grond.

Mijn mond viel open. Hij barstte in lachen uit en overhandigde me mijn mobieltje.

 

De kaart was gedeblokkeerd, het beltegoed opgewaardeerd.

 

 

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door rieky om 18:45 Reageer op dit bericht

Meer van THE WHITE HOUSE

↑ Terug naar de berichten