Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Woordenlijst Nr 41 Tijdstippen Bijwoorden van tijd Datums Dagen

Aakn en Keuln zien nie up eeën dag gubowt: Aken en Keulen niet op een dag gebouwd (=niet alles is onmiddellijk klaar - even geduld)
Aalmeduki: almeteens, opeens
Aaltumets: soms
Aaltiet: altijd
Aavunt: avond
Agturnoeënu: namiddag
Agow: weldra, binnenkort
Akufietju: kort tijdstip, lastig werkje
Aligtu: binnenkort
Altumets: soms
An du dag legn: aan de dag leggen (vertonen)
An du ordu van du dag zien: niet vaak voorkomen
Antiedn: op tijd
Apupri: ongeveer
Asan: altijd
Biekaaäns: bijna
Biekan: bijna
Biena is veru van Sjiena: met ‘bijna’ zijn we er nog niet
Biïnst da mu du keur en: terwijl we de kans hebben
Biïnstuwielu: ondertussen
Binukort: binnenkort
Bloejmoönt: bloeimaand (mei)
Daaguroöt: dageraad
Dadit gin brooöt: dat is niet dringend
Daglugt: daglicht
Diesundag: dinsdag
Dikuls: dikwijls
Dimsturn: schemeren
Dojuustu: daarjuist
Driengunt: dringend
Du tiet: de tijd
Dundurdag: donderdag
Dur giïn gas loötn oovur groejn: niet uitstellen
Eeëst eerst
Efnan: effenaan
Eftjus: even
Endu: einde
Euru: uur
Feeëstdag: feestdag
Gistur(n): gisteren
In tjoör stilutjus: lang geleden
In u noöj en u droöj: in korte tijd
In du noedn tiet: in de tijd van vroeger
In du weërdieë van u poör mienuutn: in nauwelijks een paar minuten
In tjoör stilutjus: nooit
Ineeënuki: ineens
Ju norloozju lopt agtur: jouw horloge loopt achter
Ju norloozju lopt op soldoötuknoopn: uw uurwerk loopt niet altijd juist
Ju norloozju lopt vooërn: jouw horloge loopt voor
Juustoptiet: juist op tijd
Kloörundag of kloörlugtundag: klare dag
Loötu: laat
Loötur: later
Miju: mei
Mijmoönt: meimaand
Moönt: maand
Moöndag: maandag
Moönduluks: maandelijks
Moörtu: maart
Morgun komt ook alieër: het kan uitgesteld worden tot morgen
Naavunt: avond
Noöjt: nooit
Nugtunt: morgen
Oe lootu ist: hoe laat is het
Oe loötu zeg ju: hoe laat, zeg je
Oendur du noeënu: onder de middag
Oj tiet et: als je tijd hebt
Nie langu guleen: niet lang geleden
Oe loötu?: hoe laat?
Ojkitiedet: als je eens tijd hebt
Oöfoogst: half augustus
Oogdriengunt: hoogdringend
Oogtag: hoogdag (u noogtag)
Oopniengseurn: openingsuren
Oöstju zeeëru: haast je
Oovurgangsjoör: overgangsjaar
Orloozju: uurwerk
Osan: altijd
Ot tiet is: als de tijd gekomen is
Ot sjho weeris: als het mooi weer is
Poöjmentn: (iets doen) in verschillende keren

Poösjhun: Pasen
Purtangs: nochtans
Regtuut: onmiddellijk
Saavns: ’s avonds
Sienksjhun; Sinksen
Siezoeën: seizoen
Snoeëns: ‘s middags
Snugtuns: ’s morgens
Soms u ki: soms eens
Somtiets: soms
Subiet(s): direct daarachter
Sagturnoeëns: in de namiddag
Svornoeëns: in de voormiddag
Svriedags: op vrijdag
Tbluuft gudeurn: het blijft maar duren
Tgoenk zeëru: het ging rap
Tietperk: tijdperk
Tietreekniengu: tijdrekening
Tis nooöjs tu loötu: het is nooit te laat
Tis vurbie: het is voorbij, gedaan
Tnoöstu joöru: volgend jaar
Tnoöstu moöndu: volgende maand
Tnoöstu moönt: volgende maand
Tnoöstu weeku: volgende week
Tnoöstu zundag: komende zondag
Toe tonu: tot straks
Toe tnoöstu ki: tot de volgende keer
Tonu: dan, toen
Tu loötu komn: te laat komen
Tu pasu en tu noenpasu: te pas en te onpas
Tugoöruvoln: samenvallen
Tusjhn du soepu en du patatn: snel tijdens het middagmaal
U kart wagtn: een kwartier wachten
U ki: een keer

U neuru of vieëru guleen: een uur of vier geleden
U stik in du nagt: nacht vergevorderd
U tietju guleen: een tijdje geleden
Up tiet zien: op tijd zijn
Up vooöraaänsu: bij voorbaat
Ut krieëkn van du dag: de morgenstond
Uutkomn (tun): in de lente
Uutstel: uitstel
Uutzoendurlik: uitzonderlijk
Vanaavnt: deze avond
Vandaagu: vandaag
Vandagturnoeënu: deze namiddag
Vandujoöru: dit jaar
Vandumoöndu: deze maand
Vandunagt: deze nacht
Vandunagturnoeënu: deze namiddag
Vanduvooörnoeënu: deze voormiddag
Vanduweeku: deze week
Vanoeënu: deze middag
Vanugtunt: deze morgen
Vanuvors: vanaf nu
Vooöraavunt: vooravond
Vooörnoeënu: voormiddag
Vooörsiezoeën: voorseizoen
Vorloopug: voorlopig
Vornoenu: voormiddag
Vrats: plots, opeens (bijwoord van tijd)
Vriedag: vrijdag
Vurjoördag: verjaardag
Vuufdaagnweeku: vijfdagenweek
Vurbie: voorbij
Vurletn: tijd verliezen
Vurloötn: op een later tijdstip zetten
Vurvroegn: vervroegen
Waneeër: wanneer
Weër ju bitju: haast je wat
Weërdu of weërdieë van gin tiet (in du): korte tijd
Weeru: opnieuw
Weeku (u) anu stik: een week lang
Wientureuru: winteruur
Woeënsdag: woensdag
Zakorloozju: zakhorloge
Zeeëru: rap snel
Zoomureuru: zomeruur
Zoöturdag: zaterdag
Zundag: zondag
Zunsoendurgank: zonsondergang
Zunsupgank: zonsopgang

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 40 Dijk –Tijdverdrijf Bal Kermis Feesten Toeristen op het strand of in de duinen

Amuusument: amusement
Antwerk: handwerk
Atraksju: attractie
Bal popuuliïr: volksbal            Fr bal populaire
Balaanswaar: schommel, wipplank
Baletlesu: balletles
Baletsjhoeën: balletschoenen
Balzaalu: balzaal
Beezugoediengu: tijdverdrijf
Beezugoedn: bezighouden
Biengo: bingo
Bieër (ju) uutzweeëtn: je bier uitzweten
Biekienie: bikini
Bierolu: bijrol
Bilukaru: plezierwagen
Boksotoos: boksauto’s
Boloosmietoo: werpen met soort tennisballen naar opeengestapelde blikken
Boörn: golven
Boöru: golf
Brieslam: golfbreker            Fr brise-lames
Brik: pauze, onderbreking            Eng break
Bruungubrant: bruingebrand
Daaänsleeëroöru: dansleraar
Daaänsvloeër: dansvloer
Daaänszaalu: danszaal
Daaänsn: dansen
Diek: dijk
Dieskzjoki: disk jockey
Droöjmeuln: draaimolen
Duun: duinen
Duunu: duin
Duuvulieëfebur: duivenliefhebber
Duuvumeëkur: duivenmelker
Feeëstu: feest
Flosju: kwast (zoals op kermis)
Fooöru: kermis
Frietukraam: frietkraam
Goochuloöru: goochelaar
Godoögs: hotdogs
Iepnotiezuür: hypnotiseur
Iïnsmeërn: insmeren met olie tegen zonnenbrand
Jeun: amuseren
Ju tiet paseern: je bezighouden in afwachting van …
Juubielee: jubileum
Juutukakoo: schommel, wipplank
Kabienu: cabine
Kampieng: camping
Katiju: helling op de dijk
Katju duuk: verstoppertje
Kelu: waterplas op strand na hoogwater en terugtrekken
Kerumesu: kermis    = > u kerumesu is u geësuliengu weërt
Klugtju: mopje
Komiek: komisch persoon
Koönzjee: verlof
Krabu: krab
Krankutieë: hoogwater
Kwalu: kwal
Leeëg woötru: eb laag water
Leezn: lezen
Luunapark: lunapark
Meeëwu: meeuw
Mobieloom: mobilhome
Moputapur: moppentapper
Niewjoör: nieuwjaarsfeest
Ofvol: afval (achtergelaten vuilnis)
Oog woötru: vloed hoogwater
Oolieboöln: oliebollen
Orkest: orkest
Parasol: zonnescherm      Fr parasol
Pekln: bikkelen
Peuren: hengelen
Piekniekn: maaltijd in natuur
Potpoerie: allegaartje, mengsel van liedjes        Fr pot-pourri
Rampu: helling van de zeedijk
Ratukot: rattenkot
Redur: redder
Rupsu: kap over deelnemers wat op een rups gelijkt (op de kermis)
Sjhafuln van du koörtn: de kaarten schudden
Sjhamatuür: goochelaar
Sjheëpn: schelpen
Sjhieëtkraam: schietkraam
Sjhuutn: schuiten op kermis
Sliengurpies: slingers
Smoetbolu: oliebol
Stoeët: stoet
Strangu: strand
Strangubaar: strandbar
Strangubolu: strandbal
Strangukajuutn: plastiek sandaaltjes
Strangustoeël: strandzetel
Stranguveugul: strandvogel
Stuuvn: stuiven (van het zand)
Suukurspinu: suikerspin
Tomboola: tombola
Traagu vals: langzame wals
Tstrangu: het strand
Uumoriest: humorist
Uutgoön: uitgaan
Vakaaänsu: vakantie
Vakaänsuuzutju: vakantiehuisje
Vals: wals (dans)
Vieërwerk: vuurwerk
Vielootjus: fietscaroussel
Visvurguniengu: visvergunning
Voöksbal: volksbal
Voöksdaaäns: volksdans
Vrieju tiet: vrije tijd
Vurbrant zien: verbrand zijn
Vurdooln: verdwalen (van kinderen)
Vurlof: verlof
Vurlofgangur: verlofganger
Vurlofreegliengu: verlofregeling
Vurteliengsju: verhaaltje
Wientzil: windzeil
Woötur: water
Zeeëslufurs: rubberen spantoffels
Zeeëwoötru: zeewater
Zoet woötru: zout water
Zunusjherm: zonnescherm
Zunuslag: zonnesteek
Zwembroek: zwembroek

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 39: Vergelijken met iets anders

Aaltoopu: allemaal samen
Agturloop: moeite
Agturmukoör: na elkaar
Alumalu: allemaal
Bagtn du kasu guvoln: achter de kas gevallen
Beetur: beter

Beeturn: beteren
Biekaäns: bijna
Boovnzigtu: bovenzicht
Bridur: breder
Digtur: dichter
Doöbuutn: daarbuiten
Doöneevns: daarnaast
Doöragtru: daarachter
Doörin: daarin
Doöruut: daaruit
Doöteegn: daartegen
Doötusjhn: daartussen
Doövoörn: daarvoor

Dragtur: erachter
Drin: erin
Droendur: eronder
Drof: eraf
Droovur: erover
Drop: erop
Durboovn: erboven
Durnefu(n)s: ernaast
Durteegn: ertegen
Durtusjhn: ertussen
Durvooörn: ervoor
Eevungoeët: evengoed
Efnan: de één na de ander, het ene na het andere
Eëkovraaäns: elk op zijn beurt
Gin kloötun weërt: niets waard
Got sjho weeru komn? Vurzeekurs we!: Zal het mooi weer worden? Waarschijnlijk wel!
Gumakulik: gemakkelijk
Gliekug: gelijk
Grodur: groter
Groöt: graad
Guwentu: gewoonte
Ieërboovn: hierboven
Ieërnefuns: hiernaast
Ieëroendur: hieronder
Inuwoörs: naar binnen (van de straat weg)
Kart agtur du tweeën: kwart na twee
Kiefkief: gelijk, elk 50%
Klindur: kleiner
Koentukraafs: averechts
Kortur: korter
Langur: langer
Latstu: laatste
Leeëgur: lager
Lik van guwentu: zoals gewoonlijk
Meeër: meer
Meeërdureit: meerderheid
Meeërdurweërdu: meerderwaardig
Mindur: minder
Mindureit: minderheid
Mindurweërdug: minderwaardig
Moejlik: moeilijk
Moejluk: moeilijk
Nieëmundalu: niets
Novunant: volgens wat er gaat komen
Oendursjheit: onderscheid
Oendurstu: onderste
Oeënguliek: ongelijk
Omugudroöjt: omgedraaid
Omugukeeërt: omgekeerd
Oogur: hoger
Paroöduperutju: paradepaardje, het beste waarmee men kan pronken
Rijzu met: op gelijke hoogte van
Sligtur: slechter
Smalur: smaller
Stiksju: stukje
Suurtoe: vooral
Tseëfstu: hetzelfde
Tugliek: tegelijkertijd
Tureeku: achter elkaar
Tusjhn: tussen
Tweësdeuru: dwars doorheen
U sjheetu in u netzak: een storm in een glas water, een kleinigheid
Upkiekn: opkijken
Upziets: opzij
Vaaänsglieku: evenzeer
Van tieënu neegun: hoogstwaarschijnlijk
Veruut: veruit (de beste)
Vurbeetriengu: verbetering
Vurbie: voorbij
Vureuvurn: promoveren
Vurgliekiengu: vergelijking
Vurgliekn: vergelijken
Vurklinduriengu: verkleining
Vurklindurn: verkleinen
Vurklindurt: verkleind
Vurminduriengu: vermindering
Vuroogiengu: verhoging
Vurslapiengu: verslapping
Vursligtiengu: verslechting
Vurwiezn: verwijzen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 38 Vragen en uitdrukkingen in dialogen Ja of Neen antwoorden in allerlei vormen

Agliek: toch
Aligowzeg: ’t is toch niet waar, hé

Alusiïns: in elk geval, ,alleszins
Amaj mu botn: amai, mijn knoken of benen
Apropoo: terloops gezegd
Bakndoeënieë: maar neen gij, dat doe ik niet
Bejaak gie: natuurlijk vind ik dat, doe ik dat
Benink: maar neen, ik niet
Benink gie: wat zeg jij nu, maar neen, ik niet
Betoeënieë: toch niet
Biena is veru vaän Sjiena: met 'bijna' ben jur niet
Da ku mu nie sjhiln: dat kan mij niet schelen
Da ku nie zien: dat kan niet
Da ku nie: dat kan niet
Da ku we zien: dat kan wel zijn
Da ku zien: dat kan zijn
Da kut: dat kan
Da doet nieët in: dat is gemakkelijk
Da ligt utwoösjun up mu zoldru of u twoörstn eldurs: dat ligt ergens op mijn zolder of ergens elders
Da niejee!: dat niet, hé!
Da toetur nie toe: dat geeft niet
Da werkt up mu zilmus: dat werkt op mijn znuwen
Dadis gin spek voe joen bek: dat is te hoog gegrepen voor jou
Dadis tjoenu: dat is van jou
Dadis va joen: dat is van jou
Dadis va mien: dat is van mij
Dadis va nundur: dat is van hen
Dadis va nuus: dat is van ons
Doe mo ju bestn: doe maar wat je kan
Doet dadu uki zeëvu: doe dat eens zelf (in plaats van iemand anders lastig te vallen)
Doödeuru: daardoor
Doömee: daarmee
Doörum: daarom
E kejal in gin eeëwu mi guzieën: en het is al een eeuw geleden dat ik je nog zag
E mo toeët gie: maar ja toch, gij
E we mirsie: bedankt, hoor!!
E worom dadu?: en waarom moet dat?
E worom nie(ë): en waarom niet
E wovooörn moeta dieën?: en waarvoor moet dat dienen?
Eëk weeërt em: iedereen doet zijn best
Eëk zu goestu: elk zijn goesting
Eëptuki: help eens
Esuzieda guzeit?: heeft zij dat gezegd?
Etnieda guzeit?: heeft hij dat gezegd?
Gartuki of gartjuki: ga eens uit de weg
Gie ziet u goejn: ji ben er mij één
Gloovu gie da?: geloof jij dat?
Gloovu gie da nie? Nink wi!: gelooft gij dan niet? Neen, hoor!
Go mu ki wedn da: willen we eens wedden dat
Godu kiruut du kant: ga eens uit de weg
Goeëtkomutuut utwa zegn: lukraak iets zeggen
Goj gie datoeën of ik(ke)?: doet gij dat of ik?
Goj u bitju zaagn joöju: ga je misschien een beetje zagen         
Gojmee: gaat ge mee
Got magt weetn: enkel God weet dat
Gotgoönjoöt: zal het gaan, ja
Guntur of ier?: ginder of hier?
Ik en u ki: ik heb eens
Is da woö?: bejoöt gie    is dat waar?: maar ja, gij
Is dadeur gelt, of tzienu, of tjoenu of tmienu: is dat haar geld, of het zijne, of het uwe of het mijne
Jaak: Ja ik
Jaam: ja wij
Jakundoeënie: nee, dat doe ik niet
Jatoeët: toch wel
Jatundoeët: toch niet
Jedoeëngliek: je hebt ongelijk
Jegliek: je hebt gelijk
Jet doö zeekr nie langu gubleevn: je bent daar zeker niet lang gebleven
Joög: ja gij
Joön: ja hij
Joöns: ja zij (mv)
Joös: ja zij
Ju guneërn: je amuseren
Ju ku nie misn: je kunt niets verkeerd doen
Ju meug gie da nie zegn, ju wit gie da nie: jij mag dat niet zeggen, jij weet dat niet
Ju meugtur preus op zien: je mag er fier op zijn
Ju moe ju muuloedn: je moet zwijgen
Ju stoöt in du weg: je staat in de weg
Ju wit noois: je kunt nooit weten
Juziegiezeekurzot: jij bent zeker zot
Juzieëtdavanieër: dat denk je wel
Kaan da nie gupeist: dat had ik niet gedacht
Kaan ju nie verkent: ik had je niet herkend
Ken da nieëvraans guvoeng: ik heb dat nergens gevonden
Kenik da mor apoef guzijt: ik heb dat zo maar gezegd
Kent get: ik heb het gehad
Kgloovn dank goön sjaansen: ik denk dat ik geluk zal hebben
Kgon ukir utwa zegn: ik zal eens iets zeggen
Kgont u ki toogn: ik zal het eens laten zien
Kiektuki: kijk eens    => No wadu? Naar wat?
Kontroörju: in tegendeel
Kpeizn van nie: ik denk het niet
Kuj gie da(du): kunt gij dat
Kwitzoendur: ik vraag me af
Kzien doö nie grust in: ik ben daar niet gerust in
Kzien tuus: ik ben thuis
Kzijn teegn em/eur: ik zei tegen hem/haar
Lat mo gletsn: laat maar glijden/gaan
Let morup: let maar op
Let up wienu daj zegt: let op wat je zegt
Luusturdu kirieër: luister eens
Mag ju gie da(du) -> nink, kmeugn da nie: Lust jij dat -> Neen, ik lust dat niet
Mag ju gie da? -> Jaak, keetn da geërn: Lust jij dat? -> Jaak, keetn da geërn
Mak ju nie vuul: maak je niet vuil
Makt daj weg ziet: ga maar vlug weg
Meedoeën voe spek en booön: zonder veel verwachtingen
Mein ju dadu?: je meent dat toch zeker niet?
Meugjugieda?: lust je dat?
Misan ut nie?: geeft het niet?
Mo bejoöt: toch wel, maar ja
Mo benint: maar neen, toch
Mo gie nie wi veugul: maar jij niet hoor, vogel
Mo gow zeg: maar komaan
Mo meëns tog: maar mens toch
Moe jiïn teegn ju muulu en: wil je dat ik op je muil sla
Moraligie: maar allez gij
Mu zien vors: we gaan weg
Mukoör: elkaar
Muzieëlugots: waarempel
Nateurluk: natuurlijk
Neeëg: neen gij
Neeën: neen hij
Ne, wieën da mu doör en: na, wie we daar hebben
Nie woöru dank nie moögun ee: ware het niet dat ik niet mag
Niïns: neen zij
Niju: neen, gij niet
Nink: neen, ik niet
Nis bluuvn plakn: hij is blijven hangen op café
Nooöit van zu leevn: nooit van zijn leven
Ochotuneeëru: och god de heer
Oedu u ki ju muulu: houd eens je mond
Oeë goöt ut me ju: hoe gaat het met je?      E me joen?: en met jou  Sava, dat gaat    Ot u bitju goöt: als het een beetje gaat
Oeëda? of Oëedadu?: hoe
Oedoejda: hoe doe je dat
Oedjan tgas: hou je vast/kloek
Oewu doej gie dadu: hoe doet gij dat
Oewu kata zien: hoe kan dat nu
Oewu zoeta komn: hoe zou dat komen?
Oeweeëtugie: hoe heet jij
Oewist meju: hoe gaat het met je    => goeët e mejoen?: goed en met jou
                                                        => goeët, maagur en toöj en geërn in du droöj
Oju gie da beetur wit: als gij dat beter weet
Oj gie peist dangkik: als jij denkt dat ik
Oju: als je
Ojmoginambrazet: als je maar geen moeilijkheden krijgt
Ojmogindustet: als je maar geen dorst hebt
Ojmoginmoejtet: als je maar geen moeite hebt
Ojmogoestet: als je maar goesting hebt
Ojmoleutet: als je maar plezier hebt
Ojmoroppast: als je maar oplet
Ojmoroptietrustet: als je maar op tijd rust
Ojmosjaaänset: als je maar geluk hebt
Ojtmowit: als je het maar weet
Omu wiedur da kun: als wij dat kunnen
Onkut goeët vooörn en: als ik het bij het rechte eind heb
Onzu ziedur da nie weetn: als zij dat niet weten
Ortu kirieër: luister hier eens
Ot da nie stom is: als dat niet dom is
Otmogoeëdis: als het maar goed is
Otmojuustis: als het maar juist is
Otmowoöris: als het maar waar is
Otn ie da zegt: als hij dat zegt
Pas op of keën ju vastu: pas op of ik geef je ervan langs
Pijsju gie dadu: denk jij dat
Pijsju giedur musjhieën: denken jullie misschien
Purtanks du woöreit: nochtans de waarheid
Sava: gaat het? Ça va?     Ot u bitju goöt!: als het een beetje gaat
Sjheur ju klootn: trap het af
Sjheur ju puustu: ga weg
Sjhuuft ukirup: schuif eens op
Stikt dadu ki weg: steek dat eens weg
Stopt uki me zaagun: houd eens op met zagen
Tgo nog nie zien: natuurlijk is het zo
Tienktmien da: me dunkt, ik denk dat
Tis a joen: het is jouw beurt
Tis a jundur: het is jullie beurt
Tis anem: het is zijn beurt
Tis aneur: het is haar beurt
Tis a nundur: het is hun beurt
Tis a nuus: het is onze beurt
Tis aal gin oör snieën: het is niet allemaal gemakkelijk
Tis agliek woö: het is toch waar
Tis giïn vetn: het is niet veel soeps
Tis ieëvraans roent Gent: het is ergens rond Gent
Tis lik of dankutik zegn: het is zoals ik het zeg
Tis meugluk: het is mogelijk
Tis mo dajt wit: opdat je het zou weten
Tis mor u weetu: je moet het maar weten
Tis nie aleeënu em: hij is het niet alleen
Tis purtangs/purtank woö: het is nochtans waar
Tis spietug: ’t is spijtig
Tis tjoenu: het is van jou
Tis undur gudagt teegn tuuzu: het is hun gedacht tegen het onze
Tis voe van omveru tu voln: zo verrast dat je ervan omver zou kunnen vallen
Tis weëlbustit: zoveel te beter, hij of zij heeft het zelf gezocht
Tis zoveru: het is zover
Tku beetur: het kan beter
Toetnoöstu ki: tot de volgende keer
Toetoeët: toch wel
Togt mien da: me dunkt, ik dacht dat
Toogn: tonen
Toogt dadukirieër: toon dat eens
Tspek a ju beeën en: problemen hebben
Tu woöru da: tenware dat
Va woör aalu gie da: waar hebt gij dat gehoord of gezien
Vaanzuneigun: vanzelfsprekend
Vala zi: ziedaar
Vaneiguns dadu: natuurlijk
Vantieënuneegn: negen keer op de tien
Vieng ju gie da nie: vind jij dat niet
Voeël juju nie goeët musjhieën: voel je je niet goed misschien?
Vurgit da mo: vergeet dat maar
Voewa of voewadu: waarom
Vurtelt da mo nie vors: vertel dat maar niet verder
Wadeju gie gufoeëlt oju da zag?: Nieëtunt!: Wat heb jij gevoeld toen je dat zag? Niets!
Wadeju gie gukogt? Niemundalu!: Wat heb jij gekocht? Niets!
Wa distur meju: scheelt er iets met je?
Wa moe jen: wat wil je
Wa peis ju gie dovan?: wat denk jij daarvan?
Wa stiku gie doö weg: wat verberg jij daar
Wa zeg ju?: Kuurjeusneuzen en vraagsteërtun: wat zeg je? kurieusneuzen en vraagstaarten
Wadej gie doö guroopn? Iku? Nieëtunt!: wat riep jij daar? Ik? Niets!
Watoej vandaagu? : wat doe je vandaag      Ijguntlik nieks: eigentlijk niets
Wa ziejantdoeën: wat ben je aan het doen
Wasoeënzu: wat zouden ze
Wasoek: wat zou ik
Wasoemu: wat zouden wij
Wasoetn: wat zou hij
Wat daj nu zegt: wat je nu zegt
Watoejgienu: wat doe jij nou
Wieën etur da meegubrogt?: wie heeft er dat meegebracht?
Wieën etur joen da guzijt of guvraagt: wie heeft er jou dat gezegd of gevraagd
Wieën zegtda: wie zegt dat
Wienu ej gie guzijt? Iku, nieëtunt!
Wienu zeg ju: wat zeg je
Wienu zegn zu?: wat zeggen ze?
Wienu zegtn: wat zegt hij
Wienu ziejantoeën te?: wat ben je aan het doen
Wienuzoenk: wat zou ik
Wil ju ki goön, joöju: wil je eens maken dat je weg komt, ja
Wodeuru komt da?: waardoor komt dat?
Womee kunk jeëpn?: waarmee kan ik je helpen?
Woö goj nortoe?: Waar ga je heen?     Nowurs: nergens
Woör ej gie da gaalt?: waar heb jij dat gehaald?
Woöristnoörtoeë: waar is hij naartoe?
Woöriszunoörtoeë: waar is zij naartoe?
Woörom vraag ju dadu? Waarom vraag je dat?    Azoomo: zo maar
Woözieënzunoörtoeë: waar zijn zij naartoe?
Wovooörn ejda nooödug?: waarvoor heb je dat nodig?
Woweunjugie: waar woont gij
Zeg ut em/eur mo: zeg het hem/haar maar
Zegduki: zeg eens
Ziej gie doör utwa mee?: kan dat nuttig zijn voor jou?
Zoej da gloovn: zou je dat geloven
Zoendur fowtu: zonder fout
Zoet da woö zien?: zou dat waar zijn?
Zot zien doe gin zeeër: zot zijn doet geen pijn

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 37 Vervoeging van werkwoorden

Hulpwerkwoorden (hulp bij het hoofdwerkwoord)

Blijven
Mu bluuvn guloovn: we blijven geloven
Nu/Zu bluuft ie/zie mo babuln: Hij/Zij blijft maar babbelen

Doen
Gudoön: gedaan

Je gie da gudoön: jij hebt dat gedaan
Kdijn: ik deed
Mu gon da nie doeën: we zullen dat niet doen
Nu deidie: hij deed
Zu deiszie: zij deed

Hebben
Eënzu of Eënzu ziedur: hebben ze
Eju: heb je
Ejundur: hebben jullie
Emu wiedur: hebben wij
En: hebben
Enkik of Enkiku: heb ik
Eënzuziedur: hebben zij
Emu: hebben we
Esu: heeft ze
Etn: heeft hij
Get: gehad
Jetrasan: je hebt er altijd
Ken da guzeit: ik heb dat gezegd
Kent get: ik heb het gehad
Meën wiedur: wij hebben
Net: hij heeft
Wemu wiedur: wij hebben
Wen da guzieën: wij hebben dat gezien
Zeën ziedur: zij hebben
Zet: zij heeft

Kunnen
Kuj gie of Kuju: kan je
Kuj gie da(du): kan jij dat
Kostun: ik kon
Kumuwiedur: kunnen wij
Kutnie daaänsun: kan hij dansen
Kuünzuziedur: kunnen zij
Kusuzie zieng: kan zij zingen?
Mu kostn wiedur da zieën van veru: wij konden dat zien van ver
Nu kostie nie voögn: hij kon niet volgen
Zu kostu zie nie zwiegun: zij kon niet zwijgen

Laten
Loötn gubeurun: laten gebeuren
Nu/Zu lat ie/zie nie van smooörn: hij laat het roken niet

Mogen
Gumeugn: gemogen
Ju magta gloovn: je mag dat geloven
Kmeugn up rijzu goön: ik mag op reis gaan
Meugn: mogen
Meukut zegn: mag ik het zeggen
Mu meugn anneemn: we mogen aannemen
Nu mag meedoeën: hij mag meedoen
Zu meugn binkomn: ze mogen binnenkomen

Schijnen
Nu/Zu sjhient tu gloovn: Hij/zij schijnt te geloven

Willen
Mu wiln zo loötu nie eetn: we willen zo laat niet eten
Nu wilt nie gloovn: hij wil het niet geloven
Zu wiln nie upstoön: ze willen niet opstaan
Zu wilt nie wakur wordn: ze wil niet wakker worden

Zijn
Guwist: geweest
Istun: is hij
Kziendur: ik ben er
Muziendur: we zijn er
Nis: hij is
Nistur: hij is er
Tziendrasan: er zijn er altijd
Zieënzu: zijn ze
Zieju: ben je
Ziejundur: zijn jullie
Ziemu: zijn we
Ziemur: zijn we er
Zien: zijn
Zienkik: ben ik
Zis of Zis zie: zij is
Zistur: ze is er
Zuziendur: ze zijn er
Zu zien ziedur nie tuus: ze zijn niet thuis

Zullen
Ju go gie tog we komn ee?: jij gaat toch wel komen, hé?
Ksoenik weggoön: ik zou weggaan
Nu/Zu go weerukomn: hij/ze zal terugkeren
Nu godie win: hij zal winnen
Tgo noojt gunoeg zien: het zal nooit genoeg zijn
Wa gotur gubeurn: wat zal er gebeuren
Zu gon dur zien: ze zullen er zijn
Zu goön ziedur da butaaln: zij zullen dat betalen
Zu gosie lijdn: zij zal leiden
Zu zoesie bleëtn: zij zou wenen

 

Vervoeging van hoofdwerkwoorden    ‘horen’   ‘houden’ ‘vinden’  ‘zeggen’     ‘zien’    

Horen
Gooört: gehoord
Jooört: je hoort
Kooörn: ik hoor
Mooörn: we horen
Nooört: hij hoort

Ooörn: horen
Ooörn kik: hoor ik
Zooörn: ze horen 

Vinden
Da vienk goeët: dat vind ik goed
Guvoeng: gevonden
Viendn ziedur da tbestu?: vinden zij dat het beste?
Viengu gie dadu?: vind gij dat?Vient zu zie da goeët?: vind zij dat goed?
Vient zu zie dadu?: vind zij dat?
Vientnie da sligt?: vind hij dat slecht?

Zeggen
Guzeit: gezegd
Kseinik: ik zei
Zeinkik: zei ik
Zeisuzie: zei zij
Zeitnie: zei hij

Zien
Guzieën: gezien
Zieënkik: zie ik
Zieënmuwiedur: zien wij
Zieënzuziedur: zien zij
Zieësuzie: ziet zij
Zieëtnie: ziet hij

Andere
Droej: draaide

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 36 Voornamen van personen en Plaatsnamen

Personen

Ajis: Agnes
Arie: Henri
Ben: Benjamin
Bertn: Albert of Robert
Boetn: Boudewijn
Dies: Désiré
Doöf: Adolf
Dooör: Isidoor
Dree(tun): André
Endriek: Hendrik
Erman: Armand of Herman
Fienu: Adolphine of Josephine
Fikn: Victor
Firu: Ferdinand of Freddy
Flupu: Philippe of Filip
Foeëns: Alfons
Fretn: Alfred
Gastong: Gaston
Guustn: August
Jisju: Agnes
Koörul: Karel of Charles
Kries: Chris, Christiaan
Leena of Lijnie: Helena of Hélène
Lieëvu: Godelieve
Liezaa: Elisabeth of Eliza
Liks: Alexander
Long: Leon
Loru: Laurent
Lotu: Charlotte
Lowie: Louis of Lodewijk
Luusu: Lucien
Magrietu: Margareta, Margriet
Maaänsu: Emmerence of Florence
Marie of Mietu: Maria
Miel: Kamiel of Emiel
Miestn: Maurice of Maurits
Mirtn: Omer
Mong: Raymond
Neetn: René
Nitu: Antoinette
Pieër: Pierre of Petrus
Raf: Rafaël
Reinu: Irène
Riek: Hendrik
Roel: Raoul
Rolu: Roland
Satn: Charles
Serfien: Serafien
Siesn: Frans
Sjeëntn: Lucien
Sjoörul: Charles of Karel
Staf: Gustaaf, Octaaf
Stantn: Constant
Stef: Stefaan
Sting: Stijn
Suus: François
Tei(fiel): Theo(phile)
Teur: Arthur
Tij: Theofiel
Tjepn: Joseph of Jozef
Tjinu: Etienne
Tom: Thomas
Tooönu: Antoine of Antoon
Treezu: Marie-Thérèse of Thérèse
Turtn of Teur: Arthur
Vonu: Yvonne
Wartn: Edward
Wiestn: Aloïs
Wiezu: Louise of Marie-Louise
Zinubie: Zénobie
Zjeetn: Roger
Zjielu: Gilbert
Zjuultn: Jules

 

Plaatsen
Antzaamu: Handzame
Baaltju: Sin-Idebaldes
Bagtn du Kuupu: gebied tussen de IJzer, de kust en de Franse grens  
Beëst: Beerst
Bings (du): westende bad
Binustat: binnenstad
Blanknbergu: Blankenberge
Breeëniengu: Bredene
Bruslu: Brussel
Dunoönu: De Haan
Diksmuudu: Diksmuide
Doö: daar
Doöbie: daarbij
Du Panu: De Panne
Duungkerku: Duinkerke
Eeërnugem: Eernegem
Eist: Heist
Gistlu: Gistel
Guburtu: buurt
Ieëvuraaäns: ergens
Kleeën Westendu: Klein Westende
Knoku: Knokke
Koksiedu: Koksijde
Kookuloöru: Koekelare
Koöskerku: Kaaskerke
Krokodielu: Crocodile
Leeku: Leke
Lefiengu: Leffinge
Lombartsiedu of Lombardieë: Lombardsijde
Manutjusfeeru: Mannekensvere
Marjakerku: Mariakerke
Milukerku: Middelkerke
Niepooört: Nieuwpoort
Nowurs: nergens
Oedunburg: Oudenburg
Oödiengkerku: Adinkerke
Osduunkerku: Oostduinkerke
Ostendu: Oostende
Proviïnsju: provincie
Purviezju: Pervijze
Ramskapul: Ramskapelle
Ratuvolu: Rattevalle
Raavusiedu: Raversijde
Sintjoories: Sint-Joris
Sintpieëturskapelu: Sint-Pieterskapelle
Sjhooöru: Schore
Sjhorbaku: Schoorbakke
Sliepu: Slijpe
Snoöskerku: Snaaskerke
Spirmaalie: Spermalie
Steeënu: Stene
Toe tjundurs: bij jullie thuis
Toe tundurs: bij hen thuis
Toe tuuzunt; bij ons thuis
Toeroet: Torhout
Utwoösjhun: ergens
Vladjeeëlu: Vladslo
Wenduunu: Wenduine
Westeëns: westends
Westendu: Westende
Wilskerku: Wilskerke
Wolpijieë: Wallonië
Wuüpn: Wulpen
Woöbie: waarbij
Zarn: Zarren
Zeeëbrugu: Zeebrugge
Zuunkerku: Zuinkerke

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 35: Muziek Instrumenten Kunst Film Toneel Show

Aänsaamblu: gezelschap     Fr ensemble
Akordeejong: trekharmonica             Fr accordéon
Aktuür: acteur
Arpu: harp
Bandupneemur: bandopnemer
Banjo: banjoo
Baritong: bariton

Barokkuünstu: barokkunst
Batrieë: slagwerk                                   Fr  batterie
Beeltowur: beeldhouwer
Beeltowwerk: beeldhouwwerk
Bierolu: bijrol
Bijoört: beiaard
Blokfluutu: blokfluit
Bloöskapelu: blaaskapel
Bombardong: bombardon
Bugleidiengsmuuziek: begeleidingsmuziek
Daaänsmuuziek: dansmuziek
Deekoör: toneelomlijsting                Fr   décor
Dieskzjoki: diskjockey
Djoeboks: jukebox
Doeëdulzak: doedelzak
Dokuumentiïru: (niet) gespeelde film over ware gebeurtenissen    Fr documentaire
Drama: drama
Droöjorgul: draaiorgel
Fielmu: film
Fluutu: fluit
Garduroöbu: kleedkamer    Fr garderobe
Guzelsjhap: gezelschap
Gietaar: guitaar
Gietariest: guitaarspeler
Kastanjitn: castagnettes
Klarienetu: klarinet
Klaroeën: klaroen
Klugt: klucht
Koeliesu: beweegbaar toneelscherm         Fr coulisse
Komeedju: komedie
Kontrabas: kontrabas
Koönseër: muzikale voordracht                    Fr concert
Ksieloofoon: xylofoon
Kuünstsjhildur: kunstschilder
Loozju: schouwburgplaats      Fr loge
Luudur zetn: luider zetten
Mandolienu: mandoline
Marsjmuuziek: marsmuziek
Moentarmoonieka: mondharmonica
Moentmuuziek: mondharmonica
Muuziekfistieval: muziekfestival
Muuzieknootu: muzieknoot
Neurjun: neuriën
Ofspeeln: afspelen
Ofzetn: afzetten
Ooftrolu: hoofdrol
Ooörspel: hoorspel
Oopura: opera
Oopuretu: operette
Orgul: orgel
Orkest: orkest
Piejaanoo: piano
Pïrsonaazju: figuur                    Fr personnage
Potpoerie: potpourri
Prumjiïru: eerste opvoering   Fr première
Reezjiesuür: toneelmeester, filmleider      Fr   régisseur
Riputiesju: herhaling, oefening    Fr répétition
Rufring: refrein
Saksofong: saxofoon
Siemfonie: strijkconcert           Fr  symphonie
Sienuma: cinema
Sjhildurieë: schilderij
Sjhuufletu: fluit
Sjhuuftrompetu: schuiftrompet
Sjow: show
Soefluür: souffleur
Sopraan: sopraan
Stiksju speeln (in u): toneel spelen
Stildur zetn: stiller zetn
Teenoör: tenor
Toneeël: toneel
Toneeël speeln: toneel speeln
Toneeëlsjhoolu: toneelschool
Toneeëlsjhrievur: toneelschrijver
Toneeëlstik: toneelstuk
Trageedie: treurspel    Fr tragédie
Trekorgul: accordeon
Trekzak: accordeon
Triejangul: triangel
Tromul: trommel
Tromuln: trommelen
Trompetu: trompet
Upvoeëriengu: opvoering
Viedjo-iïnstaloösju: video-installatie
Viedjoteeku: videotheek
Viejoolsnoöru: vioolsnaar
Viejoolu: viool
Virniesaazju: opening van een kunsttentoonstelling    Fr vernissage
Vols zieng: vals zingen
Vooörsteliengu: voorstelling
Vriekartju: vrijkaartje
Vurtoökiengu: vertolking
Vurtooöniengu: vertoning
Zanglesu: zangles
Zangur
Zanguresu: zangeres
Zieng: zingen
Zoomurkoönseër: zomerconcert

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 18:21 Reageer op dit bericht

Enkele moppen op zijn Westends

Alles is weer in orde gekomen. Bertn is bekomen van de mokerslag op 14 oktober 2018 en hij gaat weer samen met zijn vriend Juultn een pintje drinken. Er is weinig nieuws, vooral omdat de politieke gesprekken zoveel mogelijk vermeden worden. Er is enkel het verdwijnen van de tram die op 16 mei 2019 voor het laatst hun geliefd dorp aandeed. Maar dat is geen mop! Ziehier drie Westendse moppen:

Biekan oendurtjoör
Up tendu van du mesu vraagt du pastur:
“Oeveelu van jundur endur undur vijandn vurgifunisu gusjhoenkn?”
Tachuntug pursent stikt zu nant up.
De pastur driengt an.
“Oeveelu van jundur endur undur vijandn vurgifunisu gusjhoenkn?”
Iedreeën stikt zu nant up uutgunoomn u noet vintju up deeërstu reeku.
Du pastur vraagt em worom datn zu vijandn nie vurgift.
Worop dadut kroönug manutju antwooört: “Ken ik gin vijandn”
Du pastur gulooft zu nooörn nie en vraagt ‘oewoet ziej gie?’
“Kzien ik 99 joör en eëf moöndn”
Al du kerkgangurs klakn in undru andn en wensjhun em profiesjat.
Mo du pastur zet deuru:
“Da kan tog gin woö zien, zowoet en egt gin vijandn?
”Worop du griezoört met u lagsju roent zu moent, antwooört: “Zu zien alumalu dooöt”

Vertaling: Bijna honderd jaar oud
Aan het eind van de mis vraagt de priester:

"Hoeveel van jullie hebben hun vijanden vergiffenis geschonken ?"
80 % steekt een hand op.
De priester herhaalt zijn vraag met aandrang :
"Hoeveel van jullie hebben hun vijanden vergiffenis geschonken ?"
Iedereen steekt een hand op, behalve een oud mannetje op de eerste rij.
De priester vraagt hem waarom hij zijn vijanden niet vergeeft.
Waarop het kranig kereltje antwoordt : "Ik heb geen vijanden".
De priester gelooft zijn oren niet en vraagt ‘hoe oud ben jij?
"Ik ben 99 jaar en 11 maand".
Alle kerkgangers klappen in hun handen en prevelen "Proficiat".
Maar de priester zet door:
"Dat kan toch niet waar zijn, zo oud en echt GEEN vijanden ?"
Waarop de grijsaard met een glimlach om de mond antwoordt: "Ze zijn allemaal dood !"

Rieku en fieër
U rieku en stief deftug uutzieëndu madam komt bie du dokteur. Zaa naamuluk gustookn guwist deur u wespu.
Dokteur: ‘Woö juustu e ju gustookn guwist, madam?’
Madam:  ‘Oo, doktur, da kanukik joen nie zegn want kzien dur veel tu busjhaamt oovur.’
Dokteur: ‘Mo madam, kmoeëtn da wel weetn ee, andurs kunkju nie eëpn’
Madam: ‘Neeën doktur, ot ur dadeeën meëns moestu weetn, wordunk uutgulachun en kzoen mu dooöd sjhaamn.”
Dokteur: ‘Luusturt u ki, madam, ken ik u zwiegpligt en kgon ik egt teegn nieëmant zegn woö daju gustookn ziet’
Madam: Oke tonu, … twas onk uut du naldi kwaamn

Vertaling: Rijk en Fier
Een rijke zeer deftig uitziende madam komt bij de dokter. Ze werd namelijk gestoken door een wesp.

Dokter: "Waar juist bent u gestoken mevrouw?"
Vrouw: "Oh dokter, dat kan ik u niet zeggen, want ik ben er veel te beschaamd voor."
Dokter: "Maar mevrouw, ik moet het toch echt weten hoor, anders kan ik u niet helpen."
Vrouw: "Nee dokter, moest er dat één mens weten, dan word ik uitgelachen en ik zou me doodschamen.
Dokter: "Luister eens mevrouw, ik heb een geheimhoudingsplicht, dus zal ik echt tegen niemand zeggen waar u gestoken
               bent."

Vrouw: "Oke dan, ... het was bij het verlaten van de Aldi.

 

Ju kient u naamu geevn
U vint wilt zu pasguboorn derdu zeunu insjhrievun bie du buvoegdu dieënstn vaan uuzu weunplatsu.
Du namtunoöru vraagt em oewu da zu kient got eeëtn.
“Euro” zegt du vint.

Du namtunoöru pakt zu grooöt boek met du toeguloötn naamun. ‘Tspiet mu, muneëru, zegtn, mo ‘Euro’ kunk nie aaänveërdun.
Doörup zegt du voödur: “Worom nie? Dadis straf. Bie mu neeërstu zeunu Mark en bie mu twidu zeunu Frank, woörun dur we gin probleemn…”   

Vertaling: Jouw kind een naam geven
Een man komt zijn pasgeboren derde zoon inschrijven bij de bevoegde diensten van onze woonplaats. De ambtenaar vraagt hem hoe zijn kind zal heten. "Euro", zegt de man. De ambtenaar neemt zijn groot boek met de aanvaardbare namen. "Het spijt me meneer", zegt hij, "maar Euro kan ik niet aanvaarden." Waarop de vader antwoordt: "Waarom niet?Dat is straf. Bij mijn eerste zoon Mark en mijn tweede zoon Frank, waren er wel geen problemen..."

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 34 Houdingen fysisch en karakterieel

Aaänveërdunt: aanvaardend
Agtroovurvoln: achterovervallen
Anoedun(t): volhouden(d)
Art zien: hard zijn
Boös maakn: baas spelen
Boösmaakur: iemand die die zich opdringt als baas
Brosun: spijbelen
Bukn: bukken of koppig zijn
Buslisunt: beslissend
Buugiengu: buiging
Dankboörijt: dankbaarheid
Deurubuugn: doorbuigen 
Du bendu vaan smeërup: bende van gemene mensen
Du grooötn ofgeevn: zich hoogmoedig gedragen
Du grooötn uutang: de grote Jan uithangen
Eeërbieëdug: eerbiedig
Eetiekitu: etikette
Eevunwigtu: evenwicht
Fliksieëbul: flexibel
Frikln: onrustig bewegen
Gasreert: stoutmoedig      Fr assuré
Grots: hoogmoedig
Gudroeng: gedrongen
Guslootn: gesloten
Guvoln: gevallen
In plang loötn: in steek laten
Ju booöntjus drop te weeëkn legn: erop rekenen
Ju mindurweërdug voeln: je minderwaardig voelen
Ju regtoedn: je rechthouden
Ju rik regtun: je rug rechten
Ju va nieks antrekn: je nergens van aantrekken
Karotrekurieë: plantrekkerij
Kloör voe teëpn: klaarstaan om te helpen
Knieëln: knielen
Koentukraafs: juist omgekeerd
Kraafs: averechts
Kruupn: kruipen
Kstoengdoö: ik stond daar
Me zu klaku durnoö smietn: met zijn pet ernaar gooien, niet zijn uiterste best doen
Me zu pies in du wient: dikke nek
Meewerkunt: meewerkend
Mildu: mild, genereus
Mukn: koppig in een hoekje zitten en op niets willen reageren
Muulupeëru: valpartij
Ne gin klop gudoön: hij heeft niet gedaan, hij is nalatig of lui geweest
Needurug: nederig
Neeruligun: neerliggen
Nie gintriseert: niet geïnteresseerd
Nie zinduluk zien: niet kieskeurig zijn
Nu of zu stoentdoö: hij of zij stond daar
Oenafankuluk: onafhankelijk
Oenandug: onhandig
Oendurstuboovn: onderste boven
Oetjantgas: zet je schrap

Omuvoln: omvallen
Omoogoedn: omhooghouden
Oopn: open, bereid om te luisteren
Oörminoörmu: gearmd
Optiemiesmu: optimisme
Ovrendu: overeind
Pisiemiesmu: pessimisme
Plat up ju buuk: plat op je buik
Poerun: gebaren, doen alsof
Preus lik veeërtug: zeer fier
Reejaliesties: realistisch
Regtoedn: rechthouden
Regtukruupn: rechtkruipen
Regtustoön: rechtstaan
Riesjhieërn: riskeren
Sarkasmu: sarcasme
Sarkast; sarcast
Sjhaveiln: regelen, in orde brengen
Sjheërulduwiet: wijd opengespreid, schrijlings
Slabakn: iets traag uitvoeren, uitstellen
Smeërlapurieë: smeerlapperij
Steërling kiekn: strak kijken
Stief: stijf
Stilulign: stilliggen
Stilustoön: stilstaan
Stoön: staan
Struukuln: struikelen
Stuupn: bukken
Tis va wiln en kunieë: willen maar niet kunnen
Toegeevun an utwieën: toegeven aan iemand
Truntun: aarzelen
Tuumuletu: tuimeling
U neegatievu oediengu: een negatieve houding
U neutraalu oediengu: een neutrale houding
U posietievu oediengu: een positieve houding
U tuksju doeën: een tukje doen
Up ju buuk ligun: op je buik liggen
Up ju/zu gat zitn: op je achterste zitten
Up ju/zu kop stoön: op je hoofd staan
Up ju/zu nan stoön: handenstand
Up ju/zu nuk zitn: gehurkt zitten
Up ju/zu rik lign: op je rug liggen
Up ju weeroedn zien: je niet laten verrassen
Up ju/zu ziedu lign: op je zij liggen
Vantweëstun: dwars
Vastbuslootn: vastbesloten
Veelu tralala maakun: veel spel maken
Vijandug: vijandig
Vorzigtug: voorzichtig
Vrieënduluk zien: vriendelijk zijn
Vul vurtrown: vol vertrouwen
Vuloedn: volhouden
Vurantwooörduluk: verantwoordelijk
Vurdraagzaam; verdraagzaam
Vurtrown: vertrouwen
Voln: vallen
Vroenk: wrong
Zjaloezieë: jaloersheid

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 33: Water en vuur, vliegen, sporen, wegen, fiets

Water
Ankur: anker
Ankur (t) uutsmietn: het anker uitgooien
Bakbooört: bakboord
Bareeëlu: bareel, spoorwegoverweg
Basing: waterbekken    Fr bassin
Bediengu: bedding
Benu vis: mand vis
Binvoörn: binnenvaren (in de haven)
Blusjhn: blussen
Boovn woötur komn: boven water komen, tevoorschijn komen
Brandoet: brandhout
Brantsjhaa: brandschade
Brantstigtiengu: brandstichting
Brantvrie: brandvrij
Brantvurzeekriengu: brandverzekering
Brugu: brug
Bumaniengu: bemanning (van schip)
Buspujtn: bespuiten
Buutnbooörtmotuür: buitenboordmotor
Buuzu van u vieloo: buis van een (mannen)fiets
Buvloejiengu: bevloeing
Buvogtugiengu: bevochtiging
Da folt int woötur: dat valt in het water, dat mislukt
Dek: dek (van een schip)
Distakoödun: staketsel
Doom: damp
Drievun: drijven
Du kastanjus uut vieër aaln: de kastanjes uit het vuur halen, gevaarlijke toestand oplossen
Du kruuku go zo langu tu woötur toeta zu bast: de kruik gaat zo lang te water tot ze barst, bij verdere risico’s gaat het ooit wel mis
Eeët woötur: heet water
Eërdu: aarde
Eluvieër: hellevuur
Gin rook zoendur vieër: geen rook zonder vuur
Golvn: golven
Goözuvieër: gasvuur
In brandu sjhieëtn: vuur vatten
In brandu stoön: in brand staan
Kampvieër: kampvuur
Kanongusjhut: kanonvuur
Koet woötur: koud water
Kooltju vier: stuk brandende kool
Koturn: rakelen (in een vuur)
Leeëgwoötur: laagwater
Leevn lik u vis in twoötur: leven als een vis in het water, onbezorgd leven
Lik u paalu boovn twoötur stoön: als een paal boven water staan, niet aan twijfel onderhevig
Low woötur: lauw water
Maalboot: mailboot
Me vieër speeln: met vuur spelen, gevaarlijk spel, risico’s nemen
Moendiengu: monding (van een rivier)
Oendurgoön: ondergaan (in water)
Oentplofiengu: ontploffing
Oetvieër: houtvuur
Ofvloejn: afvloeien
Ofvoeërn: afvoeren
Oogwoötur: hoog water
Oolie up tvieër gieëtn: olie op het vuur gieten, verergeren, ophitsen
Oörtvieër: haardvuur
Oovurstroomiengu: overstroming
Up mukoör guliekun lik twi drupuls woötur: op elkaar gelijken als twee druppels water
Reegnwoötru: regenwater
Reeliengu: reling
Sasun: sassen
Sietukaru: motor met zijspan       Eng: sidecar
Sjhipvoört: scheepvaart
Sjhoepurn: licht verbranden
Slipbooöt: sleepboot
Sluuzn: sluizen
Sluuzu: sluis
Spervieër: spervuur
Stilu woöturs, dieëpu groendn: stille waters, diepe gronden
Stoöntje va ju vieloo: inrichting vooraan of achteraan om bagage of kind te vervoeren
Stroojviertju: een strovuurtje
Stroomiengu: stroming
Stuurbooört of stieërbooört: stuurboord
Tooft boovn twoötur oedun: het hoofd boven water houden, financieel juist rondkomen
Troebul woöter: troebel, onzuiver water
Tvieër an du sjheen legn: het vuur aan de schenen leggen, onder druk zetten
Tvieër veust nog: het vuur smeult nog
Twarm woötur eruutvieng: het warm water heruitvinden, iets wat al langer bestaat voorstellen   als origineel
Twoötur komt an du lipn: het water komt aan de lippen, er bestaat groot gevaar
Twoötur lopt altiet no du zeeë: het water loopt altijd naar de zee, zij die al het meeste hebben krijgen nog het meeste
U doovunt viertju: een dovend vuurtje
U loopnt viertju: een lopend vuurtje, snel verspreidend nieuws
U steeku oendur woötur geevn: een steek onder water geven
U stormu in u glas woötur: een storm in een glas water, je druk maken om niets
Uutmoendn: uitmonden
Vaaguvieër: vagevuur
Varutju: vaart
Vieër: vuur
Viertju stookn: vuurtje stoken, ophitsen
Vievur: vijver
Visjhursaavn: vissershaven
Vispersu: vispers
Visvievur: visvijver
Vlamu: vlam
Vloeët: vloed
Vloeiboör: vloeibaar
Vloeistofu: vloeistof
Voenku: vonk
Voörn: varen
Voört: vaart
Vreugduvieër: vreugdevuur
Vurbievoörn: voorbijvaren
Vurbran: verbranden
Vurdrienkn: verdrinken
Vurdroenkn: verdronken
Vursjhoepurn: verschroeien
Vursmooörn: verdrinken
Vurzuupn: verdrinken
Warm woötur: warm water
Woö datur rook is, istur vieër: waar er rook is, is er vuur
Woötru of woötur: water
Woötur en vieër zien: tegenstellingen
Zeeë: zee
Zeeëgat: haven, zeegat
Zeeëwoötru: zeewater
Zo rooöt of vieër: vuurrood

 

Wegen, spoorlijnen, luchtwegen

Vliegen

Bagaazjuruumtu: bagageruimte
Balong: ballon
Balongvoört: ballonvaart
Boejieng: boeing
Bumaniengu: bemanning (vliegtuig)
Eeërstu klasu: eerste klasse
Eeliekoptur: hefschroefvliegtuig            Fr hélicoptère
Jagtvlieëgtuug: jachtvliegtuig
Kokpiet: cockpit
Landiengsbonu: landingsbaan
Landiengsgustel: landingsgestel
Landiengu: landing
Lugtaavun: luchthaven
Lugtvoört: luchtvaart
Lugtvurkeeërslijdiengu: luchtverkeersleiding
Lugtvurkeeërslijdur: luchtverkeersleider
Lugtzak: luchtzak
Nooötlandiengu: noodlanding
Oriezon(g): horizon
Otomoötiesjhu pieloot: automatische piloot
Radaar: radar
Ruumtuvoört: ruimtevaart
Sjartur: charter
Sportvlieëgtuug: sportvliegtuig
Startboönu: startbaan
Straalvlieëgtuug: straalvliegtuig
Toeriestuklasu: toeristenklasse
Vijlugijtsgordul: veiligheidsgordul
Vlieëgbaazies: vliegbasis
Vlieëgn: vliegen
Vlieëgmasjien: vliegmachine
Vlieëgoogtu: vlieghoogte
Vlieëgpling: vliegplein
Vlieëgtuug: vliegtuig
Vlieëgtuugoeënguluk: vliegtuigongeluk
Vlieëgtuugrampu: vliegtuigramp
Vlieëgvelt: vliegveld
Vurbievlieëgn: voorbijvliegen
Vurkeeërstoorn: verkeerstoren
Zweefvlieëgtuug: zweefvliegtuig

Sporen

Boemultring: boemeltrein
Boovunlijdiengu: bovenleiding (voedt elektrische spanning)
Dendurn: denderen, geluid van de trein op de sporen
Dieënstreegliengu: dienstregeling
Dubuldektring: dubbeldekstrein
Iezurweg: spoorweg
Intursietie: intercity (stopt in alle grote steden)
Koesjitu: liplaats op trein      Fr couchette
Kompartiement: treincoupé    Fr compartiment
Lokoomotief: locomotief
Midungank: middengang tussen de zitplaatsen
Nagttring: nachttrein
Oendurgroeënsjhu: ondergrondse
Pirong: bordes, stoep     Fr perron
Rils: spoorstaven     Eng rails
Rilu: rail
Slaptring: slaaptrein
Sneltring: sneltrein
Spooörlienu: spoorlijn
Stoösju: station
Stoptring: stoptrein, die in alle stations stopt
Traveër: overweg        Fr travers (dwars oversteken)
Tring: trein
Tringrampu: treinramp
Tringroetu: spoorbaan
Tringstaakiengu: treinstaking
Tringstel: treinstel
Tringstoösju: treinstation
Wagong: treinwagen      Fr wagon

Wegen

Binuboönu: binnenbaan
Boönvak: baanvak
Boeëruslag: landweg
Boelvaar: hoofdweg     Fr boulevard
Bordeuru: stoeprand            Fr bordure
Bugoönboör: begaanbaar
Dorpskomu: dorpskom
Dorpspling: dorpsplein
Dorpstroötu: dorpsstraat
Groötu bonu: 
Indurnisu: hindernis
Kapoo: motorkap (van een auto)
Kasieë: kassei
Makadamboönu: asfaltweg
Omutoeër: omweg
Ooftbonu: hoofdbaan
Otostraadu: autobaan, autostrade
Platsu: dorpplaats
Pling: plein
Plingsju: pleintje
Riebonu: rijbaan
Rieën: rijden
Rooö lugt: rood licht      => tis rooöt of oranju of groeënu
Smeërn: smeren (auto)
Startbonu: startbaan
Stoötsbonu: staatsbaan
Stroötu (uuzu stroötu): straat (onze straat)
Suugistiestrooku: suggestiestrook voor fietsers
Terumak: asfalt       Fr  tarmac
Tvooörlant of trotwaar: voetpad                 Fr trottoir
Varutju: vaart
Voeëtpat: voetpad
Vooörrank en: voorrang hebben
Vooörranksbort: voorrangsbord
Vooörranksweg: voorrangsweg
Vurbridiengu: verbreding
Vurkeeër: verkeervursmaliengu: versmalling
Ziestroötu: zijstraat

Fiets

Banduspaniengu: bandenspanning
Bantbreukn: bandbreuken
Bantbreuku: bandbreuk
Belu: bel
Binubant: binnenband
Buutubant: buitenband
Buuzu: buis
Dirajuür: versnellingsapparaat van fiets                  Fr dérailleur
Foersju: vork                           Fr fourche
Fringn: remmen werkwoord     Fr freiner
Frings: remmen        Fr freins
Garduboe: spatbord                   Fr garde-boue
Giedong: stuur                       Fr guidon
Keetn: ketting
Rijongs: spaken                      Fr rayon
Ruustienutju: klever om een gat in een fietsband te dichten
Sjiekuplat: helemaal plat (een band bvb)
Soepapu: ventiel                     Fr soupape
Stoöntju: pakjesdrager
Trontinitu: step                   Fr trottinette
Vieloo: fiets
Vieloobonu: fietsbaan
Vieloopompu: pomp om banden te vullen met lucht
Vieloorek: fietsrek
Vielooroetu: fietspad
Vieloospelu: fietsspeld
Vieloostoön(tju): bagagedrager op de fiets
Vietisn: versnellingsapparaat aan fiets of auto      Fr vitesse
Vooörwieël: voorwiel
Zantu: velg
Zoötu: zadel

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten