koreaanse poëzie

de pret duurt nog een even voort: ben surfend op zoek gegaan naar koreaanse poezie, heb dit sprookjesachtig gedicht gevonden, van ho nansorhon*, op de webstek* van de nederlandse dichter lucas husgen:
WINTER
Lang ligt de
koude nacht rond de koperen pot van de waterklok.
De maan beschijnt het gazen gordijn, kil zijn de zijden dekens.
De bronemmer kraakt: de kauwen van het paleis stuiven uiteen.
Door schemertinten overvallen ligt het zolderraam in de schaduw.
De dames, bijeen bij de blinden, gieten de gouden kruiken vol.
Ruw in de hand ligt het jaden vat, maar vol aroma is de rouge.
Ze vaart uit tegen de handen die bergen in de lente tekenden;
de parkiet in de gouden kooi heeft een hekel aan de ochtendvorst.
De twee buurvrouwen giechelen en kwebbelen onder elkaar.
Zijn gelaat, als jade zo mooi, verbleekt in haar gedachten.
Boven de houtskool gloeit het komfoor; ze bespeelt de feniksenfluit.
Geitenkalfjeswijn raakt onder het gordijn omgezet in lentewijn.
Ze leunt en denkt: ben verloochend door de man uit de grensstreek.
Wil te paard, met de gouden speer, wil naar het Blauwe Meer.
Overrompelt dan een wind vol sneeuw en zand mijn zwarte bont,
denk ik gedwee, zakdoek betraand, aan de donkere vrouwenkamer.
* De klassieke dichteres Ho Nansorhon (1563-1589) werd geboren in de omgeving van de stad Kangnung. Ho Nansorhon geldt nog altijd als een van de onbetwiste grootheden uit de Koreaanse literatuur. Zij bracht het toen nog maar honderd jaar oude genre kasa tot bloei. Zij schreef echter slechts twee Koreaanse kasa; het overgrote deel van haar werk is in het Chinees.
Maar ook daar bezigt zij een kleurrijke taal, vol emotie, beeld, gevoel voor detail. Anders dan in haar tijd gebruikelijk, maakte ze rijkelijk gebruik van beeldmateriaal uit taoïstische sferen. De sprookjesachtigheid van haar werk paste alleen daarom al niet in het streng confucianistische Korea van die dagen.
* http://www.lucashusgen.net/vertalen.korea-poezie-01.htm





















