DE BEET VAN DE PIRANHA
-“VROUWEN kunnen niet zwijgen”,zei Albert bitter. Het was het slot van een verhaal waar hij inderdaad niet al te gelukkig uit te voorschijn kwam.
We zaten op een overtrokken julizondag,laat in de namiddag,op het tuinterras van de “Watermolen” na te kaarten over een vrij aardig gelukte hengeldag. Vooral de paling had het aan de werphengel meer dan behoorlijk gedaan,wat meestal het geval is als de barometer na een hittegolf op onweer staat. Met ons vijven hadden we zo’n dertig stuks bij elkaar gevist. En dus dronken we tevreden nog een pintje,met boven onze hoofden een dreigend donkere lucht. Slechts één ander tafeltje was bezet,door een witharige heer en een grijzende,maar nog mooie dame. Johan,de oudste van ons groepje,had het tweetal gegroet,en beiden hadden vriendelijk met de hand in zijn richting gewuifd.
-“Ze kunnen niet zwijgen”,herhaalde Albert,en hij schudde heftig het hoofd waarbij hij ons één voor één uitdagend aankeek alsof hij tegenspraak verwachtte na de uitvoerige argumenten,die hij zojuist aangehaald had om zijn stelling te staven. Albert was tandarts en had al een paar weken ruzie met zijn vrouw omdat hij een niet-onaardige patiente een beetje uitbundig over haar angst voor de drilboor had heen geholpen. Bij het eerste contact met de te vullen tand had hij gevraagd of het pijn deed,en zij had hem geantwoord dat ze wel wist wat beter was,en Albert wist dat ook Maar verder dan die onschuldige flirt was het niet gekomen. Alleen,het onnozele schaap had rondgestrooid van wél,en dat was Albert’s vrouw ter ore gekomen. Vandaar.
Het was Johan,onze meest ervaren visser,die de handschoen opnam.-“Och,ik weet niet”,zei hij,”ik heb een geval gekend...”.
We gingen er wat gemakkelijker bij zitten.
-------------------
-“Het was kort na de oorlog”,begon Johan,”en de Watermolen zag er toen helemaal anders uit dan nu. Jongens,wat was het hier mooi ! Er waren toen twee rivierarmen. De eerste,ginder,hebben ze alleen maar een beetje rechtgetrokken,hij ligt tenminste nog op dezelfde plaats. De tweede liep hier,waar we nu zitten. En dààr stond de watermolen. Vlak naast het tweede bruggetje. Want er waren twee smalle bruggetjes toen,geplaveid met kasseien van twintig kilo,en haaks op mekaar omdat de weg tussen beide een bocht nam. Maar mooi ! Heel wat anders dan dat lompe gedrocht daar”. En hij wees naar de betonnen brug die de overgebleven rivierarm overspande.
-“ En hier,achter de ijzeren leuning-bij God,ja,die staat er nog-hier stonden de houten hokjes waarin we ons omkleedden. En iets verder het botenhuis. Want in de zomer legden ze de molen stil. Dan staken ze balken onder de bruggetjes,en die hielden het water op. Je had hier de mooiste zwemkom die je kon dromen,met doorlopend ververst water,waar vind je dat nog ? Want het water blééf stromen,traag natuurlijk,maar het stroomde,en onder de bruggetjes viel het over de balken heen. Als je een boot huurde,en je moest stroomopwaarts,het kon niet anders,dan was het wel even trekken,hoor ! Tegen stroom in,en het waren geen kayaks,die kanteldingen bestonden toen nog niet. Het waren stevige roeiboten,kon je tenminste niet verzuipen.Als je voor een uurtje huurde,ging het veertig minuten stroomopwaarts. En dan dreef je in twintig minuten zonder werken weer terug. Zalig was dat.
En de andere rivierarm ginder,daar bleven de zwemmers en de roeiers weg.Dat was het rijk van de hengelaars. Gooi er nu maar eens een lijn uit,je vangt er alleen maar slijk. Maar toen,jongens,een hengelparadijs was het. Vooral omdat je,als de vis niet beet,je nog altijd kon omdraaien en proberen een meid aan de haak te slaan. Want er zwommen hier mooie meisjes,hoor ! We hadden onder ons vissersplunje altijd een zwembroek aan. Kwam de vis niet boven water,dan doken wij er in !
Er was in ons groepje een jongen,die toen in de twintig was,en naar Congo zou vertrekken,Wouter heette hij. Zijn oom had ginder een zaak en had een baantje voor hem. En één week voor hij de boot zou nemen-dat ging toen nog veelal per boot,naar Matadi-hadden we een laatste hengelpartijtje georganiseerd,met zeven geloof ik. Maar je mag alles nog zo goed regelen,er is altijd wel één genodigde die wegblijft. En in dit geval was dat de vis. Geen beet,geen aarzelend stootje tegen het aas,niks. En dus bleef er ons niks anders over dan een halve draai te maken en achter de meiden aan te gaan.
Er zwom hier de laatste tijd een exemplaar rond,één meter zeventig zeker en een kilo of zestig,stevig van vormen en met heel lange benen. Mooi,jongens ! En ze zal het wel geweten hebben,want ze kwam hier als eerste met een bikini aanzetten,een vurig rood dingetje van twee keer niks. Dat was toen een sensatie,hoor ! Ik mag er niet aan denken wat het zou geweest zijn als de mono al bestaan had.
Maar het dient gezegd : ze hield zich op de vlakte. Als een godin,zo ongenaakbaar en trots,het leek wel een ijsberg. Anita Dinges,ja,die van de fontein in Rome. Nu moet je weten,over de tweede rivierarm was er een bos. Nu ja,een strook kreupelhout met hier en daar een boom. Liefkenshoek noemden we het,want wie een meidje aan de haak sloeg kon ginder gezellig gaan wandelen. Maar dàt meisje kon je daar nooit op betrappen,nee. Die liet zich niet vangen,daar was ander aas voor nodig.
En die keer,de week voor Wouter vertrok,heeft één van ons groepje,Gust heette hij,een aas gevonden waaraan ze maar moeilijk kon weerstaan. Al sloeg hij ze niet zélf aan de haak,nee.
Je moet weten,dat meisje was een goede zwemster. Kon niet anders met zulke vinnen. Een uur lang kon ze de plank doen,rustig op haar rug drijven in het water met een lichte beweging van de handen. En dan staken er drie puntjes boven water. Haar neus en die twee,ja. En als ze iets vinniger met de handen wapperde kwamen die heuvels ook nog boven. En wij allemaal als jonge honden staan hijgen,de tong uit de bek.
Nu was er dus Gust,en Gust was een waterrat,een zwemmer die het van de vis zelf geleerd had,denk ik. Alle slagen kende hij,en duiken kon hij,minutenlang tot de mensen dachten dat hij verzopen was en om hulp begonnen te roepen. En die keer kwam Gust op een idee,maar dat hield hij voor zichzelf om ons te verrassen. Hij ging kwansuis het water in,een heel eind van het op haar rug drijvende meisje,en dook. Het duurde wel drie minuten voor hij weer bovenkwam,helemaal aan de andere kant. Daar klauterde hij uit het water,wandelde over het bruggetje naar ons toe,en wees met een hoofdknikje naar het meisje,van wie juist het bh-tje los kwam en langzaam wegdreef. De rekel had onder water het ding rustig losgeknoopt !
En dan kwamen die mooie,blanke hellingen bovendrijven,en de twee roze puntjes,en wij kregen het water in de mond,Gust het meeste. Maar dat kwam van het zwemmen,zei hij.
Het is toen dat Wouter zijn slag gslagen heeft. Want hij merkte als eerste dat het bh-tje in de richting van de watermolen dreef,en onherroepelijk over de balken in het kolkende water beneden verdwijnen zou. Dat kon hij het meidje niet aandoen,hoe zou ze uit het water moeten stappen,er was nog heel wat volk rondom. Dus rende hij met grote sprongen naar het bruggetje,riep “ho !” alsof hij achter een op hol geslagen paard aan zat,dook het water in,en viste het ding er nog net op tijd uit.
Zijn gebrul had de aandacht van iedereen getrokken,van het meisje ook,ja,en ze kwam overeind uit haar plankstand om naar Wouter te kijken. En wij keken naar haar,want een paar tellen lang zagen we haar boezem nu ook in verticale stand vooraleer ze tot haar kin in het water zakte. En toen Wouter een beetje ongelukkig het bh-tje boven zijn hoofd zwaaide en in haar richting begon te zwemmen keek ze heel even naar beneden,en greep toen met beide handen haar rijkdom vast.
Ik denk niet dat ze ooit geweten heeft dat het ding niet per ongeluk losgekomen was. In elk geval,ze onthaalde Wouter duidelijk met geestdrift,gordde het lapje stof onder water weer om,en zwom naast Wouter naar de trap,die naar de kleedkamertjes en het café leidde. We zagen ze even later,netjes weer aangekleed,op het terrasje aan een cola nippen en heel gezellig keuvelen en lachen. En toen de cola op was zijn ze over het bruggetje het bos ingewandeld. Liefkenshoek,ja.
We keken hen na,alle zes groen van nijd,Gust nog het meeste,want die had de kastanjes uit het vuur gehaald,of uit het water als je wil. Maar ze waren hooguit een paar minuten in het bos,of er klonk uit die richting een kreet,zo dierlijk en rauw dat we tot in onze botten verkilden,al was het nog zo warm. En het duurde een hele tijd voor we beweging zagen.
En dan,héél langzaam,ging het struikgewas uiteen en kwam eerst het meisje te voorschijn,en achter haar een kreunende,dubbelgeplooide Wouter,het hoofd bijna op de knieën,de handen aan zijn kruis. Zo strompelde hij tot aan het bruggetje,liet zich op de boordsteen zakken,en brulde om een taxi. En het meisje,rood als een pioen,wachtte naast hem.
De taxi is gekomen. Het meisje hielp Wouter achter in de wagen kruipen. We hebben hem nog horen brullen : “Naar een dokter,verdomme !”. En we hebben Wouter toen niet meer gezien,want wat er in Liefkenshoek ook mag gebeurd zijn,hij is de week nadien goed en wel naar Congo vertrokken.
Toen zijn de praatjes begonnen. Je weet hoe het er in zo’n geval aan toegaat. De gissingen waren legio,maar de versie die het uiteindelijk haalde en voor de vaste waarheid doorging was dat het meidje,meegesleept door een al te vurig temperament,Wouter had gebeten op de meest gevoelige plaats van zijn lichaam,en dat er heel wat hechtingen aan te pas gekomen waren om hem toe te laten met een complete uitrusting naar de negerinnetjes te vertrekken.
En zo heeft dat meidje de bijnaam “de Pirañha” gekregen. Ook omdat ze zo goed kon zwemmen,natuurlijk. En die naam heeft ze jarenlang meegesleept. Nooit heeft ze nog naar een jongen omgekeken. Nooit is ze nog in Liefkenshoek geweest. Maar elke zomer,telkens het weer het toeliet,was ze op post,deed ze haar plankstandje in het water,en elk jaar werd de trek om haar mond wat harder. Want ze zal natuurlijk wel een en ander opgevangen hebben. Maar een antwoord waren die praatjes haar niet waard.
Tot ze hier de watermolen hebben afgebroken,het zwemwater dichtgegooid,de andere rivierarm rechtgetrokken,en de twee schattige bruggetjes vervangen door dat gedrocht daar. Alleen het café bleef bestaan,en omdat de Pirañha daar niet kwam verdween ze uit omloop.
En op een avond in het jaar ’60,einde augustus,ik zal het nooit vergeten,zit ik daar in het café aan de toog,en we hadden het over de relletjes in het pas onafhankelijk geworden Congo. En wie komt daar binnen ? Wouter,ja ! Bruin als een Maleier,en een tikje mager,dacht ik,maar gelukkig gezond en wel. Want ze hadden in Congo wel de zaak van zijn oom geplunderd en in de fik gestoken,maar hijzelf én oom waren hals over kop in een vliegtuig gewipt en hadden het vege lijf kunnen redden. En geloof me,Wouter was over het verlies van zijn baantje en zijn bezit bijlange niet zo kapot als van het zien van ons verminkt paradijsje hier. Jongens,wat keek hij sip toen hij de vernieling aanschouwde !
En wij natuurlijk praten over vroeger. En over die laatste hengeldag voor hij naar Congo vertrok. Hij vroeg tenslotte of we dat meisje nog wel eens gezien hadden. Je weet wel,die met het bh-tje dat wegdreef.-“De Pirañha ?”,vroeg ik. Natuurlijk verstond Wouter me niet,en ik vertelde hem dat we haar zo gedoopt hadden na zijn avontuur met haar in Liefkenshoek.
Ik heb nooit een bruine Maleier zo bleek weten worden als Wouter toen. Hij is waarachtig aan de whisky gaan zitten,hij die nooit iets sterker dronk dan een pilsje. Toen hij een beetje van de emotie bekomen was kreunde hij :-“Allemaal mijn schuld,omdat ik haar gevraagd heb het niet te vertellen,aan niemand. Ik was zo verlegen”.
En na een volgende whisky zei hij :-“Hoe kon ik weten dat jullie er zó iets zouden van maken ?”.En hij vertelde zijn versie van de beet van de Pirañha,de enig juiste.
Toen hij met het meisje Liefkenshoek binnenwandelde,vol verwachting en opgewonden om wat een onvergetelijk uurtje moest worden,had hij dringend moeten plassen vanwege de cola die hij juist binnen had. Wouter had altijd al een blaas van beperkte omvang,hij moest voortdurend. En was hij té opgewonden,té ongeduldig ook ? Hij wist het niet,maar toen hij zijn plasje gedaan had en een beetje vlug zijn gulp dicht maakte,greep de sluiting van de rits zijn jongeheer bij zijn nekvel,en zette die onwrikbaar klem. En hij zou nooit meer de pijn vergeten,die hij toen voelde,en de vernedering die hij onderging toen hij het bos uitstrompelde en om een taxi riep. En de schrik bij de dokter,toen geen enkel instrument sterk genoeg bleek om de sluiting van de rits te breken. En hoe de dokter uit zijn berghok een nijptang haalde,en met de zweetdruppels op zijn voorhoofd uit angst iets verkeerd door te knippen,tenslotte de sluiting wist open te breken en arm Woutertje deerlijk gehavend ,maar nog heelhuids,vrij kwam.
De Pirañha had haar beet gelost.
-------------------------We zwegen. De neiging om te lachen werd onderdrukt door het besef van het ongelukkige lot dat een vrouw ondergaan had. We keken enkele ogenblikken de witharige heer en de rijzige dame na,die van hun tafeltje waren opgestaan,naar Johan wuifden,en naar hun auto wandelden.
-“En hebben jullie nog iets over dat meisje gehoord ?” vroeg Albert tenslotte.
Johan knikte.”Wouter heeft ze opgezocht”,zei hij.-“Ze was de dertig voorbij,en nóg niet getrouwd,wat wil je,als je de Pirañha bent. Dat heeft Wouter dan maar gedaan,en hij is er heel gelukkig mee. Als je me niet gelooft kun je het hem zélf vragen,maar dan moet je wel vlug zijn”,en hij wees met een slap handje in de richting van het oudere paar,dat net in de auto stapte.
We bleven beschroomd zitten,en staarden de auto na die over de brug wegreed. En ieder van ons las de eerbied in de ogen van de anderen.
-“Maar kom me niet vertellen dat een vrouw niet kan zwijgen”,zei Johan,en hij keek Albert strak aan.-“Of ik geef je te vreten aan de Pirañha !”.

