Boer Bavo en het ei van Colombus.
Boer Bavo en het ei van Colombus. Te absurd om te lezen.
Het was bijna vijf voor twaalf.
Eén zwaluw maakt de lente niet. Het zomerde al.
De lucht zag eruit als na een donderslag bij heldere hemel.
Je kon een speld horen vallen. Nadat ze natuurlijk eerst gevonden was in de hooiberg.
Zo stil was het.
Boer Bavo pakte de stier meteen bij de horens.
De kogel is door de kerk, mompelde hij binnensmond.
Terwijl hij voor het zingen de kerk uitging. Ze stond nog steeds in het midden.
Met verdriet dacht hij terug aan gisteren.
Toen er een kalf van hem verdronken was in een put die te laat gevuld was.
Eigen schuld, dikke bult, had z'n vrouw hem nog naar het hoofd geslingerd.
Dom blondje, dacht hij in stilte, tais-toi et sois belle.
Maar ze was zo lelijk als de nacht.
Nooit was hij over één nacht ijs gegaan. Ook niet als het stenen uit de grond vroor.
En wie stak er zijn handen uit de mouwen? Toen de aap eruit kwam.
Terwijl zijn vrouw deed of haar neus bloedde. En hij geen doekje voor het bloeden had.
Had ik mij maar nooit twee keer aan de zelfde steen gestoten, zei hij verbitterd.
Ik was een ezel. En zag de balk niet die in haar oog zat.
Ze verweet hem trouwens zo zwart als een ketel te zijn.
Wacht maar, dacht hij, wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten.
En wie laatst lacht, best lacht. En hij zon op wraak.
Gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Hij was steeds een haantje vooruit geweest en had gewerkt als een paard.
En dat allemaal om z'n schaapjes op het droge te krijgen.
Voor dat de haan driemaal zou kraaien, zou hij het ei van Colombus gevonden hebben.
Al moest hij daarvoor hemel en aarde verzetten.
Hij zou niet bij de pakken blijven zitten.
Soms moet je in het leven verder kunnen kijken dan je neus lang is.
Eureka, riep hij uit. Ik heb het warm water uitgevonden.
Het ging zo gemakkelijk als een fluitje van een cent.
Het geld zou nu als water binnen stromen.
Eén probleem nog. Hoe hield hij dan z'n schaapjes op het droge?
Boer Bavo keek alsof hij het in Keulen hoorde donderen.
Terwijl er geen vuiltje aan de lucht was.
Hoe moest hij deze Gordiaanse knoop doorhakken?
Hij kon immers niet de geit en de kool sparen.
Alleen een Salomonsoordeel kon hem redden.
In de verte kwam Maarten aangereden. Op zijn fiets. Hij ging niet vooruit, draaide vierkantig.
En had bovendien de wind tegen. Dat is 'm, hoorde Bavo Rik de Saedeleer nog juichen.
Toen Maarten eindelijk zo traag als een schilpad aankwam, gaf Bavo hem meteen zijn pijp.
Hierzie, jij die van mij een hoorndrager maakt. Maarten bloosde als een kriek en zonk van schaamte in de grond.
Waar Bavo hem liet zitten. En z'n blonde del ook.
Hij stak z'n vinger naar omhoog om te zien vanwaar de wind kwam.
Hing z'n huik in die richting.
En vertrok de weide wereld in. Zonder God of gebod.
Voortaan kon hij zelf de katjes knijpen. En dàt niet meer alleen in het donker.
uvi
.



