Hei leeuwerik

Nu weet ik welke vogelmijn lieflingsvogel heten mag
die even opgetogen
zingt zomernacht en winterdag
Ik werkte 's winters in het woud
de zon scheen door de dennestammen
op fonkelsneeiw met rosse vlammen
mijn hakmes blonk en klonk op 't hout
Daar ging omhoog een kleine schelle
met fijn lichtdoorwaaide klank
hei leewerik 's lied bleef mijn gezelle
de lieve morgen lank
Weet gij de meinacht nog mijn lief
De maan scheen over't land
langs weien stil en nevelwit
gingen wij hand in hand
Weer luide helle' helle' helle"
hoog boven bos en hei
De kleine schelle' schelle schelle'
ging onverpoosd en blij
Nog maar sinds onlangs ken ik hem
met zijn verrrukte kleine stem
zijn lichte luchte jubelkreet
die van geen moeheid weet
De morgenzon de zomernacht
De wind de vrijheid zonder maat
de lust die nimmer meer vergaat
Die heefthij in zijn lied gebracht
Het klinkt vanuit de vage verte
alshof hij midden in 't gesternte
zijn zilveren klokje luidt
Wat zijn gelui beduidt
weten wij beiden liefste mijn
Zo zal hij onze lieflingsvogel zijn









