Woordenlijst Nr 41 Tijdstippen Bijwoorden van tijd Datums Dagen
Aakn en Keuln zien nie up eeën dag gubowt: Aken en Keulen niet op een dag gebouwd (=niet alles is onmiddellijk klaar - even geduld)
Aalmeduki: almeteens, opeens
Aaltumets: soms
Aaltiet: altijd
Aavunt: avond
Agturnoeënu: namiddag
Agow: weldra, binnenkort
Akufietju: kort tijdstip, lastig werkje
Aligtu: binnenkort
Altumets: soms
An du dag legn: aan de dag leggen (vertonen)
An du ordu van du dag zien: niet vaak voorkomen
Antiedn: op tijd
Apupri: ongeveer
Asan: altijd
Biekaaäns: bijna
Biekan: bijna
Biena is veru van Sjiena: met ‘bijna’ zijn we er nog niet
Biïnst da mu du keur en: terwijl we de kans hebben
Biïnstuwielu: ondertussen
Binukort: binnenkort
Bloejmoönt: bloeimaand (mei)
Daaguroöt: dageraad
Dadit gin brooöt: dat is niet dringend
Daglugt: daglicht
Diesundag: dinsdag
Dikuls: dikwijls
Dimsturn: schemeren
Dojuustu: daarjuist
Driengunt: dringend
Du tiet: de tijd
Dundurdag: donderdag
Dur giïn gas loötn oovur groejn: niet uitstellen
Eeëst eerst
Efnan: effenaan
Eftjus: even
Endu: einde
Euru: uur
Feeëstdag: feestdag
Gistur(n): gisteren
In tjoör stilutjus: lang geleden
In u noöj en u droöj: in korte tijd
In du noedn tiet: in de tijd van vroeger
In du weërdieë van u poör mienuutn: in nauwelijks een paar minuten
In tjoör stilutjus: nooit
Ineeënuki: ineens
Ju norloozju lopt agtur: jouw horloge loopt achter
Ju norloozju lopt op soldoötuknoopn: uw uurwerk loopt niet altijd juist
Ju norloozju lopt vooërn: jouw horloge loopt voor
Juustoptiet: juist op tijd
Kloörundag of kloörlugtundag: klare dag
Loötu: laat
Loötur: later
Miju: mei
Mijmoönt: meimaand
Moönt: maand
Moöndag: maandag
Moönduluks: maandelijks
Moörtu: maart
Morgun komt ook alieër: het kan uitgesteld worden tot morgen
Naavunt: avond
Noöjt: nooit
Nugtunt: morgen
Oe lootu ist: hoe laat is het
Oe loötu zeg ju: hoe laat, zeg je
Oendur du noeënu: onder de middag
Oj tiet et: als je tijd hebt
Nie langu guleen: niet lang geleden
Oe loötu?: hoe laat?
Ojkitiedet: als je eens tijd hebt
Oöfoogst: half augustus
Oogdriengunt: hoogdringend
Oogtag: hoogdag (u noogtag)
Oopniengseurn: openingsuren
Oöstju zeeëru: haast je
Oovurgangsjoör: overgangsjaar
Orloozju: uurwerk
Osan: altijd
Ot tiet is: als de tijd gekomen is
Ot sjho weeris: als het mooi weer is
Poöjmentn: (iets doen) in verschillende keren
Poösjhun: Pasen
Purtangs: nochtans
Regtuut: onmiddellijk
Saavns: ’s avonds
Sienksjhun; Sinksen
Siezoeën: seizoen
Snoeëns: ‘s middags
Snugtuns: ’s morgens
Soms u ki: soms eens
Somtiets: soms
Subiet(s): direct daarachter
Sagturnoeëns: in de namiddag
Svornoeëns: in de voormiddag
Svriedags: op vrijdag
Tbluuft gudeurn: het blijft maar duren
Tgoenk zeëru: het ging rap
Tietperk: tijdperk
Tietreekniengu: tijdrekening
Tis nooöjs tu loötu: het is nooit te laat
Tis vurbie: het is voorbij, gedaan
Tnoöstu joöru: volgend jaar
Tnoöstu moöndu: volgende maand
Tnoöstu moönt: volgende maand
Tnoöstu weeku: volgende week
Tnoöstu zundag: komende zondag
Toe tonu: tot straks
Toe tnoöstu ki: tot de volgende keer
Tonu: dan, toen
Tu loötu komn: te laat komen
Tu pasu en tu noenpasu: te pas en te onpas
Tugoöruvoln: samenvallen
Tusjhn du soepu en du patatn: snel tijdens het middagmaal
U kart wagtn: een kwartier wachten
U ki: een keer
U neuru of vieëru guleen: een uur of vier geleden
U stik in du nagt: nacht vergevorderd
U tietju guleen: een tijdje geleden
Up tiet zien: op tijd zijn
Up vooöraaänsu: bij voorbaat
Ut krieëkn van du dag: de morgenstond
Uutkomn (tun): in de lente
Uutstel: uitstel
Uutzoendurlik: uitzonderlijk
Vanaavnt: deze avond
Vandaagu: vandaag
Vandagturnoeënu: deze namiddag
Vandujoöru: dit jaar
Vandumoöndu: deze maand
Vandunagt: deze nacht
Vandunagturnoeënu: deze namiddag
Vanduvooörnoeënu: deze voormiddag
Vanduweeku: deze week
Vanoeënu: deze middag
Vanugtunt: deze morgen
Vanuvors: vanaf nu
Vooöraavunt: vooravond
Vooörnoeënu: voormiddag
Vooörsiezoeën: voorseizoen
Vorloopug: voorlopig
Vornoenu: voormiddag
Vrats: plots, opeens (bijwoord van tijd)
Vriedag: vrijdag
Vurjoördag: verjaardag
Vuufdaagnweeku: vijfdagenweek
Vurbie: voorbij
Vurletn: tijd verliezen
Vurloötn: op een later tijdstip zetten
Vurvroegn: vervroegen
Waneeër: wanneer
Weër ju bitju: haast je wat
Weërdu of weërdieë van gin tiet (in du): korte tijd
Weeru: opnieuw
Weeku (u) anu stik: een week lang
Wientureuru: winteruur
Woeënsdag: woensdag
Zakorloozju: zakhorloge
Zeeëru: rap snel
Zoomureuru: zomeruur
Zoöturdag: zaterdag
Zundag: zondag
Zunsoendurgank: zonsondergang
Zunsupgank: zonsopgang

